ZEVENDE ORDE.

DE GLANSSCHUBBIGEN (Ganoidei).

De tweede onderklasse van de Visschen is die der Oervisschen (Palaeichthyes). Zij heeft tot kenmerken het bezit van een hart met contractielen slagaderkegel, van een spiraalplooi in den darm en van gezichtszenuwen, die elkander niet of slechts gedeeltelijk kruisen. Zij wordt gesplitst in de orden van de Glansschubbigen en van de Kraakbeenvinnigen.


De Glansschubbigen of Ganoïd-visschen (Ganoidei) hebben in vroegere tijdperken van de ontwikkelingsgeschiedenis der aarde (vooral in het primaire of palaeozoïsche en het secundaire of mesozoïsche) een belangrijke rol gespeeld, zooals blijkt uit het vinden van versteende overblijfselen van een groot aantal thans uitgestorven leden dezer orde in de aardlagen der genoemde tijdperken. Tot in het laatste gedeelte van het Jura-tijdperk waren zij met de Kraakbeenvinnigen en waarschijnlijk ook met de Schedelloozen, Rondbekkigen en Salamandervisschen de eenige vertegenwoordigers van hun klasse. Eerst in ’t begin van de krijtperiode traden de Beenige Visschen op; spoedig vermeerderde het aantal geslachten en soorten van deze orde; gelijken tred hiermede hield de vermindering van het aantal Ganoïd-visschen, waarvan thans slechts eenige weinige, ver verbreide soorten overig zijn, die alle voortdurend of tijdelijk het zoetwater bewonen.

De Glansschubbigen ontleenen hun naam aan de plaatvormige of rondachtige, met email bedekte schubben, die het lichaam van de meeste (voor ’t meerendeel thans niet meer bestaande) leden dezer orde bekleeden. Andere dragen beenige schilden (zooals de meeste hedendaagsche Ganoïd-visschen), nog andere hebben een volkomen naakte huid. Bij vele soorten zijn de boven- en de onderrand van de staartvin en de voorrand van de overige vinnen bezet met een enkele of dubbele rij van zoogenaamde vinsteunsels (fulcra), d.i. een middelvorm tusschen vinstralen en schubben, die met de spitse punt naar boven en achteren gericht, schuins op en vóór de stralen zijn ingeplant. Bij de meeste bevat de bovenste lob van de staartvin het laatste gedeelte van de wervelkolom, die zich tot in de spits van deze lob kan voortzetten: zulke Visschen heeten heterocerk of ongelijkstaartig. De dubbele neusgaten gelijken op die van de leden der vorige onderklasse. Evenals bij deze zijn de kamvormige „vrije” kieuwen gelegen in kieuwholten, die door een kieuwdeksel zijn afgesloten en door één kieuwspleet met de buitenwereld in gemeenschap staan. Verscheidene bezitten aan den binnenkant van het kieuwdeksel een hulporgaan voor de ademhaling, een halve kieuw of „bijkieuw”. Verscheidene hebben aan den bovenrand van de kieuwdeksel een zoogenaamd „spuitgat”, dat met de kieuwholte in verband staat en herinneren hierdoor aan de Haaien. Bij alle komt een zwemblaas voor; deze staat altijd door een luchtbuis in gemeenschap met de maag of met den slokdarm. Het geraamte is beenig of gedeeltelijk kraakbeenig. De buikvinnen zijn ver achterwaarts aan den buik gehecht.


Van de 10 onderorden, waarin Zittel de orde der Ganoïd-visschen verdeelt, zijn slechts 4 tot op heden blijven bestaan. De belangrijkste van deze wordt gevormd door de Kraakbeensteuren (Chondrostei), zoo genoemd wegens hun gedeeltelijk kraakbeenig skelet: de ruggestreng is bij hen nog week, niet in wervels verdeeld; de schedel is kraakbeenig en met huidbeenderen bedekt. De stralen van het kieuwdekselvlies zijn weinig talrijk of ontbreken geheel. Voor zoover zij tanden bezitten, zijn deze nietig klein. De huid is naakt of met schilden bedekt. De staartvin is heterocerk en draagt vinsteunsels. Elke neusholte heeft 2 neusgaten; deze zijn op korten afstand van en vóór de oogen gelegen.—In vroegere tijdperken bood ook deze onderorde een groote verscheidenheid van vormen aan; thans omvat zij slechts een 25-tal soorten, die over 4 geslachten verdeeld zijn en in twee familiën worden vereenigd.


