Forel (Salmo fario).

Forel (Salmo fario).

Wat behendigheid en snelheid van beweging betreft, wordt de Rivierforel hoogstens door enkele van hare verwanten, misschien echter door geen anderen riviervisch overtroffen. Waarschijnlijk moet men haar tot de Visschen met nachtelijke levenswijze rekenen; alle waargenomen feiten pleiten althans ten gunste van de stelling, dat zij eerst tegen den avond haar hoogste mate van beweeglijkheid openbaart en vooral gedurende den nacht haar belangrijksten arbeid verricht, d. w. z., voor haar voeding zorgt. Over dag verschuilt zij zich gaarne onder overhangende steenen aan den oever of in andere holen en schuilhoeken, die door de steenmassa’s van het door haar bewoonde water gevormd worden. Wanneer echter op dien tijd in haar omgeving een volslagen stilte heerscht, vertoont zij zich ook dan in ’t open water. Steeds den kop stroomopwaarts gericht houdend, „staat” zij soms een kwartier of langer op dezelfde plaats, schijnbaar bewegingloos, hoewel zij in werkelijkheid door beweging van de vinnen zich op dezelfde plaats moet houden. Soms schiet zij plotseling pijlsnel door het water, met bewonderenswaardige behendigheid steeds den hoofdstroom vindend, zoodat zij in ondiepe beken haar weg kan vervolgen, zelfs op plaatsen waar het zwemmen onmogelijk schijnt te zijn. Wanneer zij opgeschrikt wordt, tracht zij, voor zoover hiertoe gelegenheid bestaat, steeds weer een schuilhoek te bereiken en zich hierin te verbergen: zij is een van de voorzichtigste en schuwste Visschen. Om stroomafwaarts te komen, laat zij zich soms, den kop tegenstroom gericht, langzaam drijven; soms echter schiet zij met inspanning van al hare krachten zoo vlug door het water, dat de snelheid van haar beweging die van den stroom ver overtreft. Zoolang zij stil staat, loert zij op buit en overziet zorgvuldig haar jachtgebied, het water naast en vóór haar, de waterspiegel of de lucht boven haar. Wanneer een Insect, hetzij klein of groot, haar uitkijkplaats nadert, wacht zij, zonder eenige beweging te maken, totdat het op den gewenschten afstand gekomen is, doet dan buitengewoon snel één of meer krachtige slagen met de staartvin en springt, door het water voortschietend of boven de oppervlakte zich verheffend, op den begeerden buit toe. De jonge Forel maakt bij voorkeur jacht op Insecten, Wormen, Bloedzuigers, Slakken, Vischlarven, kleine Visschen en Kikvorschen. Zoodra zij echter 1 à 1.5 KG. zwaar geworden is, wedijvert zij in vraatzucht met iederen roofvisch van haar grootte, doet althans voor den Snoek weinig onder en overvalt ieder levend wezen, dat zij overmeesteren kan, haar eigen kroost niet uitgezonderd.

De voortplantingsverrichtingen van de Forel nemen een aanvang in het midden van October en houden soms aan tot in December. Het kuitschieten heeft plaats in ondiep water op grintgrond of achter groote steenen, voor zoover hier een snelle strooming voorkomt. Vóór het leggen maakt het wijfje door vlugge beweging van den staart een meer of minder groote, ondiepe kuil in den bodem, laat hierin de eieren vallen, bedekt ze door opnieuw den staart te bewegen en laat ze vervolgens aan hun lot over. De jongen, die na ongeveer 6 weken uitkomen, blijven in het eerst eenigen tijd bewegingloos liggen op de broedplaats; hoogstens bewegen zij hunne kleine borstvinnen; dit duurt totdat zij den inhoud van den dooierzak verbruikt hebben en behoefte aan ander voedsel beginnen te gevoelen. Aanvankelijk zijn zij tevreden met de allerkleinste waterdiertjes, later maken zij ook wormpjes buit, vervolgens Insecten en pas geboren vischjes. Met hun grootte neemt ook hun roofzucht toe. Drie maanden nadat zij als vormelooze schepseltjes uit het ei kwamen, zijn zij welgevormde, sierlijke vischjes geworden, die, evenals de meeste overige Zalmvisschen, een jeugdkleed dragen, waarop donkerbruine dwarsbanden zichtbaar zijn. Omstreeks dezen tijd gaan de broers en zusters uiteen, om plaatsen op te zoeken waar zij op dezelfde wijze werkzaam kunnen zijn als hunne ouders.

De jonge Forellen worden door vele vijanden bedreigd en in gevaar gebracht. Nog voordat zij het ei verlaten hebben, richten de op den bodem levende Visschen, vooral de Kwabben, een groote slachting onder hen aan; de Waterspreeuw pikt er ook wel een aantal van op; zelfs de onschuldige Kwikstaart zal er vermoedelijk eenige verslinden. Van de zelfstandig geworden jongen vallen er verscheidene ten buit aan de reeds genoemde Kwabben en aan andere roofvisschen, vooral aan de oudere Forellen. Als het vischje zoo ver ontwikkeld is, dat het zelf rooven kan, heeft het nog in de Waterspitsmuis, de Waterrat en den Vischotter vijanden, waartegen het niet opgewassen is.

De gegronde klachten over de vermindering van het aantal onzer zoetwatervisschen, hebben ongelukkig ook betrekking op de Forellen; de mogelijkheid bestaat echter om wateren, die voor deze Visschen geschikt zijn, er weder mede te bevolken: men kan ze op doeltreffende wijze kweeken en opvoeden. Geen andere soort van Zalmvisch is zoo goed als de Forel geschikt om gefokt te worden; zij gedijt in bronnenrijke vijvers even goed als in beken, groeit snel en brengt een hoogen prijs op.


