In het jaar 1835 werden in Zuid-Amerika en West-Afrika twee Gewervelde Dieren ontdekt en vele jaren later (1870) nog twee in Australië, waaraan men zulk een vreemdsoortige samenvoeging van verscheidene gewoonlijk niet vereenigd voorkomende eigenaardigheden opmerkte, dat de dierkundigen het niet eens konden worden over de plaats, die deze wezens in het stelsel behooren in te nemen. Door hun lichaamsbouw gelijken zij op Visschen, door hun ademhaling, die men uit het maaksel der hiervoor dienende organen kon afleiden, op Salamanders. Door hun levenswijze, hun aard en hunne handelingen, herinneren zij zoowel aan deze als aan gene. Johannes Müller en andere onderzoekers hebben uitgemaakt, dat de kenmerken der Visschen bij deze dieren de overhand hebben en wezen hun daarom een plaats aan in de klasse, waarmede wij ons nu bezig houden.
De Longenvisschen, waarvan men 3 geslachten met slechts 4 soorten kent, vormen slechts één familie, waaraan men den naam van Salamandervisschen (Lepidosirenidae) kan geven. Naar het uitwendige gelijken zij op Visschen; de driezijdig piramidale kop is breed, de mondspleet buitengewoon groot; de oogen zijn klein als die der Salamanders, de wangen, evenals de geheele romp, met schubben bekleed, de kieuwspleten klein en loodrecht geplaatst, de kieuwen bij sommige inwendig, bij andere uitwendig. De uitwendige kieuwen zijn 3 kleine, boogvormig vertakte organen, welker takken met vedervormige franjes bedekt zijn en die buiten de kieuwspleet uitpuilen; de inwendige zijn in de kieuwspleet gelegen. Hierachter treft men de voorste ledematen aan, op welker verschillende ontwikkeling voor een deel de onderscheiding van de drie geslachten berust; de achterste ledematen, die met de voorste in bouw overeenstemmen, bevinden zich aan weerszijden van de aarsopening. De plaats van de rugvin wordt ingenomen door een verticalen huidzoom met hoornachtige stralen tot steun, die ongeveer in ’t midden van den rug begint en zich tot aan de staartvin uitstrekt; een dergelijk orgaan bevindt zich aan de buikzijde en neemt bij de aarsopening een aanvang. Het geheele lichaam is met breede, afgeronde schubben bekleed, die elkander dakpansgewijs bedekken en een mozaïek vormen.
De tot dusver genoemde eigenschappen wijzen alle op verwantschap met de Visschen; bij nader onderzoek ontdekt men echter belangrijke verschillen. De neusgaten staan n.l. in gemeenschap met een wijde neusholte, welker beide gangen naar onderen in de mondholte uitkomen op korten afstand van de spits van den snuit. Achter de keelspleten bevindt zich aan den voorsten wand van den slokdarm een spleetvormige opening, die toegang verleent tot een ruim, door kraakbeenderen gesteund strottenhoofd en twee goed ontwikkelde longzakken, welker binnenste oppervlakte van talrijke lijstvormige plooien voorzien is, die als ’t ware cellen vormen; de bloedvaten in den op deze wijze sterk vergrooten wand ontvangen uit het hart zuiver aderlijk (koolzuurhoudend, zuurstofvrij) bloed, dat, na in slagaderlijk (koolzuurvrij, zuurstofhoudend) bloed veranderd te zijn, naar de aorta stroomt. Bij gesloten bek vormen dus de neusgaten met de neusholte, mondholte, luchtpijp en longen den volledigen luchtweg. Bij geen anderen Visch treft men zulke organen voor ademhaling en bloedsomloop aan. Deze stemmen daarentegen volkomen overeen met die van de larven van Amphibiën, zoodra zich bij haar nevens kieuwen ook longen hebben ontwikkeld.
