Schildvisch (Echeneis remora). ⅖ v. d. ware grootte.
De werking van de zuigschijf komt overeen met die van het bekende zuigleertje. Na het neerleggen van de talrijke dwarsplooien wordt de nu effene vlakte stevig aangedrukt tegen die, waaraan zij zich moet hechten; door vervolgens de dwarsplooien weer op te richten, ontstaat er tusschen de beide vlakken een ledige ruimte en wordt hun uiteenwijken door de volle drukking van ’t water tegengewerkt.
Hoewel de bewegingen van deze Visschen plomp en onbehendig schijnen en uitsluitend op de werking van de staartvin berusten, is hun zwemvermogen niet onbeduidend. Soms ziet men ze naast of vóór den Haai zwemmen, of, wanneer zij aan schepen gehecht waren, betrekkelijk snel en behendig er om heen dartelen. Niet licht zal men hen met andere Visschen verwarren, want ook gedurende het zwemmen zien zij er uit, alsof hun buik naar boven gericht is. Als de scheepskok het spoelwater overboord werpt, verlaten zij bij dozijnen de wanden van het schip, waaraan zij vastgehecht waren en kronkelen zich zoo vlug als Alen door de golven om zich van de op het water drijvende vetdrupjes meester te maken. Soms gelukt het, hen met een stuk spek aan een hoek van hunne rustplaatsen weg te lokken en te vangen. Hun krachtig gebit wijst op een roofzuchtigen aard; Bennett vond in hun maag niets anders dan Schaaldieren en kleine Mossels; uit Van Beneden’s onderzoekingen is echter gebleken, dat zij (althans af en toe) ook Visschen vangen. Nadat zij er een hebben buit gemaakt, keeren zij naar hun oude rustplaats terug en zitten een oogenblik later weer even vast als vroeger. Wanneer de Haai, waaraan zij vastgehecht zijn, gevangen wordt, blijven zij gewoonlijk slechts zoo lang op hun plaats, als deze nog onder water ligt, laten den Visch los, als deze opgeheschen wordt, en hechten zich aan het schip.
De meeste reizigers laten zich door het onaanzienlijke voorkomen der Zuigvisschen weerhouden om deze dieren voor de tafel te laten toebereiden. Zij die dit vooroordeel trotseerden, noemen den smaak van dezen Visch volstrekt niet slecht; sommige zeelieden roemen hem zeer.
De kenmerken van de Pietervisschen (Trachinidae), waarvan men ongeveer 100 soorten beschreven heeft, zijn: een mes- of trechtervormig lichaam, welks voorste gedeelte, dat de lichaamsholte bevat, zeer kort is in verhouding tot den ontzaglijk grooten staart, een ineengeschoven, uitpuilenden kop met scheef naar boven gerichten mond en hoog geplaatste oogen, fluweelachtige tanden aan beide kaken en aan het gehemelte, twee rugvinnen, waarvan de eerste door de tweede als ’t ware naar voren gedrongen is en soms geheel ontbreekt, de buikvinnen gewoonlijk vóór de borstvinnen aangehecht, de tweede rugvin en de aarsvin in verband met de lengte van den staart buitengewoon groot.
Alle leden van deze familie bewonen den bodem der zee, bij voorkeur vlakke, zandige plaatsen, niet zelden zulke, die bij laag water tijdelijk droog vallen; hier loeren zij, tot aan den kop onder ’t zand bedolven, op dieren, die zwemmend of kruipend binnen hun bereik komen. Voor deze wijze van jagen zijn zij door den eigenaardigen stand van de oogen uitmuntend geschikt. Bij ’t verschijnen van den buit, die misschien aangelokt wordt door de beweging van de vinnen of van andere aanhangselen, schieten zij plotseling uit hun hinderlaag in ’t zand omhoog en op het slachtoffer toe, dat bijna nooit tevergeefs belaagd wordt. Van de voortplanting dezer Visschen is weinig of niets bekend. Ondanks hun smakelijk vleesch worden zij door de visschers gehaat en gevreesd wegens hunne wapens; de stekels van de eerste rugvin kunnen zulke pijnlijke wonden toebrengen, dat deze organen sedert overouden tijd als vergiftig worden beschouwd.
De Sterrenkijkers (Uranoscopus) vallen zeer in ’t oog door hun grooten, dikken, wanstaltigen kop en den trechtervormigen, ronden romp. De kop is even breed als lang, hard en ruw, als ’t ware gepantserd, de mondspleet loodrecht naar boven gericht. De borstvinnen onderscheiden zich door haar grootte. Aan den schouder staat een dikke, gewoonlijk gekerfde stekel. Er zijn soorten bekend uit den Atlantischen Oceaan, de Stille Zuidzee en den Indischen Oceaan benevens een soort uit de Middellandsche Zee. De laatstgenoemde, die aan het geheele geslacht den naam gegeven heeft (Uranoscopus scaber), bereikt een lengte van 30 cM., heeft twee rugvinnen en een ringvormig uitsteeksel vóór de tong, dat als middel tot het lokken van Visschen dient. Op den donkeren, grijsbruinen grond, fijn wit gestippeld, alsof er meel op is gestrooid, merkt men aan de zijden een reeks van onregelmatige, witte vlekken op; de buik is wit, de eerste rugvin donkerzwart, de tweede grijsbruin gevlekt; de buikvinnen zijn grijsgeel.
Men vangt dezen op modderige gronden verblijfhoudenden Visch gedurende het geheele jaar; zijn onaangenaam riekend vleesch wordt echter alleen door arme lieden gegeten.
*
In de Noordzee wordt de familie vertegenwoordigd door de Pietermannen (Trachinus). Hun mesvormig lichaam is in verhouding tot de lengte, zijdelings zeer sterk samengedrukt; de oogen zijn op den kop dicht bijeengelegen; de kieuwdeksels dragen stekels, die echter minder te vreezen zijn dan de stralen van de eerste rugvin, waaraan men zich zoo gevoelig kan kwetsen, dat volgens een indertijd in Frankrijk geldig voorschrift alleen Pietermannen met afgesneden rugvin op de markt gebracht mochten worden.
1) Sterrenkijker (Uranoscopus scaber), 2) Pieterman (Trachinus draco). ⅓ v. d. ware grootte.
In de Europeesche zeeën leven 4 zeer nauw verwante, maar door standvastige kenmerken van elkander verschillende soorten, waarvan 2—de Pieterman (Trachinus draco) en de Kleine Pieterman (Trachinus vipera)—ook in het noorden gevonden worden. Bij den eerstgenoemden (ook Pietervisch, Groote Pieterman en, evenals de andere soort, Steekvisch en Stekeltje genoemd) is het lichaam (zonder de staartvin) 6 maal zoo lang als hoog; de buik wordt begrensd door een flauw buitenwaarts gekromde, de rug door een bijna rechte lijn. Wat fraaiheid van kleur betreft, kan de Pieterman met vele andere Visschen wedijveren. Zijn grootendeels roodachtig grijze kleur gaat naar de rugzijde allengs in bruin, naar den buik in wit over en is overal met zwartachtige wolkjes gemarmerd; hierbij komen in de oogstreek, op de slapen, kieuwdeksels en schouders nog gekromde strepen van hemelsblauwe kleur, op de zijden en den buik geelachtige strepen. Deze Visch kan ruim 30 cM. lang worden.