Een te recht buitengewoon hoog geschat lid van het Zalmengeslacht—de Roode Forel (Salmo salvelinus)—bewoont in meer of minder groot aantal de meren van de Middel-Europeesche, Noord-Russische en Skandinavische bergstreken. Haar langwerpige en zijdelings eenigszins samengedrukte romp is in verband met verschil van leeftijd, sekse en verblijfplaats zeer ongelijk van vorm; de vinnen zijn tamelijk lang, de buikvinnen onder de rugvin aangehecht. Ook de kleur is aan veel afwisseling onderhevig. Bij vele exemplaren gaat de blauwgrijze kleur van den rug op de zijden langzamerhand in wit over, dat meer of minder geelachtig kan zijn en op den buik vervangen wordt door een levendig oranjeroode kleur, die vooral gedurende den paaitijd duidelijk uitkomt; aan de zijden van den romp bevinden zich dikwijls ronde, lichte plekken, die in de nabijheid van den buik, al naar de kleur die deze heeft, soms witachtig, soms geelachtig, soms oranjerood zijn; zulke vlekken treft men soms ook op het onderste deel van de rugvin aan. Bij jonge exemplaren raken deze vlekken elkander soms, waardoor een gemarmerde teekening ontstaat. Ook donkerder kleuren komen voor; de buik kan vermiljoenrood, de rug bruinachtig groen zijn. De Roode Forel kan een lengte van 80 cM. bereiken en 10 KG. zwaar worden; gewoonlijk is haar lengte niet grooter dan 30 cM., haar gewicht ongeveer O.5 KG.

Deze soort bewoont uitsluitend meren van echte bergstreken; in de Alpen wordt zij op geen geringer hoogte dan 2000 M. boven den waterspiegel aangetroffen; in den regel bezoekt zij de rivieren, die in deze meren uitmonden, niet eens gedurende den paaitijd. Evenals de Houtingen brengt de Roode Forel in diepe waterlagen het grootste deel van haar leven door; evenals deze voedt zij zich hoofdzakelijk met kleine wezens, vooral met verschillende Schaaldieren. Ook kleine Visschen worden trouwens niet door haar versmaad; waarschijnlijk voeden de zeer groote exemplaren zich grootendeels met deze prooi. Het kuitschieten neemt tegen het einde van October een aanvang en duurt tot in het einde van November; in enkele meren misschien nog langer. In dezen tijd stijgen de Roode Forellen omhoog naar het minder diepe water bij den oever, waar de broedplaats is van hare eieren. Zij vermenigvuldigen zich tamelijk sterk, maar groeien minder snel dan de Gewone Forellen. Beide soorten bewonen dikwijls hetzelfde meer; toch heeft er in de vrije natuur nooit kruising plaats. In de inrichtingen voor kunstmatige vischteelt evenwel is het in de laatste jaren dikwijls gelukt van Forellen en Roode Forellen hybriden te verkrijgen, die, naar men zegt, zich door voortreffelijke eigenschappen onderscheiden, sneller groeien dan de Roode Forel en smakelijker zijn dan de Gewone. Door kunstmatige vischteelt heeft men het aantal van deze Visschen in enkele meren aanmerkelijk doen toenemen. Men vangt de Roode Forel hoofdzakelijk gedurende den paaitijd, meestal in groote vleugelnetten, die door vier mannen in twee schuiten aan land getrokken worden en dikwijls een groote hoeveelheid visch opleveren. Het vleesch van deze soort wordt hooger geschat dan dat van eenigen anderen Zalmvisch.


De Donau-zalm (Salmo hucho), heeft een langwerpigen, rolvormigen romp; de groenachtige, donkerbruine of blauwachtig grijze kleur van den bovenkop en den rug gaat op de zijden langzamerhand over in de zilverwitte kleur van den buik; de kop en de romp zijn in meerdere of mindere mate met kleine donkergrijze of zwartachtige stippeltjes bezet, waartusschen (vooral op den kruin, het kieuwdeksel en den rug) grootere, zwarte vlekken voorkomen; deze vlekken nemen verder naar achteren en naar onderen een halvemaanvormige gedaante aan. Bij zeer oude Visschen is de grondkleur lichtrood. De vinnen zijn witachtig en ongevlekt, de rugvin en de staartvin onzuiver van kleur. De lengte bedraagt 1.5 à 2 M., het gewicht 20 à 50 KG.

Hoewel de Donauzalm, volgens Pallas, ook de stroomen, die in de Kaspische Zee uitmonden, bewoont, hebben latere onderzoekers hem uitsluitend in het stroomgebied van den Donau waargenomen; het is trouwens twijfelachtig, of hij zich wel naar de zee begeeft, veel waarschijnlijker daarentegen, dat hij voortdurend in den hoofdstroom en zijne uit de Alpen afkomstige bijrivieren blijft. Wel heeft men soms ook in de rivieren, die uit het noorden naar den Donau stroomen, enkele Donauzalmen gevangen; dergelijke gevallen moeten echter als uitzonderingen worden beschouwd. Het is wel mogelijk, dat hij gedurende den paaitijd uit den hoofdstroom in de bijrivieren overgaat en deze opzwemt, waarschijnlijk begeeft hij zich echter niet tot grooter hoogte dan 1000 M. Zijn aard is die van een echten Zalm; in verband met zijn aanzienlijke grootte is hij echter vraatzuchtiger dan al zijne verwanten. In tegenstelling met deze besteedt hij de maanden April en Mei aan de voortplanting; bij gunstige weersgesteldheid neemt het kuitschieten echter reeds in Maart een aanvang. Tegen dezen tijd verlaten de Donauzalmen het sterk stroomend water, waarin zij zich bij voorkeur ophouden, zoeken ondiepe plaatsen op, welker bodem met grint bedekt is, en maken hierin met den staart een groeve, die tot bergplaats dient van de eieren. Gedurende het leggen letten zij zoo weinig op hetgeen er in hun omgeving voorvalt, dat men met een boot over hen heen kan varen zonder ze te verjagen.

Het witachtige vleesch van dezen Visch is veel minder smakelijk dan dat van den Zalm en wordt lager geschat dan dat van de Zalmforel. Men vangt den Donauzalm in groote netten of met den hengel; soms kan men hem, terwijl hij rustig in een diepe waterlaag staat, met een harpoen of met een kogel dooden. Indien hij niet zoo vraatzuchtig was en niet zoo dikwijls te lijden had van een bij de Visschen veel voorkomende huidziekte, zou het zeer wel mogelijk zijn hem te kweeken in vijvers, die een aanhoudenden toevoer van zacht water ontvangen, daar hij hierin goed gedijt.

