1) Fint (Clupea finta). ⅕ v. d. ware grootte.—2) Sprot (Clupea sprattus).—3) Haring (Clupea harengus). ⅓ v. d. ware grootte.

1) Fint (Clupea finta). ⅕ v. d. ware grootte.—2) Sprot (Clupea sprattus).—3) Haring (Clupea harengus). ⅓ v. d. ware grootte.

*

Bij de Haringen i. e. z. (Clupea) is de buikkant van den zijdelings sterk samengedrukten romp, bij wijze van een zaag getand, daar de vrije rand der hier aanwezige kielvormige schubben in een achterwaartsgerichten stekel uitloopt; de buitenrand van de breede bovenkaak is flauw gebogen. De tanden zijn talrijk en verschillend van vorm: de tusschen-, boven- en onderkaaksbeenderen dragen een groot aantal zeer kleine, de ploegschaarbeenderen en de tong een reeks van grootere tanden; ook op elk gehemeltebeen staan er 2 of 3, die spoedig uitvallen. De binnenzijde van de kieuwbogen is met vele fijngetakte uitsteeksels bezet, die gezamenlijke als een engmazige zeef de keelspleten bedekken en het doordringen van het uit kleine diertjes bestaande voedsel in de kieuwholten voorkomen.

De Haring (Clupea harengus), bereikt, zooals men weet, zelden een grootere lengte dan 30 cM., heeft kleine, smalle borst- en buikvinnen, een op ’t midden van het lichaam aangehechte rugvin, een ver naar achteren verschoven, smalle aarsvin, een diep gegaffelde staartvin en groote, gemakkelijk losgerakende schubben. De bovendeelen zijn fraai zeegroen of groenachtig blauw, de onderdeelen zilverkleurig en iriseeren met verschillende tinten, al naar de wijze waarop het licht invalt; de rugvin en de staartvin zijn donker, de overige vinnen licht van kleur.

Het verbreidingsgebied van den Haring omvat, behalve het noordelijke deel van den Atlantischen Oceaan, van Amerika tot Europa, met inbegrip van de Oostzee en de Noordzee, ook de zee ten noorden van Europa en Azië. De vroeger algemeen heerschende meening, dat deze Visch ieder jaar van uit de IJszee naar de Europeesche kusten zou trekken, mist allen grond: de Haring houdt zich niet hoofdzakelijk in de IJszee op en maakt geen groote reizen. Om het tooneel van zijn werkzaamheid te leeren kennen, beschouwe men een dieptekaart van de Noordzee; het blijkt dan, welk een ontzaglijk verschil in diepte er bestaat tusschen dit voor ons zoo belangrijke vischwater en den Oceaan. Groot-Brittannië verheft zich als ’t ware boven een hoogvlakte, die dit rijk met Frankrijk, België, Nederland, Noord-Duitschland en Denemarken verbindt. Deze vlakte, die met het Europeesche vasteland een samenhangend geheel zou uitmaken, indien het peil van de zee 200 M. lager gelegen was, strekt zich van de oostzijde van Engeland tot dicht bij Skandinavië uit, maar is van dit steil boven den Oceaanbodem oprijzende gebied gescheiden door een diepen en smallen zeearm, die zich op eenigen afstand van de kust om het zuidelijke deel van Noorwegen kronkelt. De westelijke rand van het Noordzee-plateau is echter niet meer dan ongeveer 10 mijlen van de kust van ’t Vereenigd Koninkrijk en van Bretagne verwijderd; verderop neemt de diepte van den Oceaan schielijk tot duizenden meters toe. In deze afgronden houdt de Haring zich op, hier zou men hem ten allen tijde kunnen vinden met toestellen, die voor het onderzoek van groote diepten geschikt zijn; van hier begeeft hij zich in den paartijd naar het Noordzee-plateau om eieren te leggen in de nabijheid van de kust, daar voor de ontwikkeling zijner jongen water van betrekkelijk geringe diepte vereischt wordt. In den eigenaardigen vorm van den zeebodem is een verklaring te vinden van het feit, dat de haringvangst op de oostkust van Engeland van veel minder beteekenis is dan bij de kusten van Schotland, Ierland, Noorwegen en het Kanaal.

Door vergelijking van den vorm, de grootte en den voortplantingstijd van de Haringen, die op verschillende paaiplaatsen aangetroffen worden, zijn vele onderzoekers tot de overtuiging gekomen, dat in deze soort een zeker aantal stammen of rassen moeten worden aangenomen, die zich door erfelijke eigenaardigheden onderscheiden. De waarschijnlijkheid van het bestaan dezer rassen wordt bevestigd door de waarneming, dat zij, gelijk de dieren in ’t algemeen doen, naar de plaats waar zij geboren zijn, terugkeeren om voort te telen. Elk van deze rassen bewoont een gebied van betrekkelijk zeer geringe uitgestrektheid, dat nooit overschreden wordt. Met veel zorg heeft Nilsson deze verschijnselen nagegaan op de kust van Skandinavië. Aan de noordwestkust van Noorwegen beginnend, ontmoet men het eerst het paaistation van den Noorschen Zomerharing, die zich kenmerkt door een gedrongen vorm, een korten kop en een middelmatige lengte (28 cM.). Hij komt in Juli en Augustus bij de kust en paait in September en October. Verder zuidwaarts, bij Bergen o. a., bevindt zich het paaigebied van den Noorschen Winterharing (Vaarsild), de grootste van alle, daar hij een lengte van 38 cM. en een hoogte van 6 cM. kan bereiken; de lichaamsbouw is minder gedrongen en de kop langwerpiger dan bij het vorige ras. Nog verder zuidwaarts, langs de kust van het Zweedsche district Götheborg, dus over een uitgestrektheid van nog geen 30 uur gaans, treft men den Götheborgschen of Bohus-haring aan, die door geringere grootte en anderen vorm van den Vaarsild afwijkt, doch denzelfden rijtijd heeft als deze. Het zuidelijkste, 50 uren lange gedeelte van Zwedens westkust is het paaigebied van den Kulla-haring, wiens grootte en vorm nagenoeg volkomen overeenstemmen met die van den Noorschen Zomerharing, terzelfder tijd als deze de kust nadert en denzelfden rijtijd heeft. Aan de kust van Zweden komt de Abeka- of Kivik-haring voor, die 20 à 23 cM. lang en 3½ à 4 cM. hoog is; de mannetjes zijn over ’t algemeen kleiner en hebben een korteren kop dan de wijfjes. De meeste exemplaren schieten kuit in October, zelden in November; er zijn er echter ook (en deze zijn kleiner van stuk), die dit reeds in Mei of Juni doen. De Haring, die de zuidoostkust van Zweden tot paaiplaats heeft, wordt Strömming genoemd en heeft slechts 15 à 20 cM. lengte, hoewel men ook van tijd tot tijd aan de noordkust van het district Stockholm exemplaren van geheel denzelfden vorm aantreft, die 27 à 33 cM. lang zijn. In de zuidelijkste gedeelten van zijn gebied paait de Strömming zoowel van Mei tot in het begin van Juni als van Augustus tot half September. In de Botnische Golf evenwel, o. a. bij Umea, schiet hij kuit in ’t midden van Juni. „Ook aan andere kuststreken,” schrijft Schlegel, „merkt men verschillen op in de grootte der Haring, o. a. is die der Fransche kusten kleiner dan die, welke in de Noordzee aan de kusten van Groot-Brittannië door onze en andere visschers gevangen wordt. De rijtijd van de Haringen van de oost- en zuidkust der Noordzee is evenmin dezelfde in alle streken. Bij die, welke op onze Groote- of Pekelharingvisscherij van de Shetlandsche eilanden tot aan de noordelijke gedeelten der oostkust van Groot-Brittannië gevangen worden, begint de rijtijd in Juli; bij den zoogenaamden Steurharing, die gevangen wordt ten oosten der Engelsche kust, waarheen onze bomschuiten in September vertrekken, begint hij tegen October. De Panharing der Zuiderzee, die zich in sommige jaren, gelijk dit b.v. in 1825 tot 1836 het geval was, in ontzaglijke menigte vertoont, verzamelt zich daarentegen tot dat einde reeds in de laatste maanden van het jaar, tot in het volgende voorjaar.”