De Kleine Pieterman verschilt van den Grooten door den platteren kop en den meer afgeronden buik; bovendien is de eerste rugvin verder van de tweede verwijderd. De roodachtig grijze kleur van den rug gaat op de zijden en aan den buik in zilverwit over; de rug is bruin gevlekt, de eerste rugvin zwart, de tweede, evenals de staartvin, zwart gezoomd. Lengte 12 à 15 cM.
De Pieterman, die op vlakke, zandige plaatsen van den Atlantischen Oceaan, de Middellandsche Zee, de Noordzee en de Oostzee gevonden wordt, geeft aan diep water de voorkeur boven ondiep; evenals zijn kleinere verwant, leeft hij op, of liever in den bodem, tot aan de oogen in het zand bedolven. Tegen Juni komt hij dichter bij het vlakke strand om kuit te schieten en wordt dan bij eb ook op droog loopende plaatsen gevonden. Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uit Garnalen, misschien ook uit kleine Visschen, die hij in zijn onmiddellijke nabijheid laat komen, voordat hij uit het zand te voorschijn komt. Dit geschiedt met verrassende snelheid; het blijkt dan, dat deze zoo traag schijnende Visch zich uitmuntend kan bewegen. Niet minder vlug en behendig kruipt hij na het vangen van zijn prooi weder onder het zand.
„De Pieterman,” schrijft Schlegel, „behoort in ons land onder de gewone Visschen, die langs onze kust, vooral in het voor- en najaar, echter ook in de zomermaanden, wanneer de wijfjes met rijpe kuit zijn, algemeen, ofschoon niet in zeer groot aantal gevangen wordt. Zijn vleesch is goed, maar wordt niet bijzonder geacht. De Pieterman wordt door elken visscher en kustbewoner gevreesd, uithoofde der hoogst smartelijke en ernstige wonden, die hij toebrengt, wanneer men hem aanraakt. Daar hij een taai leven heeft, zoo blijft hem, zelfs nadat hij uit het water op het strand gebracht is, nog uren lang de kracht, om aan de hand, die hem aanraakt, hetzij met den doorn van het kieuwdeksel, hetzij met dien der harde rugvin, een steek toe te brengen, die hevige pijnen en dikwijls het stijf worden van het gewonde deel ten gevolge heeft2, zooals dit uit vele voorbeelden in onze kustdorpen blijkt. De oorzaak van de noodlottige gevolgen dezer steken is moeielijk te begrijpen, vermits voornoemde stekels geheel glad, niet doorboord zijn, en er ook geen werktuig tot afscheiding van vergif aanwezig is, hetzij dan dat men aanneme, dat het slijm van den Visch in de verscheuring, die door de met geweld toegebrachte wonde ontstaat, zoodanige uitwerkselen teweegbrengt.”
„De Kleine Pieterman houdt zich veel op geringen afstand van het strand op zandbanken op, en wordt bij het visschen langs de kust, met een door een paard getrokken net, met Garnalen en kleinen visch aan het strand gebracht. Haar steek wordt evenzeer gevreesd als die van de groote soort.”
In de Oostzee vangt men de Pietermannen van Augustus tot October in haringnetten, in de Noordzee gedurende het geheele jaar; deze Visch wordt echter zelden op de markt gebracht, omdat er hier geen loonende prijzen voor te bedingen zijn.
Tot de leelijkste en wanstaltigste leden van de geheele klasse behooren de Duivelvisschen (Pediculati). Het belangrijkste kenmerk van deze familie, die slechts een twaalftal soorten omvat, is gelegen in de verlengde handbeenderen van de borstvinnen, die een soort van poot vormen en ook werkelijk tot steun dienen; hierdoor zijn deze Visschen in staat om op de wijze der Zoogdieren zich over een slijkerigen bodem kruipend voort te bewegen. Voorzoover zij aanwezig is, bestaat de voorste rugvin gewoonlijk uit niet door een vinvlies vereenigde stralen; de buikvinnen zijn keelstandig. Zonderlinge aanhangselen, dienende tot het lokken van andere Visschen, bevinden zich aan den meestal kolossaal verbreeden kop; de kieuwdeksels laten voor den afvoer van het ademhalingswater slechts een kleine spleet of een ronde opening onder de borstvinnen vrij; de huid is in den regel ongeschubd, bij enkele geslachten evenwel bezet met beenige knobbels of doornen, die op een breede basis rusten. De bek is buitengewoon groot.
In de noordelijke zeeën leven slechts weinige soorten van deze vooral in de tropische gewesten vertegenwoordigde familie. Eigenlijk heeft men van niet meer dan één soort de levenswijze kunnen nagaan; wat hiervan aan ’t licht gekomen is, leert, dat het leven van deze Visschen overeenstemt met hun gestalte, d. w. z. even vreemdsoortig en eigenaardig is als deze.
Bij het geslacht der Zeeduivels (Lophius) is de kop buitengewoon groot, breed, van boven naar onderen samengedrukt en stekelig, de bek zeer ver gespleten en met vele spitse, binnenwaarts gebogen tanden gewapend, die over de tusschen- en onderkaaksbeenderen, de gehemelte- en ploegschaarbeenderen verdeeld zijn. De eerste rugvin bevat slechts drie onderling vereenigde stralen; hierbij behooren echter ook nog verscheidene verder naar voren geplaatste draden, ieder door een echt gewricht met haar steunbeen verbonden en willekeurig beweeglijk. De borstvinnen zijn ver achter de buikvinnen aangehecht. Het kieuwdekselvlies begrenst een groote, zakvormige kieuwholte, die van achteren onder den steel der borstvinnen een kleine opening heeft. Wegens de geringe grootte van de kieuwspleet kunnen deze dieren geruimen tijd buiten het water verkeeren. Rondelet verhaalt, dat een Zeeduivel, die, boven water liggend, een jongen Vos gegrepen had en dezen tot den volgenden dag vasthield, in ’t geheel 2 dagen in dezen toestand bleef leven. De romp begint onmiddellijk achter den kop dunner te worden en is bij het staarteinde sterk zijdelings samengedrukt.
De Zeeduivel (Lophius piscatorius) draagt allerlei aan zijn zonderlingen vorm ontleende namen. De Grieken der oudheid noemden hem Kikvorsch, de Romeinen Zeekikvorsch; bij de Engelschen heet hij Visschende Kikker, Hengelaar en Wijdmuil; aan de Hollandsche kust is hij veelal onder den naam van Hozenmond of Hozenbek bekend. De bovenzijde van den kop is uitgehold en aan weerszijden voorzien van een lijst, vanwaar, zoowel achter de oogen als bij de neusgaten, puntige knobbels uitsteken. Op het midden bevinden zich drie lange, vrije stralen: één aan het achterste deel van den kop, de twee andere dichter bij elkander en bij den rand van de bovenkaak; de voorste van deze loopt in een zacht, gevorkt vlies uit. De oogen zijn groot en hoog geplaatst. De huid is glad en ongeschubd; langs de zijden van het geheele lichaam en ook langs den rand der onderkaak komen een menigte op één rij geplaatste, franjeachtige uitsteeksels voor. De effen bruine kleur van de bovenzijde neemt slechts op de vinnen een eenigszins donkerder tint aan; de onderzijde, met inbegrip van de buikvinnen en de benedenvlakte van de borstvinnen, is wit, de staartvin donkerbruin, bijna zwart. Dit dier kan bijna 2 M. lang worden; zulke groote exemplaren zijn echter zelden gevangen.