*

De Spieringzalmen (Osmerus) hebben kleine of middelmatig groote, glanslooze, spoedig losgerakende schubben op hun doorschijnend lichaam; de lange bovenkaaksbeenderen reiken tot onder den achterrand van het oog; de mondspleet is dus zeer wijd; alle beenderen van den bek, ook de vleugelbeenderen en de tong, dragen tanden; deze zijn het grootst op het voorste uiteinde van het zeer korte ploegschaarbeen en van het tongbeen, zeer fijn aan den rand van tusschen- en bovenkaak, waar zij op een enkele rij staan; de ver vooruitstekende onderkaak heeft, behalve een buitenste rij zeer fijne, een binnenste rij van grootere tanden. De valsche kieuwen zijn aanwezig, maar rudimentair.


Bij de belangrijkste soort van dit geslacht, die de Spiering of Spierling, in Friesland Spjirring wordt genoemd (Osmerus eperlanus), zijn de omtrek van romp en kop, de grootte en de kleur zeer verschillend. De bovendeelen zijn gewoonlijk grijs, de zijden zilverkleurig met blauwachtigen of groenachtigen weerschijn, de onderdeelen roodachtig. De lengte bedraagt meestal 13 tot 20 cM., bij uitzondering 25 à 30 cM.

Vele kuststreken van Noord-Europa en de oostkust van Noord-Amerika zijn zeer rijk aan Spieringen. In Europa schijnen zij zich voornamelijk op te houden in de Noordzee en de Oostzee; men vindt hen echter ook in het Kanaal niet zelden; ook bewonen zij de haffen en groote zoetwatermeren langs de Oostzeekust in meer of minder grooten getale. Sommige dierkundigen onderscheiden een Zee- en een Zoetwater-spiering. Gene zwemt om kuit te schieten de rivieren op, waar zijne jongen geruimen tijd blijven. Volgens Van den Ende zwemmen de Spieringen van de Zuiderzee den IJsel op in Februari en Maart; in de lente en den zomer worden zij op deze rivier tot voorbij Zutfen, doch nooit hooger dan Doesburg gevangen; na een zeer langdurigen winter treft men niet voor April te Zutfen Spiering aan. Dat er het geheele jaar door op het Hollandsch Diep Spiering wordt gevischt, schijnt te pleiten voor de opvatting, dat men hier met een in zoetwater blijvenden vorm te doen heeft; het is althans nooit gebleken, dat hij een uit zee binnenvallende trekvisch zou zijn. Bijzonder overvloedig verschijnt de zoogenaamde Zeespiering in de monden van de Elbe en den Wezer, zelden op de kusten van Holstein, Mecklenburg en Pommeren, in buitengewoon groot aantal daarentegen in het Kurische Haf. Dit haf wordt ook bewoond door de Zoetwaterspiering, die nergens anders de zee bezoekt en vooral in de zoetwatermeren van Oost-Pruisen, Pommeren, Brandenburg, Mecklenburg en Holstein voorkomt. Beide vormen zijn steeds tot talrijke gezelschappen vereenigd, die zich gedurende den winter in de diepte verborgen houden en zich eerst in Maart en April in de bovenste waterlagen vertoonen, om met het oog op de voortplanting stroomopwaarts te reizen. De Spieringscholen trekken nooit zoover als de overige Zalmvisschen, hoewel zij zich tot diep in het binnenland begeven, in de Elbe tot Anhalt en Saksen, in den Wezer tot Minden, in de Seine tot Parijs den stroom opzwemmen. Nadat zij in het begin van April hunne kleine, gele eieren op zandige plaatsen hebben gelegd, keeren zij naar de zee of de meren terug.

„Gedurende vele maanden van het jaar,” schrijft Dr. Hoek, „is op het Hollandsch Diep en Haringvliet voor den ankerkuil en de staalboomen de vangst van Spiering hoofdzaak: met name is dit het geval in den winter en voorjaarsmaanden, terwijl gedurende de zomermaanden, althans voor de „eigen” schokkers, de aasvisscherij de spieringvangst geheel verdringt. De kantoren blijven echter het geheele jaar door—de maanden van den gesloten tijd (1 April tot 15 Juni) natuurlijk uitgezonderd—Spiering vangen en ten verkoop opzenden. Hoewel van Mei tot Juli of Augustus het aantal Spieringen niet groot is, ontbreken zij echter ook in dezen tijd niet. De grootste op het Hollandsch Diep gevangen Spieringen, die wij zagen, waren 25 à 26 cM. lang. De waarde van de Spiering is aan zeer groote schommelingen onderhevig. Bij zeer hooge markt, zoowel te Parijs als te Londen, maakten de kantoren voor één grooten Spiering 6 à 8, soms zelfs 10 à 12 cents. Als de hoeveelheid Spiering niet aanzienlijk genoeg is om ze te verzenden, wordt zij in de plaatsen, waar de visschers thuis behooren, verkocht. Ook dan wisselt de prijs zeer sterk af. Als de prijs laag is, brengt de groote Spiering 60 à 75 cents de honderd op, terwijl voor een mandje van ongeveer 100 stuks kleine Spiering (10 à 12 cM. lang) 10 à 15 cents wordt betaald.” Van Juni tot Februari is de Spiering zeer menigvuldig in de Zuiderzee, waar in sommige jaren meer dan 1 millioen KG. van dezen Visch gevangen wordt, o.a. in 1895 toen de opbrengst van de Zuiderzee-spieringvisscherij ruim ƒ55000 bedroeg.

Den naam Osmerus en ook den Duitschen naam „Stint” dankt de Spiering aan zijn eigenaardige lucht, welke met die van bedorven augurken vergeleken wordt. Toch wordt dit vischje als zeer smakelijk geroemd en is op vele plaatsen zeer gezocht. Soms vangt men de Spieringen in zulk een ontzaglijke hoeveelheid te gelijk, dat men ze voor een groot deel als mestspecie moet gebruiken. Men geeft ze ook wel aan kostbare, in vijvers gekweekte Visschen als voedsel.