Naast de Spieringen zijn, volgens Dr. Hoek, Haringen—jongen (Zeebliek) en larven (kaf)—in het Hollandsch Diep de meest voorkomende Visschen. Beide soorten worden in menigte in den ankerkuil gevangen om als aas voor de aalkorven te dienen. De weinige volwassen Haringen, die hier aangetroffen worden, verschillen van den Noordzeeharing door geringere grootte en door den iets kleineren afstand van rug- en buikvin tot den snuit. Zij komen in dit opzicht met den Götheborgschen Haring en waarschijnlijk ook met den Zuiderzeeharing overeen. In het Hollandsch Diep en het Haringvliet zijn geen paaiplaatsen van den Haring bekend. De hier voorkomende exemplaren zijn waarschijnlijk, evenals die van de Theems, de Southampton-rivier en den mond der rivieren van de Fransche kust geboren uit in zee gelegde eieren; als larven zwemmen zij den riviermond op. In dit stadium, dat 2 à 3 maanden duurt, zijn zij wit, ongeschubd en min of meer doorzichtig, in verhouding tot de lengte zeer smal. Onder haar merkt men tweeërlei vormen op: lange larven (48 mM.) van „Winterharingen” en korte larven (38½ mM.) van „Voorjaarsharingen.” Het volgende (of overgangs-) stadium kenmerkt zich door een zilverkleed; de vischjes krijgen kleine schubben en een naar verhouding grootere breedte. Op het overgangskleed volgt het volwassen kleed. Vischjes, die in dezen toestand verkeeren en gemiddeld 55 à 60 mM. lang zijn, gelden te Londen onder den naam van Whitebait als een lekkernij; als zoodanig hebben de grootere vischjes (die van Juli en Augustus) geen waarde meer. „De meeste Zeebliek (van 60–80 mM. lengte) wordt op onze benedenrivieren gevangen in den eersten tijd na de sluiting.” (Van 1 April tot 15 Juni is het visschen met de ankerkuil op een bepaald deel van de benedenrivier verboden, maar wordt in het zeegat voortgezet.) „Dat men ze bijkans het geheele jaar door aantreft en dat er van Maart tot in Juni voortdurend larven gevangen worden, verklaart zich uit het feit, dat, ook al paaien de meeste Haringen in een bepaalden tijd van het jaar (stel voor onzen Kustharing Maart of in ’t algemeen het voorjaar), het door Cossar Ewart waargenomen feit, dat de Haring op de kust van Aberdeenshire gedurende 10 van de 12 maanden (Augustus 1883–Juli 1884) met paaien voortgaat, ook wel in meerdere of mindere mate voor onze kuststreken gelden zal.”

Men rangschikt de haringrassen in twee groepen: de Oceaanrassen en de Kustrassen. Tot de eerstgenoemde behooren o.a. de Schotsche Oceaanharing en de Noorsche Vaarsild; zij leven buiten den paaitijd in den Oceaan op een afstand van 200 à 400 KM. van de kust. Tot ontzaglijke scholen vereenigd, verlaten zij de diepte om kuit te schieten op ondiepe gronden in de nabijheid van de kust, hetgeen aanleiding geeft tot hoogst belangrijke visscherijen. Een voorbeeld van een Kustras is o.a. de Winterharing van het westelijk deel der Oostzee; deze leeft steeds in de onmiddellijke nabijheid van de kust en kiest tot paaiplaats ondiepe, stille bochten, liefst zulke, die brak water bevatten.

Het leven, dat de Haringen in de diepte leiden, is ons nog altijd nagenoeg onbekend. Zeker weet men echter, dat zij zich hoofdzakelijk voeden met nietig kleine Schaaldieren (Copepoden), waarvan zij ontzaglijke hoeveelheden verslinden, ook eten zij soms kleine Visschen, vooral Sprot, bovendien eieren en larven van hun eigen soort.—Hoewel verreweg de meeste Haringen door de aandrift tot voortplanting genoopt worden zich uit de diepten naar de bovenste waterlagen te begeven, ontmoet men hier ieder jaar ook een groote menigte exemplaren met onontwikkelde hom en kuit; deze worden Maatjesharing genoemd en zijn wegens hun vet en smakelijk vleesch in gezouten toestand zeer gezocht.

Voor de haringvangst is natuurlijk de bekendheid met den paaitijd van het ras, welks paaiplaatsen men bevisschen zal, van ’t grootste belang. Door verschillende oorzaken, die ons nagenoeg volkomen onbekend zijn, kan echter de komst van de haringschool weken en zelfs maanden vertraagd of vervroegd worden. De verschijnselen, die bij de visschers als voorteeken van de komst of van het wegblijven der Visschen gelden, zijn zeer onbetrouwbaar. Te recht wordt daarom de haringvisscherij evenals de walvischvangst met een hazardspel vergeleken. In het eene jaar levert zij groot voordeel op, in het andere dekt zij de onkosten niet. Jaren achtereen verschijnen de Haringen op een bepaald gedeelte van de kust bij milliarden; plotseling blijven zij uit en de visschers keeren met ledige vaartuigen terug. Verderop in de zee is de richting, die de school neemt, natuurlijk nog wisselvalliger; soms trekt zij voorbij op de plaats waar men haar verwachtte, soms gaat zij eenige zeemijlen buiten haar gewone koers. Raadselachtig is het feit, dat op de vermindering van omvang of het geheel wegblijven van de scholen van Haringen of andere nuttige Visschen op plaatsen waar deze tot dusver geregeld ieder jaar verschenen, soms na verloop van zeer langen tijd de terugkomst van de zegenaanbrengende zwermen van zeebewoners gevolgd is. In Skandinavië waar dit herhaaldelijk voorgekomen is, wordt het aangeduid met den naam van „Fiskeperioden.” Geschiedkundige nasporingen in de archieven van dit rijk hebben het bewijs geleverd, dat deze perioden een duur van ongeveer 60 jaren hebben. Zoo zijn de groote haringscholen, die sedert 1808 uit het Skagerrak nagenoeg geheel waren weggebleven, in 1877 teruggekeerd. Door het wegblijven van de Visschen zijn dikwijls bloeiende visscherssteden in verval geraakt en hebben duizenden van menschen armoede geleden. Het is zeer waarschijnlijk, dat de oorzaak van dit verschijnsel niet gezocht moet worden in het zoogenaamde „doodvisschen” van het bedoelde gebied door den mensch, maar in periodieke veranderingen van de zeestroomingen; de hierdoor teweeggebrachte wijziging van de temperatuur van ’t water oefent op de voeding en de voortplanting der Visschen een grooten invloed uit. De geschiktheid van een kuststreek voor paaiplaats wordt ook verminderd door het uitroeien van de hier groeiende waterplanten; hieraan of aan steenen hechten zich n.l. de bevruchte eieren; de afwezigheid van zulke voorwerpen vermindert de kans, dat uit de eieren jongen voortkomen, die in ’t volgende jaar op deze plaats zullen kuitschieten. De voortplanting der Haringen geschiedt op soortgelijke wijze als die der Houtingen en andere in de diepte levende Visschen. In tallooze menigte zwemmen de mannetjes en wijfjes twee of drie dagen lang dicht bij den waterspiegel rond, dringen bont dooreengemengd tot een dichten hoop bijeen, vooral als er stormweer in aantocht is, snellen vooruit en laten intusschen de hom en de kuit in ’t water vallen.