De Zeeduivel komt in alle Europeesche zeeën voor, bijzonder veelvuldig echter in de Middellandsche Zee en den Atlantischen Oceaan; ook aan de kusten van Groot-Brittannië is hij niet zeldzaam; aan onze kust worden ieder jaar, vooral in het voorjaar, enkele exemplaren van deze soort in de Buitenlek3 gevangen. Bovendien heeft men dezen Visch aan de Kaap de Goede Hoop en aan de westkust van Noord-Amerika waargenomen. Hij ligt op den slijkerigen bodem der zee, heeft zich hier met behulp van de borstvinnen onder den grond gewoeld en loert te midden van het troebele water op buit. Zoodra deze zich vertoont, beweegt hij de vrije stralen van den bovenkop met hunne aanhangselen in verschillende richtingen, lokt hiermede het slachtoffer naderbij, grijpt het na een vluggen sprong en begraaft het in zijn wijden muil, onverschillig tot welke soort het behoort en hoe groot het is. Zelfs wanneer hij zich reeds in het net bevindt, toont deze veelvraat zijn onverzadelijken honger, door een aantal van zijne lotgenooten, vooral Bot, te verzwelgen. Hoewel de visschers hem overigens gaarne het leven schenken, omdat zijn vleesch niet bruikbaar is en hij als een verdelger van den Hondshaai wordt beschouwd,—na zulk een roof vindt hij geen genade; men snijdt hem open en haalt hem de Visschen uit de maag. In de kuststreken van de Middellandsche Zee wordt deze Visch soms door arme lieden gegeten.
Hoewel de Zeeduivel vele eieren legt en deze met een hard hulsel voorzien zijn, vermenigvuldigt hij zich niet sterk, daar andere Visschen zijne tot klompen vereenigde eieren verslinden. Volgens Spencer F. Baird vindt men zijn kuit dikwijls als een slijmerige massa, die een oppervlakte van 6 à 10 M2 bedekt, aan den waterspiegel.
*
1) Zeeduivel (Lophius piscatorius), 2) Barracoeda (Sphyraena vulgaris). 1⁄12 v. d. ware grootte.
De Vleermuisvisschen (Malthe) verschillen van de Zeeduivels vooral door hunne ver vooruitstekende, als ’t ware een slurf vormende neusbeenderen, waartusschen in een holte een terugtrekbare tastdraad ligt, voorts door het ontbreken van de eerste rugvin, door de harde, met knobbels bedekte huid en de meer bovenwaartsche plaatsing van de kleine, ronde kieuwopening.
Bij de Zeevleermuis (Malthe vespertilio) is de mondspleet betrekkelijk klein, de steel van de borstvinnen echter langer dan bij de Zeeduivels; boven ieder neusgat bevindt zich een hoornachtig knobbeltje. De bovenzijde is fraai lichtgrijsbruin, de onderzijde helderrood. Men vindt dezen 25 à 50 cM. langen Visch tusschen de keerkringen, bij de Atlantische kusten van Amerika, vooral op slijkbanken bij riviermonden, waar hij, met behulp van de parige vinnen over den modder en de wieren kruipend, zijn prooi vervolgt.
De Scorpioenvisschen (Cottidae) hebben, evenals de leden der volgende familie, groote onderoogkasbeenderen, die zich achterwaarts met het voordekselbeen vereenigen en de wangen met een schild bedekken. De buikvinnen zijn aan of vóór de borst geplaatst. Het stekelige deel van de rugvin is minder ontwikkeld dan het geleedstralige; de betrekkelijk groote aarsvin wordt uitsluitend door gelede stralen gesteund. De huid is naakt of met uiterst kleine schubben bekleed.
Een van boven naar onderen samengedrukte, breede kop, een gedrongen romp, een naakte of zeer weinig geschubde huid, rugvinnen, die door een geringe tusschenruimte gescheiden zijn en borststandige buikvinnen, benevens fluweelachtige tanden aan de kaken en het ploegschaarbeen kenmerken het geslacht der Donderpadden (Cottus).
Zeevleermuis (Malthe vespertilio). ¼ v. d. ware grootte.
In onze binnenwateren wordt het vertegenwoordigd door de 12 à 14 cM. lange Rivierdonderpad (Cottus gobio), die tamelijk algemeen is op plaatsen, waar helder water snel over steenachtigen zandgrond stroomt. Zij is grijsachtig van kleur met bruine stippels en wolkjes, die niet zelden tot dwarsbanden ineenvloeien en soms ook nog op de witachtige buikzijde zichtbaar zijn. De vinnen zijn, met uitzondering van de meestal ongevlekte buikvinnen, op de stralen bruin gestreept. Afwijkingen van deze kleur komen echter veel voor; zij staan in verband met de landstreek, den bodem van het water en den gemoedstoestand van den Visch. Als wapens heeft hij aan den hoek van het voorkieuwdeksel een kleinen, opwaarts gekromden en aan het onderdeksel een nog kleineren, neerwaarts gekromden doorn.
De Rivierdonderpad bewoont alle zoete wateren van Middel- en Noord-Europa en komt, behalve in enkele beken, bijna overal talrijk voor; in bergstreken vindt men haar tot op een hoogte van meer dan 1000 M. zelfs nog in meren, die bijna 2000 M. boven de oppervlakte der zee gelegen zijn, b.v. in het Lunermeer in Tirol, dat uitsluitend door deze Vischsoort bewoond wordt. In zuidelijker en zuidoostelijker gewesten wordt zij door verwante soorten en variëteiten vervangen. Zooals reeds gezegd is, geeft zij de voorkeur aan helder water en een met steenen bedekten zandgrond, daar zij zich gaarne onder steenen ophoudt; ter wille van de hier voorkomende steenen bewoont zij zelfs zeer kleine, weinig water bevattende beekjes. Hare bewegingen zijn buitengewoon vlug. In vraatzucht doet zij voor geen enkelen anderen Visch onder, want, ofschoon zij zich bij voorkeur met Insecten, vooral met larven van Waterjuffers voedt, verschoont zij geen Visch, dien zij meent te kunnen bemachtigen, zelfs haar eigen kroost niet. De forellenkweekers haten haar zeer, daar zij als een zeer schadelijken vijand van de kuit dezer Visschen wordt beschouwd.