De Steuren (Accipenseridae) hebben een langwerpigen romp, een slurfvormigen, min of meer spits eindigenden, onbeweeglijken snuit, aan welks onderzijde zich de mondopening bevindt; de kieuwdeksels bedekken de kieuwholte niet volkomen; het kieuwdekselvlies heeft geen stralen; de lichaamsbekleeding bestaat uit groote, op vijf overlangsche reeksen geplaatste beenschilden. De kop is min of meer vierzijdig en tot een soms smallen, soms breeden, slurfvormigen snuit verlengd. Deze draagt aan de onderzijde op een beenige dwarslijst vier baarddraden, die als tastorganen dienst doen; haar vorm en plaatsing is bij verscheidene soorten ongelijk. Daarachter ligt de dwarsgerichte mondspleet in een uitholling; de bovenrand wordt meestal gevormd door een dikke, vleezige lip, die zich naar de onderkaak voortzet en gewoonlijk slechts aan de mondhoeken weinig ontwikkeld is. De oogen zijn aan weerszijden van den schedel achter de neusopeningen gelegen en hebben dikwijls bij hetzelfde exemplaar een verschillende middellijn. De huid tusschen de 5 overlangsche reeksen van schilden is gedeeltelijk naakt en glad, gedeeltelijk meer of minder dicht bedekt met kleinere schildjes of korrelige beenstukjes van afwisselende gedaante en grootte; het staarteinde en de bovenste lob van de staartvin zijn bekleed met vierhoekige, dicht aaneensluitende, kleine, beenige schubben. Alle schilden ondergaan bij toenemenden leeftijd een groote verandering; hunne kammen en spitsen worden stomp; de buikschilden verdwijnen dikwijls bijna geheel. Hierdoor wordt de vorm van de dwarse doorsnede van ’t lichaam gewijzigd en verliest deze min of meer haar vijfhoekige gedaante. De rugvin is ver naar achteren geplaatst; de aarsvin staat er nagenoeg tegenover; de staartvin onderscheidt zich door grootte; haar bovenste lob is zeisvormig naar beneden gekromd.

De Steuren behooren in den noordelijken gematigden aardgordel thuis; hun gebied strekt zich zoomin zuidwaarts als noordwaarts ver uit. Op bepaalde tijden van ’t jaar verlaten zij de door hen bewoonde zeeën of groote binnenzeeën en zwemmen de hierin uitmondende rivieren op, waar zij maanden lang blijven. Alle Steuren zijn zeer vraatzuchtige roofvisschen; alleen die, welke minstens half volwassen zijn, vallen betrekkelijk groote dieren aan; de kleinere Steuren zijn met Wormen, Weekdieren, eieren van Visschen en dergelijk voedsel tevreden. Zij vermenigvuldigen zich zeer sterk. Toch neemt hun aantal van jaar tot jaar af, omdat de visschers bij de steurenvangst hun gewone, onverstandige onbezorgdheid voor de toekomst niet laten varen.


De Steur (Accipenser sturio) het meest bekende lid van het gelijknamige, 20 soorten omvattende geslacht, heeft een middelmatig langen snuit met onvertakte baarddraden; de bovenlip is smal, de onderlip gezwollen en in ’t midden verdeeld; de mond, die in geopenden toestand ringvormig is, kan naar buiten geschoven en teruggetrokken worden. De 26 à 31 zijschilden zijn groot en dicht opeengedrongen, de 11 à 13 rugschilden van voren en van achteren laag, in ’t midden hoog. De bovenzijde is bruin, bruingrijs of bruingeel, soms donker, soms lichter van kleur; de onderdeelen zijn glanzig zilverwit, de schilden vuilwit. Dit dier kan 6 M. lang worden, doch bereikt gewoonlijk geen grootere lengte dan 2 M.