De bewoner van het binnenland kan zich moeielijk een denkbeeld vormen van de haringscholen; de berichten van ooggetuigen komen hem overdreven en ongeloofelijk voor. Deze berichten stemmen echter zoo volkomen overeen, dat er aan hun geloofwaardigheid niet valt te twijfelen. „Ervaren visschers,” zegt Schilling, „waarmede ik naar de vischgronden voer, toonden mij bij flauw schemerlicht scholen van mijlen lengte en breedte, niet, zooals men zou kunnen denken, aan de oppervlakte der zee, maar aan den weerschijn van de door haar verlichte lucht. De Haringen zijn gedurende het trekken zoo dicht opeengedrongen, dat de booten, die te midden van zulk een school komen, in gevaar geraken; men kan de Visschen met de schop uit het water scheppen en in het vaartuig werpen; een lange roeiriem, die in deze levende massa wordt gestoken, blijft er rechtop in staan.” Leverkus Leverkusen, die bij het eiland Hitteren aan de westkust van Noorwegen bij ’t oversteken van een zeearm een haringschool ontmoette, schrijft: „Aan ’t roer zittend, ontwaarde ik bij ’t schemerlicht van den ontwakenden dag tallooze groote Vogels, die aanhoudend krijschend boven de oppervlakte der zee zweefden, met korte tusschenpoozen er telkens op dezelfde plaats in neerschoten en weer opvlogen. In het water onder de Vogels was een bijna huivering-wekkende woeling waar te nemen; nu eens spoot het schuimend omhoog, dan weer zag men lange voren ontstaan in de door ’t sterrengeflonker beschenen oppervlakte, terwijl de jagers der lucht in bonte verwarring door elkander heen zwierden. Al nader en nader kwam de boot bij dezen heksensabbat, daar ik, ten hoogste geboeid door het schouwspel, waarvan de oorzaak mij onbekend was, op de plek afstuurde. Niet voordat wij in de onmiddellijke nabijheid van den roofzuchtigen zwerm waren gekomen, die tot dusver met gulzige haast schatting had geheven van een in den zeearm doorgedrongen haringschool, werden wij opgemerkt door de Haringmeeuwen, die nu alle onder wanluidend gekrijsch op een eerbiedigen afstand omhoogstegen, boven onze hoofden rondzwierden en ons uit de lucht een regen van schitterend witte visitekaartjes toezonden, zoodat wij binnen weinige minuten als Zebra’s gestreept waren. Bij honderdtallen zwierden de Vogels boven ons, terwijl in het zilte nat onder en naast ons Haringen van allerlei grootte door hunne opeendringende buren naar boven werden geperst.

„Het was een merkwaardig schouwspel! Nooit te voren had ik het van zoo nabij waargenomen! Langzaam drong de kiel van de boot in de opeenhooping van Visschen door en drukte de naar boven geperste Haringen, wien het aan ruimte ontbrak om zich te bewegen, met geweld in het natte element terug. Zoo voeren wij eenige minuten lang onder zwaren arbeid door de school heen, terwijl de roeiriemen meer Haringen schepten dan water.” Soortgelijke ervaringen hebben andere onderzoekers opgedaan; eenigen verzekeren zelfs, dat hun boot door de daaronder wemelende menigte van Visschen omhoog geheven werd.

Ontelbaar als iedere haringschool is ook het aantal der haar volgende vijanden. Zoo lang de Haringen in de bovenste waterlagen vertoeven, voeden alle hier levende roofvisschen, alle zeevogels en bijna alle zeezoogdieren zich uitsluitend met hen. De Noren worden van de komst der Haringen onderricht door het toestroomen van tal van Cetaceeën. Hoewel de grootte van de verliezen, die de roovers der zee aan de haringscholen toebrengen, niet eens bij benadering geschat kan worden, is de bewering, dat de mensch een nog grootere slachting onder de Haringen aanricht, niet van allen grond ontbloot.

Sedert de Middeleeuwen heeft de haringvisscherij een belangrijke rol gespeeld in de geschiedenis van de Nederlandsche gewesten. Zooals uit verscheidene wetten en keuren van Vlaamsche graven blijkt, was dit bedrijf reeds in de 10e en 11e eeuw een bron van welvaart voor de groote Vlaamsche steden. In Vlaanderen is het geheel te niet gegaan, evenals later ook in Zeeland, welks bewoners in de 12e eeuw schepen voor de haringvangst begonnen uit te rusten en waar Zierikzee tot in de 18e eeuw een belangrijken haringhandel heeft behouden. Daar de Zeeuwen gedurende de Spaansche en Fransche oorlogen meer voordeel hadden van de kaapvaart, verminderde op het gebied der visscherij allengs hun concurrentie met de verder noordwaarts wonende kustbevolking. De eerste geregelde vaarten van Hollandsche haringvisschers werden in 1164 van uit den Briel ondernomen. In 1285 kregen de Hollanders en Friezen van den Engelschen koning Eduard het privilegie om langs de kusten van zijn rijk te visschen. Reeds vóór de 13e eeuw genoten de burgers van Kampen en Harderwijk dezelfde vrijheid op de kusten van Skandinavië. De Amsterdammers bevischten de zee ten zuiden van Zweden en kregen in 1390 van den Hollandschen graaf, hertog Albrecht van Beieren, verlof om in Schonen een voogd voor hun bedrijf aan te stellen. Toen in 1472 de haringscholen eensklaps ophielden in groote menigte aan deze kust te verschijnen, kozen de Hollandsche visschers algemeen de Shetlandsche eilanden (Hitland), de Orkaden en de kust van Schotland en Engeland als arbeidsveld. Op een afstand van 10 mijlen van de kust was hun het visschen geoorloofd. Hier verschijnen de parende Visschen in Juni, enkele voorloopers reeds in April of Mei. Voor deze reizen maakten onze landslieden gebruik van een eigenaardig soort van kielvaartuigen (buizen of tweemasthoekers). Gewoonlijk wordt de haringvloot vergezeld van een aantal „jagers”, meestal één op elke 10 buizen; dikwijls zijn dit oude buizen of éénmasthoekers, die voor de visscherij niet deugen en alleen dienen om een deel van de gevangen Haringen met den grootst mogelijken spoed naar land te brengen om er den hoogst mogelijken prijs voor te maken.

Met ijver hebben de Nederlanders zich toegelegd op het aanbrengen van verbeteringen in de wijze van vangst en bereiding van den zoozeer gewilden Visch. In 1416 werd het eerste groote haringnet te Hoorn gebreid. Willem Beukelszoon te Biervliet vond in 1386 het „kaken” uit, waardoor een veel smakelijker en duurzamer product werd verkregen dan vóór dien tijd op de markt kwam. De Haring sterft n.l. kort na het ophalen van het net; terstond wordt hem de keel opengesneden en onmiddellijk de kieuwen en de darmen verwijderd, die anders een spoedig bederf zouden veroorzaken; de dus toebereide Visch wordt voorloopig in met zeewater gevulde tonnen geworpen en den volgenden dag bij lagen, met grof zout er tusschen, in andere tonnen (kantjes) overgepakt, die in ’t ruim van ’t schip worden weggezet. Het kaken wordt door een geoefend visscher zeer snel gedaan: 15 à 20 ton Haring per uur. Doorgaans worden 100 ton Haring vóór zonsondergang gereedgemaakt. Voor het behoorlijk zouten zijn 4 ton (530 KG.) zout op 14 ton Haring noodig. De aan land gebrachte pekelharing wordt in de haringpakkerijen onder nauwkeurige controle in de open lucht uitgepakt en zorgvuldig nagezien; alle Visschen, die eenig gebrek vertoonen (onzuiver, wanzout, wrak, ijl, kuitziek, melkziek zijn), worden van de volle en zuivere afgescheiden en deze opnieuw met zout in andere tonnen overgepakt, die, al naar de grootte der Haringen, 900 à 1100 stuks bevatten. Een last van 12 „gepakte” tonnen weegt 1800 à 2000 KG. Al naar de soort van Visch, die zij bevatten, worden de tonnen met verschillende ingebrande keuren voorzien. De goede naam, dien de Hollandsche Haring, ondanks de steeds scherper wordende concurrentie tot heden toe heeft behouden, werd door het zorgvuldig toepassen van deze maatregelen gevestigd.