Haar voortplanting verschilt van die der meeste andere Visschen, doordat het mannetje voor zijn kroost zorgt. Reeds Linnaeus bericht, dat de Rivierdonderpad een nest bouwt en eerder zijn leven waagt dan de eieren in dit nest aan gevaren blootgesteld te laten. In Maart of April schiet het wijfje kuit onder steenen of in een bepaaldelijk voor dit doel uitgekozen gat; van nu af houdt het mannetje bij de eieren de wacht. Van ervaren visschers aan den Traun vernamen Heckel en Kner hierover het volgende: „In den voortplantingstijd kruipt het mannetje in een gat tusschen de steenen en verdedigt dezen schuilhoek hardnekkig tegen ieder, die er bezit van wil nemen; soms geeft dit aanleiding tot een langdurigen strijd, waarbij niet zelden een van de strijders het leven verliest. Gedurende den kamptijd worden, naar men zegt, dikwijls Donderpadden gevangen, die den kop van hun tegenpartij in den bek houden, zonder hem te kunnen verzwelgen. Jegens het wijfje is het mannetje zeer voorkomend; zij wordt zonder eenig bezwaar in het hol toegelaten, laat hierin haar kuit achter en gaat daarna haars weegs. Van nu af neemt het mannetje de plaats van de moeder in, beschermt 4 of 5 weken achtereen de eieren en verwijdert zich van de broedplaats alleen om het noodige voedsel te zoeken. Even bewonderenswaardig als zijn volharding, is zijn moed. Hij bijt in het takje of den stok, waarmede men hem wil verjagen, wijkt alleen in den uitersten nood en blijft letterlijk tot den dood aan zijn plicht getrouw.”
Deze vischjes dienen in vele landen als aas bij het vangen van Alen, die op dit voedsel zeer verzot zijn. Hun vleesch is smakelijk; bij het koken verkrijgt het een roodachtige kleur. Toch worden zij voor dit doel niet veel gevangen wegens hun kleinheid en slechts daar, waar zij in menigte voorkomen, door arme lieden gegeten.
De Zeedonderpad, door de visschers eenvoudig Donderpadde genoemd (Cottus scorpius), is een leelijke Visch van 15 à 25 cM. lengte; haar kleur is roodachtig bruin met donkerder vlekken en wordt naar onderen lichter. Veelvuldig ontmoet men haar in den Atlantischen Oceaan en de Noordelijke IJszee met alle hiermede in gemeenschap staande zeeën, van de Golf van Biscaye tot aan Lapland, in de Oostzee bijna even overvloedig als in de Noordzee. Aan onze kust behoort zij onder de gewone soorten. Wanneer men haar aanraakt, maakt zij een knorrend geluid. Men vangt haar nooit in groote hoeveelheid. Daar zij niet gegeten wordt, is zij voor de visscherij van geen belang.
Deze Donderpad houdt bij voorkeur verblijf op steenachtigen grond, dikwijls op aanzienlijke diepte, doch ook niet zelden op geringen afstand van den waterspiegel; loerend op buit, ligt zij onbeweeglijk op een steen, soms er onder, doch met den rug er tegen aan gedrukt. Ieder voor prooi geschikt dier, dat haar schuilplaats nadert, lokt haar naar buiten; vlug bewegen zich de kolossale vinnen, die haar evenwel geen bijzonder groote snelheid verschaffen; toch wordt het slachtoffer behendig gegrepen en, al is het bijna even groot als zijn roover, in diens buitengewoon grooten muil geborgen. De Donderpad is verbazend vraatzuchtig, verzwelgt letterlijk al wat eetbaar is, behalve Visschen, Kreeften en Krabben, Wormen, enz., ook allerlei afval van de schepen. De meeste Donderpadden schieten kuit in de warmste maanden van ’t jaar; sommige doen dit eerst laat in den herfst en zelfs nog in November. De groote scholen, die in den rijtijd alle voor ’t eierenleggen geschikte kustwateren bevolken, keeren later naar diepere zeebodems terug.
Rivierdonderpad (Cottus gobio). Ware grootte.
Op dezelfde plaatsen als de vorige soort vindt men soms ook de Vierstekelige Zeedonderpad (Cottus bubalis). Van den Ende zag er een, die waarschijnlijk uit de Zuiderzee afkomstig was, op de vischmarkt te Zutphen. Zij heeft aan het voordeksel 4 doornen (in plaats van 2).
*
De Zeehanen (Trigla), die in een tweede geslacht vereenigd worden, zijn kleine, hoogstens middelmatig groote, forsch gebouwde Visschen met betrekkelijk zeer grooten, bijna vierzijdigen, in een oneffen pantser gehulden kop, twee gescheiden rugvinnen, drie vrije, gelede stralen vóór de groote borstvinnen, fluweelachtige tanden aan de kaken en aan het ploegschaarbeen. Van dit over alle warme en gematigde zeeën verbreide geslacht zijn ongeveer 40 soorten bekend. Sinds lang hebben zij de aandacht getrokken door het zonderlinge, knorrende geluid, dat men van hen hoort, zoodra zij boven water zijn gebracht, en dat door het tegen elkander wrijven van de kieuwdekselbeenderen veroorzaakt wordt. Naar men zegt, verspreiden enkele soorten een phosphoresceerend licht.
In de Noordzee leeft de Groote Poon, die ook wel Groote Zeehaan, Knorhaan, Spoon, Roode Poon, Laurenskop en Hofdiender heet; door onze visschers en op de vischmarkten wordt hij bijna altijd Rozet of Rozette genoemd (Trigla hirundo). Hij bereikt een lengte van 50 à 60 cM. en is dus de grootste Europeesche soort van zijn geslacht. De rug is roodachtig grijs of bruinachtig, de buik licht rozerood of witachtig; het bovenste gedeelte van de eerste rugvin en de staartvin zijn rood, de buikvinnen en de aarsvinnen wit; de borstvinnen zijn aan de onderzijde zwartblauw met blauwe randen; haar vinvlies is ook aan de buitenzijde zwartblauw; de blauwe tinten zijn echter bij sommige exemplaren flauw en onduidelijk.
Nauw verwant aan de vorige soort, doch niet meer dan ongeveer half zoo groot, is de Kleine Poon, Kleine Zeehaan, Knorhaan, Spoon of Grauwe Zeehaan (Trigla gurnardus); hij heeft aan de bovenzijde op bruinachtig grijzen grond witte stippels, is op de wangen als met sterretjes geteekend, aan de onderzijde zilverwit, heeft de zijdestreep bezet met breede schubben, welker scherpe spitsen gezamenlijk op de tanden van een zaag gelijken, en een in twee lappen verdeelde zwemblaas. Bij den Grooten Poon zijn de schubben van de zijdestreep smal en is de zwemblaas drielappig. De schubben van de overige lichaamsdeelen zijn bij alle Poonen uiterst klein.