De Steur komt vrij algemeen aan onze Noordzeekusten, in de Zuiderzee en vooral des winters in onze rivieren voor. Van tijd tot tijd worden hier betrekkelijk groote exemplaren gevangen: op 20 Mei 1863 werd er een in den IJsel bij Wijhe buitgemaakt, die ongeveer 100 KG. zwaar was; een in Augustus 1858 in de Noordzee gevangen Steur had een gewicht van meer dan 300 KG.; op de markt te Delfzijl werd er een aangebracht op 15 Juni 1851, die 2.7 M. lang en 200 KG. zwaar was. Voor de vangst van Steur dient op onze benedenrivieren een drijfnet, dat bij eb wordt geplaatst gedurende de maanden April, Mei en Juni. In 1896 werden de meeste Steuren aangebracht te Hardinxveld (440), Moddergat (432), Wierum (240), Kralingen (134), in ons geheele land omstreeks 1300. De prijs bedraagt ± f O.40 per KG.

Het verbreidingsgebied van den Steur omvat den Atlantischen Oceaan langs de kust van Europa en Noord-Amerika met inbegrip van de Middellandsche Zee, de Noordzee en de Oostzee. In de Zwarte Zee en de Kaspische Zee en de hierin uitmondende stroomen treft men hem niet aan. Den Rijn zwemt hij hoogst zelden tot Mainz en slechts bij uitzondering tot Bazel op; in den Wezer bereikt hij ternauwernood de samenvloeiing van de Werra en de Fulda; in de Elbe begeeft hij zich tot in Boheme stroomopwaarts en dringt zelfs in de Moldau en hare bijrivieren door; van de Oostzee uit bezoekt hij den Oder, den Weichsel en hunne bijrivieren.

Sterlet (Accipenser ruthenus). ​1⁄10​ v. d. ware grootte.

Sterlet (Accipenser ruthenus). ​1⁄10​ v. d. ware grootte.

De Sterlet (Accipenser ruthenus), die soms met de zooeven beschreven soort verward werd, is aan zijn langwerpigen, dunnen snuit gemakkelijk kenbaar; bovendien zijn de tamelijk lange baarddraden aan de binnenzijde van franjes voorzien. De rug is donkergrijs, de buik lichter van kleur; de borstvinnen, de rugvin en de staartvin zijn grijs, de buikvinnen en de aarsvin vuilwit; de rugschilden hebben dezelfde kleur als de rug, zijn van achteren het hoogst en loopen hier in een spits uit; de zijschilden en de buikschilden zijn witachtig. De lengte bedraagt zelden meer dan 1 M., het gewicht hoogstens 12 KG.

De Sterlet bewoont de Zwarte Zee; hij zwemt alle hierin uitmondende stroomen, dus ook den Donau, op en bezoekt bijna al hunne bijrivieren. Bij Weenen komt hij geregeld voor, bij Linz is hij niet bijzonder zeldzaam, zelfs heeft men hem nog bij Ulm in den Donau gevangen. Evenals in de Zwarte Zee, vindt men hem ook in de Kaspische Zee en de rivieren, die haar met water voorzien, voorts in de Siberische stroomen, vooral in den Ob. Herhaaldelijk heeft men getracht hem in de Noord-Duitsche rivieren over te planten, in den Oder schijnt het gelukt te zijn.

Belangrijker dan de beide vorige soorten is de Huso (Accipenser huso), het reusachtigste lid van zijn geslacht en van zijn familie; hij kan 15 M. lang en 1000 à 1600 K.G. zwaar worden. Hij is kenbaar aan zijn korten, driehoekigen snuit met platte baarddraden; de 12 of 13 rugschilden zijn in ’t midden het hoogst; de 40 à 45 kleine zijschilden laten tusschenruimten over. De bovenzijde is gewoonlijk donkergrijs, de buikzijde vuilwit, de snuit geelachtig wit; de schilden komen in kleur met de buikzijde overeen.

De Huso is beperkt tot de Zwarte en de Kaspische Zee met de hierin uitmondende stroomen.

