Slijkspringer (Periophthalmus Koelreuteri). ⅖ v. d. ware grootte.
Zoo eenige Visch den naam van „Boombeklimmer” verdient, dan is het deze; de borstvinnen schijnen geheel voor het klimmen ingericht, zijn meer voeten dan vinnen en worden geheel als voeten gebruikt. Alle Slijkgrondels jagen minder in het water dan op het land. Zij leven als Amphibiën, liggen dikwijls op het slijk, springen hier of op het strand bijna als Kikkers rond en overvallen hun uit Schaaldieren en Insecten bestaande prooi zoo vlug, dat deze hun zelden ontkomt. Wanneer men hen vervolgt, schieten zij pijlsnel voort over den modder en kruipen er in om zich te verbergen.
*
De Pitvisschen (Callionymus) hebben een zeer slanke gestalte, een grooten, platten kop, een korten romp en een langen staart; hunne groote vinnen worden door een gering aantal stralen gesteund. De spits toeloopende snuit, welks bovenkaak ver vóór de onderkaak uitsteekt, heeft een nauwe, horizontale mondspleet; de kaken zijn met zeer kleine tanden gewapend; de eerste rugvin wordt gesteund door 30 zeer lange, buigzame stralen, die in draadvormige spitsen eindigen; de buikvinnen zijn vóór de borstvinnen aangehecht en grooter dan deze; de staartvin is afgerond of puntig verlengd. De kieuwspleten zijn klein en dicht bij den nek gelegen. De omhoog gerichte oogen zijn dicht bij elkander boven op den kop geplaatst. De meestal ongeschubde, gladde huid, prijkt bij vele soorten met prachtige kleuren; de mannetjes en wijfjes verschillen zoozeer, wat grootte, kleur en vorm van de rugvinnen betreft, dat zij vroeger voor afzonderlijke soorten werden gehouden.
De eenige aan onze kust voorkomende soort, de Pitvisch, ook wel Pilatusvischje en Schelvischduivel genoemd (Callionymus lyra), bewoont de Middellandsche Zee en den Atlantischen Oceaan langs de kust van West-Europa met inbegrip van het Kanaal en de Noordzee tot aan het Kattegat. Hij wordt 30 à 35 cM. lang (het wijfje is ¼ korter); het lichaam is ongeveer 8-maal langer dan hoog. Van de 4 rugvinstralen zijn de beide eerste bij het mannetje sterk verlengd; de draadvormige spits van de eerste reikt tot aan den staartwortel. In den rijtijd, in de laatste maanden van het jaar is de gele, aan den rug bruinachtige, aan den buik witachtige grondkleur van het mannetje op den kop, langs de zijden, op de buikvin en de staartvin met saffierblauwe streepjes en vlekken geteekend. De rugvinnen hebben roodblauwe, tot dwarsstrepen vereenigde vlekken; de borstvinnen zijn geelgrijs met oranjekleurige stralen, de overige vinnen zijn zwartachtig.
Deze Visch woont in diep water, gewoonlijk op of dicht bij den bodem en maakt hier jacht op allerlei kleine dieren. Wanneer hij de eens gekozen standplaats verlaat, hetwelk zelden geschiedt, beweegt hij zich bliksemsnel, maar gaat niet ver en keert liefst spoedig terug. In sleepnetten wordt hij soms gevangen, bij ons in geringen getale, doch in alle maanden van het jaar. Zijn vleesch is wit en smaakt zeer goed; voor de visscherij is hij echter van geen belang, althans in de noordelijke zeeën.
De 10e onderorde van Stekelvinnigen is die der Slijmvisschen (Blenniiformes); deze hebben een lang, laag, cilindervormig of zijdelings samengedrukt lichaam, een zeer lange, soms grootendeels door stekels, soms geheel door gelijksoortige, ongelede of gelede stralen gesteunde rugvin; de aarsvin is verschillend van lengte, de staartvin afgeknot of afgerond, of niet van rug- en aarsvin gescheiden; de buikvinnen zijn borst- of keelstandig, of ontbreken. Van de 6 hiertoe behoorende familiën is één voor ons belangrijk.