Beide Poonen bewonen de Middellandsche Zee, den Atlantischen Oceaan, de Noordzee en de Oostzee. In het Kanaal en langs de kusten van Engeland, België en Nederland ontmoet men ze veel, niet zelden ook bij Helgoland, de kusten van Oost-Friesland, Oldenburg en Holstein, ook aan die van Denemarken en Noorwegen tot de Lofoden, zeldzamer op zandige gedeelten van de kust der zuidelijke Oostzee. „De Groote Poon wordt langs onze kust op de banken, zoowel in de Binnen- als Buitenlek in menigte gevischt; de jongen worden zelfs dicht langs het strand met de saaien gevangen. In Mei en Juni zijn de wijfjes met rijpe kuit. Het vleesch wordt in onze steden niet buitengewoon geacht; men eet het gekookt. De visschers en de bewoners der zeedorpen eten het ook veel gerookt en houden de kuit en de lever voor even smakelijk als het vleesch.” „De Kleine Poon wordt aan onze kust menigvuldig in de Binnenlek gevangen. Als voedsel wordt hij minder geschat dan de Groote Poon” (Schlegel). Beide Poonen leven bij voorkeur in de diepte, liefst op zandgrond; hun gewone buit bestaat uit Schaaldieren; zij eten echter ook Mossels en andere Weekdieren en maken bovendien op Kwallen jacht. Op zeer sierlijke, maar niet bijzonder snelle wijze zwemmend, worden de groote borstvinnen, als vleugels, afwisselend ontplooid en samengevouwen. Bij hunne nachtelijke omzwervingen op ondiepe plaatsen stralen zij, naar men zegt, licht uit „als fonkelende sterren”, zoodat er lichtstrepen ontstaan, die zich ver door het water uitstrekken, nu eens langs de oppervlakte dan weer in benedenwaartsche richting. Veel opmerkelijker en ongewoner dan hun zwemkunst is echter hun kruipen over den grond. Hiervoor dienen de vrije stralen vóór de borstvinnen; men kan ze, wat verrichting betreft, geheel als pooten beschouwen; ze zijn werkelijk voor ’t loopen geschikt.
Jonge Zeehanen van 8 à 10 cM. lengte, die reeds in alle opzichten op de oude gelijken, zijn in November te vinden.
Groote Poon (Trigla hirundo). ⅕ v. d. ware grootte.
In de Noordzee vangt men de meeste Poonen vroeg in het voorjaar en in het begin van den zomer hetzij in de schrobnetten op de Buitenlek, of dichter bij de kust in de saaien (een soort van schrobnetten met zeer kleine mazen, welke vooral voor de garnalenvangst dienen en die door paarden langs het strand getrokken of door een boot, die zeil voert en iets dieper in zee vischt, gesleept worden). In Italië worden de Poonen meestal met den hengel gevischt, doch soms ook, terwijl zij in de bovenste waterlaag rondzwemmen, met het geweer geschoten. Deze hoogst zonderlinge jacht heeft plaats bij stil weder; de Poonen steken dan telkens den kop boven water, maken een knorrend geluid, dat, naar men zegt, tot op grooten afstand gehoord wordt, en laten zich vervolgens weer tot een diepte van ½ M. zakken. Hierdoor is men in de gelegenheid om met weinig moeite in korten tijd een groot aantal van deze Visschen te schieten.
Bij de Pantservisschen of Schildwangigen (Cataphracti) is het geheele lichaam gepantserd, niet alleen de kop, gelijk bij de vorige familie. Overlangsche reeksen van beenplaten, die meestal van een uitstekende lijst of kiel voorzien zijn, strekken zich van den kop tot de staart uit; soms sluiten de randen der platen zoo volkomen aaneen, dat de romp er geheel mede bedekt is.
In de noordelijke zeeën van den gematigden en in den kouden aardgordel ontmoet men het 10 soorten omvattende geslacht der Harnasmannen (Aspidophorus), welker langwerpig lichaam met overlangsche reeksen van groote, beenige schilden gepantserd en hierdoor veelkantig is. Het heeft de grootste hoogte en breedte aan den kop; deze is van boven met verscheidene spitse uitsteeksels voorzien, van onderen afgeplat, aan den snuit met bovenwaarts gebogen doornen gewapend. Er zijn tandjes aan de kaken, maar niet aan het gehemelte.
Aan de kusten van Engeland, van de Noordzee en de Oostzee, van IJsland en Groenland ontmoet men veelvuldig het 15 cM. lange Harnasmannetje (Aspidophorus cataphractus), langs onze kusten het best bekend als Oude Grootje of Oudewijfskaak, soms ook Geharnaste Zeedonderpad genoemd. Het voedt zich met kleine Schaaldieren. Vooral in het voorjaar en in den zomer wordt deze Visch in de Binnenlek met den Kleinen Pieterman en andere kleine waterdieren gevangen, doch meestal weer in zee geworpen; het is de moeite niet waard ze te eten, daar er te weinig voedsel aan zit. De huidbeenderen, die op 8 rijen zijn geplaatst, hebben in ’t midden een hoogen kiel, waardoor het lichaam achtkantig schijnt. Alle vinstralen zijn onvertakt. De bovendeelen zijn bruin met vier breede, donkerbruine, overlangsche strepen, de beide lichtbruine rugvinnen zijn donkerbruin gevlekt, de groote borstvinnen bruin gestreept; de onderdeelen zijn deels lichtbruin, deels witachtig. Het kuitschieten heeft plaats in Mei en Juni.
*
De Pantservisschen i. e. z. (Peristethus) kenmerken zich, behalve door hun volledig pantser, door de sterke verlenging van de vooroogkasbeenderen, die aan weerszijden van den kop een recht naar voren gericht uitsteeksel vormen, zoodat de kop als ’t ware in een tweetandigen „vork” uitloopt; aan de onderkaak komen baarddraden voor; de bek is tandeloos.
Een vertegenwoordiger van dit geslacht wordt in Marseille en Genua Malarmat genoemd (Peristethus cataphractum); ondanks dezen naam mag men hem wel den best gepantserden van alle Visschen der Europeesche zeeën noemen. Het lichaam is langwerpig, op de dwarse doorsnede bijna regelmatig achthoekig. De bovenkaak steekt over de onderkaak uit; onder dit vorkvormig uitsteeksel is de halfcirkelvormige mondopening gelegen; van de onderkaak hangen verscheidene baarddraden naar beneden; één van deze is als ’t ware een stam, waaruit takken voortkomen. De pantserplaten zijn op 8 reeksen geplaatst, die zich tot 8 kamvormige kielen verheffen. De prachtig roode kleur van den rug gaat op de zijden in goudgeel, op den buik in zilverwit over; de borstvinnen zijn rood, de rugvinnen bruinachtig violet, de aars- en buikvinnen wit. Lengte ongeveer 30 cM.
In sommige gedeelten van de Middellandsche Zee is de Malarmat niet zeldzaam; geregeld komt hij voor aan de kusten van Provence en van Zuid-Italië; ook ontmoet men hem in de Adriatische Zee en langs de Atlantische kusten van Zuid-Europa; soms dwaalt hij noordwaarts af en bezoekt zelfs Engeland. Deze vreemdsoortige Visch houdt zich steeds in de diepte op en nadert de kust alleen om kuit te schieten, hetwelk in ’t begin van de lente geschiedt. Men ziet hem niet als zijne verwanten bij scholen, maar steeds eenzaam zwemmen; zijn snelheid is soms zoo groot, dat hij, op een rots stootend, den vorkvormigen snuit breekt. Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uit naakte Weekdieren en Kwallen.
Gedurende het geheele jaar vangt men dezen pantservisch aan de Spaansche en Provençaalsche kust, waar zijn uitmuntend vleesch zeer op prijs gesteld wordt. Daar het pantser aan ieder keukenmes weerstand biedt, moeten de ingewanden door de mondopening verwijderd worden. In kokend water of door verhitting in een pan geraken de schubben los.