Vermoedelijk hebben alle Steuren nagenoeg dezelfde levenswijze. Zij zijn eigenlijk zeebewoners, die in de rivieren slechts tijdelijk vertoeven om hier te paaien of winterslaap te houden. In de zee zoowel als in de rivier geven zij aan een weeken, zandigen of slikkerigen bodem de voorkeur boven iedere andere verblijfplaats. Terwijl zij, half in den bodem verborgen, eerder kruipend dan zwemmend, zich langzaam voortbewegen, doorploegt de spitse snuit den grond, waaruit de onderzoekend uitgestoken lippen het voedsel opnemen. Dit bestaat vermoedelijk uitsluitend uit dieren; ongetwijfeld moeten alle Steuren als roofvisschen beschouwd worden: van onzen Steur weet men, dat hij zich voornamelijk met Visschen voedt, o. a. vele Haringen verslindt; vele Steuren leven gedurende hun paaitijd bijna uitsluitend van de Karpervisschen, die dan eveneens de rivier opzwemmen om kuit te schieten. Bij het trekken houden de Steuren zich in de bovenste waterlagen op en zwemmen hier betrekkelijk snel. De verschillende soorten begeven zich ter zelfder tijd op weg, n.l. van Maart tot Mei, en keeren tegelijk, n.l. in het laatst van den herfst, naar zee terug. De Steuren behooren tot de vruchtbaarste van alle bekende Visschen. Bij een Huso van 1400 KG. woog de kuit 400 KG. De jongen schijnen nog lang in de rivieren te blijven; misschien brengen zij hier de beide eerste levensjaren door.

Hoewel het vleesch van alle soorten van Steuren goed smaakt, worden deze Visschen minder om hun vleesch dan wel ter wille van de eieren en de zwemblaas gevangen; van gene wordt kaviaar, van deze een uitmuntende lijm gemaakt. De kuit, die voor de bereiding van de kaviaar moet dienen, wordt eerst met stokjes geslagen en vervolgens door een zeef gedrukt, waarop de vliezen achterblijven; de gezuiverde eieren worden meer of minder sterk gezouten en daarna in vaten gepakt.

In Duitschland is de steurvisscherij naar verhouding even onbelangrijk als bij ons: aan de monden van de Elbe en van den Wezer worden ieder jaar hoogstens eenige duizenden Steuren gevangen. In den benedenloop van den Donau, van waar vroeger Hongarije en Oostenrijk met kaviaar werden voorzien, zijn de nadeelige gevolgen van een onverstandige vangst thans reeds duidelijk merkbaar. De ontzaglijk sterke vermenigvuldiging van de Steuren is niet meer voldoende om hunne door den mensch gedunde gelederen voltallig te houden. Het invoeren van een gesloten tijd of het staken van de visscherij gedurende een paar jaren zal noodig zijn om ook in ’t vervolg dezelfde voordeelen te genieten als tot dusver.

Op de grootste schaal werd van oudsher in Rusland de steurvisscherij uitgeoefend; in de Zwarte Zee zijn de monden van den Dnjestr, den Dnjepr, den Donau en de zeeëngte van Jenikale of Kertsj, de groote toegangspoorten, waarvoor de Visschen, welker levensverrichtingen zoowel zoutwater als zoetwater vereischen, zich verzamelen. Op al deze punten bevinden zich derhalve hetzij blijvende visschersdorpen of tijdelijke vestigingen, die in de lente opgericht en in den herfst weder verlaten worden. De Rus of Griek, die een visscherij wil ondernemen, huurt van den naburigen grondeigenaar een kuststreek, bouwt een ruime rieten hut aan het strand, koopt vischschuiten, netten en al wat verder noodig is, verbindt aan zijn onderneming andere Russen of Grieken, Tataren, Moldaviërs of Polen, al naar het eene of het andere volk in de nabijheid woont, en vestigt zich met hen voor een zomer aan het strand. De hutten van deze lieden zijn zeer ruim en groot, dicht bij het lage zeestrand, maar boven het peil van den hoogsten waterstand gelegen. Zij bevatten bedden voor de bemanning der vischschuiten, die soms uit 12 à 20 koppen bestaat, voorts vischtonnen, groote vaten met zout en molens, waarin dit fijngemaakt wordt. Buiten de hut is in den grond een stookplaats uitgegraven; een oudgediende, die niet mede ter vischvangst gaat, is voortdurend bezig met koken, waterdragen, zoutmalen, enz. Als het bedrijf goede uitkomsten oplevert, schaffen de visschers zich ook andere benoodigdheden aan: Honden voor het bewaken van hun eigendom, een toom kippen, welker gekakel zich met het geklots van de golven vermengt, Schapen voor het feestmaal op Zondag, enz. Gewoonlijk echter is de zee de proviandkamer, die hun alles verschaft, wat op den disch verschijnt. Dicht bij den rand van de branding richten zij een hoogen mastboom op, eenigszins hellend ten opzichte van den waterspiegel, van boven voorzien met een soort van mastkorf; hierin zit een van de manschappen op den uitkijk en kondigt tijdig de nadering van de scholen Visschen aan, opdat de visschers hen tegemoet kunnen gaan. Reeds op grooten afstand merken zij de Visschen op en weten ze te onderscheiden. Zij verdeelen ze in twee hoofdafdeelingen: roode en witte Visschen; de eerstgenoemde omvat de Steuren. Voor de vangst maakt men op deze plaatsen hoofdzakelijk gebruik van netten.