De meest bekende van de vier soorten van Longenvisschen is de Afrikaansche Slijkvisch (Protopterus annectens), die bijna 2 M. lang kan worden. Zijn lichaamsbouw herinnert aan dien van den Aal, maar is meer gedrongen; de plaats van de borst- en buikvinnen wordt ingenomen door lange, eenigszins samengedrukte, priemvormige organen, ter lengte van een span, aan de voorzijde voorzien van een smallen huidzoom, gesteund door korte stralen; een smalle rugvin begint ongeveer op het midden van het bovenlijf en is, evenals de aarsvin, met de staartvin vereenigd. De neus steekt vóór den eerder kleinen dan grooten, dwars gerichten bek uit; deze is gewapend met 4 dikke, kegelvormige, eenigszins beweeglijke tanden. Het met kleine schubben bekleede lichaam is op donkerbruinen, naar onderen lichter wordenden grond geteekend met een groot aantal rondachtige, uitvloeiende vlekken van grijze kleur. De oogen zijn kastanjebruin.
De Slijkvisch bewoont in tropisch Afrika alle binnenwateren, in sommige, o.a. ook in die van ’t westen, komt hij in groote menigte voor. „De Doko,” schrijft Von Heuglin, „leeft ook in den Witten Nijl en zijne bijrivieren ten zuiden van 9° NB. en schijnt hier overal veelvuldig te zijn. Men vindt dezen vreemdsoortigen Visch in den modder, zelden in ’t open water; des nachts echter komt hij dikwijls dichtbij de vaartuigen, waarschijnlijk om het afval, dat overboord geworpen is, te verslinden. Gedurende het droge jaargetijde houdt hij zich op in een horizontaal of verticaal gat van meer dan 1 M. lengte, waarschijnlijk door hem zelf gegraven in den hoogen oever van een door den regen gevormden plas, of verschuilt zich tusschen vochtige, afgevallen bladen; hij verlaat zijn woning niet anders dan ’s nachts en vangt dan de Visschen, Weekdieren en Krabben, die zijn voornaamste voedsel uitmaken. Gedurende het regenseizoen baant hij zich echte wegen door den modder. Zijne bewegingen op den bodem getuigen niet van behendigheid, maar wel van spierkracht: met opgeheven kop overschrijdt hij niet zonder moeite oneffenheden van eenige beteekenis door het lichaam aalvormig naar rechts en links te kronkelen. Zelden ziet men verscheidene van deze dieren bijeen; in de hoogste mate onverdraagzaam, gaan zij bij een toevallige ontmoeting elkander dadelijk te lijf en strijden in den regel met zooveel woede, dat men zelden exemplaren vindt met gaven staart. Ook tegen den mensch maakt de Doko gebruik van zijn gebit; wanneer men toevallig op hem trapt, sist hij als een Slang, waarop hij ook door zijn beweging gelijkt. De negers houden veel van zijn vleesch en dooden hem met de werpspies. Men kan hem echter ook aan den hengel vangen.”