*
De Vliegende Zeehanen (Dactylopterus) worden gewoonlijk Vliegende Visschen genoemd, evenals eenige leden van de familie der Makreelsnoekvisschen. Zij kenmerken zich door de merkwaardige sterke ontwikkeling der borstvinnen, welker stralen weinig korter zijn dan het lichaam. De vrije stralen, die men bij de leden van het vorige geslacht en van de vorige familie vóór de eigenlijke borstvinnen opmerkt, zijn hier door een afzonderlijk vinvlies vereenigd en vormen als ’t ware een kleinen waaier vóór den grooten, waarmede het dier eenigen tijd in de lucht kan blijven zweven. Beide rugvinnen zijn klein; vóór de eerste staan eenige niet door een vinvlies vereenigde stekels. Het kieuwdeksel is ongedoornd; zoowel het schouderblad als het voordeksel is met een langen, achterwaarts gerichten doorn gewapend. Het gehemelte is tandeloos, de kaken zijn met kleine, knobbelige tandjes voorzien.
De meest bekende soort, de Gewone Vliegende Zeehaan (Dactylopterus volitans), bewoont de Middellandsche Zee en den Atlantischen Oceaan, zoowel in de gematigde als in de tropische zone. De rug is fraai lichtbruin, donker gemarmerd en gevlekt; de zijden van den kop zijn lichtrood met zilverkleurigen weerschijn, de onderdeelen rozerood; de groote borstvinnen hebben op donkeren grond blauwe vlekken, strepen en banden, de rugvinnen op grijzen grond bruine, wolkachtige vlekken, de staartvin is roodbruin en met reeksen van vlekken geteekend. Bij zeer groote exemplaren van 50 cM. lengte bedraagt de afstand tusschen de spitsen der zijwaarts gerichte borstvinnen 60 cM.
Deze Visschen voeden zich met kleine Schaaldieren en Weekdieren.
Andere soorten van ’t zelfde geslacht komen voor in den Indischen Oceaan, van Mauritius tot de Soenda-eilanden, en in de Stille Zuidzee, langs de kusten van China en Japan.
Gedurende een reis over de Middellandsche Zee ziet men soms een talrijken zwerm van Vliegende Zeehanen plotseling tot een hoogte van 4 of 5 M. boven het water opstijgen, met eigenaardige, gonzende slagen van de groote borstvinnen zeer snel door de lucht schieten en na het afleggen van een 100 à 120 M. langen weg weer in de zee verdwijnen. Niet zelden herhaalt zich dit schouwspel verscheidene malen achtereen; terwijl de eene zwerm nog zwevende is, begint reeds een tweede op dezelfde wijze de lucht te doorklieven en deze is nog niet in ’t water teruggekeerd, wanneer een derde en een vierde zwerm het water verlaten. Als dit omhoogstijgen in een bepaalde richting geschiedt mag men het er voor houden, dat de Vliegende Zeehanen door roofvisschen vervolgd worden en vliegend, of liever springend, boven de golven aan hunne vijanden trachten te ontkomen. Dikwijls echter ziet men ze nu eens op de eene, dan weer op een andere plaats verschijnen, volstrekt geen bepaalden koers volgen, maar in allerlei elkander kruisende richtingen vliegen; waarschijnlijk komen zij dan spelend, als ’t ware uit dartelheid, boven water, evenals andere Visschen ook wel eens doen. In de nabijheid van de kusten trekken dergelijke zwermen zeer spoedig de aandacht van de Meeuwen en Stormvogels, die er op af komen en nu ook van hun kant jacht beginnen te maken op de buiten hun element verkeerende waterbewoners. Dit verhoogt zeer de belangwekkendheid van het schouwspel, daar de Vogels wegens de snelle beweging der Visschen al hunne krachten moeten inspannen om er een van te bemachtigen. De menschen houden zich weinig of niet met de vangst van Vliegende Zeehanen bezig, daar hun mager en hard vleesch de moeite niet loont en de Middellandsche Zee rijk genoeg is aan betere Visschen.
De door Cuvier voor ’t eerst als familie erkende, tot de onderorde der Zeegrondelvisschen (Gobiiformes) behoorende groep der Schijfbuikigen (Discoboli), omvat een twaalftal soorten van ongeschubde Visschen, welker aaneengegroeide buikvinnen vervormd zijn tot een schijf, bestaande uit een eironde beenplaat, die door een vliezigen zoom omgeven is; met deze vinschijf zuigen zij zich vast aan steenen en andere voorwerpen; door spieren wordt het middelste, flauw uitgeholde gedeelte van de schijf opgetrokken, waardoor een ledige ruimte tusschen de schijf en de aanhechtingsplaats ontstaat. Andere eigenaardigheden van deze Visschen zijn de groote, onder de keel als ’t ware ineenvloeiende borstvinnen, de min of meer rudimentaire, bij sommige zelfs geheel ontbrekende (of althans onder de dikke huid verborgen) rugvin en het maaksel van de stralen van het kieuwdekselvlies. De huid is slijmerig en glad of met beenknobbeltjes voorzien, het geraamte uit week, als kraakbeen snijdbaar been, de schedel zelfs geheel uit kraakbeen samengesteld. De kieuwspleet is nauw; de achterste van de vier kieuwen bestaat slechts uit één enkele rij van kieuwplaatjes. De Schijfbuikigen houden bijna uitsluitend op een rotsachtigen zeebodem verblijf, zuigen zich hier vast met hun vinschijf, blijven dagen lang op deze wijze vastgehecht en laten zich hoogstens door het naderen van een buit bewegen om den bodem te verlaten. Verscheidene soorten wijden aan hunne eieren een soortgelijke zorg als de Zeegrondels. Hun vleesch wordt slechts op enkele plaatsen gegeten.
De Snottolven (Cyclopterus) hebben een zonderlinge gedaante; hun kop is groot, de snuit kort, de romp kort, doch dik en hoog, de eerste rugvin uitsluitend door buigzame stralen gesteund en bij het volwassen dier geheel onder de huid van den romp verborgen; deze is dik en slijmerig en bevat reeksen van knobbelvormige, beenige schilden; de kaken zijn met borstelige tandjes bezet, het gehemelte is tandeloos.