Een van de kleinste Zalmvisschen, de Kapelaan (Mallotus villosus), bewoont in ontzaglijke hoeveelheid de IJszee en is van zeer groot belang voor de visscherij aldaar. Het geslacht der Lodden, waarvan hij de eenige vertegenwoordiger is, kenmerkt zich door een slanke gestalte, kleine schubben, zeer groote, ronde borstvinnen, ver naar achteren verschoven rugvinnen en zwakke, borstelvormige tanden op de kaken, het gehemelte en de tong. De kleur van den rug is donkergroen met bruinachtigen weerschijn, die van de zijden en van den buik zilverwit met vele zwarte stippels; de vinnen zijn grijs en hebben een zwarten rand. De mannetjes en wijfjes vertoonen een vrij aanzienlijk verschil. De lengte wisselt af van 14 tot 18 cM.

Het verbreidingsgebied van den Kapelaan ligt tusschen 64 en 75° N.B. Men vindt hem bij de kust van Finmarken, IJsland en Groenland; in wonderbaarlijke menigte verschijnt hij echter gedurende den paaitijd op de Bank van Newfoundland. Evenals hunne verwanten houden deze Visschen zich gedurende den winter in de diepten der zee op en beginnen eerst in Maart op te stijgen naar de ondiepere paaiplaatsen. Zij vereenigen zich daarbij tot scholen, die 50 zeemijlen lang en breed zijn. Deze dringen met gesloten gelederen in alle bochten en riviermonden door, zoodat de bovenste waterlagen geel gekleurd worden door hunne eieren, die dikwijls bij hoopen op het strand worden geworpen; met korte netten kan men ze letterlijk bij millioenen uit de zee scheppen; voor de arme bewoners van Groenland zijn zij nagenoeg even belangrijk, als voor ons het brood is. In Noorwegen wordt de Kapelaan in ’t geheel niet gebruikt wegens zijn geringe grootte en zijn onaangename lucht; op IJsland eet men hem in verschen toestand, wanneer er geen andere Visschen zijn: in Groenland echter vormen deze Visschen, na in de lucht gedroogd te zijn, een belangrijk deel van den leeftocht voor den winter. Nog belangrijker is de Kapelaan als aas voor de vangst van Kabeljauwen. Behalve door Meeuwen, Zeezwaluwen en Zeehonden worden zijne scholen gevolgd door allerlei roofvisschen, die zich met dezen buit voeden en zoolang de paaitijd van de Lodden duurt, niets anders eten. Voor de helft van de Kabeljauw, die men op de Bank van Newfoundland vangt, dient de Kapelaan als lokaas; millioenen Visschen zijn hiervoor noodig; bovendien worden er millioenen gezouten, in de zon gedroogd, in tonnen gepakt en later voor ’t zelfde doel gebruikt.


De middelmatig groote en kleine Zalmvisschen, die men in het geslacht van de Houtingen (Coregonus) samenvat, hebben een zijdelings eenigermate samengedrukten romp, een kleinen, nauwen mond, die tandeloos is of met zeer fijne, licht uitvallende tanden gewapend, middelmatig groote, spoedig uitvallende schubben, een kleine vetvin en een hooge rugvin, waarvan de aanhechtingsplaats een weinig vóór die van de buikvinnen gelegen is. De 40 soorten van dit geslacht bewonen de zee langs de kust en het zoetwater van het noordelijk halfrond en komen in gestalte en levenswijze zoozeer overeen, dat het in vele gevallen zeer moeielijk is voor deze vormen en hunne verscheidenheden kenmerken op te geven, waardoor men ze met zekerheid kan onderscheiden. In Nederland vindt men twee, in Duitschland minstens 6 soorten van dit geslacht; de Houtingen, die de meren van Groot-Brittannië, Skandinavië en Rusland bewonen, worden meestal tot andere soorten gebracht.


De Blauwe Houting, het Blaufelchen (Coregonus Wartmanni), is slanker gebouwd dan al zijne Duitsche verwanten. De bovenloop en de rug vertoonen op lichtblauwen grond een zilveren weerschijn; de zijden van kop en romp zijn zilverwit; de zijdestreep is zwart gestippeld; de vinnen zijn geelachtig wit met breeden, zwarten zoom. Gemiddeld, wordt hij 30 à 50 cM. lang en 2 à 3 KG. zwaar; hij kan echter een lengte van 60 cM. bereiken. Zoowel de vorm als de kleur varieeren zeer sterk.

De Blauwe Houting bewoont de meeste groote Zwitsersche, Beiersche en Oostenrijksche meren, die aan de noordzijde van de Alpen gelegen zijn. In den regel houden deze Visschen zich, evenals de meeste van hunne verwanten, in de diepste plaatsen der meren op, niet zelden op een diepte van 200 M. onder den waterspiegel, slechts bij uitzondering in waterlagen van 40 à 100 M. diepte. Bij onweders en warme regenbuien naderen zij, naar men zegt, de oppervlakte tot op een afstand van 20 of nog minder M., om zich, zoodra het koeler wordt, weer naar de diepte te begeven. In de rivieren gaan zij nimmer over en trekken dus ook niet van het eene meer naar het andere. Hun voedsel bestaat hoofdzakelijk uit zeer kleine waterdieren, die op groote diepte leven en die de natuuronderzoekers voor een deel eerst door het onderzoek van den inhoud der maag dezer Visschen hebben leeren kennen. Bovendien eten de Blauwe Houtingen de slijmerige stof, die den bodem van het meer bedekt en uit allerlei lagere dieren en planten in hunne eerste ontwikkelingstoestanden bestaat. Tot hun buit behooren ook vele kleine Schaaldieren, Waterslakken, Wormen en larven van Insecten.