De Slijkvisch omgeeft zich met een laag slijk, wanneer het door hem bewoonde water uitdroogt en blijft op deze wijze verborgen gedurende het regenlooze seizoen. In zulke nesten worden de Slijkvisschen sedert eenige jaren niet zelden levend naar Europa overgebracht. Den kop met den staart bedekkend, hebben zij zich zoo sterk ineengekronkeld, dat men met verwondering de kleine ruimte aanschouwt, waarin zulk een groot dier opgesloten is. De wand van het nest bestaat uit gewone klei, maar is van binnen met een slijmerige stof bekleed. Hoe lang het in vrijheid levende dier in zijn rusttoestand volhardt, is niet bekend; wel weet men, dat het maanden achtereen zonder bezwaar in zijn nauwe gevangenis kan blijven. Wanneer het nest in een bak met water wordt gelegd en de temperatuur overeenkomt met die, waaraan het dier in Middel-Afrika gewoon is, verlaat het de weldra verweekte kleilaag. In den eersten tijd na het ontwaken uit den schijndood, is het buitengewoon traag, als ’t ware slaapdronken; reeds na verloop van een uur is het volkomen wakker en geschikt om zich te bewegen, maar zoekt nog steeds de donkerste gedeelten van den waterbak op en ligt zeer dikwijls op den bodem. Om zijn eetlust te bevredigen, die na eenige dagen terugkeert, let het op iedere beweging van den waterspiegel; zoodra het hier een prooi ontwaart, kronkelt het zich vlug en sierlijk, beurtelings de vinnen en den huidzoom op den rug bewegend, als een Slang naar de oppervlakte, grijpt den hier aanwezigen buit of het aangeboden stuk vleesch en keert, na het verslonden te hebben, naar zijn vorige ligplaats terug. In het Kristallen Paleis te Londen heeft men jaren lang Slijkvisschen in een aquarium gehouden en hun levenswijze nauwkeurig nagegaan. Een dezer Visschen bleef 3 jaar in leven en zou nog wel langer geleefd hebben, indien men niet genoodzaakt was geweest hem naar een andere woning over te brengen. Aanvankelijk werd hij gevoederd met stukken vleesch, die men hem toewierp, na vooraf door een snelle beweging van den waterspiegel zijn aandacht te hebben getrokken; later gaf men hem Visschen en Kikvorschen te eten. Terwijl hij het vleesch met de scherpe voortanden stevig vasthield, merkte men vlugge bewegingen van alle deelen van den snuit op, alsof hij het sap er uitzoog; na eenigen tijd werd het stuk eensklaps uitgespuwd, opnieuw gegrepen, nogmaals uitgezogen en eindelijk doorgeslikt. Toen men den Slijkvisch in een bak bracht, waarin zich Goudvisschen bevonden, begon hij onmiddellijk zijne metgezellen te vervolgen, niet slechts de kleine exemplaren, maar ook die, welke hem in grootte overtroffen. Ondanks de langzaamheid van zijne bewegingen gelukte het hem iederen Visch buit te maken, dien hij als prooi had uitgekozen. Daar men hem naar hartelust liet rooven, groeide hij zeer schielijk; gedurende zijn driejarig verblijf in den goudvisschenkom, nam zijn lengte van 25 tot bijna 100 cM. toe en bereikte hij een gewicht van meer dan 3 KG.
Afrikaansche Slijkvisch (Proropterus annectens). ⅓ v. d. ware grootte.
Een tweede soort van Salamandervisch, die zeer weinig bekend is, omdat hij in de diergaarden uiterst zelden voorkomt, werd door Natterer in ’t gebied van den Amazonenstroom ontdekt en heet daar Caramoeroe (Lepidosiren paradoxa). Hij kan 1.3 M. lang worden; men zegt, dat zijn stem op die van een Kat gelijkt. Volgens sommige berichten voedt hij zich met planten; wegens den vorm van zijn gebit beschouwt Günther hem echter als een diereneter.
Het geslacht der Hoorntandigen (Ceratodus) omvat twee soorten: de eene, in 1870 door Krefft ontdekt, wordt door de inboorlingen van Queensland Barramoenda (Ceratodus Forsteri) genoemd en wegens haar op Zalm gelijkend vleesch ijverig gevischt. (De andere heet Ceratodus miolepus.) De Barramoenda bereikt een lengte van 2 M. en een gewicht van bijna 10 KG.; zijn maag werd volgepropt gevonden met bladen van langs den oever groeiende planten, die in ’t water waren gevallen. „De Barramoenda,” schrijft Günther, „kan naar verkiezing hetzij alleen door longen, óf alleen door kieuwen, óf door beide te gelijk ademen. Het is niet waarschijnlijk, dat hij vrijwillig het water verlaat, daar zijne ledematen veel te buigzaam zijn om het zware en lompe lichaam te dragen.”