De belangrijkheid van de Nederlandsche haringvisscherij in de 16e eeuw blijkt uit den haar toegekenden naam „Groote Visscherij,” die voor ’t eerst voorkomt in een plakkaat van Prins Willem I, gedagteekend 27 April 1582, en sinds dien tijd gebezigd werd in alle plakkaten van de Staten van Holland, welker doel was „de maintenue van de hoofdnering, welvaart en principaalste mijne dezer landen.” Dit doel trachtte men te bereiken door de visscherij en den vischhandel te dwingen in een nauw keurslijf van bepalingen en reglementen, die voor ’t grootste gedeelte in de eerste helft van deze eeuw nog bestonden en eerst bij de wet van 12 Mei 1857 zijn afgeschaft. Eén van deze bepalingen was, dat zoomin de buizen als de jagers eenige andere kustplaats mochten aandoen dan de vaderlandsche haven, van waar zij waren uitgezeild; het aan land brengen van de vangst op een andere plaats was den visscher uitdrukkelijk verboden, evenals ook het koopen en verkoopen van Haring in zee of het buitenland. Geen reeder van een haringbuis mocht daarin deel geven aan een vreemdeling, geen Nederlander mocht medereeder zijn in een ter haringvangst uitgerust, buitenlandsch schip, geen Nederlandsch visscher voor buitenlandsche reeders varen, enz. Ook de tijd waarop de vangst moest aanvangen, was nauwkeurig voorgeschreven: Geen net mocht in zee geworpen worden vóór den middernacht volgende op St. Jan (24 Juni). De haringvisschers zorgden er dus voor, omstreeks dien tijd bij Fairhill (een eilandje tusschen de Shetlandsche en Orkadische eilanden) te zijn om te rechter tijd den arbeid te kunnen beginnen. Voor de vangst dienen zoogenaamde drijfnetten van 40 M. lengte en 10 M. diepte, die, ten getale van 50, 60 of meer aaneenverbonden, de „haringvleet” vormen. Deze heeft dikwijls een lengte van honderden meters en is van boven verbonden aan een touw (dolreep of vleetreep), die tusschen twee buizen uitgespannen wordt. Deze liggen door het zware net zoo vast, dat zij geen ankers noodig hebben. De bovenrand van de vleet wordt drijvende gehouden door de hieraan bevestigde ledige tonnen; aan den onderrand bevindt zich de „loodreep,” die, behoorlijk bezwaard, de vleet als een rechtstandige muur in het water doet drijven. De bij reglement voorgeschreven grootte van de mazen is zoodanig, dat een jonge Haring er door kan; de volwassen Visch blijft bij zijne poging om er door te sluipen met den kop er in steken en wordt door de kieuwdeksels verhinderd terug te keeren. Het net wordt na zonsondergang te water gelaten; ’s nachts kan men de haringschool gewoonlijk op een afstand duidelijk onderscheiden, daar de glanzig zilverwitte schubben van de onderdeelen, die door het opdringen en zwenken dikwijls boven komen, door weerkaatsing van het licht een helder schijnsel („zilverblik” genaamd) veroorzaken. De visschers zijn dus in de gelegenheid om het net dwars voor de school te spannen. Door het licht der schepen aangelokt, zwemmen de Haringen op het net af, dat zij wegens de duisternis niet opmerken. Den volgenden morgen, in den regel omstreeks 5 of 6 uur, een uur of twee na zonsopgang, wordt het net opgehaald. Dit is een moeielijke arbeid, die wel drie uren duurt. De hoeveelheid visch, die in gunstige omstandigheden door een „schot” of networp wordt buit gemaakt, wisselt af van 3 tot 8 last (sommige berichten gewagen van 10 en zelfs van 14 last). In Sept. 1898 heeft één schot soms 100 ton Haring opgebracht. Het gebeurt wel eens, dat men het net wegens den grooten aandrang van Visch reeds na 2 uren moet ophalen. De zorgvuldige behandeling van de vangst levert werk genoeg voor den volgenden dag. Als de vangst meer dan 5 last bedraagt, is het niet mogelijk haar geheel te verwerken; het overschot (de „slabbers”) wordt ook wel gekaakt, doch licht gezouten en veeltijds in bijzondere schuiten geworpen en vervoerd. Gedurende de 3 eerste weken (25 Juni tot 15 Juli) wordt al de gevangen Haring ongesorteerd (doch gekaakt en gezouten) in tonnen gepakt en door de jagers naar Holland vervoerd; dit is de z.g. Jagersharing of St. Jansharing. Na 15 Juli worden alle Visschen, zoodra zij gekaakt zijn, zorgvuldig uitgezocht en in 3 soorten onderscheiden, n.l. Maatjesharing, Volle Haring (die rijpe hom of kuit bevat en het langst duren kan) en Schoot- of Holharing (ook wel IJle Haring genoemd, die de kuit of hom reeds uitgeworpen heeft, veel geringer van kwaliteit is en minder lang kan duren dan de Volle Haring). Kuit- en Melkziek noemt men den Visch, die op het punt is van te schieten en dus de kuit en de hom geheel los heeft zitten; ook deze is van geringe kwaliteit. Ook naar den tijd en de plaats van vangst wordt de Haring gesorteerd en het fust later door een ingebrand merk aangeduid. Die, welke tusschen 15 Juli en St. Jacob (25 Juli) bij Fairhill en Hitland gevangen is, heet Grofzoutharing. Van St. Jacob tot St. Bartholomeus (24 Aug.) en daarna tot Kruisverheffing (14 Sept.) of St. Lambertus (17 Sept.) werpt men de netten onder Schotland, bij Bockeney en Sereniat uit; de merken van de hier gevangen Visch heeten Jacobi-brand (Fijnzoutharing) en Bartholomeïbrand (Kleine brand, Keulsche brand). De buizen keeren één- of tweemaal (of vaker, wanneer de vangst overvloedig is geweest) naar het vaderland terug om zoo spoedig mogelijk (voor zoover het vischseizoen nog niet afgeloopen is) hun arbeid in zee te hervatten. De Haring, die men na 14 Sept. tot St. Catharina (25 Nov.) vangt, is afkomstig uit de zee beoosten Yarmouth en van nog zuidelijker gedeelten der Engelsche kust; dit is de Kruisbrandharing (Groote of Rouaansche brand).

De haringvangst op de Engelsche kust geschiedt voor een groot deel met bomschuiten. De door hen aangebrachte Visch mocht volgens een bepaling uit de vorige eeuw niet gekaakt worden; men bepaalde zich er toe haar zwak te zouten of te „steuren”; hieraan is de naam Steurharing ontleend. Gedeeltelijk was deze Visch voor de bokkingrookerijen bestemd, gedeeltelijk werd zij onmiddellijk verbruikt (Schakelharing, Zoete Haring). Omgekeerd werd in 1826 aan de bemanning der buizen verboden Haring te „steuren” of ongekaakt aan den wal te brengen. Beide beperkende bepalingen zijn in 1857 afgeschaft, zoodat nu alle ter haringvangst uitzeilende vaartuigen zoowel pekelharing als steurharing mogen aanvoeren. Vroeger moest de voor uitvoer bestemde pekelharing door van hoogerhand aangestelde keurmeesters gekeurd en door een officieel merk op het fust gewaarborgd worden. Deze wijze van keuring werd bij de wet van 1857 facultatief gesteld en in 1878 geheel afgeschaft.

In de 17e eeuw bereikte onze haringvisscherij haar hoogsten trap van bloei. Gemiddeld voeren toen ieder jaar 1000 (in 1601 zelfs 1500) buizen uit onze havens naar Hitland, en verschafte dit bedrijf, naar men berekende, aan ongeveer 100000 menschen een bestaan. De aanzienlijke vermindering van onze haringvloot in de 18e eeuw werd voor een deel veroorzaakt door de steeds toenemende mededinging van andere volken. Sinds lang werden ons de schatten van de zee betwist door de Hanseaten en de Noren; de sterke uitbreiding van de vischvangst der Engelschen en Schotten, die thans op dit gebied alle overige Europeesche volken overvleugeld hebben, is ruim twee eeuwen geleden begonnen. Wel herleefde onze haringvisscherij (die in 1812 en 1813 slechts door 3 buizen werd uitgeoefend) eenigszins na het herstel onzer onafhankelijkheid, maar toch is in de eerste helft dezer eeuw het aantal voor dit bedrijf uitzeilende kielschepen nooit grooter geweest dan 173 (in 1830); in 1856 was het tot 82 gedaald (bovendien voeren 147 bomschuiten ter vangst van versche en steurharing uit). Sinds 1857 heeft echter onze haringvloot een aanmerkelijke uitbreiding ondergaan, niet alleen wat het aantal, maar ook wat het model, de bouwstof, de grootte en de uitrusting der kielschepen betreft. Een belangrijke verbetering was het vervangen van de hennep als materiaal voor de netten door katoen (dat voor ’t eerst in 1852 in Schotland voor dit doel gebruikt werd). Netten van hennep kunnen niet langer dan 1 jaar dienst doen; indertijd verving men daarom de hennep ook wel door Perzische zijde en verkreeg op deze wijze netten, die minstens 3 jaar konden duren. Hun lichte kleur, die den Haring schuw zou maken, werd weggenomen door het tanen of het in den rook hangen. De herhaaldelijk met cachou getaande katoenen netten zijn niet slechts duurzamer, maar ook buigzamer en goedkooper; zij drogen spoediger; de mazen, waarin de Visschen vastgeraken, blijven beter geopend.

