Sidderaal (Gymnotus electricus). ⅙ v. d. ware grootte.
„Later echter hoorde ik van lieden uit het stroomgebied van den Apoere een verhaal, dat misschien met dat van Humboldt in verband gebracht kan worden. Bij ’t overtrekken van een rivier, die vele Trembladorus bevat, jaagt men de kudden vooraf in het water, om de Alen, die zich meestal op den bodem bevinden, door het getier en geplas op te schrikken en te verjagen. Een schrandere bol onder de Indianen, die Humboldt vergezelden, is hierdoor misschien op het denkbeeld gekomen, om op de reeds genoemde wijze te werk te gaan. Het drijven van Paarden in den poel heeft waarschijnlijk eigenlijk ten doel gehad de Sidderalen van den bodem van ’t water te verjagen en de Indianen de gelegenheid te verschaffen ze te harpoeneeren, en niet om door veelvuldige ontladingen een verzwakking van de electrische kracht te veroorzaken. Dit laatste zou volkomen overbodig zijn geweest, omdat het lange, droge touw, waaraan de harpoen is vastgehecht, den visscher tegen de electrische schokken beveiligt. Hoe dit ook zij, het geheele voorval was en is stellig slechts een bij uitzondering voorkomende gebeurtenis. Een bepaalde wijze van Sidderalenvangst kent men in de Llanos niet; de inboorlingen gevoelen vrees en afschuw voor deze Visschen en gaan hun zooveel mogelijk uit den weg. Alleen toevallig geraken bij groote visscherijen in de rivieren ook Trembladores in het net.” Zoo luidt het bericht van Carl Sachs, die op dezelfde plaats als A. von Humboldt, maar 76 jaren later, onderzoek deed naar den merkwaardigen strijd tusschen de electrische Visschen en de Paarden.
De Sidderaal of Beefaal, door de Spanjaarden Tremblador genoemd (Gymnotus electricus), behoort tot de familie der Naakte Alen (Gymnotidae) en vertegenwoordigt het geslacht der Beefvisschen (Gymnotus). De bovenrand van de mondopening wordt bij alle leden der familie van voren door de tusschenkaaksbeenderen, aan de zijden door kleine bovenkaaksbeenderen gesteund; de schoudergordel is onmiddellijk aan den kop gehecht. De ribben, die bij de echte Alen ontbreken, zijn hier aanwezig. De rugvin en de buikvinnen ontbreken. De borstvinnen zijn steeds aanwezig en goed ontwikkeld. De aarsvin is zeer lang, begint altijd dicht bij (bij sommige reeds onder) de keel, waar dan ook de aarsopening voorkomt. De staartvin is bij verreweg de meeste soorten een rechtstreeksche voortzetting van de aarsvin. De zwemblaas is dubbel, bij één soort zelfs in drie afdeelingen gescheiden: de achterste is de grootste en zeer lang, de voorste is peervormig en staat, behalve met den slokdarm, ook met het gehoororgaan in verband. De Beefvisschen verschillen van hunne verwanten door de ongeschubde huid, die ook de borstvinnen en de aarsvin bedekt (en hier dik is), voorts door het gebit, dat uit een groot aantal fijne, spitse tanden in de kaken, een kleine reeks van tanden aan het voorste deel van het gehemelte en twee reeksen van tanden achter de voortanden van de onderkaak bestaat.
De Sidderaal kan een lengte van 2 M. en een gewicht van 15 à 20 KG. bereiken. De bovenzijde is fraai olijfgroen, op vele plaatsen donkerder genuanceerd; de onderdeelen (van de spits van de onderkaak tot aan de aarsvin) zijn fraai oranjerood; de lange aarsvin is leikleurig met witten, bij enkele exemplaren echter met rooden zoom; twee of meer reeksen van kersgroote, lichtgele vlekken, die gelijkstandig over den rug, van den kop tot aan het einde van den staart loopen, versieren den rug en de zijden. Ieder vlek omgeeft een afvoeropening van een klier; de huid is voortdurend bedekt met het hieruit afkomstige slijm, dat de electriciteit 20- à 30-maal beter geleidt dan zuiver water.
Ongeveer vier vijfde deelen van de lichaamslengte worden ingenomen door de electrische organen, die zich van het achterste uiteinde der lichaamsholte tot aan de spits van den staart uitstrekken, de beide onderste afdeelingen van het zijdespierenstelsel van den staart nagenoeg geheel vervangen en ruim een derde deel van het lichaamsgewicht uitmaken. Gezamenlijk vormen zij een licht roodachtig gele, doorschijnende, geleiachtige massa. Deze bestaat uit twee paar langwerpige lichamen of bundels: het bovenste bevindt zich onmiddellijk onder de huid; het onderste is door spieren omhuld en boven de aarsvin gelegen. Men zou ze kunnen vergelijken met spierbundels, waarin de spiervezels vervangen zijn door reeksen van „electrische elementen”, ieder samengesteld uit een vliezig dwarsschot, aan de voorzijde bedekt met een zoogenaamde „electrische plaat”, die in aanraking is met een dunne laag van een eiwitachtig vocht. Elke reeks of „zuil” bevat ongeveer 4000 dergelijke elementen, ieder ongeveer 0.1 mM. lang en 0.8 mM. hoog, en reikt van het staarteinde (de positieve pool) tot het kopeinde van het electrische orgaan. In elke electrische plaat bevindt zich het eindtoestel van een bewegingszenuwvezel, van een der vertakkingen van de electrische zenuwen, die ten getale van omstreeks 200 uit het voorste (naar de buikzijde gerichte) deel van het ruggemerg ontspringen. Aan de oppervlakte van de plaat, die naar de negatieve pool (naar den kop) is gekeerd, treft men geen zenuwvertakkingen aan, wel haarvaten, die in de uithollingen der plaat bochten vormen.—Naar het schijnt, moet de werking van dit orgaan langs electro-capillaire wijze verklaard worden. Onder den invloed van de zenuwen heeft een samentrekking plaats: de elementen verminderen in lengte en nemen toe in doorsnede, wat voldoende is om een klein verschil in electrische spanning tusschen de beide zijden van het element te doen ontstaan. Wegens talrijkheid der elementen is de som van deze verschillen zeer groot en zal een krachtige stroom van achteren naar voren het lichaam van het dier doorloopen, zoodra het electrisch orgaan door tusschenkomst van de zenuwen prikkels van de centrale deelen ontvangt. Raadselachtig is het merkwaardige feit, dat het dier volkomen ongevoelig is voor zijne eigene schokken, er geen nadeel van ondervindt, hoewel de ontlading, zooals uit de proeven van Carl Sachs gebleken is, met volle kracht het geheele lichaam doorloopt.