Gedurende den paartijd gedragen de Blauwe Houtingen zich op soortgelijke wijze als de Haringen. Van het midden van November (iets vroeger of iets later, al naar de weersgesteldheid) tot in December, dus gedurende een tijdperk van 3 weken, verschijnen zij in tallooze scholen aan de oppervlakte der meren; soms begeven zij zich zoo ver naar boven, dat hunne rugvinnen zichtbaar zijn; soms blijven zij, afgeschrikt door de lage temperatuur der bovenste waterlagen, door sneeuwvlagen, ijsschotsen, enz., verscheidene meters onder den waterspiegel. Zij dringen er zoo dicht opeen, dat hun huid door het tegen elkander schuren beschadigd wordt, een deel van haar buitenste laag en zelfs een aantal schubben verliest, welke huidwoekeringen het water over een aanmerkelijke uitgestrektheid bedekken en troebel maken. Zelfs loopt het leven dezer dieren gevaar door de drukking, die zij van elkander ondervinden.

De Blauwe Houting is voor het Bodenmeer, wat de Haring is voor de Noordzee. Beider vangst brengt een groote bedrijvigheid teweeg. Gedurende den zomer varen dagelijks een groot aantal uitsluitend voor de vangst van dezen Visch bestemde booten het meer op; waarschijnlijk maakt iedere boot gemiddeld wel 100 Houtingen buit. Bij koud weder is trouwens de opbrengst aanmerkelijk minder; zeer slecht weder maakt deze visscherij geheel onmogelijk, omdat de Blauwe Houtingen zich dan begeven naar diepten, waarvoor men nog geen geschikte netten heeft vervaardigd. In den paaitijd maakt men gebruik van groote diepgaande netten, waarmede deze Visschen bij honderden in één trek worden opgehaald. De prijs van deze vischsoort mag in verhouding tot haar kwaliteit gering heeten.


De Witte Houting of Bodenrenke (Coregonus fera) bewoont dezelfde meren als de vorige soort; zij onderscheidt zich van deze door een stomperen, korteren snuit en een korteren, meer gedrongen staart; de kleur stemt over ’t geheel genomen met die van de Blauwe Houting overeen, met dit verschil, dat de donkere kleur van den rug niet zoo levendig is en minder ver op de zijden afdaalt. Deze soort kan een lengte van minstens 60 cM. en een gewicht van meer dan 3 KG. bereiken en wordt dus aanmerkelijk grooter dan de vorige.

De Witte Houting is een van de beste Visschen, die in de Zwitsersche meren leven; van groot belang is hij ook door zijn veelvuldigheid; men kan hem het geheele jaar door vangen, ook in den winter, als er geen Blauwe Houtingen gevischt worden. In den winter maakt men voor dit doel gebruik van netten; in den zomer, vooral in Mei en Juni, van den hengel. De gevangen exemplaren sterven bijna oogenblikkelijk, zelfs wanneer men ze zorgvuldig uit het water schept.

Over de kwaliteit van dezen Visch zijn de meeningen verdeeld. Eenigen geven aan den Witten Houting de voorkeur boven den Blauwen; anderen oordeelen juist andersom.


Nog heeft men niet met zekerheid kunnen uitmaken of de Marene (Caregonus maraena), die het Madu-meer tusschen Stettin en Stargard en het Schaalmeer in Lauenburg bewoont en die uit het eerstgenoemde water in verscheidene meren van Brandenburg en Pommeren is overgeplant, als een afzonderlijke soort moet worden beschouwd of slechts een verscheidenheid van den Witten Houting is. De overeenkomst in vorm en levenswijze schijnt voor de laatstgenoemde meening te pleiten; het verschil tusschen deze beide verwante Visschen is gering en bepaalt zich hoofdzakelijk tot den vorm van den snuit. Beide hebben nagenoeg dezelfde kleur: de rug is blauwachtig, de buik zilverwit, de zijdestreep met witte stippels geteekend. De lengte bedraagt 60 of meer cM., het gewicht 7 à 8 KG.

Evenals de Witte Houting leeft de Marene steeds op zeer aanzienlijke diepten, die zij eerst in ’t midden van November, haar paartijd, verlaat; ook zij kiest voor ’t kuitschieten betrekkelijk ondiepe plaatsen op geringen afstand van den oever. Haar voedsel bestaat uit soortgelijke dieren als door de andere Houtingen gegeten worden.

Het meest vangt men dezen Visch des winters onder het ijs in zeer groote netten; in sommige jaren is deze visscherij ook in de lente, in andere in den herfst van beteekenis. Hoewel de Marenen sterven, zoodra zij uit het water gehaald zijn, kan men ze in sneeuw en ijs gepakt tamelijk ver verzenden; ook worden zij wel, evenals de Witte Houting, gezouten en gerookt. In de lente wordt deze Visch als bijzonder lekker geprezen.


In de Zuid-Duitsche meren leeft ook de Winterhouting of Kilch (Caregonus hiemalis), zoo geheeten, omdat hij in den winter kuitschiet. Zijn lengte bedraagt hoogstens 40 cM., meestal minder, en is dus aanmerkelijk geringer dan die van zijne reeds genoemde verwanten, van welke hij zich bovendien onderscheidt door de kortheid van den romp en de sterkere kromming van den rug. De kleur van den bovenkop is geelachtig wit, die van de zijden en van de kieuwdeksels zilverwit; de overige deelen van den romp zijn licht bruinachtig grijs, de vinnen kleurloos, maar, met uitzondering van de borstvinnen, zwartachtig gezoomd.

Vóór de onderzoekingen van Von Siebold kende men den Winterhouting alleen als bewoner van de Bodensee; de genoemde onderzoeker vond hem ook in de Ammersee en is van oordeel, dat men hem ook in andere Alpenmeren zal aantreffen. Verklaarbaar wordt onze onbekendheid met dezen Visch, als men bedenkt, dat hij zich steeds op een diepte van 70 à 90 M. ophoudt en slechts tegen het einde van September in hoogere lagen komt om kuit te schieten. Zijn voedsel stemt, naar uit het onderzoek van den inhoud van maag en darm gebleken is, volkomen overeen met deze levenswijze. Zijn voedsel bestaat uitsluitend uit Slakjes, Mossels en slijmerige stoffen, die hij van den bodem van het meer opneemt.