De Snottolf, ook Steenkruiper, Steenzuiger, Engelsche Lump, Paddevisch, Kikvorschvisch en in Zeeland Klieft genoemd (Cyclopterus lumpus), de meest bekende vertegenwoordiger van zijn geslacht, bereikt een lengte van ongeveer 60 cM. en een gewicht van 3 à 4 KG.; zelden wordt hij 1 M. lang en 6 à 7 KG. zwaar. Zijn kleur is zeer verschillend, dikwijls van boven grijsachtig zwart, van onderen meer geelachtig. Gedurende den rijtijd zijn de onderdeelen en de vinnen roodgeel, de overige deelen bruingeel, met oranje, purperrood en blauw in verschillende tinten geschakeerd, de oogen hoogrood; na den rijtijd zijn al deze kleuren flauwer en minder zuiver. Zijn hoog en dik lichaam doet, van ter zijde gezien, aan den eivorm denken, maar is onder den romp tamelijk vlak en loopt naar boven kielvormig uit. De kop is middelmatig groot, de mondopening klein; de oogen zijn tamelijk klein en hooggeplaatst. De kaken zijn met kleine, borstelvormige tanden gewapend; kleine, afgeronde tanden komen voor op de beenderen, die het keelgat omgeven. Behalve kleine, harde korreltjes, die tamelijk regelmatig verspreid zijn, ziet men op de huid veel grootere, kegelvormige knobbels op 7 rijen: de bovenste rij loopt van het achterhoofd tot aan de zachte rugvin; de tweede nagenoeg rechtlijnige reeks gaat aan weerszijden van den romp van boven het oog tot den wortel van de staartvin; de derde loopt evenwijdig aan de vorige langs de zijden van het lichaam en begint achter het kieuwdeksel; de onderste eindelijk omzoomt aan weerszijden den buik tusschen de aarsvin en de buikschijf. Deze is cirkelvormig en bestaat uit een kring van platte, harde schijfjes, omgeven door een vliezigen rand. De borstvinnen zijn afgerond en korter dan de kop, maar loopen naar voren tot onder de keel voort, zonder zich echter te vereenigen; dit naar voren verlengde gedeelte omsluit aan weerszijden de buikschijf. De met knobbeltjes gewapende rugkiel, die de eerste rugvin vertegenwoordigt, bevat beentjes, die de vinstralen voorstellen. De zachte rugvin en de aarsvin beginnen aan ’t hellend gedeelte van den staart; deze is naar verhouding buitengewoon zwak, zijn vin aan ’t einde recht.
De Snottolf bewoont alle noordelijke zeeën en wordt bij alle kuststreken van gematigd en noordelijk Europa tot IJsland, Groenland en Canada aangetroffen. „In ’t voorjaar en in den zomer is deze Visch tamelijk algemeen aan onze kust, in de overige tijden zeldzamer” (Van Bemmelen). Hij beweegt zich zelden en zwemt zeer slecht, langzaam, met slingerende krommingen van den zwakken staart. In den regel blijft hij met de buikschijf aan steenen of andere harde voorwerpen vastgehecht en wacht hier zijn buit af. Het kost groote moeite hem los te rukken: Hannox berekende, dat hiervoor een kracht van 36 KG. vereischt werd bij een Snottolf van 20 cM. lengte. Pennant greep een Snottolf, die zich aan den bodem van een emmer had vastgehecht; bij het opheffen van dit dier bleef de met water gevulde emmer er aan hangen. Een 15 cM. lange wierrank, die aan het voorhoofd van een ander exemplaar was vastgegroeid, maakt het waarschijnlijk, dat de Snottolf soms weken lang op dezelfde plaats blijft, wachtend tot de Kwallen en Vischjes, die zijn voedsel uitmaken, dicht genoeg bij hem gekomen zijn om ze zonder vervolging te grijpen. In gevangen toestand zuigt hij zich onmiddellijk vast aan een geschikte plek van den waterbak, die hem tot woning dient, zelfs aan den gladsten glazen wand; hij blijft hier uren en zelfs halve dagen achtereen, zonder eenig ander lichaamsdeel dan de kieuwen te bewegen en verlaat deze plaats alleen om het voedsel, dat hem toegeworpen wordt, te grijpen. In het aquarium hapt hij naar den inhoud van weekdierschelpen en Wormen, maar laat Vischjes bijna altijd onaangeroerd.
Omstreeks Maart komt er in de kleur en het gedrag van de Snottolven een groote verandering; zij zoeken dan ondiepere, voor ’t kuitschieten geschikte plaatsen aan de kust op. Het aantal eieren is zeer groot. Fabricius bericht, dat het mannetje in ’t zand een kuil maakt voor de eieren, hierbij trouw de wacht houdt en bij deze gelegenheid een werkelijk verheven moed toont, zelfs met den vreeselijken Zeewolf den strijd aanvaardt en, door liefde voor zijn kroost gedreven, dezen vijand doodelijke wonden toebrengt. Dit bericht wordt door latere onderzoekers volkomen bevestigd. Zoo verhaalt Johnston, op grond van hetgeen hem door visschers werd medegedeeld, dat het mannetje de eieren met zijn lichaam bedekt en in deze houding volhardt, totdat de jongen uitgekomen zijn; deze hechten zich kort daarna aan de zijden en den rug van hun vader, die zich met dezen dierbaren last op weg begeeft, om een dieperen en veiligeren bodem op te zoeken. Tegen het einde van November hebben de jongen een lengte van 10 cM. bereikt.
De mensch maakt niet geregeld jacht op den Snottolf. Hier te lande eet men hem niet. De IJslanders en Groenlanders vinden dezen Visch lekker; zij vangen hem in netten, of spiesen hem aan een soort van ijzeren vork, terwijl hij tusschen de zeeplanten ligt. Een veel gevaarlijker vijand van deze soort is de Zeehond.
De Zeegrondelvisschen (Gobiidae) zijn voor ’t meerendeel klein en langwerpig van gestalte; hun naakte of geschubde huid is slijmerig; de voorste rugvin wordt evenals bij de Snottolven dikwijls door buigzame stralen gesteund en is soms met de tweede vereenigd; de ver uitstekende buikvinnen zijn bij sommige aan den wortel, bij andere over haar geheele lengte verbonden tot een trechter of holle schijf; de kieuwspleet is betrekkelijk klein.
Van deze familie zijn nagenoeg 300 soorten bekend. Verreweg de meeste zijn zeebewoners; slechts weinige kiezen rivieren of ander zoetwater tot voortdurend verblijf. Zij leven bij voorkeur op een rotsachtigen bodem en zetten zich hier tusschen steenen vast; hun voedsel bestaat uit Wormen en Garnalen, maar ook uit vischkuit en wieren; meestal vormen zij scholen, die, na opgejaagd te zijn, zich spoedig weer vereenigen, om gemeenschappelijk te vluchten. Zij zwemmen zeer behendig; op een modderigen grond stellen de als pooten dienst doende borstvinnen hen in staat zich te bewegen. Evenals de Longenvisschen en Doolhofvisschen, kunnen zij zich uren en dagen lang buiten het water ophouden; niet onmogelijk is het, dat zij dan onmiddellijk zuurstof uit de lucht opnemen. Zij vermenigvuldigen zich zeer sterk; ook bij deze groep nemen de mannetjes ijverig deel aan de zorg voor de nakomelingschap, vooral door de wacht te houden bij de eieren. In de huishouding van den mensch spelen zij geen belangrijke rol; slechts weinige soorten worden eetbaar geacht; de eigenaardige levenswijze dezer dieren bemoeilijkt trouwens hun vangst.
Bij de Zeegrondels (Gobius)—niet te verwarren met de Grondels (Gobio)—zijn de buikvinnen over haar geheele lengte met elkander vergroeid tot een trechtervormige schijf, die alleen aan haar oorsprong met den buik vereenigd is. Alle zijn in staat om hun kleur in overeenstemming te brengen met die van hun omgeving.