Over de werking van de electrische ontladingen en hare eigenaardigheden hebben de onderzoekers uit vroegeren tijd vele juiste berichten medegedeeld. Zeer spoedig kwam men tot de overtuiging, dat het uitdeelen van schokken door den Visch geheel willekeurig geschiedt. Bajon raakte een Sidderaal met den vinger aan, zonder iets te gevoelen, maar kreeg zwakke schokken, toen hij den vinger op den rug legde. Toen deze Visch bij het ververschen van het water op den bodem was gevallen en, daar geen neger het dier wilde opheffen, door hem zelf bij den staart gepakt werd, kreeg hij zulk een hevigen schok, dat hij bijna omviel en een tijdlang geheel bedwelmd was. Een Kat, die een bijna dooden Sidderaal wilde pakken, sprong onder hevig geschreeuw terug; een Hond, die aan zulk een dier likte, ondervond dezelfde onaangename gevolgen.
De eerste schokken, die een volkomen ontwikkelde, gezonde, groote Sidderaal door goede geleiders van de electriciteit kan uitdeelen, zijn zeer krachtig. Een mensch of een ander groot Zoogdier wordt daardoor wel niet gedood, maar kan, als de lading bijzonder gevoelige lichaamsdeelen treft, in sommige gevallen bedwelmd worden; kleine dieren worden licht bedwelmd, of vallen zelfs dood neer, als door den bliksem getroffen. A. Kappler kreeg, toen hij langs den oever van een rivier in Suriname waadde, van een tusschen zijne beenen door zwemmenden Sidderaal een zoo hevigen schok, dat hij, als door den bliksem getroffen, in ’t water viel en nog juist gelegenheid vond om zich aan een boomwortel vast te houden. „Wel 2 minuten lang waren mijne voeten als verlamd en was ik niet in staat ze te bewegen, langzamerhand verdween dit zonderlinge gevoel en kon ik verder gaan.”
De Sidderaal is over een groot deel van Zuid-Amerika, vooral over het noordoosten van Brazilië, over Guyana en Venezuela verbreid; hij bewoont echter alleen zeer warme wateren, vermijdt derhalve bergstreken, in welker kouder water zijn electrisch vermogen, naar men zegt, aanmerkelijk vermindert en zoo goed als geheel verdwijnt. Het door hem bewoonde gebied is, naar het schijnt, grootendeels tot de wateren van de Llanos beperkt. Volgens Sachs is een smalle, modderige, in donkere schaduw gehulde beek of poel zijn liefste verblijfplaats. Hier ligt hij, althans over dag, op den bodem van ’t water, maar stijgt met tusschenpoozen van gemiddeld een halve minuut naar de oppervlakte, houdt den bek boven water en slikt met hoorbaar gedruisch lucht in; hij duikt dadelijk weer onder; en laat intusschen de opgenomen lucht door de kieuwspleten ontsnappen. De inboorlingen worden de aanwezigheid van een Sidderaal gewaar door deze wijze van ademhaling, die duidelijk de aandacht trekt. Zoodra het duister begint te worden, vangt deze Visch aan zich te bewegen en te jagen. Door zijn electrische batterij is hij een veel vreeselijker vijand van zijne geschubde klassegenooten dan de vraatzuchtigste roofvisch zou kunnen zijn. Hij voedt zich met iederen buit, dien hij verzwelgen kan en in het door hem bewoonde water aantreft, met Visschen zoowel als met Krabben en in ’t water vallende Insecten. Zoodra hij in de nabijheid van een door hem begeerd slachtoffer is aangekomen, maakt hij gebruik van zijn electrisch orgaan; de ontlading van de electriciteit brengt zulk een hevige werking teweeg, dat een oogenblik later alle Visschen en Krabben, die er door getroffen worden, met den buik naar boven gekeerd bewegingloos in ’t water ronddrijven. Hij zoekt vervolgens de prooi uit, die hem het best aanstaat en verzwelgt haar door een hevige zuigwerking, die een duidelijk hoorbaar gedruisch veroorzaakt. Bij den aanvang van het droge seizoen, wroet de Sidderaal een diep, rond gat in den modder, door zich voortdurend in een kring rond te draaien. In dit gat kruipt hij weg, wanneer de door hem bewoonde poel op het punt is van uit te drogen en het hem niet mogelijk was te rechter tijd de wijk te nemen naar een deel van den poel, dat het water langer behoudt. Op de laatstgenoemde wijze redt hij zich steeds uit den nood, indien hiertoe gelegenheid bestaat: de reis moet steeds te water geschieden; hij kan niet over land trekken en zelfs niet over het vochtige slijk zich bewegen; evenals andere Visschen, zal hij om ’t leven komen, als hij geen anderen poel kan bereiken.