De meeste leden van de familie der Slijmvisschen (Blenniidae) hebben een naakte of met zeer kleine, ronde schubben bedekte, slijmerige huid en dragen dus hun naam te recht. Al deze dieren hebben een langwerpigen, zijdelings samengedrukten romp, een grooten, eenigszins plompen kop. De buikvinnen zijn keelstandig en worden door niet meer dan 2 of 3 buigzame stralen gesteund; de rugvinnen zijn onderling vereenigd. Het gebit bestaat uit lange, dicht bijeengeplaatste tanden, die in iedere kaak één enkele, zeer regelmatige reeks vormen. Vóór de oogen, soms ook aan de neusgaten of aan de wangen, bevinden zich voeldraden van verschillenden vorm.
Ook de Slijmvisschen zijn bijna uitsluitend zeebewoners; slechts weinige soorten komen tevens in zoetwater voor. Men kent er meer dan 200 soorten van, die een 30-tal geslachten vormen en bij de zeekusten van alle aardgordels aangetroffen worden; sommige zijn voor de visscherij niet zonder beteekenis. Verscheidene soorten zijn flinke roovers en worden door de visschers gevreesd wegens het gebruik, dat zij van hun gebit maken. Hun voedsel bestaat uit andere Visschen en allerlei ongewervelde zeedieren, vooral Wormen en Schelpdieren.
Niet alle, maar toch verscheidene Slijmvisschen brengen levende jongen ter wereld; andere wijden een bijzondere zorg aan hunne eieren door het bouwen van een nest. Zij vermenigvuldigen zich betrekkelijk sterk; in enkele wijfjes heeft men niet minder dan 300 jongen gevonden. Andere soorten schieten op de gewone wijze kuit.
In vele opzichten herinneren de Slijmvisschen aan de Zeegrondelvisschen en aan de Schijfbuikigen; zij hebben ongeveer dezelfde levenswijze. Ook zij bewonen, tot kleine troepen vereenigd, rotsachtige en steenachtige gronden, kunnen zonder bezwaar gedurende de eb op het droge blijven, verbergen zich gaarne in kloven, waaruit zij plotseling te voorschijn komen om den buit te bemachtigen, waarop zij loeren, enz. Sommige groote soorten worden wegens haar wit en lekker vleesch gevangen.
De Zeewolven (Anarrhichas) zijn grooter en beter gewapend dan al hunne verwanten. De rugvin strekt zich bijna over de geheele bovenzijde uit; de aarsvin begint achter de aarsopening, ongeveer in het midden van de onderzijde van het lichaam; de borstvinnen zijn groot, de buikvinnen ontbreken geheel. Een kenmerkende eigenaardigheid van dit geslacht is het gebit, dat er waarlijk schrikwekkend uitziet. Voor in den bek hebben zij eenige zeer groote, gekromde tanden, welke aan de hoektanden der groote soorten van Katten herinneren, daarachter eenige kleinere tanden van denzelfden vorm, twee rijen van groote, stompe of ronde tanden aan de zijden der kaken, aan het ploegschaarbeen, en aan de gehemeltebeenderen en kleine, spitse tanden aan de keelbeenderen en de kieuwbogen.
De Zeewolf (Anarrhichas lupus) kan, naar bericht wordt, een lengte van 2 M. bereiken; in onze en in zuidelijker zeeën ontmoet men echter zelden exemplaren van meer dan 1 M. De onderdeelen zijn grijsachtig wit, de bovendeelen, de zijden en de vinnen bruingeel met donkerbruine stipjes; groote, donkerbruine vlekken vormen langs de zijden van den rug een rij van onregelmatige dwarsbanden; ook op de rugvin en de aarsvin kunnen, behalve stippels, een aantal scheef van boven en achteren, naar onderen en voren gerichte strepen voorkomen.