Tot in 1866 waren hoekers en sloepen de eenige voor de haringvangst dienende kielschepen; in 1867 kwam de eerste vischlogger naar Fransch model in gebruik; in 1886 voer de laatste hoeker naar de vischgronden. In 1896 was het aantal loggers, sloepen en kotters voor de haringvangst gestegen tot 296, voor ’t meerendeel thuis behoorend in Vlaardingen, Maassluis en Scheveningen. Hoe langer hoe meer worden deze vaartuigen (welker bemanning gemiddeld uit 14 of 15 personen bestaat) van ijzer of staal vervaardigd en met stoomspillen voor het ophalen der netten voorzien. Het aantal reizen van ieder schip bedroeg in 1896 minstens 3, meestal 4, voor één zelfs 7. In ’t geheel hebben de kielschepen in genoemd jaar 273114 tonnen pekelharing en ruim 6 millioen stuks steurharing uit zee aangebracht.

In 1896 zeilden 324 bomschuiten (ieder bemand met 8 à 10 personen) ter haringvangst langs de kust uit (n.l. van Scheveningen 231, Katwijk 74, Noordwijk 18, Egmond 1); zij brachten 212531 tonnen pekelharing en ruim 25 millioen steurharing aan.—De geheele haringvangst van 1896 (bijna 208 millioen Haringen) vertegenwoordigt een waarde van omstreeks 5 millioen gulden.—Bovendien leverde de Zuiderzeevisscherij ruim 60 millioen Haringen op (ter waarde van bijna 340000 gulden); deze worden meerendeels tot „bokking” gerookt; het overige wordt als „panharing” versch gegeten.

„De vangst van Haringen, Pelsers en Sprotten,” zegt Bertram, „wordt in Engeland met een korten tusschentijd bijna het geheele jaar door uitgeoefend, de haringvangst echter hoofdzakelijk van Augustus tot October. Dan is de zee langs de kusten van Schotland, Ierland en Engeland met visschersvaartuigen als bedekt; iederen zeeboezem heeft zijn eigen kleine vloot, iedere inham zijn visscherij; op de voornaamste vischgronden zijn zeer aanzienlijke vloten bijeen. De zouters hebben in de steden, die in de nabijheid van de vischgronden gelegen zijn, ruime pakhuizen en terreinen, gevuld met tonnen, zout en andere benoodigdheden. Minder bemiddelde zouters vestigen hunne werkplaatsen aan de kust; tegenover de hiervoor gekozen punten verzamelt zich weldra in de zee een meer of minder talrijke vloot; terwijl aan den vasten wal een bonte menigte van allerlei menschen, zouthandelaars, verkoopers van vatduigen, kuipers, meisjes uit den omtrek, mannen uit de Hooglanden en anderen, hunne diensten komen aanbieden. In den eigenlijken vischtijd heerscht op deze plaats een zenuwachtige bedrijvigheid: alle werkzaamheden, alle gesprekken, alle gedachten hebben uitsluitend betrekking op de Haringen. Ouden van dagen komen de toebereidselen in oogenschouw nemen en disschen, door geestdrift verjongd, verhalen op over gebeurtenissen van 20 of meer jaren her; de jongere lieden bezichtigen de booten, zeilen en netten. Langs de geheele kust ziet men overal dezelfde tooneelen; ieder is bezield door de hoop op een gelukkige vangst.

„Slechts voor een klein deel zijn de lieden, die de Haringen helpen vangen, visschers van beroep; verreweg de meeste zijn huurlingen, een samenraapsel van boeren, handwerkslieden, matrozen en landloopers; dit is de voorname reden van het groot aantal ongelukken, dat gedurende elk vischseizoen voorvalt. Voor de vischvangst gebruikt men veelal een vleet; groote vaartuigen kunnen over een afstand van een Engelsche mijl het water afzetten. De gevangen Visch wordt zoo schielijk mogelijk naar de werkplaats van den zouter op het strand vervoerd, omdat de Haring des te beter wordt, hoe eerder hij in den pekel komt.”

Voor een paar jaren heeft een Aberdeensche reederij een nieuw soort haringvisschersvaartuig in gebruik gesteld. Het is ongeveer 20 voet lang en 8 voet diep van de reeling tot de kiel. Het eigenaardige van dit vaartuig is, dat het bestaat uit twee afzonderlijke, 2 à 3 voet van elkander verwijderde heften, onderling verbonden door ijzeren staven. Aan den voorsteven zijn twee netten bevestigd, die in den vorm van een V van het schip uitgaan. Twee sleepbooten nemen ieder het einde van één der netten en sleepen het vaartuig daarmede naar de visscherijgronden. Zoodra men nu bij een haringschool gekomen is, is ’t de kunst te zorgen, dat deze tusschen de twee netten in geraakt en zóó in de opening tusschen de twee helften van het schip gedreven wordt. Een draadtraliewerk belet aldaar de ontsnapping en de visch wordt door twee man aan boord gehaald.

In ’t geheel werd in het Vereenigd Koninkrijk (met inbegrip van het eiland Man en de Kanaal-eilanden) de zeevischvangst in 1895 uitgeoefend door 24046 vaartuigen (waarbij 4803 roeibooten) met een bemanning van 114320 koppen (7120 schepen met 41224 man in Engeland en Wales, 9798 schepen met 43373 man in Schotland, 6060 schepen met 26910 man in Ierland). De hoeveelheid gevangen zeevisch bedroeg ruim 14½ millioen centenaars, ter waarde van ruim 7 millioen pond sterling, waarvan 5634891 centenaars Haring, ter waarde van 1083307 pond sterling (n.l. in Engeland ruim 1½ millioen, in Schotland bijna 4 millioen en in Ierland ruim 155 duizend centenaars). Aan elkander bevestigd zouden de netten van de 7000 voor de haringvangst dienende Schotsche vaartuigen een lengte van 20000 KM. hebben; ieder jaar worden hiermede minstens 1000 millioen Haringen gevangen. De voornaamste plaatsen voor de haringvangst aan de oostkust van Schotland en Engeland zijn Great-Yarmouth, Wick, Peterhead en Fraserburg.

Langs het middelste gedeelte van de kust van Noorwegen maakt men in den zomer en den herfst, voor de zeer belangrijke vangst van den zoogenaamden Zomerharing of Vetten Haring, behalve van de gewone netten, ook gebruik van zoogenaamde „waden”, welke dienen om fjorden en bochten af te sluiten, zoodra hierin een haringschool is doorgedrongen. Op deze wijze worden soms ongeloofelijke hoeveelheden visch te gelijk buit gemaakt. In de bochten laat men de Haringen, die men den terugtocht heeft afgesneden, zoo lang blijven, totdat men den tijd heeft om ze te bergen en in te zouten; dit moet zoo vlug mogelijk geschieden, omdat de ingesloten Visch hoe langer hoe meer uitteert en aan waarde verliest. Dikwijls is de hoeveelheid Haring zoo groot, dat de bedoelde werkzaamheden 2 of 3 weken lang aanhouden; daar in dezen tijd vele Haringen uitteren en sterven, wordt het water in de bocht stinkend, hetwelk ten gevolge heeft, dat de Haring deze voor hem zoo aantrekkelijke paaiplaats 3 à 4 jaren achtereen vermijdt. Langs het zuidelijke deel van de Noorsche kust (hoofdplaats Stavanger) wordt van het einde van Januari tot April de Vaarsild gevangen, meestal met drijfnetten. In de provinciën Norrland en Zuid-Finmarken eindelijk vangt men van November tot Januari een derde soort, de zoogenaamde Groote of Noordharing (Storsild). In 1895 bedroeg de totale opbrengst van de Noorsche haringvisscherij 1235000 HL. ter waarde van ongeveer 4 millioen gulden.

In Duitschland worden ieder jaar ruim 1 millioen tonnen pekelharing ingevoerd ter waarde van omstreeks 18 millioen gulden, daar de vangst van de Duitsche haringvisschers niet meer dan 35000 tonnen ter waarde van 600000 gulden bedraagt. Het grootste deel hiervan komt op rekening van de Emder haringvisscherijmaatschappij, die met 29 loggers de Noordzee bevischt. De visscherijmaatschappijen van Bremen-Vegesack (13 loggers) en van Glückstadt zijn van minder beteekenis. De Duitsche haringvisscherij op de Oostzee is niet zeer belangrijk; de vangst wordt grootendeels versch of gerookt verbruikt.

In een aquarium kan de Haring slechts op zeer jeugdigen leeftijd eenige dagen in ’t leven gehouden worden. De volwassen Haringen verliezen in de gevangenschap dadelijk bijna alle schubben en sterven binnen weinige uren.