Een groote, door hem ondernomen en bij uitzondering zeer gelukkige vischvangst met schutnetten, waardoor vele honderden Trembladores ingesloten waren, beschrijft Carl Sachs op een zeer aanschouwelijke wijze. Na het plaatsen van een der schutnetten begaven de aangeworven mannen zich „met stokken gewapend te water, vormden een rij, die zich van den eenen oever naar den anderen uitstrekte en gingen onder vreeselijk geschreeuw langzaam vooruit, terwijl zij voortdurend met de stokken op het water sloegen. Ik had een plaats ingenomen in de nabijheid van het schutnet en keek zonder groote verwachting naar de oppervlakte van het water; plotseling zag ik met verrukking de mij welbekende groene en roode koppen boven water komen. Een groot aantal Trembladores was op een bepaalde plaats van den poel verzameld geweest; vluchtend voor het geraas, dat mijne helpers maakten, waren zij bij het schutnet gekomen en trachtten nu met slangsgewijze kronkelingen van het lichaam er over heen te komen, hetgeen echter aan geen hunner gelukte. Dadelijk riep ik mijne metgezellen toe het andere net ook te water te laten; toen dit geschied was, bleef de geheele troep tusschen de beide netten in een nauwe ruimte opeengedrongen. Daar het te vreezen was, dat de Trembladores, wanneer men ze al te veel in ’t nauw bracht, met geweld door de tamelijk wijde mazen van het net zouden sluipen, liet mijn gastheer, Don Guancho Rodriguez, de mannen halt maken en nam het medegebrachte werpnet ter hand. Naakt in ’t water staande, wierp hij het zoo behendig, dat het, ontplooid door de levende kracht van de looden gewichten die het bezwaarden, radvormig in ’t water neerkwam.
„Intusschen trok ik de caoutchouc-handschoenen aan, die ik uit Berlijn medegenomen had, om de gevangen dieren te kunnen grijpen. Daar zoowel Don Guancho als de voor ’t bergen der Visschen bestemde, met water gevulde ton, die in der haast ter plaatse was gebracht, zich aan den anderen oever bevonden, moest ik mij eveneens daarheen begeven; om het nat worden van mijne kleederen te verhoeden, liet ik mij door een der mannen dragen. Deze struikelde echter over een verborgen boomwortel of over een ander voorwerp en viel met mij in ’t water. Hoewel ik schielijk weer opstond, kwam ik doornat aan den anderen oever. Op hetzelfde oogenblik ving Don Guancho met het werpnet een der Sidderalen. Door de handschoenen tegen de electrische schokken beschut, lichtte ik het forsche, meer dan 1.5 M. lange, geweldig tegenspartelende dier op en was voornemens het schielijk in den ton te werpen. Maar het gleed mij door de handen en viel voor mijne voeten, zoodat het juist met den kop en den staart mijne beide beenen aanraakte. Dit had ten gevolge, dat ik de krachtigste schokken kreeg, die een volkomen frissche Sidderaal geven kan. Eenige seconden bleef de Visch op de genoemde plaats en was ik door den schrik buiten staat mij te bewegen, want het hoogst opgewonden monster joeg mij een ware hagelbui van vreeselijke schokken door het lichaam; ik schreeuwde luid, overweldigd door de pijn, totdat eindelijk het dier van mijne voeten afgleed en in het niet door netten ingesloten deel van ’t water te recht kwam.
„Het was voor ’t eerst, dat ik de volle kracht van een pas gevangen, groote Sidderaal ondervond. Ik kan verzekeren, dat het geen kleinigheid is. A. von Humboldt schrijft, dat hij na zulk een voorval den geheelen dag een hevige pijn in alle leden gevoelde. Dergelijke gevolgen heb ik niet ondervonden; het is echter niet onwaarschijnlijk, dat de verschijnselen van minder voorbijgaanden aard geweest zouden zijn, als ik de schokken in den romp of in het hoofd had gekregen, in plaats van in de voeten.”
Onze zegsman noemt den Sidderaal den sierlijksten zwemmer van alle hem bekende Visschen; hij was verrukt over de bewegingen van zijne gevangenen. Als de Sidderaal in een nauwen bak wordt geplaatst, zwemt hij onrustig in een kring rond en doet zijn best om over den rand heen te ontvluchten, hetwelk hem niet zelden gelukt. Wanneer hij echter in een wijden, goed ingerichten bak wordt gebracht, berust hij in zijn lot, vleit zich, lang uitgestrekt, op den bodem neer en blijft hier in den regel den geheelen dag liggen, zonder eenige andere bewegingen te maken, dan voor de ademhaling noodig zijn; bovendien zoekt hij steeds de donkerste plaats op. Als de nacht begint, wordt hij onrustig. Door plotselinge verlichting van den door hem bewoonden bak geraakt hij in een hoogst opgewonden toestand. Hoewel hij weken lang honger kan lijden, leert men hem als een zeer vraatzuchtig dier kennen, wanneer men hem een overvloed van voedsel geeft. Het werpen van jonge Visschen of Kreeften in de woning van de Sidderalen gaf onmiddellijk aanleiding tot een vreemdsoortige jacht. Meestal was een enkele slag voldoende om de vervolgde dieren te verlammen; soms slaagden zij er echter in, zich met een sprong boven den waterspiegel te verheffen; dan schoot niet zelden ook de vervolger bliksemsnel uit het water om springend zijn buit te grijpen en dezen vervolgens, als naar gewoonte, zonder voorafgaande toebereiding te verslinden.
De Aalvisschen (Muraenidae) vormen een talrijke, meer dan 230 soorten omvattende familie; zij hebben een slangvormigen, meer of minder afgeronden romp met een meestal zijdelings samengedrukten staart; de buikvinnen ontbreken; de huid is naakt of met fijne, elkander niet aanrakende schubben bekleed; de bovenrand van de mondspleet wordt over zijn geheele lengte uitsluitend door de tusschenkaaksbeenderen gesteund; de rudimentaire bovenkaaksbeenderen bereiken de mondspleet niet; de schoudergordel is niet aan den kop, maar verder achterwaarts aan de wervelkolom gehecht. Het gebit en de vinnen kunnen, zooals later zal blijken, zeer verschillend zijn. De aarsopening is ver achter den kop gelegen. De ribben ontbreken. De Aalvisschen behooren in de warme en gematigde aardgordels thuis. De weinige soorten, die den poolcirkel overschrijden, zijn reeds op korten afstand van daar zeldzame verschijningen, en komen eenige graden verder noordwaarts in ’t geheel niet meer voor. Zij leven in de zee, zoowel als in zoetwater; verscheidene soorten trekken, evenals onze Alen, van de rivieren naar de zee en begeven zich van uit de zee naar de rivieren terug. Bij voorkeur kiezen zij water met modderigen bodem tot verblijfplaats, omdat zij hier hun gewone voedsel vinden en schuilplaatsen, waar zij beveiligd zijn tegen de vervolging van groote roofvisschen. Alle Aalvisschen zonder eenige uitzondering leven van roof; verscheidene behooren tot de flinkste en vraatzuchtigste roovers, hoewel de meeste zich tevredenstellen met kleine dieren. Voor de menschelijke huishouding hebben zij sinds overouds een niet geringe beteekenis gehad; overal wordt daarom veel werk gemaakt van hun vangst. De Aalvisschen worden algemeen als een uitmuntend voedsel beschouwd en voldoen als zoodanig aan hooge eischen, daar zij zich zeer sterk vermenigvuldigen, een uitgestrekt gebied bewonen, een buitengewoon taai leven hebben en hierdoor geschikt zijn om na de een of andere wijze van toebereiding, maar ook in verschen toestand wijd en zijd verzonden te worden.
