De laatste orde van de Beenige Visschen bestaat uit zeer zonderlinge wezens. Nuttig voor den mensch zijn zij volstrekt niet: hun vleesch smaakt slecht; zelfs wordt dat van sommige soorten in bepaalde tijden voor vergiftig gehouden; ook in de huishouding van de natuur spelen zij een zeer ondergeschikte rol, daar geen hunner de te sterke vermenigvuldiging van sommige dieren tegengaat of voor andere een belangrijk voedsel oplevert; hun levenswijze is niet minder vreemdsoortig dan hun gedaante en geheel hun uitwendig voorkomen; alleen omdat zij zoo geheel anders zijn dan andere Visschen trekken zij onze aandacht. De naam Vastkakigen berust op het maaksel van den bek: de bovenrand van de kleine mondopening wordt uitsluitend door de tusschenkaaksbeenderen gevormd; deze laten geen beweging toe, zijn met de bovenkaaksbeenderen en met den schedel stevig verbonden. Deze eigenaardigheid is echter niet het belangrijkste kenmerk der orde; de bedoelde vergroeiing komt bij haar in verschillende mate en ook wel bij andere Visschen voor. Zeer karakteristiek is echter de bekleeding van het lichaam, waardoor de Vastkakigen van alle andere leden der klasse afwijken. Bij enkele is de huid volkomen naakt en glad, bij andere is zij met ruitvormige schilden en stekels bedekt, die een belangrijken invloed oefenen op den indruk, dien de beschouwing dezer Visschen maakt. De kieuwdeksels zijn door de huid bedekt en laten slechts een nauwe, vóór de borstvinnen gelegen kieuwspleet over. Vreemdsoortig als de geheele Visch, is ook zijn gebit. De kaken zijn bij sommige met krachtige tanden van het gewone maaksel gewapend. Bij andere is het voorste gedeelte van het kaakbeen en van den kaak als ’t ware zelf een tand geworden, doordat een laag email het bedekt. Ook het vinnenstelsel wijkt af van dat der andere Visschen; de onparige vinnen zijn steeds aanwezig, de borstvinnen eveneens; de buikvinnen daarentegen ontbreken.
Alle Vastkakigen behooren tusschen de keerkringen of althans in hun nabijheid thuis en dwalen zelden af naar andere deelen van de beide gematigde aardgordels. Zij leven in de zee; enkele soorten zwemmen echter ook wel de rivieren op; sommige brengen hier misschien zelfs het grootste deel van hun leven door. De wijze waarop zij zich in ’t water bewegen, verschilt aanmerkelijk van die der overige Visschen, maar is in overeenstemming met hun zonderlinge gestalte. Zij voeden zich met Schaaldieren en Weekdieren, doch ook wel met waterplanten. De buit van enkele soorten bestaat gedurende eenigen tijd geheel of grootendeels uit Kwallen en Koraaldieren; waarschijnlijk verkrijgt haar vleesch hierdoor vergiftige eigenschappen.
Van de voortplanting dezer Visschen is ons slechts zeer weinig bekend, hoewel van enkele soorten tamelijk uitvoerige beschrijvingen bestaan.
De 177 soorten van deze orde worden vereenigd tot 17 geslachten en deze vormen 2 familiën van ongeveer gelijken omvang.
De Hoornvisschen (Sclerodermi) hebben een met duidelijke tanden gewapenden bek; hun huid is bekleed met korrelige schubjes of met hoekige, beenige plaatjes, die soms tot een pantser vereenigd zijn; bij de meeste bevat de rugvin 1 à 6 doornen. Een zwemblaas (zonder luchtbuis) is bij de meeste aanwezig.
Het eenige lid van de familie, dat de Europeesche zeeën bewoont, is de Drukkervisch (Balistes capriscus), een vertegenwoordiger van het geslacht der Hoornvisschen i. e. z., welker zijdelings samengedrukt lichaam bekleed is met een pantser van schubvormige beenplaatjes. De voorste van de beide rugvinnen bestaat uit 1 à 3 stekels; de eerste is verreweg de grootste, kan opgericht en in een groeve van het hem dragende steunbeen neergelegd worden, heeft een zaagsgewijs gekerfden rand en vormt een krachtig wapen.