De naaste verwante van den Haring, die in de Noordzee aangetroffen wordt, is de Sprot (Clupea sprattus), een vischje van ongeveer 15 cM. lengte. Onze visschers en kustbewoners noemen haar in verschen toestand gewoonlijk Schardijn of Sardijn (door verwarring met Clupea pilchardus), en eerst nadat zij gerookt is, Sprot. Zij heet ook Bliek, evenals de Blei en de jongen van den Brasem, of Zeebliek, evenals de jonge Haring. De kielvormige buik is duidelijk getand, de rug donkerblauw met groenen weerschijn, de romp overigens zilverwit; de rugvin en de staartvin zijn donker, de aarsvin benevens de borst- en buikvinnen wit van kleur.

Ofschoon de beteekenis van de Sprot voor de huishouding van den mensch veel geringer is dan die van den Haring, behoort zij toch tot de belangrijkste Visschen van de Noordzee en de Oostzee, aan welker kusten zij in grooten getale leeft. Zij heeft ongeveer dezelfde levenswijze als de Haring, bewoont, evenals deze, aanzienlijke diepten en bezoekt ieder jaar, tot ontzaglijke scholen vereenigd, kustwateren of ondiepe gedeelten der zee. Evenals bij den Haring, onderscheidt men ook bij de Sprot een aantal rassen. Volgens de waarnemingen van V. Hensen heeft in de Oostzee het kuitschieten van de Sprot in Mei en Juni plaats; ongeveer te zelfder tijd geschiedt dit op de Schotsche kust, elders in Augustus en September, bij andere kusten in October en November. De aanwezigheid van de Sprot in de bovenste waterlaag schijnt echter niet altijd met het paaien in verband te staan. Gewoonlijk vertoeft zij hier in gezelschap van andere kleine en jonge Visschen, vooral jonge Haringen, die op vele plaatsen te gelijk met haar in onnoemelijken getale in fijnmazige netten gevangen worden. Alle vischjes, die in het net geraken, worden, zonder onderscheid van soort, op dezelfde wijze toebereid, onder den naam van Sprot in den handel gebracht. „De gewoonte om den riviermond op te zwemmen”, schrijft Dr. Hoek, „schijnt zij met den Haring gemeen te hebben. Terwijl echter de Zeebliek (Whitebait), die op den Theems gevangen wordt, gedurende de winter- en voorjaarsmaanden voor verreweg het grootste deel uit Sprotten en voor een veel geringer deel uit jonge Haringen bestaat en deze alleen in Juni en Juli in grooter aantal schijnen voor te komen, zijn de jonge Haringen op het Hollandsch Diep het geheele jaar door veel talrijker dan de Sprotten. Ik geloof niet, dat er op het Hollandsch Diep en het Haringvliet door elkander genomen één Sprotje op honderd jonge Haringen of Zeeblieken gevangen wordt.” In de Zuiderzee en langs onze kust is de Sprot in veel geringer hoeveelheid voorhanden dan aan de zuid- en oostkust van Engeland, waar zich gedurende den winter 400 à 500 Engelsche visschersvaartuigen voortdurend met de Sprotvangst bezig houden. Dit bedrijf levert in het geheele Vereenigd Koninkrijk een opbrengst van ruim 135 duizend centenaars ter waarde van bijna 22 duizend pond sterling. Bij ons vangt men de Sprot dicht bij de kust met groote saaien, die door een vaartuig gesleept worden. Men eet haar deels versch (vooral in Engeland), deels gerookt.

Ook aan de Duitsche kust, vooral aan die van de Oostzee, worden ieder jaar groote hoeveelheden Sprot gevangen, bij Eckernförde alleen gemiddeld ongeveer 16 millioen per jaar, die meestal, na gerookt te zijn, onder den naam „Kieler Sprot” overal heen gezonden worden; in Noorwegen wordt dezelfde Visch ingemaakt (gemarineerd) en onder den naam van „Ansjovis” in den handel gebracht.

De Elft (Clupea alosa) (Alosa vulgaris) is nauw verwant aan den Haring, gelijk reeds na een vluchtige beschouwing blijkt. Zijn romp is echter hooger, de aarsvin een weinig langer; de rugvin en de buikvinnen zijn verder naar voren geplaatst, de schubben kleiner, die van den buikkant scherper. De rug heeft een fraaie, metaalachtig glinsterende, olijfgroene kleur; de zijden en de onderdeelen zijn zilverwit, op de zijden met goudachtigen weerschijn; een groote, donkere, onduidelijk begrensde vlek, die aan den bovenhoek van de wijde kieuwspleet staat (op de zijden gewoonlijk niet gevolgd door kleinere vlekken), iriseert met olijfgroene kleur. De kieuwbogen zijn op de holle, naar voren gerichte zijde bezet met een rij zeer smalle, lange en fijne uitloopers, welker aantal met den leeftijd toeneemt, aan den voorsten kieuwboog vindt men er 50 tot 120. De uitloopers aan de kieuwbogen zijn zelf weer met tandjes of stekeltjes bezet. De keelspleten zijn op deze wijze van een soort van zeeftoestel voorzien, die bij ’t openen van den bek zichtbaar wordt en welks oppervlakte aan die van een borstel herinnert. Hierdoor worden de als voedsel dienende kleine diertjes, die in het water voorkomen, in de mondholte achtergehouden, terwijl het ademhalingswater naar de kieuwholte stroomt. De vinnen zijn in mindere of meerdere mate zwartachtig. Deze Visch kan meer dan 80 cM. lang en 1.5 à 3.5 KG. zwaar worden.

De Fint [Clupea (Alosa) finta] bereikt een aanmerkelijk geringere lengte dan de Elft; hij wordt zelden langer dan 40 cM. of zwaarder dan 1 KG. De verhouding tusschen hoogte en lengte is bij beide soorten in volwassen toestand nagenoeg dezelfde (1 : 3½). De jonge Elften zijn echter hooger dan de jonge Finten: beide worden door onze visschers Plasjes genoemd. De plaatjes op de holle, naar voren gerichte zijde van de kieuwbogen zijn bij den Fint korter en steviger dan bij den Elft en steeds op eenigen afstand van elkander geplaatst; hun aantal op den voorsten kieuwboog is bij volwassen exemplaren steeds geringer dan 50. De kleur komt met die van den Elft overeen; achter de schoudervlek vindt men echter op de zijden een reeks van 5 à 6 dergelijke vlekken.

De levenswijze van de beide laatstgenoemde Visschen biedt weinig verschil aan. Zij bewonen alle zeeën, die de Europeesche kusten bespoelen, houden hier verblijf op tamelijk groote diepte en zwemmen de rivieren op om kuit te schieten. Zij doen dit soms vroeger, soms later, daar zij wachten moeten, totdat het rivierwater, door het bezinken van het slib, dat bij hoogen waterstand wordt medegevoerd, eenigermate geklaard is. Gewoonlijk gaan de Finten 4 weken later op reis dan de Elften, welker reizen zich nagenoeg over het geheele gebied van den stroom uitstrekken, ook over de zijrivieren, den Moezel, den Main, den Neckar, zelfs over die, welke boven Bazel in den Rijn uitmonden. Voor een deel paaien de Elften echter reeds in lagere gedeelten van den hoofdstroom: bij Coblenz, bij Bonn en, volgens de onderzoekingen van Dr. Hoek, waarschijnlijk reeds op Nederlandsch grondgebied. De paaiplaatsen van de Finten, die in het voorjaar de rivier opzwemmen, zijn weinig boven den grens van het zoetwater gelegen; de Visschen, die later (tot in September) uit zee komen, begeven zich verder stroomopwaarts om kuit te schieten. Den Duitschen naam „Maifische” danken de Elften aan de regelmatigheid van hun komst in de hoogerop gelegen stroomgedeelten. Aan de riviervisschers zijn zij zeer goed bekend, omdat zij zich op een meer hoorbare wijze bewegen dan de andere Visschen, dicht bij de oppervlakte van het water zwemmen en soms een gedruisch veroorzaken, dat met het geknor van een kudde Zwijnen vergeleken wordt. De Visschen maken deze geluiden door het slaan met den staart, terwijl zij dicht bij den waterspiegel paaien. Na het kuitschieten keeren zij langzaam naar de zee terug; de meeste zijn dan opmerkelijk verzwakt en zoo mager, dat zij als voedsel voor den mensch bijna geen waarde hebben. Vele bezwijken ten gevolge van de vermoeienissen; doode exemplaren van deze soort ziet men soms in menigte den stroom afdrijven. Jonge Elften van ongeveer 5 à 7 cM. lengte komen reeds in de tweede helft van Juli in onze benedenrivieren voor; in October zijn zij reeds 8 à 13, in het volgende voorjaar 10 à 16 cM. lang; dan begeven zij zich naar zee. Hun voedsel bestaat uit kleine Visschen en weekhuidige Schaaldieren.