Aal (Anguilla anguilla). ⅛ v. d. ware grootte.
De Aal (Anguilla anguilla, Anguilla vulgaris) vertegenwoordigt het geslacht der Echte Alen; deze hebben kleine, ronde kieuwopeningen; de rugvin en de aarsvin zijn niet gescheiden van de staartvin; deze eindigt spits; de tusschen- en onderkaak en ook de ploegschaarbeenderen zijn met fluweelachtige tanden bezet. De rugvin neemt nagenoeg twee derde van de lichaamslengte in, de borstvinnen zijn kort en langwerpig. De uiterst fijne, doorzichtige, lange, smalle schubben zijn in de dikke, slijmerige huid weggedoken, hebben twee verschillende richtingen, die met elkander een rechten hoek vormen en laten dus vrije tusschenruimten over.
De donkere, groenachtige kleur van de bovendeelen is boven op den kop het donkerst en vertoont hier een bruinachtige tint; de onderzijde is wit met doffen zilverglans: de rugvin, de staartvin en het achterste deel van de aarsvin zien er nog donkerder uit dan de rug; de borstvinnen zijn bruinachtig zwart met donkerzwarten zoom. Gemiddeld bereikt de Aal een lengte van 1 M.; exemplaren van meer dan 1.3 M. zijn zeldzaam; hun gewicht gaat slechts bij uitzondering 6 KG. te boven.
De leden van deze soort kunnen in sommige opzichten van elkander verschillen, o. a. wat den vorm van den kop betreft, die soms spits, soms stomp eindigt. Deze afwijkingen en andere die van den leeftijd en van den tijd van ’t jaar afhangen, hebben aanleiding gegeven tot het gebruik van verschillende benamingen. Volgens Van den Ende onderscheidt men te Arnhem den Aal in „Fijnkoppen” en „Grofaal” of „Jankoppen”. De namen „Aal” en „Paling” worden zelfs door onze visschers veelal geheel willekeurig toegepast. Volgens Van Bemmelen worden in Noord- en Zuid-Holland de oude voorwerpen „Paling”, de jongen meer bepaaldelijk „Aal” en de zeer kleine exemplaren „Bakaal” genoemd. Houttuijn zegt, dat de „Paling” een spitseren kop heeft, van boven bruiner, van onderen geler en bovendien ronder en vetter is, dat de Aal, die in ’t voorjaar in ’t IJ gevangen wordt en „Nebbeling” heet, een lichtere kleur heeft, doch in ’t najaar zoo bruin wordt als de Paling. Ook in Overijsel spreekt men van Nebbeling en Nebaal. In Friesland en enkele andere provinciën noemt men de kleine exemplaren met bruinachtig gelen buik „Roode Aal”, de groote met witten of witachtigen buik „Schiere Aal”. Een andere kleursverscheidenheid is de „Oranje-aal”.
Vooral door de onderzoekingen van Jacoby2 is het mogelijk geworden de mannetjes en de wijfjes van den Aal met voldoende zekerheid te onderscheiden: De mannetjes zijn kenbaar aan hun veel geringere grootte (tot dusver heeft men er nog geen gevonden, die langer was dan 48 cM.), aan hun aanmerkelijk smalleren snuit (die soms lang gerekt is, soms kort en spits uitloopt), aan hun donkerder kleur (de rug is donkerder groen, dikwijls zelfs zwart, de zijden vertoonen een sterken metaalglans, de buik is wit); bovendien is de middellijn van het oog bij de wijfjes in den regel kleiner, de rugvin daarentegen veel hooger.
Bezuiden 64 à 65° N.B. bewoont de Aal alle zoete wateren van Europa met uitzondering van die, welke naar de Zwarte en de Kaspische Zee vloeien. In den Atlantischen Oceaan ontmoet men hem zoowel bij Noord-Amerika als bij Europa. In Azië treft men hem niet aan; in ’t Ob-gebied althans is hij zoo goed als onbekend. Aan diep water met modderigen bodem geeft de Aal de voorkeur boven iedere andere verblijfplaats; hij houdt zich echter niet uitsluitend in zulke wateren op, maar bezoekt, reislustig als hij is, ook die, welke juist de tegenovergestelde eigenschappen hebben. Gedurende den winter ligt hij in ’t slijk verborgen en houdt winterslaap of zwerft althans niet jagend rond. Zoodra het warme jaargetijde aanvangt, begint zijn zomerleven. Met slangsgewijze kronkelingen zwemt hij zeer vlug in waterlagen van verschillende diepte, sluipt met bewonderenswaardige behendigheid door holen of buizen, komt b.v. geregeld voor in de waterleidingen van steden, waar het water niet behoorlijk gezuiverd wordt en bereikt op deze wijze zelfs de bovenste verdiepingen van gebouwen. Ook woelt hij zich door half verstopte buizen heen en ontsnapt op deze wijze uit vijvers, waarin men meende hem te kunnen behouden. Nog altijd beweren sommigen, dat hij ’s nachts aan land gaat om in de erwten- en wikkenakkers op Slakken en Wormen jacht te maken. Onmogelijk is het niet, dat de Aal tochten maakt, daar, zooals ons reeds gebleken is, ook andere Visschen zich over het land bewegen. Zelfs de ervarenste visschers weten echter van deze uitstapjes van den Aal op grond van eigen ervaring niets mede te deelen; wel moeten zij dus, zoo ooit, zeer zeldzaam voorkomen. Zelfs indien men het voor bewezen houdt, dat er Alen op het land gevonden werden, moet men niet uit het oog verliezen, dat deze dieren licht na een overstrooming daar achtergebleven kunnen zijn. Volkomen juist is het, dat de Aal in de lucht kan ademen en dus een dag of langer buiten het water kan leven; hieruit blijkt echter nog volstrekt niet, dat hij reizen over land onderneemt.