Deze soort, waarvan een enkel exemplaar nu en dan bij onze kust gevangen wordt, is reeds in het noorden van Schotland niet zeldzaam, wordt aan de Duitsche, Deensche en Noorsche kusten hier en daar aangetroffen en komt ook in het Kanaal voor. Rondom IJsland en aan de kusten van Groenland en Lapland is zij algemeen; voorts strekt haar verbreidingsgebied zich van hier door de Beringstraat tot in de Stille Zuidzee uit. Op soortgelijke wijze als andere leden van zijn familie leeft de Zeewolf op den bodem, bij voorkeur op rotsachtigen grond en loert hier in rotsspleten op buit, of rukt deze van de rotsen af. Zijn voedsel bestaat namelijk vooral uit Schaaldieren en Schelpdieren, welker pantsers en schelpen hij met zijn vreeselijk gebit zonder moeite verbrijzelt. Waarschijnlijk maakt hij ook op allerlei Visschen jacht, daar hij, zij het dan ook met slangsgewijze krommingen, snel genoeg zwemt om het eene of andere lid zijner klasse in te halen. Gedurende den winter bewoont hij diepe zeebodems; in Mei of Juni echter begeeft hij zich naar het ondiepe kustwater om kuit te schieten. Eenige maanden later ziet men zijne groenachtig gekleurde jongen in tamelijk groot aantal tusschen de zeewieren.
De Zeewolf dankt zijn naam niet zoozeer aan zijn vreeselijk gebit, als wel aan de felle woede, die hij toont, zoodra hij in gevaar verkeert. Zijn oog heeft een eenigszins boosaardige uitdrukking en zijn aard logenstraft het hierdoor gewekte vermoeden niet. Een gevangen exemplaar gedraagt zich, alsof het razend is, maakt heftige bewegingen in het net, tracht het te verscheuren en bijt met slangachtige vlugheid naar ieder voorwerp, dat in zijn nabijheid wordt gehouden. De visschers passen wel op, dat zij deze kwaadaardige dieren niet met de handen aanvatten, maar grijpen, zoodra zij bemerken, dat er een in het net is gekomen, onmiddellijk een roeiriem of een haak, om het zoo schielijk mogelijk af te maken. Wanneer zij dit niet doen, spartelt de Zeewolf nog wel halve dagen lang in de boot rond, want ook hij kan zonder bezwaar geruimen tijd buiten water verkeeren en blijft razen, zoolang hij leeft.
De bewoners van de noordelijke landen eten den Zeewolf eerst, nadat zij hem vooraf gevild hebben. Van de huid maken zij zakjes of bereiden er vischlijm uit.
*
Een fraaie vertegenwoordiger van het geslacht der Slijmvisschen i. e. z. (Blennius) komt in de Middellandsche Zee en ook aan de Engelsche kust voor; men noemt hem Zeevlinder (Blennius ocellaris). Hij wordt 15 cM. lang en heeft een lichtbruine, hier en daar met donkerder vlekken geteekende, naakte, slijmerige huid. De borst- en buikvinnen zijn donkerder dan de overige. De rugvin, die in het midden een inham vertoont en waarvan de 5 voorste stralen draadvormig verlengd zijn (vooral de eerste), prijkt op het voorste gedeelte met een ronde, donkerbruine vlek, omgeven door een hof, welks kleur lichter is dan die van het overige vinvlies. De dikke, aan de wangen gezwollen kop is van voren afgeknot; de huid van den bovenrand van ’t oog is met twee uitwassen voorzien.
Zeevlinder (Blennius ocellaris). ¾ v. d. ware grootte.
De Zeevlinder komt in de Middellandsche Zee bij alle rotsachtige kuststreken voor en is daar algemeen bekend. In den Atlantischen Oceaan daarentegen schijnen deze Visschen zeldzamer te zijn; alleen bij Engeland worden zij nu en dan gevangen. Evenals andere soorten van hun familie, vestigen ook zij zich dicht bij den oever op rotsen en tusschen wieren en maken hier jacht op kleine Schaaldieren en Weekdieren. Het kuitschieten heeft in de lente plaats. Hun week, slijmerig vleesch is smakeloos en wordt daarom alleen door niet kieschkeurige bewoners van de genoemde kuststreken bij gebrek aan andere Visschen gegeten.