„Daar de Winter-houting,” zegt Von Siebold, „naar het schijnt, diepere gedeelten van de meren bewoont dan onze Houtingen, zal hij eerder dan deze in opgeblazen toestand verkeeren, wanneer men hem met een net uit zijne diepe verblijfplaatsen ophaalt. Wegens deze eigenschap is hij in de omstreken van de Bodensee bekend onder den naam van Krophouting (Kropffelchen). Op een diepte van 80 M. is de Winterhouting en zijn met lucht gevulde zwemblaas aan een waterdrukking van ongeveer 7½ atmospheren blootgesteld. Gedurende het ophalen van den Visch neemt deze drukking zeer schielijk af om geheel op te houden, zoodra hij aan den waterspiegel is gekomen, waar alleen de dampkringsdrukking op hem werkt. In dezelfde reden als de spanning van de lucht in de zwemblaas vermindert, zal haar volume toenemen, daar de zwemblaas en de voor een deel zeer dunne wanden van de buikholte geen weerstand kunnen bieden aan de uitzetting. Hierdoor zal de buik van den Visch een wanstaltige vervorming ondergaan; het rekken en verschuiven van de buikingewanden en de vermeerderde drukking op de bloedvaten veroorzaken den schielijken dood van den trommelzuchtig geworden Visch.”

1) Kleine Marene (Coregonus albula). ⅓ v. d. ware grootte.—2) Marene (Coregonus maraena). ⅕ v. d. ware grootte.

1) Kleine Marene (Coregonus albula). ⅓ v. d. ware grootte.—2) Marene (Coregonus maraena). ⅕ v. d. ware grootte.

Aan het vooruitsteken van de onderkaak, waardoor de kin de spits van den snuit vormt, onderscheidt men de Kleine Marene (Coregonus albula) van al hare Middel-Europeesche verwanten. In kleur stemt zij er mede overeen: de bovendeelen zijn blauwachtig grijs, de zijden en de buik glanzig zilverwit, de rugvin en de staartvin grijs, de overige vinnen witachtig. Haar lengte bedraagt gewoonlijk slechts 15 à 20, maar kan bij uitzondering stijgen tot 25 cM. en nog iets hooger.

In Duitschland wordt de Kleine Marene vooral in de meren van Posen, Oost- en West-Pruisen, Silezië, Brandenburg, Mecklenburg en Holstein gevonden; hoogst waarschijnlijk behoort echter de Houting, die op het Skandinavische schiereiland en in Noord-Rusland aangetroffen wordt, ook tot deze soort. In enkele meren van Schotland, die zij eveneens bewoont, werd zij, volgens de overlevering, door Maria Stuart ingevoerd. In de Oostzee vindt men haar, volgens Möbius en Heincke, niet zelden in de Stockholmer Scheren en in de Botnische Golf. In de Finsche Golf komt zij weinig voor. Een exemplaar werd in de haven van Kiel gevangen. Door Dr. Hoek werd er in ’t laatst van Nov. 1886 één aangetroffen in den ankerkuil van een schokker, die in de Nieuwe Merwede vischte.

Door levenswijze en gewoonten gelijkt de Kleine Marene op de Houtingen, die, evenals zij, de meren bewonen. Buiten den paaitijd houdt zij zich steeds in diepe waterlagen van de meren op; in de maanden November en December verschijnen deze Visschen in dicht opeengedrongen scholen aan de oppervlakte, bewegen zich met ver hoorbaar gedruisch; ook trekken zij wel, door de grootere watervlakte aangetrokken, van het eene meer naar het andere. Hunne eieren laten zij in het open water vallen.

Te recht wordt de kleine Marene als een buitengewoon smakelijke Visch beschouwd, welks vangst wel eenige moeite waard is. In Pommeren en Mecklenburg wordt zij gewoonlijk ’s winters van onder het ijs opgehaald, in Masuren meestal bij ’t trekken van het eene meer naar het andere opgevischt.


De Houting, die bij verscheidene Nederlandsche schrijvers den naam Adelvisch draagt (Coregonus oxyrhynchus), leeft in de zee en begeeft zich van hier gedurende den paaitijd geregeld naar de rivieren. Hij is gemakkelijk te herkennen aan de ver vóór de onderkaak uitstekende, van voren in een weeken, kegelvormig verlengden snuit overgaande bovenkaak. Hij is 40 à 50, hoogstens 60 cM. lang en O.7 à 1 KG. zwaar. Zijn kleur is blauwachtig, gedurende den paaitijd blauwachtig zwart.

De Noordzee en de Oostzee moeten als het woongebied van den Houting beschouwd worden. Van hier begeeft hij zich in Mei, dus reeds lang voor het begin van den paaitijd, die, naar gezegd wordt, in de maanden September tot December valt, in meer of minder grooten getale in de haffen, stroomen en rivieren, die met de zee in gemeenschap staan, en zwemt stroomopwaarts. Naar het schijnt, geschiedt dit trekken met een zekere regelmatigheid en plaatsen de reizigers zich als Kraanvogels in den vorm van een driehoek, komen zeer langzaam vooruit, zoodat de weg, die door een school wordt afgelegd, in 24 uur weinig meer dan 4 KM. bedraagt. Bij ongunstige weersgesteldheid zoeken de Houtingen de diepte op om uit te rusten en vereenigen zich later weer om de reis voort te zetten. Deze strekt zich veel minder ver uit dan die der Zalmen; in de Elbe komen de Houtingen hoogstens tot in de buurt van Maagdenburg en Torgau, in den Wezer tot aan het vereenigingspunt van Werra en Fulda, in den Rijn tot op de hoogte van Spiers. Na het kuitschieten keeren zij vroeger of later naar de zee terug; als de jongen een lengte van 8 cM. bereikt hebben, volgen zij hunne ouders en verschijnen eerst in geslachtsrijpen toestand weer in de rivier. Bij ons is de Houting menigvuldig in de Zeeuwsche stroomen en in de Beneden-Maas; hij gaat de Merwede, den Rijn en de Waal op, komt ook in den Dollard, de Zuiderzee en den IJsel voor en verdwaalt soms in geringen getale door de sluizen tot in den Rijn bij Leiden.

Het witte, malsche en smakelijke vleesch van den Houting wordt zeer geschat en versch zoowel als gezouten en gerookt gegeten. Voor de visscherij met de handzegen is deze soort niet onbelangrijk; zij begint op onze rivieren, zoodra de elftvisscherij heeft opgehouden; ook in Noord-Duitschland houdt men zich overal ijverig met deze vangst bezig.