Als voedsel gebruikt de Aal hoofdzakelijk lagere dieren, vooral Wormen en Schaaldieren; bovendien maakt hij soms Vorschen en kleine Visschen buit; naar men zegt, vreet hij ook aas. Hoewel hij om zijn vraatzucht en gulzigheid in Friesland „Ropper”, in Gelderland „Happer” heet, staat de kleinheid van de mondopening hem bij het rooven en happen zeer in den weg.
Tot voor zeer korten tijd was de voortplanting der Alen zelfs voor den natuuronderzoeker in een ondoordringbaar duister gehuld; nog altijd worden over dit deel van hun levensgeschiedenis zeer vreemdsoortige meeningen uitgesproken. Aristoteles was van oordeel, dat de Alen zich uit Wormen ontwikkelen en dat deze zonder tusschenkomst van ouders uit modder ontstaan. Op sommige plaatsen achten de visschers het ook thans nog waarschijnlijk, dat Alen met Slangen paren. Vele van hunne beroepsgenooten beweren, dat de Alen niet uit Dieren van hun eigen soort, maar uit andere Visschen geboren worden. Hieraan dankt de Magaal den naam „Aalmoeder”, dien hij in Duitschland draagt. De visschers van Sardinië schrijven algemeen aan een Zwemkever (Dytiscus Roselli) de voortbrenging der Alen toe. Dikwijls is beweerd, dat de Alen levende jongen ter wereld brengen. De onwaarschijnlijkheid van deze meening springt in het oog, wanneer men bedenkt, dat levendbarende dieren steeds een betrekkelijk gering aantal jongen ter wereld brengen, terwijl uit allerlei verschijnselen zeer duidelijk blijkt, dat de Alen zich buitengewoon sterk vermenigvuldigen. Dikwijls heeft men Alen gevangen, welker lichaam een meer of minder groot aantal wormvormige diertjes bevatte, die door onkundigen voor jongen werden gehouden van het dier, waarin men ze aantrof, maar bij nader onderzoek ingewandswormen bleken te zijn.
De eierstokken van den Aal werden eerst in 1777 door Mondini ontdekt; zij vertoonen zich aan weerszijden van de zwemblaas in den vorm van een tamelijk breeden, vetrijken witten of eenigszins geelachtigen band, die door zijne plooien aan een dames-manchet herinnert en een onnoemelijk aantal zeer kleine eieren bevat. In rijperen toestand heeft men ze bij onze Alen nog niet waargenomen, wel bij de Zee-aal, wiens voortplanting en ontwikkeling tot voor weinige jaren eveneens volkomen onbekend was. Herhaaldelijk, vooral aan de Zoölogische Stations te Napels en te Plymouth, heeft men opgemerkt, dat Zee-alen, die in een aquarium maanden lang volkomen gezond waren gebleven, vrij plotseling een eigenaardige verandering ondergingen; hun omvang nam sterk toe; alsof het lichaam door inwendige gasontwikkeling was uitgezet, dreven zij op zijde liggend aan de oppervlakte van ’t water rond, gebruikten geen voedsel meer en stierven. In de buikholte van deze Visschen vond men de kuit of de hom zoo verbazend sterk ontwikkeld, dat alle overige ingewanden er als ’t ware door verdrongen waren. Hieruit heeft Cunningham afgeleid, dat de Zee-aal slechts éénmaal in zijn leven paait en kort daarna sterft, een verschijnsel, dat ook wel bij andere dieren voorkomt. Dat men nooit in zee geslachtsrijpe Zee-alen gevangen heeft, is licht te verklaren, wanneer men bedenkt, dat hunne soortgenooten, die in een aquarium den genoemden trap van ontwikkeling bereikten, geruimen tijd te voren ophielden voedsel te gebruiken en zich zooveel mogelijk trachtten te verbergen. Visschen, die niet naar ’t lokaas happen, worden niet aan den haak gevangen; het verblijf in rotsspleten en dergelijke schuilplaatsen vrijwaart hen tegen het gevaar van in een net te geraken.