Geheel anders gaat men daarentegen in den winter te werk, als de rivieren met ijs bedekt zijn en de Steuren om winterslaap te houden den kop in ’t slijk gestoken en de staarten als een dicht bosch van palissaden omhoog gericht hebben. De visschers kennen de diepste gedeelten van den stroom, waar de Steuren zich in den herfst op rijen geplaatst ter ruste begeven; zij komen in Januari bijeen om, ieder voorzien van een bewijs, dat hun het visschen veroorloofd is, onderling te bespreken waar, wanneer en op welke wijze de vangst zal plaats hebben. Een kanonschot geeft het sein, waarna de visschers zich zoo schielijk mogelijk in sleden naar de hun aangewezen plaats begeven. Hun vischtuig bestaat uit een ijzeren haak, die aan een met ijzer bezwaarden stok van 6, 10 of zelfs 20 M. lengte bevestigd is. Te rechter plaatse aangekomen, hakt ieder een gat in ’t ijs; de hierdoor in hun rust gestoorde Visschen beginnen den stroom af te zwemmen; wanneer zij tegen den in ’t water gestoken staak stooten, tracht de visscher door een plotselingen ruk den haak in ’t lichaam van den Visch te doen doordringen. Dikwijls gelukt het hem op één dag 10 groote Steuren buit te maken; het kan echter ook voorkomen, dat hij verscheidene dagen op het ijs moet staan, voordat hij er in slaagt een enkelen Visch te vangen. Dan is een maand arbeid te nauwernood voldoende om de kosten van de uitrusting goed te maken. Hansteen, die deze wijze van visschen op den Oeralstroom heeft leeren kennen, verhaalt, dat ongeveer 4000 Kozakken hierdoor binnen 2 uren voor meer dan 40 000 roebels Visch vingen. In den regel acht men zich verplicht den eersten Visch aan de kerk te schenken; de overige worden zoo schielijk mogelijk op sleden vervoerd. Van heinde en ver zijn kooplieden aangekomen, die de gevangen Steuren dadelijk opkoopen, het vleesch en de kuit toebereiden, afzonderlijk inpakken en met den meesten spoed verzenden. Als de vorst aanhoudt, is het inzouten overbodig; zoodra echter de dooi invalt, moet zulks dadelijk geschieden.

Deze visscherij levert zeer aanzienlijke voordeelen op. De jaarlijksche opbrengst van de Steurvangst in de Zwarte en de Kaspische Zee werd ten tijde van Pallas (1741–1801) op 2 millioen roebels geschat en is sinds dezen tijd minstens verdubbeld.


Kaaimanvisch (Lepidosteus osseus). ⅙ v. d. ware grootte.

Kaaimanvisch (Lepidosteus osseus). ⅙ v. d. ware grootte.

Twee Steuren met naakte of nagenoeg naakte huid, zeer wijden, onder den kop geplaatsten bek en kaken met talrijke kleine tandjes vormen de familie der Veeltandigen (Polyodontidae). De eene heet wegens den zeer langen, spatel- of lepelvormigen snuit met dunne en buigzame randen Lepelsteur (Polyodon folium) en bewoont den Mississippi. Hij kan 2 M. lang worden; hiervan komt ¼ op den snuit. Zijn vleesch wordt gegeten, zoo ook dat van den meer dan 6 M. langen Zwaardsteur (Psephurus gladius), die zijn naam ontleent aan den buitengewoon langen, zwaardvormigen snuit. Hij bewoont de Chineesche stroomen Hoangho en Jangtsekiang.