Eén van de ruim 150 soorten van dit geslacht wordt zeer algemeen langs onze geheele kust waargenomen. Deze—de 6 à 7 cM. lange Kleine Grondel (Gobius minutus)—wordt ook wel Zeegrondel, Kleine Govie en Meun genoemd. (De laatste naam is ontstaan door verwarring met jonge exemplaren van Motella mustela, die, evenals de Zeegrondel, in de onmiddellijke nabijheid van het strand geregeld bij het Visschen naar Garnalen met saaien gevangen en aan wal gebracht wordt.) De Amsterdamsche vischverkoopers noemen den Zeegrondel wegens zijn sterk gekromden snuit Bullekopje. Het lichaam is langwerpig, zonder de staartvin 5-maal zoo lang als hoog. De oogen zijn zeer hoog geplaatst. De mondspleet strekt zich uit tot onder het oog. De kaken zijn met kleine tanden bezet; die van de voorste rij zijn grooter dan de overige. De borststandige buikvinnen zijn vergroeid tot een naar achteren lang en puntig uitloopenden trechter. De grijsachtig gele grondkleur van dit vischje is op de onderdeelen en den kop lichter, op de rugzijde bruin gestippeld; dergelijke stipjes vormen op de staartvin ongeveer 6 dwarsstrepen. De iris is blauw.
Behalve aan de kusten van de Noordzee, ontmoet men deze soort ook veelvuldig in de monden der rivieren (Haringvliet, Hollandsch Diep tot aan en boven de Moerdijk, Theems); zij wordt in de ankerkuil veel gevangen, heeft als voedsel geen waarde, maar moet tusschen de Zeebliek door in de kubben als aas dienst doen. (Hoek.)
Nauw aan de vorige verwant, vooral door kleur en samenstelling van rug- en aarsvin afwijkend, is de nieuwe soort (Gobius Taalmankipii), die Hubrecht in 1877 in de Noordzee vond.
Twijfelachtig is de aanwezigheid bij onze kust van den hoogstens 15 cM. langen Zwarten Zeegrondel (Gobius niger), die in de Middellandsche Zee in aanzienlijken getale voorkomt, doch ook in den Atlantischen Oceaan met inbegrip van het Kanaal, de Noordzee en de Oostzee, niet ontbreekt. Hij onderscheidt zich door een meer ineengedrongen en dikker lichaam, een dikkeren kop, grootere schubben en nagenoeg samenstootende rugvinnen; de zwartachtige, aan de buikzijde lichtere kleur heeft wolkachtige (meestal donkerbruine) vlekken; de rugvinnen en staartvin zijn zwartachtig gestreept; de olijfkleurige borstvinnen hebben bruine streepjes. Men vindt hem op rotsachtige zeebodems, waarop hij zich eenvoudig neervlijt, zonder zich vast te hechten. Hoewel hij zich gaarne in de nabijheid van riviermonden ophoudt, heeft men hem in zoetwater nog niet opgemerkt. Zijn voedsel bestaat uit kleine Schaaldieren en allerlei andere lagere dieren. De schuilhoek, vanwaar hij zijn buit beloert, wordt na iederen uitval geregeld weer opgezocht om er de prooi te verslinden. Tegen den tijd van het kuitschieten, in Mei of Juni, verlaten de Zwarte Zeegrondels de rotsen, die zij tot dusver bewoonden en begeven zich naar de met zeegras begroeide gedeelten der kust, om hier voor hunne eieren een diep en ruim hol te graven, waarboven de wortels van het zeegras een gewelf vormen. Evenals bij Stekelbaarzen, is het mannetje de bouwmeester van deze woning. Voor den ingang houdt hij de wacht, lokt de wijfjes, die kuit moeten schieten, tot zich, behoedt ongeveer 2 maanden lang de hem toevertrouwde eieren en verdedigt ze met moed tegen iederen vijand; hij vermagert merkbaar gedurende dezen tijd en schijnt nagenoeg uitgeput, als het kroost de ouderlijke woning verlaat en den trouwen schildwacht van zijn taak ontheft. Soms leggen zoovele wijfjes hare eieren in hetzelfde hol, dat het vergroot moet worden; het heeft dan dikwijls verscheidene uitgangen. Een mannetje, dat door de leden der andere sekse over ’t hoofd wordt gezien, verlaat zijn woning en legt een nieuw nest aan op een gunstiger gelegen plaats. In een doelmatig ingericht aquarium kan men deze dieren lang in ’t leven houden.—
Ook de 4 à 5 cM. lange Tweevlekkige Zeegrondel (Gobius Ruthensparii) die het Kanaal, de Noordzee en de Oostzee bewoont, behoort volgens sommige schrijvers tot onze fauna. Hij heeft de aarsvin en de zachte rugvin hooger dan de eerste rugvin; hierdoor en door twee zwarte vlekken aan iedere zijde (één onder de eerste rugvin en een andere aan den wortel der staartvin) verschilt hij van den Kleinen Zeegrondel.
De Riviergrondel (Gobius fluviatilis) bereikt een lengte van hoogstens 8 cM.; zijn bleek geelachtig groene kleur wordt op den bovenrug donkerder en is op verschillende wijzen gevlekt; de eerste rugvin is breed, de aarsvin smal en onduidelijk gezoomd, de tweede rugvin, evenals de staartvin, met talrijke zwarte stippels geteekend; het kieuwdekselvlies heeft dikwijls een bruinachtig zwarte kleur.
In de meren, rivieren en kanalen van Italië komt de Riviergrondel, die daar „Bottola” heet en zeer smakelijk wordt geacht, veelvuldig voor. Ook hij bewoont een steenachtigen bodem, ligt meestal onder een steen verborgen en verlaat zijn woonplaats niet, tenzij hij verontrust of door een prooi naar buiten gelokt wordt. De eieren, die het wijfje aan de wanden dezer woning vasthecht, worden, naar het schijnt, door het mannetje niet bewaakt; gedurende hun ontwikkeling verkrijgen zij een spoelvormige gedaante, drijven als een samenhangende laag op de golven rond en worden in Juni door de jongen verlaten.
*
In de moerassen en brakke wateren aan en bij de kusten van tropische zeeën, vooral bij West- en Oost-Afrika, alsmede op vele kuststreken en eilanden van den Indischen Oceaan en de Stille Zuidzee (maar niet aan de kusten van de Nieuwe Wereld) leven Zeegrondels, die wegens den bouw hunner kieuwen nog langer buiten water kunnen blijven dan hunne verwanten; een groot deel van den dag brengen zij op het vochtige slijk door, waar zij zich op een zeer vreemdsoortige wijze bewegen. Men noemt ze Slijkgrondels (Periophthalmus).
Een vertegenwoordiger van dit geslacht is de nauwelijks 15 cM. lange Slijkspringer (Periophthalmus Koelreuteri), een vischje van zeer varieerende kleur en teekening, meestal op lichtbruinen of groenachtig grijzen grond met zilveren of blauwe en bruine vlekken geteekend; de achterste rugvin prijkt met een zwarte, wit gezoomde, overlangsche streep op de bovenste helft en heeft, evenals de voorste rugvin, meestal een fraaie, blauwe kleur; voorts tooien vlekken en stippels de borst- en buikvinnen. De ver uitpuilende oogen zijn rood. Deze soort behoort op de kust van West-Afrika thuis.