De vangst van Elft op onze benedenrivieren is niet onbelangrijk en heeft hoofdzakelijk met het drijfnet plaats. Op de vischmarkt te Kralingen werden in 1897 ruim 34 duizend exemplaren van deze vischsoort aangevoerd, die gemiddeld een waarde hebben van meer dan een gulden. De Finten zijn kleiner en minder smakelijk; hun waarde is veel geringer: ⅕ à ​1⁄10​ van die der Elften. Deze zijn in sommige jaren veel menigvuldiger dan gewoonlijk. In April 1852 b.v. werden op de Merwede voor Gorkum in 24 uren tijds 23000 stuks Elften gevangen, in een enkelen trek 3573. Deze Visch wordt voornamelijk gerookt verzonden en gegeten.

In Amerika heeft men een in de noordelijke Staten voorkomende Elftsoort, de Alewife of Mentraden [Clupea (Alosa) tyrannus], met goed gevolg door kunstmatige vischteelt naar zuidelijker rivieren, o. a. naar den Connecticut en de Alabama, overgebracht.

Belangrijker dan de Elft en de Fint is de 18 à 20, hoogstens 25 cM. lange Pelser [Clupea (Alosa) pilchardus], die in gestalte met den Haring overeenkomt, doch er door zijn geringere grootte en betrekkelijk grootere dikte van verschilt. De bovendeelen zijn blauwachtig groen, de zijden en de buik zilverwit; de met donkerder streepjes geteekende kieuwdeksels hebben een goudgelen weerschijn. Het is gebleken, dat de Sardijn van de Fransche kust, die men vroeger voor een afzonderlijke soort hield, zich alleen door geringere grootte onderscheidt van het vischje, dat in Engeland „Pilchard” wordt genoemd.

De Pelser behoort hoofdzakelijk thuis in de zee ten westen van Europa, komt veelvuldig voor ten zuiden van Engeland en langs de geheele Fransche en Noord-Spaansche kust tot aan de straat van Gibraltar. Aan de kust van Cornwallis houdt hij zich gedurende het geheele jaar op, tijdelijk in ondiep water. Zijn vraatzucht is zeer groot; hij voedt zich echter bijna uitsluitend met kleine Schaaldieren, bij voorkeur met een dwergachtige soort van Garnaal, waarvan men dikwijls vele duizenden stuks in zijn tot barstens toe gevulde maag aantreft. Om deze te verkrijgen, vertoeft hij op den bodem der zee en doorzoekt op de wijze van de Karpers het zand of de tusschenruimten van den steenachtigen bodem in ondiep water. Zijn paaitijd valt in de herfstmaanden; in sommige jaren ontmoet men echter reeds in Mei vele Pelsers met rijpe kuit; van een bepaalden voortplantingstijd kan dus eigenlijk geen sprake zijn.

Aan de Britsche kusten is de vangst van Pelsers van groote beteekenis. Met één trek van het net wordt soms een ongeloofelijk groote hoeveelheid van deze visch uit het water gehaald. Couch sprak een visscher, die bij een tocht tegenwoordig was geweest, welke 2200 tonnen Pelsers opleverde; zelfs is het eens voorgekomen, dat bij één tocht 10000 tonnen of ten naastenbij 25 millioen van deze Visschen gevangen werden. Een eigenaardigheid van deze visscherij is, dat men slechts een betrekkelijk gering aantal Pelsers gedurende den paaitijd vangt, de meeste evenwel met groote grondnetten van den bodem ophaalt. In sommige opzichten herinnert de vangst van Sardijnen aan die van Tonijnen. Vele Pelsers worden gezouten, verreweg de meeste echter eerst eenigen tijd in de pekel gelegd, daarna in olie gekookt, in blikken busjes gepakt en onder den naam van „Sardijnen” in den handel gebracht. Vooral te Nantes, Bordeaux, La Rochelle en op verschillende kustplaatsen van Saintonge wordt dit bedrijf uitgeoefend.

*

De Ouden kenden zoomin den Haring als den Pelser of de Sprot, wel echter de Ansjovis (Engraulis encrasicholus), die o.a. wegens haar in een kegelvormige punt uitloopenden, ver voorbij de onderkaak uitstekenden snuit met ver achter de oogen reikenden mondspleet, als een vertegenwoordigster van een afzonderlijk geslacht wordt beschouwd. Zij wordt hoogstens 15 cM. lang en heeft een bruinachtig blauwen rug, de zijden en den buik wit, den kop goudkleurig.

In ontzaglijke menigte bewoont deze soort de Middellandsche Zee; voorts is zij langs de Europeesche kusten van den Atlantischen Oceaan tot aan het noordelijke deel van de Noordzee verbreid; in de Oostzee wordt zij slechts zelden, en uitsluitend in het westelijke deel, waargenomen. Van Mei tot Juli begeeft zij zich om kuit te schieten in groote scholen naar de monden der rivieren, waar zij in menigte wordt buitgemaakt. Bij ons heeft de ansjovisvangst voornamelijk plaats in de Zuiderzee. De voornaamste zouterijen bevinden zich te Monnikendam en Marken, Enkhuizen, Medemblik, Huizen en Naarden, Urk en Bunschoten.

Daar door de wet van 14 Juni 1890 het verbod van de vischvangst met den wonderkuil werd ingetrokken, is op de Zuiderzee het gebruik van alle vischtuigen geoorloofd. De ansjovisvangst wordt voornamelijk uitgeoefend met den wonderkuil, den kwakkuil en den dwarskuil: grondnetten, die nagenoeg alleen door de wijze van aanspanning verschillen; het eerstgenoemde wordt tusschen twee botters of schokkers in over den zeebodem getrokken; voor de beweging van de beide laatstgenoemde soorten van netten is slechts één visschersvaartuig noodig.

De vroeger zoo belangrijke ansjovisvangst op de Zeeuwsche stroomen, die aanleiding gaf tot een belangrijke zouterij te Bergen-op-Zoom, heeft in de laatste jaren, ten gevolge van den toenemenden bloei der oesterkultuur, bijna niets beteekend. Over het algemeen zijn de uitkomsten van deze visscherij zeer wisselvallig. De totale vangst, die in 1890 190000 ankers (à 50 KG.) bedroeg, was in 1896 13500 ankers en is in vele jaren beneden de 10000 ankers gebleven (27 maal in de laatste 57 jaren). De geldelijke opbrengst is niet minder verschillend (ruim f 45000 in 1892, bijna f 560000 in 1894, bijna f 220000 in 1896).

In zuidelijke landen is de ansjovis-visscherij van veel grooter belang; reeds in Bretagne brengt zij millioenen op; voor de bewoners van vele oeverlanden der Middellandsche Zee is zij een even gewichtig middel van bestaan als de haringvisscherij voor de bewoners van de kusten der Noordzee.


Sedert het einde van de 17e eeuw, toen Richter Guyana bereisde, hebben verscheidene geneeskundigen en natuuronderzoekers hunne ervaringen medegedeeld over een Visch, wiens vermogen om electrische schokken te geven, dat van alle overige tot dusver bekende Visschen, die electrische organen bezitten, overtreft. Aan Alexander von Humboldt danken wij de eerste nauwkeurige berichten over den Beef- of Sidderaal; voor een twintigtal jaren heeft Carl Sachs deze mededeelingen aangevuld.

„De Spanjaarden,” zegt A. von Humboldt, „geven den naam van „Trembladores” (Siddervisschen) aan alle electrische Visschen. Sommige vindt men in de Antillen-zee, aan de kusten van Coemana. Andere Beefvisschen, echte Naakte Alen of Sidderalen, komen voor in de Rio Colorado, in de Guarapiche en in verscheidene kleine beken van de zendingsposten onder de Chaymas-Indianen. Ook in de groote Zuid-Amerikaansche stroomen, in den Orinoko, in den Amazonenstroom, in den Meta zijn zij talrijk, maar kunnen wegens den sterken stroom en de diepte van ’t water moeielijk gevangen worden. Bij ’t baden en zwemmen worden de Indianen niet zelden getroffen door de electrische ontladingen dezer Visschen; minder dikwijls komt het voor, dat zij hen te zien krijgen. In de Llanos, vooral in de nabijheid van Calabozo, tusschen Morichal en de hooger en lager gelegen zendingsposten, zijn de Sidderalen in stilstaande wateren en in de bijrivieren van den Orinoko zeer veelvuldig.