De Drukkervisch is bij zijn leven blauw met roodachtige wolkjes; na den dood effen lichtbruin, op den rug, als naar gewoonte, donkerder dan op de borst en den buik. Lengte 30 à 40 cM. Men vindt hem in de Middellandsche Zee, doch ook in den Atlantischen Oceaan tot bij de Britsche kusten, hier echter zelden. Evenals al zijne verwanten, staat hij bij de zeelieden en kustbewoners der warme gewesten in een kwaden reuk, daar het eten van deze Visschen soms zeer bedenkelijke verschijnselen teweegbrengt. Met hun krachtig gebit openen zij de schelpen van de Weekdieren en vergruizen het skelet van de Polypen, die hun tot voedsel dienen. Door het verdelgen van een groot aantal Pareloesters zijn zij nadeelig voor de parelvisscherij.
*
Van alle overige Visschen onderscheiden zich de Koffervisschen of Strijkijzervisschen (Ostracion) door den eigenaardigen vorm van hun betrekkelijk hoog en kort lichaam, welks dwarse doorsnede een driehoek (met naar boven of naar onderen gerichten top), een vierhoek of een vijfhoek kan zijn. Het is gehuld in een pantser, dat uit mozaïeksgewijs aaneengevoegde, onbeweeglijke, meestal 6-hoekige platen bestaat en alleen de lippen, de oogen, de nauwe kieuwspleet en het wortelgedeelte der vinnen vrijlaat. Bij sommige is dit pantser boven de oogen en langs de kanten van den buik gewapend met onbeweeglijke, meestal bij paren geplaatste stekels, die soms een aanmerkelijke lengte hebben en dan veel bijdragen tot het vreemde voorkomen dezer Visschen. De kleine mond bevindt zich aan ’t einde van den snuit en is van boven en van onderen gewapend met een enkele rij van 10 à 12 spitse, kegelvormige tanden.
De Vierhoornige Koffervisch (Ostracion quadricornis), die 30 à 35 cM. lang wordt, heeft een driehoekig, aan de buitenzijde afgeplat lichaam. Het pantser, dat uit 6-hoekige, met kleine knobbeltjes bezette schilden bestaat, is fraai roodachtig bruin van kleur, met donkerder vlekken van langwerpigen, onbepaalden vorm; de bruine kleur van den staart heeft een meer geelachtige tint met rondachtige vlekken; de vinnen zijn geelachtig.
Alle Koffervisschen behooren thuis in zeeën van den tropischen aardgordel, waar zij steenachtige of rotsachtige ondiepten bewonen, zwemmen zoo slecht, dat men ze met de hand vangen kan, komen zelden in de bovenste waterlagen en sterven schielijk nadat zij uit het water opgehaald zijn. Hun voedsel schijnt uit Schaaldieren en Weekdieren te bestaan. Eenige soorten worden gevangen om hun vette tranige lever, andere worden met smaak gegeten, van nog andere wordt het vleesch voor vergiftig gehouden.
Vierhoornige Koffervisch (Ostracion quadricornis). ¼ v. d. ware grootte.
Bij de Kogelvisschen of Naaktkakigen (Gymnodontes = Naakttandigen) hebben de kaken van voren een scherpen rand, daar de kaakbeenderen met een op ivoor gelijkende stof bedekt zijn; gezamenlijk vormen zij een soort van snavel, welke, evenals die van een Papegaai of anderen Vogel, even sterk weer aangroeit, als hij door ’t kauwen afslijt. Hunne kieuwdeksels zijn zeer klein. De meeste hebben een zwemblaas, die zeer groot is, doch niet door een luchtbuis met het spijskanaal in gemeenschap staat. Ook kunnen zij door het inslikken van lucht den zeer dunwandigen en rekbaren slokdarm opblazen, waardoor het geheele lichaam den vorm aanneemt van een bol. (De uitzetting van de huid is mogelijk door de plooien, die zij in niet uitgezetten toestand vertoont.) Hierdoor wordt het buikgedeelte van den Visch lichter en drijft deze op het water met den rug naar beneden gericht. De stekels, waarmede de huid bezet is, gaan bij het opblazen overeind staan, evenals de pennen van een Egel, zoodat het dier zijne vijanden de in alle richtingen uitstralende, spitse doornen en stekels toont. De Klompvisschen (Orthagoriscus) missen de zwemblaas en tevens het vermogen om het lichaam op te blazen.