*

De zeer groote, ver vóór de buikvinnen beginnende, opmerkelijk hooge en lange rugvin, de middelmatig groote, stijve, vastzittende schubben, de kleine mondspleet en de fijne tandjes op de kaakranden en op de ploegschaar- en gehemeltebeenderen worden beschouwd als de kenteekenen van de Vlagzalmen (Thymallus). De vijf soorten van dit geslacht bewonen de rivieren van de noordelijke koude en gematigde aardgordels. In onze wateren wordt het vertegenwoordigd door den ver verbreiden Vlagzalm of Esch (Thymallus vulgaris). Zijn kop is klein, de bovenkaak steekt voorbij de onderkaak uit; de rugvin is tweemaal zoo lang als de aarsvin. De kleur wisselt in verband met verblijfplaats, jaargetijde en leeftijd aanmerkelijk af. Het groenachtig bruin, dat op de bovenzijde gewoonlijk de overhand heeft, gaat op de zijden in grijs, op den buik in glinsterend zilverwit over; de kop is van boven bruinachtig, aan de zijden op geelachtigen grond zwart gevlekt; deze teekening breidt zich van voren ook over een deel van den romp uit of vormt met de reeksen van schubben bruinachtig grijze, overlangsche strepen. De rugvin prijkt met prachtige kleuren en draagt aanmerkelijk bij tot verfraaiing van dezen Visch; haar grondkleur is schitterend purperrood; dit vormt als ’t ware een spiegel, die door 3 of 4 reeksen van zwarte vlekken nog duidelijker uitkomt; de parige vinnen hebben een vuil geelroode, de aarsvin en de staartvin een paarse kleur. Meestal bedraagt de lengte weinig meer dan 30 cM.; zij kan echter tot 60 cM. toenemen. Het gewicht wisselt af van 0.7 tot 1.5 KG.

De Vlagzalm is onder de Europeesche Zalmvisschen een van de meest verbreide soorten; in geheel Middel- en Oost-Europa, in de wateren van de Alpen, zoowel als in die van de Noordduitsche en Russische vlakte, op het vasteland en in Groot-Brittannië en ook in het Ob-gebied treft men hem aan. Hij kiest ongeveer dezelfde wateren tot verblijf als die, waaraan de Forel de voorkeur geeft; toch komen niet in alle beken, die Forellen bevatten, Vlagzalmen voor, en omgekeerd. In Zwitserland zegt men, dat de Vlagzalm de Forel verdrijft. In Nederland heeft men hem alleen in het Limburgsche riviertje de Geul aangetroffen.

De Vlagzalm is een echte riviervisch, die meren en groote vijvers vermijdt en zelfs volgens proeven, die in Engeland genomen zijn, in stilstaand water volstrekt niet gedijt, althans niet geslachtsrijp wordt. In de wateren van het gebergte ontbreekt hij zelden; in de vlakte daarentegen ontmoet men hem alleen in heldere, niet al te diepe rivieren of beken met steenachtigen bodem. Hij houdt van rivieren, welker water zoo min te koud is als te warm, waarin plaatsen met snellen stroom en met stil water onderling afwisselen. Zijne gewoonten gelijken veel op die van de Rivierforel. Evenals deze zwemt hij buitengewoon snel, als hij zich beweegt; evenals deze blijft hij vaak uren achtereen op dezelfde plaats en houdt dan den kop tegen stroom gericht; dikwijls „staat” hij hier zoo rustig, dat men hem met de handen uit het water kan nemen. Zijn voedsel bestaat uit allerlei waterinsecten en hunne larven; bovendien verslindt hij kleine Slakken en Mossels, versmaadt Wormen niet en eet met smaak pasgeboren vischjes. Evenals de Forel ziet men hem boven den waterspiegel opspringen om voorbijsnorrende Insecten te grijpen; hij kan daarom zonder moeite met den hengel gevangen worden. Gedurende den paaitijd prijkt hij met een bruiloftskleed, dat zich onderscheidt door den hoogeren gloed van alle kleuren en den goudgroen iriseerenden glans van de geheele lichaamsoppervlakte. In een vroeg warme lente begint hij reeds in Maart eieren leggen; bij ongunstig weer geschiedt dit eerst in het laatst van April. Het mannetje en het wijfje, die thans meestal bijeenblijven en in een betrekkelijk klein gebied op en af zwemmen, graven op zandgrond met den staart een groeve, waarin het wijfje eieren legt, die door beide gemeenschappelijk met zand en kleine steentjes bedekt worden. De jongen komen gewoonlijk in Juni uit en vertoeven aanvankelijk op de ondiepste plaatsen van het water, waarin zij geboren zijn, groeien echter zeer snel en nemen spoedig de levenswijze van hunne ouders aan.

Vele vijanden maken jacht op de Vlagzalmen; vooral de grootere leden van hun eigen soort en verscheidene watervogels vervolgen hen bijna even ijverig als de mensch, die hun vleesch met dat van de Forel gelijk stelt en het te recht als een buitengewone lekkernij beschouwt.


„Behalve een groot aantal andere Visschen,” verhaalt Schomburgk, „brachten de Indianen ons ook den reusachtigsten zoetwatervisch van Guyana, den Arapaima; met verbazing maakten wij kennis met dit ontzaglijke dier, dat bijna den geheelen corial (of boot) vulde, omstreeks 3 M. lang en stellig 100 KG. zwaar was. De eenige rivier van Britsch-Guyana, die door de bedoelde Visschen bewoond wordt, is de Roepoenoeni; hier echter ontmoet men ze in aanzienlijken getale. Naar men zegt, zijn zij eveneens veelvuldig in de Rio Branco, de Rio Negro en den Amazonenstroom.