„Aanvankelijk waren wij voornemens in ons huis te Calabozo proeven met deze Visschen te doen; bij het volk is de vrees voor de schokken van de Sidderalen echter zoo overdreven groot, dat wij in de drie eerste dagen er geen konden krijgen, ofschoon het niet moeielijk is ze te vangen en wij de Indianen 2 piasters hadden beloofd voor iederen behoorlijk grooten en krachtigen Visch.

„Daar het lange wachten ons begon te vervelen (en nadat de proeven met een levenden, maar zeer afgematten Sidderaal, die men ons gebracht had, zeer twijfelachtige uitkomsten hadden opgeleverd), gingen wij naar den Cañon de Bera, een stroomend water, dat gedurende het droge jaargetijde in een modderigen plas verandert, om onze onderzoekingen te doen in de vrije natuur, aan den rand van een door Sidderalen bewoonden poel. Met netten kan men deze Visschen moeielijk vangen, daar zij zich buitengewoon vlug bewegen en zich, evenals de Slangen, in het slijk begraven. De Indianen zeiden, dat zij „met Paarden” gingen visschen. Weldra kwamen eenige mannen uit de steppe terug, een dertigtal ongetemde Paarden en Muildieren voor zich uit drijvend, die zij dwongen te water te gaan.

„Door het stampen der paardenhoeven en het ongewone getier worden de Visschen uit het slijk opgejaagd en tot den aanval geprikkeld. De strijd tusschen deze zoo verschillende dieren levert een schilderachtig schouwspel op. De Indianen, met werpspiesen en lange, dunne rietstokken gewapend, plaatsen zich in een gesloten rij om den vijver, eenige klimmen in de boomen, welker takken zich in horizontale richting over het water uitbreiden. Door een woest geschreeuw en door slagen met de lange rietstokken drijven zij de Paarden, die naar den oever willen vluchten, in het water terug. Door dit geraas verschrikt, verdedigen de Sidderalen zich door telkens herhaalde electrische ontladingen. Gedurende geruimen tijd schijnt het, dat zij de zege zullen behalen. Verscheidene Paarden bezwijken door de werking van de onzichtbare slagen, die hunne edelste organen in alle richtingen doorvlijmen; bedwelmd door de telkens herhaalde krachtige schokken, verdwijnen zij onder den waterspiegel. Met buitengewone krachtsinspanning trachten andere, snuivend van angst, met overeind staande manen, terwijl de uitdrukking der oogen van grooten schrik getuigt, aan het onweder dat om hen heen woedt, te ontkomen: de meeste worden door de Indianen teruggedreven; aan eenige echter gelukt het de waakzaamheid der visschers te verschalken; zij weten den oever te bereiken, struikelen echter bij iederen pas en storten, doodelijk vermoeid, met verstijfde ledematen ter aarde. In minder dan 5 minuten waren reeds twee Paarden verdronken. De 1½ M. lange Aal legt zich tegen den buik van het Paard aan, zoodat dit dier de lading van het geheele electrische orgaan in ’t lichaam krijgt en een krachtige schok gelijktijdig het hart, de ingewanden en de buikzenuwen treft. In dit geval is de werking natuurlijk veel heviger, dan wanneer een mensch met de hand of den voet den Sidderaal aanraakt. Ongetwijfeld worden de Paarden niet direct door den schok gedood, maar slechts verdoofd; zij verdrinken, omdat zij niet meer opstaan kunnen, zoolang de strijd tusschen de overige Paarden en de Sidderalen voortduurt.

„Onze meening, dat alle dieren, die voor deze vischvangst gebruikt werden, er het leven bij zouden verliezen, blijkt ongegrond te zijn. Langzamerhand vermindert de hevigheid van den ongelijken strijd en verlaten de uitgeputte Sidderalen de kampplaats. Zij hebben behoefte aan een langdurige rust en een rijkelijke voeding om het geleden verlies aan galvanische kracht te herstellen. De Muildieren en de Paarden beginnen minder angst te toonen; zij zetten hunne manen niet meer op; de uitdrukking van hunne oogen wordt kalmer. De visschen zwemmen schuw naar den oever van den vijver, waar zij met kleine, aan een lang touw bevestigde werpspiesen gevangen worden. Na weinige minuten hebben wij vijf groote Sidderalen in ons bezit, die voor ’t meerendeel slechts licht gewond zijn. Andere exemplaren werden tegen den avond op dezelfde wijze gevangen.”

Zoo luidt het verhaal van den wonderbaarlijken strijd tusschen Paarden en Visschen. Waarschijnlijk zijn weinige natuurbeschrijvingen zoo beroemd geworden als deze. „Sedert een menschenleeftijd,” schrijft Carl Sachs, „staat deze beschrijving in bijna ieder Duitsch schoolboek; zij is een van de eerste mededeelingen, die het opkomende geslacht van de levende natuur ontvangt. Voor het buitenland geldt dit in niet mindere mate dan voor Duitschland; ieder, die iets van Sidderalen gehoord heeft, kent het verhaal van hun strijd met de Paarden der steppe. Toen ik te Berlijn het plan voor mijn reis ontwierp, scheen het dus van zelf te spreken, dat ook ik, evenals Humboldt, Paarden in het moeras zou drijven om de Sidderalen te vangen, die ik voor mijne onderzoekingen noodig had. Gedurende de geheele reis naar het bij Calabozo gelegen dorp Rastro-de-arriba was geen spoor van twijfel hieraan in mij opgekomen; het eenige bezwaar, dat ik tegen deze vangst had, was de hooge prijs, die tegenwoordig in de Llanos voor Paarden en Muildieren geëischt wordt. De kosten van één enkele dergelijke vischvangst zou allicht een groot deel van het reisgeld, waarover ik beschikken kon, in beslag genomen hebben; ik had daarom het plan opgevat om te beproeven, de Paarden of Muildieren, die voor deze onderneming noodig heeten te zijn, door Ezels te vervangen, daar de prijs van deze dieren slechts ongeveer het vierde deel van die der vroeger genoemde bedraagt; mij bekroop echter de vrees, dat het schouwspel, waarvan ik getuige wenschte te zijn, door deze verandering veel minder grootsch en schilderachtig zou worden.”

„De vooruitzichten voor het welslagen van mijn voornemen waren overigens zoo goed, als ik maar wenschen kon; volgens allen, die mij hierover konden inlichten, bevat de Cañon Rastro, die op korten afstand van mijn woonplaats gelegen is, een groot aantal Sidderalen. Ik liet daarom reeds op den dag van mijn aankomst door mijn huisgenoot Juan Babtista eenige onvervaarde mannen bij mij ontbieden, als welker woordvoerder een bruine kerel, Rafael Maria Arma genaamd, optrad. Ik stelde aan deze lieden voor om den volgenden morgen met Paarden uit visschen te gaan, waarbij dan beproefd zou worden, of men niet in plaats van Paarden Ezels zou kunnen gebruiken. Tot mijn verwondering begrepen de menschen in ’t eerst volstrekt niet, wat ik bedoelde; ik was dus wel verplicht om hun het geheele verhaal van Humboldt uitvoerig mede te deelen. Toen het hun duidelijk was geworden, wat ik wilde, barstte het geheele gezelschap in een uitbundig gelach uit. Het denkbeeld om op deze wijze Trembladores te vangen, kwam deze lieden zoo kolossaal grappig voor, dat het mij moeite kostte hen weer in een andere stemming te brengen. Zoomin als andere, die ik er later naar vroeg, zelfs geen der oudste bewoners van de streek, hadden ooit iets van een strijd tusschen Paarden en Visschen gehoord. Een zonderlinge samenloop van omstandigheden schijnt aanleiding te hebben gegeven, dat een enkel voorval als een vaste gewoonte, als een merkwaardig staaltje van de eigenaardige natuur van een land werd opgevat. Het is volstrekt onmogelijk, dat de gewoonte om Sidderalen te vangen door Paarden te drijven in het door deze Visschen bewoonde water ooit in de Llanos heeft bestaan, anders zou bij de bewoners van dit gewest, bij de zonen van de menschen, die Humboldt er aantrof, wel eenig spoor van herinnering aan deze wijze van vangst overgebleven zijn.