De Egelvisschen of Pennevisschen (Diodon) heeten ook wel Tweetandigen, omdat de snijdende rand van elke kaak in ’t midden geen verdeeling vertoont. Aan weerszijden van iedere kaak bezitten zij ook nog een soort van kies. De staart en de staartvinnen hebben den gewonen vorm. Ieder beenschild van de huid bestaat uit een doorn, die van onderen met twee zijwaarts gerichte, in de huid verborgen uitsteeksels voorzien is; dit maakt, dat de stekels, die in den toestand van rust tegen het lichaam aanliggen met de spits naar achteren, bij het opblazen overeind gaan staan.
Du Tertre bericht, dat men op de Antillen de Egelvisschen niet om ze te eten, maar tot tijdverdrijf vangt aan een hengel, waarvan de haak van een kreeftenstaart als lokaas voorzien is. Uit vrees voor de lijn, zwemt de Visch een tijdlang om het lekker hapje heen, proeft er eindelijk van, wordt stoutmoediger door de opmerking, dat de hengelsnoer zich niet beweegt, schiet toe en verzwelgt het lokaas met den haak. Bespeurend, dat hij gevangen is, blaast hij zich op, neemt den vorm van een bol aan, waarbij de stekels opgericht worden en het lichaam een averechtschen stand verkrijgt, gedraagt zich als een Kalkoen, die geplaagd wordt, en tracht ieder die binnen zijn bereik komt, te wonden. Geen baat vindend bij deze wijze van tegenspartelen, neemt hij zijn toevlucht tot een andere list: door het uitspuiten van lucht en water verslapt de huid en worden de stekels neergelegd; het dier maakt zich soortelijk zwaarder, ongetwijfeld met het doel om zich naar de diepte te laten zakken; ook dit gelukt hem niet. Opnieuw blaast hij zich op en dreigt met de stekels. Daar hij een zeer taai leven heeft, worden deze pogingen tot bevrijding lang voortgezet tot vermaak van de toeschouwers, die hem eindelijk aan land trekken. Nog altijd blijft hij hier dapper weerstand bieden; na eenige uren echter geraakt hij uitgeput en sterft.
Meer bepaaldelijk wordt de naam van Egelvisch (Diodon hystrix) gegeven aan een soort van 40 à 70 cM. lengte, die alle tropische zeeën bewoont en op roestbruinen grond van boven en langs de zijden met vele kleine, ronde, zwarte of bruine vlekken geteekend is.
*
Fahak (Tetrodon fahaka). ⅖ v. d. ware grootte.
Bij de Stekelbuiken zijn de stekels kleiner dan bij de Egelvisschen en zet het lichaam zich bij het opblazen vooral naar onderen uit; de staart en de staartvin hebben en behouden den gewonen vorm. Dit komt voor bij de Viertandigen (Tetrodon), waar de snijdende rand van de onderkaak zoowel als die van de bovenkaak door een overlangsche groeve of naad middendoor gedeeld is, ook bij de Drietandigen (Triodon), waar de onderkaak deze verdeeling niet vertoont. Van één soort van Stekelbuik (Tetrodon Pennantii) heeft men verscheidene exemplaren aan de kust van Cornwallis waargenomen. Bij sommige soorten zijn de neusgaten aan ’t einde van een tastervormige buis gelegen.
De soort, die door de Arabieren Fahak wordt genoemd (Tetrodon fahaka), is ongeveer 25 cM. lang. De rug heeft een zwartachtig blauwe kleur, de zijden vertoonen oranjegele strepen, de buik is geelachtig, de keel sneeuwwit, de staartvin oranjegeel.
De Fahak verlaat van tijd tot tijd de Middellandsche Zee en zwemt den Nijl op. Hier ziet men deze Visschen bij lagen waterstand dikwijls in grooten getale dood op het droog gevallen rivierbed liggen. Voor oud en jong zijn zij een bron van vermaak; de kinderen spelen er mede, zooals bij ons met Meikevers, laten de bolvormig opgeblazen dieren op het water drijven en gebruiken ze in gedroogden toestand als ballen. Zulke voorwerpen nemen de reizigers dikwijls mede als herinnering aan het land der Pharaonen.