De mannelijke geslachtsorganen van den Aal zijn voor ’t eerst waargenomen in 1874 door Syrski, die tevens de onjuistheid aantoonde van de kort te voren verkondigde meening, dat de Aal „hermaphrodiet” zou zijn (d. w. z., dat mannelijke en vrouwelijke organen bij hetzelfde individu zouden voorkomen). Evenals de wijfjes, blijven ook de mannetjes onrijp, zoo lang zij in ’t zoetwater vertoeven. Zooals reeds lang bekend is, begeven zij zich naar zee; dit geschiedt van October tot Januari, bij voorkeur bij stormachtig weer en in donkere nachten. Jacoby vond te Comacchio de maag van alle Alen, die gedurende het trekken naar zee gevangen werden, volkomen ledig, welk verschijnsel ook bij andere Visschen gedurende den paaitijd wordt opgemerkt. In zee worden de Alen geslachtsrijp en paaien zij; dat dit op grooten afstand van de kust op den diepen zeebodem geschiedt, mag men op grond van een groot aantal feiten voor zeker houden. In de laatste jaren (en wel tusschen November en Juni) zijn herhaaldelijk in zee Alen gevangen, welker geslachtsorganen veel verder ontwikkeld waren, dan bij het begin van den trek. Ook hadden zij in den tusschentijd een uitwendig waarneembare verandering ondergaan, een bruiloftskleed verkregen, dat zich kenmerkt door den zilverachtigen glans van den buik, de zwarte kleur der borstvinnen en vooral door de grootte der oogen. De laatstgenoemde eigenaardigheid is zeer merkwaardig, daar groote oogen een kenmerk zijn van Visschen, die groote diepten bewonen. De bedoelde exemplaren werden door Grassi gevangen in de nauwe straat van Messina, waar de watergetijden een sinds overouden tijd befaamde, sterke strooming teweeg brengen, die allerlei bewoners van de diepte medevoert naar gemakkelijker voor ons bereikbare waterlagen. Volkomen rijpe Alen zijn echter niet waargenomen, waardoor het vermoeden bevestigd wordt, dat deze, door de snelle ontwikkeling der geslachtsproducten uitgeput, kort na het paaien sterven. De door hen voortgebrachte bevruchte eieren zijn waarschijnlijk die, welk Raffaeli van Augustus tot Januari aan de oppervlakte der zee drijvend aangetroffen heeft. Dat de jongen van den Aal een gedaantewisseling doorloopen, is gebleken uit de onderzoekingen, die Grassi sinds 1892 deed, met behulp van materiaal, dat in de straat van Messina verkregen was. Reeds in 1864 had Gill als larve van den Zee-aal herkend een diertje, dat honderd jaar vroeger door Morris voor ’t eerst werd opgemerkt en daarna onder den naam van Glasaal (Leptocephalus Morrisii) als een vertegenwoordiger van een afzonderlijke familie van Visschen was beschouwd. Dit diertje heeft een doorschijnend, ongeschubd, zijdelings lintvormig samengedrukt lichaam met kleinen en smallen kop (waaraan het zijn geslachtsnaam dankt, die „Dunkop” beteekent. De oogen zijn groot, de kaken met spitse tandjes gewapend; de parige vinnen ontbreken, evenals de zwemblaas en de geslachtsorganen; het geraamte is kraakbeenig, het bloed kleurloos; het spijskanaal strekt zich tot aan het laatste derde deel van het lichaam uit. In het aquarium ontwikkelt zich deze hoogstens 12½ cM. lange larve in een maand tijds tot een 7½ cM. langen Zee-aal. Grassi heeft van deze en verscheidene andere Leptocephalen de ontwikkeling nagegaan, o.a. ook van Leptocephalus brevirostris (zoo genoemd wegens zijn korten snuit), een hoogstens 8 cM. lang diertje, dat als larve van de Aal werd herkend. In een aquarium ontwikkelden zich deze larven tot jonge aaltjes van 5 à 6 cM. lengte, van gelijken vorm als die, welke tegen het einde van April, uiterlijk in Mei, de rivieren opzwemmen. Milliarden aaltjes, hoogstens 9 cM. lang en zoo dik als een penneschacht, begeven zich stroomopwaarts, zonder zich te laten weerhouden door hinderpalen, die men voor hen onoverkomelijk zou achten: de waterval van Schaffhausen belet hen niet het meer van Constanz te bereiken, de Rhône-waterval verhindert evenmin het voortzetten van den tocht naar alle in dit stroomgebied gelegen wateren. Volgens Crespon vormen de jonge Alen, die in den mond van de Rhône doordringen om stroomopwaarts te zwemmen (welk verschijnsel hier „la montée” genoemd wordt) een aaneengesloten massa, welker middellijn die van een dikken ton evenaart. In den regel bemerkt men aan iederen oever zulk een school. Op vele plaatsen worden zij, naar Karl Vogt bericht, met zeeven en mandjes uit het water geschept en (meestal met eieren gemengd) als pannekoeken gebakken en gegeten. Dat op deze wijze en de bezwaren van de reis honderdduizenden het leven verliezen, brengt geen belangrijke vermindering teweeg van het door milliarden gevormde leger. „Ik bevond mij,” verhaalt Davy, „tegen het einde van Juli te Ballyshannon in Ierland aan den mond van de rivier, waarin de waterstand gedurende de vorige maand hoog was geweest. In de nabijheid van een waterval was het water troebel door millioenen kleine Alen, die onophoudelijk de natte rotsen langs de oevers van den waterval trachtten te beklimmen; de vochtige, slijmerige lijken van de honderdduizenden, die bij deze pogingen om ’t leven kwamen, werden door de overige als een ladder gebruikt, die hun het voortzetten van de reis gemakkelijker maakte. Ik zag ze zelfs loodrechte rotsen beklimmen; zij kronkelden zich door het vochtige mos of hielden zich vast aan de lijken van hen, die bij deze onderneming den dood hadden gevonden. Hun volharding was zoo groot, dat een verbazend groote school er in slaagde het Arno-meer te bereiken.” In de lagunen van Comacchio worden van Februari tot April de sluizen geopend, waardoor de jonge Alen in de door dammen omringde kweekvijvers kunnen geraken, waaruit zij na een verblijf van 5 of 6 jaar trachten te ontsnappen, om zich naar zee te begeven, bij welker gelegenheid zij gevangen worden.
