De Rondbekkigen staan op zulk een lagen trap van ontwikkeling, dat er reden is om hen, in navolging van Haeckel, van alle vroeger genoemde Gewervelde Dieren te onderscheiden en als een met deze gelijkwaardige groep te beschouwen. Hun wormvormig lichaam, dat geen spoor van ledematen (van parige vinnen) bezit, is nagenoeg overal even dik en met een taaie, slijmerige, ongeschubde huid bekleed. Het kraakbeenig skelet bevat in den romp geen andere bestanddeelen dan een wervelkolom van zeer eenvoudig maaksel, waarmede geen ribben verbonden zijn; het kopskelet blijft op een even lagen ontwikkelingstrap verkeeren, als die, welken het bij de vroeger genoemde Gewervelde Dieren gedurende een der eerste tijdperken van den kiemtoestand vertoont. De kaakbeenderen ontbreken geheel; hun plaats wordt ingenomen door de zoogenaamde lipkraakbeenderen, die tot steun dienen van de meer of minder ontwikkelde lip; de hierdoor begrensde holte, „zuigbek” geheeten, ligt vóór de eigenlijke of achterste mondopening, waarin de tong als de zuiger van een pomp naar voren en naar achteren bewogen wordt. In gesloten toestand is de voorste mondopening (zuigmond) een overlangsche spleet. Aan het voorste uiteinde van den schedel, dus op het midden van de bovenzijde van den kop, bevindt zich de onparige neusopening. De Rondbekkigen heeten ook wel Zakkieuwigen (Marsipobranchiata) naar hun eigenaardige wijze van ademhaling. De kieuwzakken zijn gelegen aan weerszijden van den slokdarm; bij de Prikvisschen ontvangen zij het water ieder door een afzonderlijke opening en staan het weer af aan een gemeenschappelijke, onparige, onder ’t voorste deel van den slokdarm uitmondende buis; bij de Slijmprikken geschiedt de toevoer van ’t ademhalingswater door één opening voor iedere reeks van zakken en staan deze zoowel met de hier aanvangende toevoerbuis als met den voor het uitademen dienenden slokdarm door afzonderlijke openingen in gemeenschap. Een andere eigenaardigheid van de Rondbekkigen is, dat zij een echte gedaantewisseling ondergaan. De huid is glad en slijmerig, niet met schubben bedekt; de zwemblaas ontbreekt. Deze orde wordt verdeeld in twee familiën: de Prikvisschen en de Slijmprikken.
De Prikvisschen (Petromyzontidae)—waarvan men een twaalftal goed omschreven soorten kent, die tot 4 geslachten worden gebracht—zijn over de geheele wereld verbreid. Zij onderscheiden zich van de Slijmprikken door het bezit van onparige, door vele kraakbeenige stralen gesteunde vinnen, van 7 ronde ademgaten aan weerszijden van den hals, van een reukorgaan, dat in een blinden zak eindigt en dus niet met de mondholte in gemeenschap staat. Bij hen is de zuigbek van voren wijd, van achteren trechtervormig vernauwd en meer samengesteld dan bij de overige leden der orde; de kleine, spitse, kegelvormige tanden, waarmede de binnenste oppervlakte van de kringvormige lip (de mondschijf of zuigschijf) bezet is, bestaan ieder uit een slijmvlies-papil, die met een geelachtig bruine, harde, hoornachtige scheede bedekt is; deze valt licht af en wordt dan door een daaronder liggende, weldra verhoornende huidlaag vervangen.
Het eenige Europeesche geslacht dezer familie omvat de (tot het noordelijk halfrond beperkte) Prikken of Negenoogen (Petromyzon). Zij hebben 2 rugvinnen: de tweede is met de staartvin vereenigd, waarmede ook de aarsvin een geheel uitmaakt. De zuigmond is cirkelvormig; de spitse hoorntandjes van de mondschijf dragen, naar de plaats die zij innemen, verschillende namen; die van de „bovenkaak” (2) en van de „onderkaak” (7) zijn uitsteeksels van 2 hoornplaatjes: één aan den bovenrand, één aan den onderrand van de binnenste mondopening. De middelmatig groote oogen zijn bedekt door de huid, die op deze plaats dun en doorzichtig is. De 7 wijd uiteenstaande kieuwgaten zijn niet door een overlangsche groeve verbonden.