*
De Steen-slijmvisschen (Pholis) verschillen van de leden van ’t vorige geslacht vooral ook door het ontbreken van de voor ’t tasten dienende aanhangsels aan den oogkasrand. Zij verdienen vermelding, omdat één soort van dit geslacht, de Gewone Steen-slijmvisch (Pholis laevis), enkele malen aan onze kusten tusschen de steenen van de zeedijken waargenomen is. Veelvuldiger dan in de Noordzee ontmoet men haar in de Middellandsche Zee en in den Atlantischen oceaan langs de Iersche kust. Deze 15 cM. lange Visch is zeer veranderlijk van kleur, dikwijls op olijfgroenachtigen grond bruin gevlekt en gemarmerd, doch ook wel ongevlekt; andere exemplaren waren in ’t water lichtbruin, maar namen een donkerder kleur aan en vertoonden een reeks van witte vlekken langs de zijdestreep, nadat zij een tijdlang aan de lucht hadden gelegen. Het schijnt voor dit dier een behoefte te zijn van tijd tot tijd op het droge te verkeeren. Een exemplaar, dat van Rosz een met zeewater gevulde goudvisschenkom tot woning had gekregen, werd na eenige uren zeer onrustig en sprong herhaaldelijk boven den waterspiegel uit. Toen de waarnemer, aan den wensch van zijn gevangene gevolg gevend, een grooten steen, die gedeeltelijk boven water uitstak, in de kom plaatste, maakte de Visch zich dadelijk met een sprong meester van dit droge plekje, bleef hier verscheidene uren liggen en ging toen weer te water. Uit vele waarnemingen bleek, dat er een nauw verband bestond tusschen deze verandering van ligplaats en de watergetijden; steeds ging de Visch, als de eb begon, op den steen liggen en keerde, als de vloed aanving, naar het water terug. Gevangen exemplaren verslonden gretig alle levende dieren, die men hun aanbood, ook vleesch van Zoogdieren en Vogels. In de vrije natuur maken Mossels en andere Weekdieren hun gewone voedsel uit; de lange snijtanden stellen hen in staat dezen buit van de rotsen los te rukken. Bij eb worden vele van deze Visschen tusschen de steenen of in kleine, met water gevulde holten waargenomen; niet zelden begeven de oude exemplaren zich op het droge en leggen hier, kruipend met behulp van de borstvinnen, een grooten weg af; merkwaardig vlug en behendig zoekt ieder een geschikte holte op, om hier de terugkomst van ’t water af te wachten.
*
De Aalachtige Slijmvisschen (Centronotus) zijn kenbaar aan hun lang, zijdelings samengedrukt, lint- of zwaardvormig lichaam, met kleinen kop en met een over de geheele rugzijde zich uitstrekkende rugvin; iedere buikvin bestaat uit slechts één goed ontwikkelden straal: de kaken zijn met hekeltanden, de ploegschaar- en de gehemeltebeenderen en de tong met fluweelachtige tanden gewapend.
Een zelden aan onze kust voorkomende bewoner van de Noordelijke IJszee, die ook aan de kusten van Scandinavië en Groot-Brittannië aangetroffen wordt, is de Botervisch (Centronotus gunnellus). Hij kan een lengte van 25 cM. bereiken, maar is meestal niet langer dan 20 cM. De onderdeelen met de aars- en staartvin zijn bij het levende dier oranjegeel; de overige deelen geelbruin of geelgrijs; op den rug bevinden zich 9 à 12 ronde, zwarte vlekken met witten zoom, die zich ook over de rugvin uitbreiden en soms tot deze beperkt blijven; op de zijden ziet men meestal stipjes of onduidelijke, bruinachtige dwarsbanden.