De levenswijze en gewoonten van de Fahaks komen waarschijnlijk in de meeste opzichten met die van de Engelschen overeen. In diep water zwemmen zij, hoewel eenigszins onbeholpen, op de wijze van de andere Visschen; als een gevaar hen bedreigt stijgen zij schielijk omhoog naar den waterspiegel, slikken lucht in en blazen hun lichaam, dat tot dusver rimpels aan de oppervlakte vertoonde, zoo ver op, dat de huid gespannen is; zij drijven dan met den buik naar boven als een stekelige bal aan de oppervlakte. In dezen toestand kunnen zij niet zwemmen en zouden een buit worden van de roofvisschen, indien deze zulk een bal konden vatten en inslikken. Geen hunner is hiertoe in staat; hun streven heeft geen ander gevolg, dan dat de Fahak over den waterspiegel wordt voortgestuwd en dat zij zich aan zijne stekels kwetsen. Als men een opgeblazen Fahak in de hand neemt, ziet men hem vol angst pogingen doen om nog meer lucht in zijn lichaam op te pompen, waaruit blijkt dat hij de waarde van het opblazen als middel van afweer beseft. Zoodra hij meent, dat het gevaar voorbij is, laat hij de opgenomen lucht gedeeltelijk ontsnappen, waardoor een sissend gedruisch wordt voortgebracht. Buiten het water kan hij geruimen tijd in ’t leven blijven.
Het vleesch van den Fahak wordt alleen door de armste bewoners van het Nijlland gegeten; zij houden de kuit echter voor vergiftig.
*
Bijna in alle talen draagt de hoogst zonderlinge Klompvisch, ook wel Maanvisch, Zonnevisch, Zwemmende Kop en Molensteenvisch genoemd (Orthagoriscus mola), dezelfde namen: de hierdoor uitgedrukte vergelijking komt allicht in iemand op. Zijn lichaam heeft van ter zijde gezien de gedaante van een eironde schijf, aan het achtereinde, tusschen de ver naar achteren geplaatste rug- en aarsvin, voorzien van een dikken zoom, dien men niet dadelijk als de staartvin herkent, omdat de tot steun dienende stralen onder de huid verborgen zijn. De rugvin en de aarsvin zijn veel hooger dan lang en hebben een driehoekige gedaante. De borstvinnen zijn klein en rond. Evenals bij de Egelvisschen is de snijdende rand van de kaken onverdeeld. De huid is met scherpe, harde lichaampjes bezet, welke haar ruw voor het gevoel maken. De blauwachtig grijze kleur van de bovendeelen wordt naar onderen lichter. Deze Visch is grooter dan al zijne verwanten; men heeft exemplaren gevangen, die 2.5 M. lang en 300 KG. zwaar waren. Zijn vleesch wordt niet gegeten.
Deze Visch, die over alle zeeën tusschen de keerkringen en van de beide gematigde aardgordels verbreid is, wordt in de Middellandsche Zee het veelvuldigst aangetroffen. Toch was hij, naar het schijnt, aan de ouden onbekend. Van tijd tot tijd vindt men hem echter ook aan de kusten van de Noordzee. Aan de Nederlandsche kust verdwaalt hij slechts zelden: in de Zuiderzee, bij Middelburg (Dec. 1863), bij Katwijk (1836, Dec. 1839), Zandvoort (Dec. 1858, Dec. 1864), Nieuwediep (Dec. 1856) werden exemplaren van deze vischsoort gevangen. Het weinige, dat ons van haar leven bekend is, danken wij aan de Engelschen, die den Klompvisch bij de zuid- en westkust van Engeland en Ierland nu en dan waargenomen hebben. „Bij mooi weer,” zegt Yarrel, „zien de zeelieden hem niet zelden in het Kanaal, oogenschijnlijk slapend aan de oppervlakte der zee, daar hij op zijde ligt en door de golven wordt voortbewogen, zoodat men zou kunnen meenen een dooden visch voor zich te hebben.” Couch meent, dat de Klompvisch over een uitgestrekt gebied rondzwerft, zich in den regel in tamelijk diep water dicht bij den bodem ophoudt tusschen de waterplanten, die hem tot voedsel dienen en slechts bij zeer stil weer naar de oppervlakte stijgt om een middagslaapje te houden. Wanneer men zulk een slapenden visch voorzichtig nadert, kan men hem zonder moeite uit het water lichten, daar hij in den regel geen pogingen doet om te ontsnappen of althans niet erg tegenspartelt.