De grootste van de beide inheemsche soorten van dit geslacht is de Zeeprik, Bonte Negenoog of Zeelamprei (Petromyzon marinus), die 1 M. lang en 3 KG. zwaar kan worden. Van zijne naaste verwanten onderscheidt hij zich door een meer langwerpigen romp en door een krans van fijne, korte franjes aan de binnenzijde van den dikken rand van den zuigmond; iets verder binnenwaarts komen op de zuigschijf eenige reeksen van enkelvoudige, spitse tandjes voor; de ruimte van hier tot de „kaken” wordt ingenomen door 40 plaatjes, die ieder 2 grootere tanden dragen. De eerste rugvin verheft zich achter het midden van den rug tot een langwerpige, boogvormige plooi; de tweede rugvin is er door een vrij groote tusschenruimte van gescheiden, bereikt spoedig haar grootste hoogte en wordt daarna langzaam lager, totdat zij zich met de staartvin vereenigt. De huid is groenachtig wit op den rug en de zijden met zwartbruine of donker olijfgroene vlekken gemarmerd.
Met uitzondering van de Zwarte Zee bewoont deze Visch alle Europeesche zeeën; bovendien komt hij aan de kusten van West-Afrika en van Noord-Amerika voor. Hij brengt het grootste deel van zijn leven in het zeewater door, maar zwemt tegen het voorjaar de rivieren op (den Rijn o.a. tot bij Bazel) om kuit te schieten. Aan onze kust is hij vrij algemeen.
De Gewone Prik, Negenoog, Rivierlamprei of Rivierprik (Petromyzon fluviatilis) wordt zelden meer dan 40, bij uitzondering echter 50 cM. lang en omstreeks 100 Gram zwaar. Hij is ranker van gestalte dan de Zeeprik; het voorste deel van ’t lichaam is naar evenredigheid langer, de rugvin begint dus veel verder naar achteren; de bovenkaakstanden zijn niet, zooals bij de vorige soort, naast, maar op eenigen afstand van elkander geplaatst; de hen dragende hoornplaat is halvemaanvormig; de 7 onderkaakstandjes zijn zeer scherp, de buitenste grooter dan de overige; aan weerszijden van de mondopening komen 3 plaatjes voor, die ieder 2 betrekkelijk groote tanden dragen; de rand van de zuigschijf draagt een enkelvoudige reeks van zeer kleine tandjes; tusschen deze en die van de bovenkaak komen eenige grootere tanden voor. De glanzig groenachtig blauwe kleur van de bovendeelen gaat op de zijden in geelachtig wit, op den buik in zilverwit over; de vinnen zijn paars. Ook deze Prik bewoont de zee; men vindt hem langs de kusten van Europa, Noord-Amerika en Japan; ook hij zwemt de rivieren op om kuit te schieten; soms echter vestigt hij zich, naar het schijnt, voor goed in meren of groote rivieren. Bij ons treft men hem (vooral in den winter en in het voorjaar) in de groote rivieren veelvuldig aan; ook in de meeste andere zoete wateren, zelfs in slooten komt hij voor; van Mei tot Juli vindt men hem dikwijls in de zee dicht bij het strand.
Sommigen beschouwen den Zandprik of Kleinen Negenoog (Petromyzon Planeri) als een variëteit van de vorige soort; hij is echter veel kleiner, 20 à 40 cM. lang; de tweede rugvin begint onmiddellijk achter de eerste; de bovenkaaks- en onderkaakstanden zijn stomp.
De Zandprik bewoont Europa en Amerika en komt, volgens Yarrell, ook in de zee voor. Veelvuldiger is deze soort echter in zoetwater; men vindt haar in den regel in zeer grooten getale zelfs in de kleinste binnenwateren, voor zoover hun bodem uit week zand of slijk bestaat. Volgens Maitland wordt zij, ofschoon zelden, ook hier te lande gevonden.
1) Zeeprik (Petromyzon marinus), 2) Prik (Petromyzon fluviatilis), 3) Zandprik (Petromyzon Planeri). ¼ v. d. ware grootte.