De eenige thans nog levende vertegenwoordiger van de onderorde der Kwastvinnigen (Crossopteroidei) en van de familie der Veelvinnigen (Polypteridae) is de Snoeksteur (Polypterus bichir). Hij heeft een langwerpige, bijna cilindervormige gedaante. De korte snuit heeft aan zijn voorste uiteinde een groote mondopening; de kaken en het gehemelte dragen tanden. De borstvinnen zijn kwastvormig: zij hebben een korte, geschubde as; de buikvinnen zijn er ver van verwijderd; de rugvinnen zijn zeer talrijk (10 à 16) en bestaan ieder uit een sterken stekel, aan welks achterrand eenige buigzame stralen zijn gehecht; de staartvin is diphycerk: zij omgeeft dus het einde van den staart; haar bovenste helft komt met de onderste in vorm overeen; de aarsvin is er slechts door een smalle tusschenruimte van gescheiden. De beenige, met email bekleede schubben zijn zeer groot, vierhoekig en op reeksen geplaatst, die scheef van voren naar achteren loopen; de kop is met groote, harde schilden bekleed. De groenachtige kleur van de bovendeelen, die met eenige zwarte vlekken geteekend zijn, gaat aan den buik in vuilwit over. Lengte 1.2 M.

De Snoeksteur bewoont de tropische gewesten van Afrika; zoowel in de rivieren van West-Afrika als in den Boven-Nijl is hij niet zeldzaam. In het gebied van den Witten Nijl vindt men hem zeer dikwijls in plassen, die soms later geheel uitdrogen. Het is zoo goed als zeker, dat hij, als zoovele Visschen van Centraal-Afrika, zich bij den aanvang van het droge jaargetijde in het slijk verbergt en hier (in den op zekere diepte nog vochtigen bodem) den volgenden regentijd afwacht. Zijn voedsel bestaat uit Visschen en andere waterdieren.


In de rivieren en meren van de zuidelijke Staten van Noord-Amerika ontmoet men niet zelden een vreemdsoortigen Ganoïdvisch, die daar Kaaimanvisch (Lepidosteus osseus) wordt genoemd en het geslacht der Beensteuren (Lepidosteus) vertegenwoordigt, dat slechts 3 soorten omvat en deel uitmaakt van de gelijknamige familie (Lepidosteidae). Zijn langwerpig lichaam bevat een volledig verbeende wervelkolom en is met steenharde ganoïd-schubben bekleed, die op de onderste en bovenste straal van de duidelijk heterocerke staartvin en op den eersten straal van de overige vinnen in spitse vinsteunsels overgaan. De rugvin en de aarsvin zijn ver achterwaarts, de buikvinnen in ’t midden van ’t lichaam geplaatst. De schubben vormen sterk hellende reeksen, zijn op den rug hartvormig, op de zijden langwerpig vierhoekig, aan de buik ruitvormig. De lange, snavelvormige snuit herinnert sterk aan dien van een Krokodil; de kaken en het gehemelte dragen raspvormige velden van hekeltanden, de kaken bovendien een reeks van kegelvormige tanden. De bovendeelen zijn groenachtig, de zijden geelachtig, de onderdeelen en de vinnen roodachtig, deze aan de achterzijde met zwarte vlekken. Lengte 1 à 1.7 M.

Van de levenswijze van dezen Visch weet men niet veel meer, dan dat hij zeer gulzig en vraatzuchtig is en gretig naar het lokaas aan den hengel hapt. Zijn vet, welsmakend vleesch gelijkt, naar men zegt, op dat van den Snoek en wordt op gelijke wijze toebereid.


De Amerikanen geven den naam van Moddervisch (Mudfish) aan een Glansschubbige (Amia calva), die zich door het uit cycloïde schubben samengestelde kleed van alle overige leden zijner orde onderscheidt en met een aantal fossiele soorten tot een onderorde (Amioidei) vereenigd is. Zijn skelet is volledig verbeend. Het achterste gedeelte van het tamelijk langwerpige, gelijkstaartige lichaam is zijdelings samengedrukt. De korte snuit heeft een tamelijk wijde mondspleet; de kaken en het gehemelte dragen spitse, kegelvormige, een weinig achterwaarts gekromde tanden; die van de onderkaak zijn betrekkelijk groot; daarachter bevindt zich een met hekelvormige tandjes bezette strook. De rugvin is zeer lang, de staartvin afgerond, de overige vinnen zijn middelmatig groot. Deze hoogstens 60 cM. lange Visch bewoont bij voorkeur moerassige wateren in de Vereenigde Staten en leeft van kleine Visschen, Schaaldieren en waterinsecten. Gedurende het heete jaargetijde verschuilt hij zich in den modder. De groote hoeveelheid lucht, die hij nu en dan inslikt, dient vermoedelijk voor de ademhaling.