Voor de menschelijke huishouding zonder eenige beteekenis, trekken de Troskieuwigen onze aandacht door hun vreemdsoortigen vorm. Zij ontleenen hun naam aan den eigenaardigen vorm der kieuwen; deze vertoonen zich als kleine, ronde trosjes of bundeltjes, die paarsgewijs aan de kieuwbogen zijn gehecht. Bij nauwkeuriger beschouwing blijkt, dat die bundeltjes in werkelijkheid overdwars geplooide, als ’t ware in elkander gevouwen plaatjes zijn en ieder een der kamsgewijs gerangschikte kieuwplaatjes van andere Visschen vertegenwoordigt. Het kieuwdeksel is groot, bedekt met een huid, waardoor het met den schoudergordel verbonden wordt en slechts een kleine spleet voor het uitademen van het water overlaat. De snuit is tot een buis verlengd; de bovenkaaksbeenderen zijn, evenals bij alle reeds genoemde Visschen, beweegbaar. Het lichaam is in den regel langwerpig van vorm, kantig en met beenige platen bedekt.
1) Groote Zeenaald (Syngnathus acus).—2) Zeepaardje (Hippocampus antiquorum). ½ v. d. ware grootte.
Alle Troskieuwigen bewonen de zee; in de zuidelijker zeeën komen zij in grooteren getale voor en vertoonen een grootere verscheidenheid van vormen dan in de noordelijke; zij houden zich in den regel dicht bij het strand, bij voorkeur tusschen zeeplanten op en voeden zich met kleine Schaaldieren, Wormen, misschien ook met de eieren van andere Visschen.
Eigenaardig is de voortplanting dezer dieren: de eieren ontwikkelen zich bij nagenoeg alle soorten in een aan den buik gelegen broedzak, waarmede bij de Naaldvisschen (Syngnathidae) de mannetjes, bij de Buisbekkigen (Solenostomidae) de wijfjes voorzien zijn; bij deze wordt de broedzak door de buikvinnen, bij gene (die de buikvinnen missen) door een zijdelingsche uitbreiding van de huid gevormd. De laatstgenoemde familie omvat slechts één geslacht met 3 soorten, die den Indischen Oceaan bewonen. De overige 15 geslachten (met 120 soorten) zijn in de eerstgenoemde familie samengevat.
De Naaldvisschen (Syngnathidae) bewonen alle zeeën van de heete luchtstreek en van de beide gematigde aardgordels; hun zeer lange romp wordt naar achteren dunner; de snuit is buisvormig en van voren met een bijna loodrecht naar boven gerichte mondspleet voorzien; de kleine kieuwspleet bevindt zich in den nek; de onmiddellijk daarachter gelegen borstvinnen (bij enkele ontbrekend) zijn klein maar goed ontwikkeld; de buikvinnen ontbreken geheel; de rugvin is grooter dan alle overige vormen; de staartvin ontbreekt bij de soorten, welker staart geschikt is om zich om een voorwerp te kronkelen (grijpstaart) en heeft bij de overige den vorm van een kleinen waaier aan ’t uiteinde van den langen, dunnen staart. De broedzak, die zich aan den buik of aan den staart van het mannetje bevindt, is voorzien met een overlangsche spleet, waardoor de jongen ontwijken.
Rafelvisch (Phyllopteryx eques). ⅔ v. d. ware grootte.
Het soortenrijkste geslacht is dat der Zeenaalden (Syngnathus), die zich kenmerken door het bezit van borstvinnen en van een goed ontwikkelde staartvin aan ’t einde van den niet voor ’t vasthouden geschikten staart; het lichaam is kantig; de schouderbeenderen zijn onbeweeglijk met elkander verbonden.
Een van de talrijkst vertegenwoordigde en meest verbreide soorten is de Groote Zeenaald, door onze visschers gewoonlijk Windsteur en, evenals de andere soorten, Zandspiering genoemd (Syngnathus acus), een uiterst slank vischje, met 7-kantigen romp en van voren 6-kantigen, verderop 4-kantigen staart, dat op lichtbruinen grond met een 20 tal duidelijke, donkerbruine banden geteekend is en 60 cM. lang kan worden; haar romp is dan zoo dik als een manspink.
Het verbreidingsgebied van deze tamelijk veelvuldig bij onze kusten voorkomende Visch omvat alle oostelijke deelen van den Atlantischen Oceaan, van Noord-Europa tot aan de Kaap de Goede Hoop, met inbegrip van de Middellandsche, Zwarte, Noord- en Oostzee. Zijne liefste verblijfplaatsen zijn de op onderzeesche weiden gelijkende, ondiepe strandmeren en strandmoerassen, waar het langbladige zeegras welig groeit. Hier ziet men hem tusschen de zeeplanten, waar hij dikwijls talrijke scholen vormt, in de meest verschillende houdingen rusten of langzaam voortzwemmen. Zijn voedsel bestaat uit allerlei kleine diertjes, jonge, dunschalige Schaaldieren, kleine Weekdieren, Wormen, enz., steeds dus uit zeer zwakke diertjes. Hierdoor wordt de kunstmatige voeding dezer vischjes uiterst moeielijk, zoo niet onmogelijk.