Alle groote vischetende dieren maken ijverig jacht op de Alen, maar hebben dikwijls heel wat met hen te stellen. Een grappig tooneeltje krijgt men te zien, wanneer men in den waterbak van een hongerigen gevangen Vischotter eenige dozijnen kleine levende Alen werpt. Het Roofdier springt in zijn badkuip, haalt er een Aal uit, bijt hem in den kop, legt hem op de bank, begeeft zich opnieuw te water, pakt een tweede prooi, keert terug naar zijn vroegere plaats en is niet weinig verbaasd, dat hij er den vorigen, dood gewaanden buit niet meer aantreft; deze is reeds sinds lang weer te water gegaan en kronkelt hierin rond, alsof hem niets deert. Hierdoor uit het veld geslagen, bijt het vertoornde Roofdier zijn tweede gevangene herhaaldelijk en gaat vervolgens den eersten achterna; intusschen ontvlucht de tweede op zijn beurt, en zoo gaat het voort, totdat de Otter het eindelijk raadzaam acht een paar van de Wormvisschen, die zich maar niet laten dooden, dadelijk te verslinden. Hem gelukt dit; bij Vogels, die hun prooi verzwelgen, zonder haar vooraf te verscheuren, komt er aan het tegenstribbelen ook dan nog geen einde. „De Aal,” zegt Geszner, „wordt door allerlei slag van Vogels verslonden, o.a. door den Schollevaar. De Visch, die in zijn geheel naar binnen gaat, kruipt spoedig door de geheele darmbuis heen en komt van achteren weer uit den Vogel te voorschijn, die den weerspannigen buit terstond opnieuw inslikt en dit dikwijls tot 9-maal toe moet herhalen, voordat de Aal door vermoeidheid gedwongen wordt in het lichaam van den Vogel te blijven en hier sterft.” Dit verhaal is volkomen juist; het geldt echter alleen voor jonge Vogels: oude Reigers en Aalscholvers, welbekend met de purgeerende eigenschappen van de Alen, pikken hen vóór het inslikken steeds stuk.—Dat niet slechts de dieren, maar ook de menschen soms last hebben van het taaie leven van den Aal, ondervindt iedere huisvrouw, iedere keukenmeid, die deze Visch moet toebereiden.
In Nederland wordt veel werk gemaakt van de Aal- of Palingvangst. Alleen in de Zuiderzee werd in 1896 bijna ¼ millioen KG. Aal gevangen, die ruim 70000 gulden opbracht. In sommige jaren is de vangst bijna dubbel zoo groot en bedraagt de opbrengst meer dan 100000 gulden. Ook in de rivieren en andere binnenwateren is deze visscherij niet onbelangrijk, volledige opgaven hierover ontbreken. Zeer verschillend vischtuig wordt voor dit doel gebruikt, o.a. aalfuiken, aalkorven en tjoelen, aalreepen, aaldobbers en werplijnen; men plaatst voor sluizen raamnetten, in de toevoerkanalen van watermolens molenzakken en aalkasten, in de benedenrivieren kubben en korven, waarvoor de ankerkuil het noodige aas moet leveren. Ook in den ankerkuil zelf wordt Aal gevangen, vooral in October en November, het meest bij ruw weer en in donkere nachten, bij nieuwe maan dus. Men vischt dan de zoogenaamde „Drijfpaling”; deze onderscheidt zich door een witten buik en veelal ook door een scherpen snuit; hij is op weg naar de in zee gelegen paaiplaatsen, vanwaar hij niet terugkeert.
Tot de merkwaardigste inrichtingen voor de aalvisscherij behooren de lagunen van Comacchio in de Po-delta, tusschen de Reno en de Penaro gelegen. Een woest moeras is hier herschapen in een stelsel van goed onderhouden vischvijvers, die met sluizen, kanalen en „dwaalgangen” voorzien zijn. Reeds sedert eeuwen bestaat hier een visscherij op groote schaal; het stadje Comacchio aan de Adriatische zeekust, dat er het middelpunt van is, wordt bijna uitsluitend bewoond door palingvisschers of althans door lieden, die direct of indirect in de aalvangst een bestaan vinden. De levensgeschiedenis van den Aal is hun beter bekend dan aan hunne beroepsgenooten. Hun geheele leven draait om dezen Visch, die al hunne gedachten en werkzaamheden beheerscht. Ten tijde van de „montata”, als de jonge Alen zich uit de zee naar de binnenwateren begeven, komt er leven in dit eigenaardige gewest. Ouden en jongen geven acht op de scholen van dunne vischjes, met het doel om ze naar bepaalde fokvijvers te leiden, die reeds vroeger door het „pooten” van andere vischjes met een voldoende hoeveelheid voedsel zijn voorzien. De tweede Februari wordt als de aanvang van de „montata” beschouwd; dit verschijnsel herhaalt zich (of duurt voort) tot aan het einde van April. Nadat de kanalen, die toegang tot de vijvers verleenen, afgesloten zijn, bestaat de voornaamste werkzaamheid van de aalkweekers in het regelen van den toevoer van ’t water, dat gedeeltelijk uit de zee, gedeeltelijk uit de naburige Po afkomstig is. In Augustus beginnen de Alen, die reeds 5 of 6 jaar in de vijvers geweest zijn, pogingen te doen om naar de zee terug te keeren en worden de maatregelen genomen voor hun vangst. Door de opzettelijk hiervoor bestemde „dwaalgangen” worden deze Visschen naar bepaalde, kleine goed afgesloten ruimten geleid, waaruit men ze met geringe moeite opscheppen kan. Een deel van den buit wordt levend naar de naburige dorpen en steden vervoerd; een ander deel vóór de verzending gekookt, het overige gezouten of gerookt. Venetië, Rome, Napels en andere groote steden van Italië worden bijna uitsluitend van uit Comacchio met Aal voorzien. Deze visscherij levert zeer aanzienlijke voordeelen op.
De Aal is een van onze beste zoetwatervisschen en daarom zeer gezocht. Versch, gerookt of ingemaakt, vormt hij een belangrijk handelsartikel voor vele kuststreken. Wegens hun stevigheid en duurzaamheid worden de aalvellen veelvuldig gebruikt als „worgels” (zoo noemt men den band, waardoor de „klop” aan den stok van den dorschvlegel verbonden is).
*
De Zee-alen (Conger) gelijken over ’t geheel genomen veel op de Alen; zij verschillen er van door de grootere lengte van de rugvin, die zich bijna over de geheele bovenzijde uitstrekt en waarvan het voorste uiteinde boven of weinig achter den wortel der borstvinnen gelegen is; bovendien bestaat bij hen een andere verhouding tusschen bovenkaak en onderkaak: gene steekt voorbij deze uit; beide zijn, behalve met kleine tanden, ook met een reeks van groote tanden gewapend; de gladde, slijmerige huid bevat geen schubben.