In weerwil van de geringe ontwikkeling hunner vinnen, bewegen de Prikken zich snel en behendig in ’t water. Dit geschiedt overal, waar de strooming niet sterk is, door zijdelingsche kronkelingen van het lichaam; in snel stroomend water daarentegen verplaatsen zij zich bij rukken, zuigen zich na iederen sprong vast aan een onbeweeglijk voorwerp, rusten eenigen tijd en schieten vervolgens opnieuw vooruit; op deze wijze kunnen zij zelfs snelvlietende bergbeken opzwemmen. Dat Zeeprikken zich ook door Visschen van de eene plaats naar de andere laten brengen, blijkt uit het vangen van Zalmen, waaraan zij zich vastgezogen hadden, in den middelloop van den Rijn. De Zeeprik komt slechts bij uitzondering in den bovenloop van een stroom voor; zijne verwanten daarentegen bezoeken, zooals reeds gezegd is, zelfs de kleinste bijrivieren en planten zich hier bij voorkeur, zoo niet uitsluitend voort. Uit de wijze, waarop dit geschiedt, valt af te leiden, dat het stroomopwaarts reizen voor de voortplanting niet volstrekt noodig is. Alle Prikvisschen zijn parasieten, die zich hoofdzakelijk voeden met het vleesch en bloed van andere dieren. In den regel geschiedt het vastzuigen met dit doel. Nadat de Prik zich met den zuigmond stevig vastgehecht heeft aan een Visch, brengt hij zijne als een rasp werkende tanden in beweging, schaaft en vijlt de huid stuk, dringt, al borend, steeds dieper door, verslindt de afgeschaafde lichaamsbestanddeelen en vreet op deze wijze langzamerhand diepe gaten in het lichaam van zijn slachtoffer, ook wanneer hij reeds dood is. Het meest geschiedt dit bij Visschen, die zich door een op den grond liggend lokaas hebben laten verschalken; waarschijnlijk vallen echter niet zelden ook volkomen gave Visschen aan de Prikken ten buit.
Het kuitschieten heeft plaats in de eerste lentemaanden en gaat met eigenaardige handelingen gepaard. De Prikken zijn niet gelijk andere in zoetwater paaiende Visschen uitgerust met organen om een kuiltje als bergplaats voor hunne eieren te graven; dit gemis wordt hun echter vergoed door den zuigmond, waarmede zij steenen kunnen verplaatsen. Zij toonen hierbij een verbazende spierkracht, lichten steenen van aanzienlijke grootte op en vormen op deze wijze schielijk groote holten. In zulk een hol begeeft zich het paaiende paar en houdt zich intusschen aan een van de grootste steenen vast. Reeds voor lang had men op de paaiplaatsen van den Zandprik een wormvormigen Visch opgemerkt, die Kieuwworm (Ammocoetes branchialis) werd genoemd. Dit dier heeft bij een lengte van 18 cM. in den regel slechts de dikte van een penneschacht, een zeer kleinen kop, met nauwelijks zichtbare oogen en een halfcirkelvormige mondschijf zonder tanden, kieuwopeningen, die in een diepe, overlangsche groeve gelegen zijn, onderling vereenigde vinnen, een duidelijk in ringen verdeelde, dof, zilverkleurige huid; de vinnen zijn geelachtig wit. Het is zeer wel mogelijk, dat de Kieuwworm, die in België in den Moezel, de Schelde en de Maas gevonden wordt, ook ons land bewoont, ofschoon men hem hier nog niet waargenomen heeft. Hij leeft in den modderigen of zandigen bodem van binnenwateren en herinnert door zijn levenswijze meer aan een Worm dan een Visch; eerst door ontleding leert men hem als een Gewerveld dier kennen. De gangen, die hij evenals de Aardworm, in den grond boort, verlaat hij vrijwillig bijna nooit; alleen om een andere schuilplaats op te zoeken maakt hij gebruik van zijne vinnen. De Kieuwwormen houden zich gaarne op in bundels vlas, die in ’t water liggen en worden gemakkelijk verzameld, terwijl men de op deze wijze „gerote” stengels op de weide uitspreidt om te drogen. Van deze zoogenaamde „Vlasalen” wordt op sommige plaatsen een smakelijk gerecht bereid door ze, zonder den kop, met wijn, boter en citroensap te stoven. De mindere man versmaadt deze dieren, omdat zij zooveel op Wormen gelijken; de visscher gebruikt ze in den regel alleen als lokaas, omdat zij een buitengewoon taai leven hebben en zelfs na ernstige verwondingen