„De Arapaima wordt met den hengel gevangen of met boog en pijl gedood. De vangst van deze Visschen is een zeer aantrekkelijk en opwekkend jachtbedrijf; meestal komen met dit doel verscheidene corials bijeen, die dan over de rivier verdeeld worden. Zoodra de gezochte buit zich vertoont, wordt een teeken gegeven, waarop de corial, die met de beste schutters bemand is, zonder gedruisch tot op een boogschot afstands nadert; de pijl vliegt van het koord en verdwijnt met den Visch. Nu begint de algemeene jacht. Zoodra de vaan van de pijl aan den waterspiegel zichtbaar wordt, zijn alle armen gereed tot het spannen van den boog; de Visch verschijnt en begeeft zich weer naar de diepte na nogmaals gewond te zijn door een aantal pijlen; een kortere tijdruimte verloopt, voordat hij zich opnieuw vertoont en weder door eenige pijlen getroffen wordt; eindelijk valt hij den jagers ten buit. Deze vlotten hem nu naar een ondiepte, schuiven den corial onder het logge lichaam, scheppen het water, dat tegelijkertijd naar binnen drong, uit de boot en keeren met gejuich naar de nederzetting terug.” Het vleesch van dit dier is, volgens Schomburgk, in verschen toestand zeer smakelijk. Andere reizigers oordeelen er minder gunstig over. Gezouten en gedroogd wordt het bij duizenden van centenaars langs den Amazonenstroom vervoerd en van Para tot aan de Peruaansche grens algemeen door Indianen, Mestiezen en blanken gegeten. Daar de middelen tot het voorkomen van bederf in den regel niet het gewenschte gevolg hebben, wordt deze spijs te recht door sommigen afschuwelijk genoemd. Het lange, met scherpe tanden bezette tongbeen wordt als rasp gebruikt.

Arapaima (Arapaima gigas). ​1⁄20​ v. d. ware grootte.

Arapaima (Arapaima gigas). ​1⁄20​ v. d. ware grootte.

De Arapaima (Arapaima gigas) behoort tot de slechts 5 bekende soorten omvattende familie der Beentongvisschen (Osteoglossidae). Deze is tot de keerkringsgewesten beperkt; hare leden hebben een reusachtigen romp, welks mozaïekvormig kleed uit harde schubben bestaat; de kop is met beenige schilden bedekt; de rugvin en de aarsvin zijn op den staart geplaatst en reiken bijna tot aan de staartvin; de kieuwspleet is wijd.

De Arapaima is, volgens Schomburgk, zeer bont van kleur; niet slechts de schubben, maar ook de vinnen iriseeren en glinsteren, waardoor de meest verschillende tinten en overgangen van donkergrijs, rood en blauwachtig rood ontstaan. Sommige exemplaren zijn meer dan 4 M. lang en wegen bijna 200 KG.


Het woord Haring is voldoende om ieder de belangrijkheid van de Visschen voor de huishouding van den mensch duidelijk voor den geest te doen komen. Zonder stokvisch kan men leven; van de Schollen en de meeste andere zeevisschen hebben in den regel alleen de kustbewoners genot en voordeel; de zoetwatervisschen leveren op den disch van den bewoner van het binnenland een betrekkelijk zeldzaam gerecht; de Haring en zijne verwanten echter brengen den zegen van den oogst der zee tot in de eenzaamste hut. Zoo eenige Visch als voedsel voor den arme aangemerkt kan worden, dan mag de Haring zoo heeten, daar hij, wegens zijn lagen prijs voor den behoefstigste nog bereikbaar, in vele woningen het vleesch moet vervangen. Geen Visch is onontbeerlijker dan deze.

Naar hem is de 60 soorten omvattende familie der Haringvisschen (Clupeidae) benoemd. Deze hebben een langwerpig, veelal zeer sterk zijdelings samengedrukt lichaam, dat aan den buik meestal scherp uitloopt en, behalve aan den kop, met dunne, licht uitvallende schubben bedekt is. Alle vinnen worden door gelede stralen gesteund; een vetvin komt bij hen niet voor; de rugvin neemt gewoonlijk het midden van den rugrand in; de hieronder geplaatste buikvinnen zijn klein en ontbreken bij sommige uitheemsche soorten zelfs geheel. De kieuwspleten zijn wijd, de oogen groot; de bovenrand van de meestal ver achterwaarts verlengde mondspleet wordt in het midden door de tusschenkaaks-, aan de zijden door de bovenkaaksbeenderen gesteund. De graten zijn fijn en talrijk, de zwemblaas is groot.

Niet alle Haringvisschen bewonen uitsluitend de zee; sommige leden van deze familie zwemmen geregeld van zee uit de rivieren op om hier kuit te schieten en hebben dus een andere levenswijze dan hunne verwanten. Van de belangrijkste vertegenwoordigers der groep kan men zeggen, dat zij in hoofdzaken met de Houtingen overeenkomen, die in de meren tot op zekere hoogte hetzelfde leven leiden als de Haringen in de zee. Buiten den paartijd leven zij op groote diepten; de geslachtsdrift noopt hen naar de bovenste waterlagen op te stijgen. Alle zonder uitzondering schijnen roofvisschen te zijn, die niet slechts kleine waterdieren, maar ook Visschen buitmaken. Hoewel zij niet zeer vruchtbaar zijn, is, wegens hun buitengewone talrijkheid, het aantal geboorten in ieder jaar zeer groot. Een niet minder belangrijke slachting staat hier echter tegenover, zoodat er thans reeds voldoende reden bestaat om te overwegen, op welke wijze de mensch kan medewerken om de gevolgen, die van het ontzaglijk groote verbruik van deze Visschen te duchten zijn, af te wenden door maatregelen tot bevordering van hun vermenigvuldiging. Inderdaad bestaan er goede gronden voor de vrees, dat de rijkdom van de zee, waaraan wij sedert eeuwen voortdurend zulk een overvloedigen oogst ontleenen, verminderen zal, en zelfs dat wij, op dezelfde wijze voortgaande als tot dusver, weldra met een steeds afnemende opbrengst tevreden zullen moeten zijn.

Ook aan de Haringen—die hun naam ontleenen aan de ontzaglijke heiren (legers), welke zij vormen—zullen wij door de instelling van een voor de vischvangst gesloten tijd de gelegenheid moeten schenken om zich ongestoord te vermenigvuldigen; zoodoende kan het kapitaal, welks renten wij noode zouden missen, behouden worden.