De meest bekende vertegenwoordiger van dit geslacht, de Zee-aal of Zee-paling (Conger conger, Conger vulgaris), wordt ook bij de Europeesche kusten aangetroffen; hij kan een lengte van meer dan 3 M. bereiken en meer dan 50 KG. zwaar worden. Aan onze kust komt hij zeer zelden voor; toch zijn hier eenige malen exemplaren van aanzienlijke grootte gevangen: in 808 en 1520 bij Stavoren, in 1084 bij Ameland, in het voormalige Haarlemmermeer, in de Zeeuwsche stroomen, aan de Groningsche kust. De laatste vangst, waarvan melding wordt gemaakt, had plaats op 1 Mei 1816 op de buitenslikken bij Roxenisse. Dit exemplaar was 1.83 M. lang, 14 à 16 cM. dik en ongeveer 27 KG. zwaar. Ook verderop in de Noordzee is de Zee-aal zeldzaam. De effen grijsbruine kleur van de bovendeelen wordt op de zijden lichter en gaat op den buik in vuil wit over. De rugvin en de aarsvin zijn witachtig met zwartachtigen zoom; door haar lichtere kleur komt de zijdestreep goed uit.
Naar het schijnt, is de Zee-aal bijna rondom de geheele wereld in alle zeeën van de gematigde en tropische aardgordels verbreid. Bij Europa, doch ook bij St. Helena, rondom Tasmanië en ook langs de kusten van Japan wordt hij in grooten getale gevangen. Hij houdt van rotsachtige kusten, zoekt althans aan vlakke kusten rotsachtige gronden op, verbergt zich hier in holen en kloven van het gesteente en zoekt op zandgrond een schuilplaats in de door hen zelf gegraven gangen. Evenals andere roofvisschen, spaart dit buitengewoon vraatzuchtige dier de zwakkere leden van zijn eigen soort niet: uit de maag van een exemplaar van 12 KG. gewicht haalde Yarrel drie Schollen en een jongen Zee-aal van 1 M. lengte. De kracht van zijne kaken is zoo groot, dat hij Mossels zonder moeite verbrijzelt. Niet zelden onderzoekt deze roover de korven, die voor de vangst van Zeekreeften bestemd zijn en maakt zich van den inhoud meester, voor welk bedrijf hij met zijn vrijheid en leven moet boeten. De mannetjes en wijfjes vertoonen, althans gedurende den paaitijd, een duidelijk waarneembaar verschil. Het kuitschieten heeft plaats in December of Januari. Jongen ter lengte van een mansvinger merkt men gedurende den zomer bij rotsachtige kusten op. Zooals reeds gezegd is doorloopt dit dier een larvetoestand; het wordt op dezen trap van ontwikkeling Glasaal (Leptocephalus Morrisii), genoemd wegens zijn doorzichtigheid; men kan de letters van een boek door zijn lichaam heen, duidelijk lezen.
Hoewel het vleesch van den Zee-aal niet bijzonder hoog geschat wordt, maakt men veel werk van de vangst van dezen Visch, daar hij aan velen een goedkoop voedsel verschaft.
Zelfs in een kleinen bak geraakt de Zee-aal in korten tijd aan de gevangenschap gewoon, kiest een geschikten schuilhoek tot verblijfplaats uit en brengt hier den dag in trage rust door, terwijl hij gedurende den nacht bijna onophoudelijk in beweging is. Zijn nooit geheel bevredigd verlangen naar voedsel geeft aanleiding tot een vriendschappelijke verhouding tusschen hem en zijn verzorger, wien hij de hem voorgehouden spijs ten slotte zonder vrees te toonen uit de hand neemt. Bij rijkelijke voeding groeit hij buitengewoon sterk.
*
Hoogen prijs stelden de Oude Romeinen op het vleesch van de Murene (Muraena helena). Om deze Aalvisschen steeds in voldoende hoeveelheid voor hunne gastmalen beschikbaar te hebben, hielden zij ze in met zeewater gevulde vijvers. Volgens Plinius was Hirius de eerste eigenaar van een Murenen-vijver, die zoo goed voorzien was met deze kostbare vischsoort, dat hij bij een feest ter eere van Caesar’s triumftocht aan zijne vrienden 6000 stuks kon voorzetten. Volgens een ander bericht begingen sommige Romeinen bij het vetmesten van hunne Murenen afschuwelijke wreedheden. Vidius Pollio n.l. meende te weten, dat menschenvleesch het beste voedsel voor deze Visschen is en offerde aan dit bijgeloof verscheidene van zijne slaven op, d. w. z. hij bestrafte hunne misdrijven met den dood in den Murenenvijver.
Murene (Muraena helena). ⅕ v. d. ware grootte.
De Murene onderscheidt zich van zijne verwanten door het ontbreken van de borstvinnen. Haar plomp gebouwd lichaam is van rug-, aars- en staartvin voorzien; de kieuwspleten zijn zeer klein, de tanden lang en spits, in boven- en onderkaak op een reeks geplaatst; de huid is ongeschubd. Het voorste deel van den romp heeft een fraaie, levendig gele grondkleur, die op het achterste deel bruinachtig wordt; de teekening bestaat uit bruine, gemarmerde vlekken, die door een donkeren zoom omgeven en van elkander gescheiden zijn. De Murene kan, naar men zegt, 1,5 M. lang en 6 KG. zwaar worden. Zij bewoont de Middellandsche zee, het zuidelijke deel van den Atlantischen Oceaan en den Indischen Oceaan; ook vindt men haar langs de kusten van Australië. Soms dwaalt zij tot bij de kusten van Groot-Brittannië af. Zij houdt zich op in diep water en verschijnt in ’t voorjaar bij de kust om kuit te schieten. Schaaldieren en Inktvisschen maken haar voornaamste voedsel uit. Zij is, naar men zegt, zoo vraatzuchtig, dat zij bij gemis aan een voldoende hoeveelheid voedsel hare soortgenooten den staart afbijt. De gevangen exemplaren verdedigen zich vol woede en brengen onervaren visschers gevaarlijke wonden toe. Men vangt ze met den hengel en in korven. Haar vleesch wordt ook thans nog als hoogst smakelijk beschouwd.