De broedzak strekt zich over twee derden van den staart van het mannetje uit en is dus nagenoeg even lang als de romp; hij bestaat uit een driehoekige groeve met eenigszins buitenwaarts gebogen zijwanden, gesloten door twee overlangsche, vliezige kleppen (huidlappen), welker randen nauw tegen elkander aan sluiten. Tegen Mei legt het wijfje in deze groeve eieren, die snoervormig bijeenliggen; de jongen blijven tot het einde van Juli in deze door de huidlappen afgesloten ruimte.
Vrij algemeen, hoewel in kleinen getale, vindt men aan onze kust de Kleine Zeenaald (Syngnathus rostellatus), die veel op de vorige soort gelijkt, doch een dunneren en betrekkelijk korteren snuit heeft en slechts 15 cM. lang wordt; de bovendeelen zijn bruin, soms met onduidelijke, donkere dwarsbanden, de onderdeelen witachtig. Bij het visschen van Garnalen met saaien wordt zij soms aan het strand gebracht.
Onder de inheemsche soorten rekent Van Swinderen ook het hoogstens 30 cM. lange Kousenbandje (Syngnathus pelagicus), dat gemakkelijk te herkennen is aan de kleur, daar bruine en zilverkleurige dwarsbanden het geheele lichaam bedekken. Geen der latere onderzoekers heeft deze soort hier gevonden.
*
De Adderzeenaald (Nerophis aequoreus), die met de Kleine Zeenaald soms aan onze kust gevangen wordt, behoort tot het geslacht der Slangzeenaalden (Nerophis), dat zich van het vorige o.a. onderscheidt door het gemis van borstvinnen en aarsvin, de zeer geringe ontwikkeling van de (bij vele soorten ontbrekende) staartvin bij het mannetje en het gemis van een door huidlappen beschutten broedzak. De eieren worden door het wijfje aan de buikzijde van den romp van het mannetje (vóór de aarsopening) gehecht. Bij de genoemde soort is het lichaam zeer langwerpig en dun, de romp zeer onduidelijk 8-kantig, bruingeel met zwarte, witgezoomde dwarsstrepen.
Twijfelachtig is de aanwezigheid op onze kust van de Kleine en de Wormvormige Slangzeenaald (Nerophis ophidion en N. lumbriciformis), die van de vorige soort verschillen door het volslagen gemis van de staartvin en de geringere lengte.
*
Het Zeepaardje (Hippocampus antiquorum) is zeer gemakkelijk te herkennen aan den stand van den kop, die een hoek vormt met den zijdelings sterk samengedrukten romp, en aan den geheel van vinnen verstoken grijpstaart. De kleine mond bevindt zich nagenoeg op ’t midden van den top van den betrekkelijk korten snuit. De breede schilden, die het lichaam bekleeden, dragen matig scherpe stekels; eenige stekels aan den kop en den nek loopen uit in onverdeelde, draadvormige aanhangsels. De kleur is bruin met blauwachtig witte vlekjes, de rugvin heeft dicht bij haar vrijen rand een zwartachtige streep. Lengte: 10 à 18 cM.
Deze soort komt voor in de Middellandsche Zee, voorts in de Atlantischen Oceaan tot boven de Golf van Biscaye en wordt nu en dan aan de kust van Groot-Brittannië en in de Noordzee aangetroffen. „Meermalen,” schrijft Van Bemmelen, „is mij door onze zeevisschers verzekerd, dat de Zeepaardjes in de Noordzee en nabij onze kusten gevonden worden; zelfs zijn mij twee exemplaren op het eiland Texel vertoond, die aldaar zouden gevangen zijn.”
Evenals de Zeenaalden, houdt het Zeepaardje uitsluitend verblijf op plaatsen, waar een welige plantengroei den zeebodem bedekt. Tusschen deze planten zoekt en vindt het zijn voedsel, dat grootendeels, zoo niet uitsluitend bestaat uit zeer kleine, voor het bloote oog onzichtbare Schaaldieren en Weekdieren, die het van de planten afzoekt. Dikwijls blijft het geruimen tijd bewegingloos en heeft dan den staart om een plant gekronkeld.
De voortplanting geschiedt als bij de Zeenaalden.
*
Bij de kusten van Australië ziet men, behalve soorten van het vorige geslacht, ook de zoogenaamde Rafelvisschen (Phyllopteryx), die zich vooral kenmerken door den buitengewoon grooten overvloed van doorn- en bandvormige uitsteeksels, waarmede bijna alle schilden voorzien zijn en die als de rafels van een kleed aan alle zijden van het lichaam uitsteken. De rugvin is geheel op den staart gezeten. Door hunne aanhangsels gelijken deze dieren veel op zeeplanten. De eieren zijn met een week bindmiddel aan de onderzijde van den staart gehecht; een echte broedzak ontbreekt.
De Rafelvisch (Phyllopteryx eques) heeft een groenachtige lederkleur, en wordt 30 à 35 cM. lang. Over zijn levenswijze is niets bekend. Waarschijnlijk slingert hij, evenals de Zeepaardjes, den staart om zeewieren. Te midden van deze planten is hij moeielijk te vinden, daar hij er door den vorm der huidaanhangselen en de kleur van de huid mede overeenkomt.