nog dagen lang zich bewegen. Sinds lang werd de Kieuwworm door de dierkundigen beschouwd als een Visch, die veel op de Prikken gelijkt; eerst in 1856 heeft August Müller de nadere betrekking ontdekt, die tusschen deze beide wezens bestaat. Om de ontwikkeling van de eieren van den Zandprik na te gaan, welker bevruchting hij had waargenomen, plaatste hij de bevruchte eieren in een aquarium en zag er na verloop van 18 dagen vischjes uitkomen, die tot zijn groote verbazing van jonge Kieuwwormen in geen enkel opzicht verschilden; uit hunne verdere ontwikkeling bleek duidelijk, dat zij larven van den Zandprik zijn. Müller heeft de verschillende phasen van de ontwikkeling van den blinden Kieuwworm tot den geslachtsrijpen, grootoogigen Zandprik nagegaan. De gedaantewisseling der overige Negenoogen heeft op dezelfde wijze plaats. Uit alle eieren ontstaan in de eerste plaats Kieuwwormen, die in 3 of 4 jaar een lengte van 18 à 20 cM. bereiken en daarna in zeer korten tijd, in weinige dagen n.l., zich tot volkomen Visschen ontwikkelen. Het schijnt, dat de Negenoogen kort na den paaitijd sterven. Indien deze onderstelling juist is, zou bij de laagst ontwikkelde Gewervelde Dieren, evenals bij zoovele Ongewervelde, een kortstondig leven in geslachtsrijpen toestand op een langdurigen larvetoestand volgen.
Voor de vangst van Prikken (vooral Rivierprikken), die geregeld op onze rivieren bij Arnhem, Nijmegen en Tiel van October tot Maart plaats heeft, voor zoover de waterstand dit gedoogt, dienen meestal „korven” of „toten”. Deze zijn nagenoeg cilindervormig, van teenen gevlochten, hebben een lengte van 47 à 50 en een middellijn van 24 cM.; elke korf bevat 2 „kelen”. Een „keel” gelijkt op een korf zonder bodem van afgeknot kegelvormige gedaante; de wijdste rand past juist in de korf en is aan deze bevestigd; de nauwste rand is naar den bodem (den „kop”) van de korf gekeerd: die van de voorste „keel” heeft een middellijn van 10 à 11, die van de achterste van 7½ à 8 cM. Achter de laatste keel bevindt zich in den zijwand van de korf een opening, die gedurende de vangst met een „klep” gesloten is; hierdoor kan de gevangen Visch uit de korf geschud worden. Door tusschenkomst van een aan den „kop” vastgehechten „staart” zijn de korven aan het „weel”, een van teenen gedraaiden kabel bevestigd; het „weel” zit met het eene einde aan een in den rivieroever geslagen paal, met het andere aan een op den rivierbodem rustend anker vast. Het „weel” is met daaraan gehechte baksteenen, iedere korf met hierin geworpen grint zoodanig geballast, dat het geheele toestel in de nabijheid van den rivierbodem drijft; de korven hebben een min of meer horizontalen stand met stroomafwaarts gerichte opening. Door den kop van de korf gestuit, verandert de stroom van richting, verkrijgt een ronddraaiende beweging om de korf en zal, aan haar uiteinde gekomen, al draaiend in de kelen doordringen. De Prikken, die dicht bij de korven zwemmen, worden hierdoor medegesleept. Hier te lande worden deze Visschen gewoonlijk niet gegeten, maar als lokaas voor de Kabeljauwvangst gebruikt en daarom levend naar Vlaardingen gezonden, waar ook vele Prikken uit Engeland worden aangevoerd. Om voor de zeevisscherij geschikt te zijn moet de Prik (die in dit geval door onze visschers „Zeeprik” wordt genoemd) een zekere lengte hebben en „rond” (niet „plat”) zijn; exemplaren van behoorlijke grootte hebben een waarde van ongeveer 10 cent. Men verzendt ze ook wel eens naar Duitschland, waar zij als een lekkernij gezocht zijn en veel gevangen worden. Op plaatsen waar veel stroom gaat, bezigt men hiertoe veelal een soort van fuiken (van biezen gevlochten) met verscheidene „kelen” of „inken”, elders ook wel netten. De Prikken, die zich aan den bodem hebben vastgehecht, brengt men met speren of haken aan de oppervlakte. Deze vangst heeft vooral in de lente plaats, als de Zeeprikken de rivier opzwemmen. Rivierprikken worden echter ook in den herfst in menigte buit gemaakt, daar zij zich in dezen tijd naar zee begeven.
Wormen onder de Visschen zijn de naaste verwanten van de Lampreien, de Slijmprikken (Myxinidae), zij vormen een familie, die 2 geslachten met slechts 5 soorten omvat. Het dunnere staartgedeelte van hun rolrond lichaam is voorzien met een smallen huidzoom, waaraan geen scheiding in staartvin, rugvin en aarsvin valt waar te nemen. De weinig ontwikkelde lip van den zuigmond draagt grove, door kraakbeen gesteunde baarddraden; de tong heeft een gering aantal op twee kamvormige reeksen geplaatste tanden; het gehemelte, waaraan één tand voorkomt, wordt doorboord door een buis, die met de neusholte in gemeenschap staat. Rudimentaire, uitwendig niet zichtbare oogen liggen onder de huid en de spieren verborgen. De kieuwzakken staan ieder door een afzonderlijk buisje met den slokdarm in gemeenschap en ontvangen hun water door één enkele opening voor iedere reeks (Myxine) of ieder door een afzonderlijke opening (Bdellostoma).
Slijmprik (Myxine glutinosa). ⅗ v. d. ware grootte.
Linnaeus hield de meest bekende soort van deze familie, de Slijmprik of Blinde Prik (Myxine glutinosa), voor een Ingewandsworm, waarmede dit zonderlinge dier werkelijk naar het uitwendige meer overeenkomst vertoont dan met een Visch. De rondachtige mond draagt 8 baarddraden, de tong 2 reeksen ieder van 8 of 9 beenharde tandjes, het gehemelte één hollen, eenigszins gekromden, kraakbeenigen tand; de huid scheidt een overvloed van slijm af. De Slijmprik wordt ongeveer 40 cM. lang en heeft een moeielijk te omschrijven, blauwachtig witte kleur.
De Slijmprik bewoont op hooge breedten de zeeën van het noordelijk en zuidelijk halfrond en wordt o.a. aan de kusten van Groenland, Noorwegen, Zweden en Groot-Brittannië gevangen; hij komt echter ook in de Noordzee voor, maar werd aan onze kust nog niet gevonden. In den regel vertoeft hij op groote diepten en, naar het schijnt, bij voorkeur op slijkerigen grond. Parasitisch leeft hij op en in het lichaam van Visschen, borend dringt hij door in de spieren en ingewanden van Dorschen, Lengen, Heilbotten, Steuren en Neushaaien en laat er ten slotte alleen de huid en beenderen van over. Het gemis van oogen wordt ongetwijfeld vergoed door de voor ’t tasten dienende baarddraden; men onderstelt, dat hij hiermede zijn prooi opspoort, bij voorkeur een dier, dat in een net of aan een hoek gevangen werd. Door den bek, den aars of een door hem zelf geboord gat sluipt hij naar binnen. Tot voor korten tijd was de voortplanting der Slijmprikken zeer onvoldoende bekend, daar men nagenoeg uitsluitend wijfjes vond. De noordpoolreiziger Fridtjof Nansen heeft in 1887 aangetoond, dat deze dieren, zooals men reeds lang vermoedde, tweeslachtig (hermaphrodiet) zijn. De mannelijke geslachtsorganen zijn eerder rijp dan de vrouwelijke, zoodat zelfbevruchting niet kan plaats hebben. Zoodra de Slijmprik de lengte van 32 à 33 cM. heeft overschreden, verdwijnen de mannelijke organen allengs en ontwikkelen de vrouwelijke zich hoe langer hoe meer. De groote Slijmprikken zijn dus in werkelijkheid wijfjes, terwijl die, waarvan de lengte nog 33 cM. bedraagt, feitelijk mannetjes zijn. De hoornachtige schaal van de gele, betrekkelijk groote eieren draagt aan de beide einden aanhangsels, die op ankers met drie spitsen gelijken en uit verhard slijm bestaan. Hierdoor hechten zij zich aan allerlei voorwerpen vast.