Evenals andere leden van zijn familie, geeft de Botervisch aan een steenachtigen zeebodem de voorkeur, hoewel hij ook soms aangetroffen wordt op plaatsen, die met week slijk bedekt zijn. Hij voedt zich met kleine Weekdieren, jonge vischjes en vischkuit. Minder gaarne dan zijne verwanten stelt hij zich aan de droge lucht bloot; hoewel een langdurig verblijf buiten het water voor hem geen bezwaar oplevert, tracht hij zich steeds tusschen steenen en wieren de noodige vochtigheid te verschaffen. Zelfs hier kan men hem wegens zijn buitengewoon gladde huid en vlugge bewegingen moeielijk grijpen. Voor den mensch is hij trouwens wegens zijn geringe grootte als voedsel van geen belang, hoewel zijn vleesch bruikbaar is. Vele roofvisschen en Zeevogels maken jacht op hem en zijne verwanten: Aalscholvers en Duikers bij vloed, verschillende Meeuwvogels bij eb; van de Visschen is de Zeedonderpad zijn gevaarlijkste vijand.
*
Een van de weinige Visschen, die levende jongen ter wereld brengen, de Magaal (Zoarces viviparus), gewoonlijk (evenals Lota vulgaris) Kwabaal of Puitaal genoemd, ook wel bekend onder de namen Slijmvisch, Snotvisch en Pilatusvischje, op Vlieland Magge geheeten, heeft een 30 à 40 cM. lang, zijdelings eenigszins samengedrukt lichaam: de hoogte is slechts 1⁄9 van de geheele lengte, die voor ⅗ achter de aarsopening gelegen is. De huid is glad en slijmerig; zeer kleine schubjes zijn er in verborgen. De rugvin neemt bijna de geheele rugzijde in en gaat, evenals de aarsvin, die ruim half zoo lang is als het lichaam, zonder afscheiding in de staartvin over. De borstvinnen zijn lang en smal, de door 2 of 3 stralen gesteunde buikvinnen keelstandig. De snuit is kort, de mondopening klein; de kaken zijn van voren met twee rijen, aan de zijden met één rij van kegelvormige tanden gewapend; het gehemelte en de tong zijn tandeloos. De onderdeelen zijn roodachtig bruingeel, de bovendeelen geelbruin met bruinzwarte marmervlekken aan de rugvin en een rij van groote, zwarte vlekken langs de zijdestreep. De iris is bruin met een lichtgelen kring om de pupil.
De Magaal werd tot dusver uitsluitend in de noordelijke zeeën en wel in de Noordzee, de Oostzee en het Kanaal aangetroffen. Hoewel hij aan een steenachtigen bodem de voorkeur geeft, is hij aan onze kusten tamelijk algemeen gedurende het geheele jaar, zelfs in de Zeeuwsche stroomen, de Zuiderzee en eertijds in het Haarlemmer Meer. Vaak wordt hij gedurende het visschen naar Garnalen langs het strand in de saaien gevangen. Zijn vleesch, hoewel goed van smaak, wordt niet gegeten. De beenderen hebben, evenals die van den Geep, reeds in ongekookten toestand een groene kleur en behouden deze na het koken. „Hij voedt zich met Garnalen en andere kleine Schaaldieren, met vischkuit, Weekdieren en zelfs met kleine vischjes” (Schlegel).
„Er schijnt bij deze soort geen bepaalde tijd ter voortteling te zijn, vermits men in alle jaargetijden wijfjes met jongen heeft aangetroffen. De eieren van dezen Visch worden n.l. in het moederlijf bevrucht en ontwikkelen zich aldaar volkomen, zoodat de jongen volmaakt gevormd ter wereld komen; hiertoe is een tijdruimte van ongeveer 4 maanden noodig. Men vindt deze jongen reeds in wijfjes van niet meer dan 15 cM. lengte, en hun getal bedraagt 100 à 200, somtijds zelfs 250” (Schlegel). Zij zijn bij de geboorte minstens 3 cM. lang, maar bereiken bijna het dubbele van deze lengte, indien de moeder zelf een aanzienlijke grootte heeft. Zij zijn dan nog zoo doorzichtig, dat men met een weinig vergrootende loupe de bloedsomloop bij hen kan waarnemen. Zij groeien schielijk en zijn reeds na verloop van 14 dagen driemaal zoo lang geworden als in den beginne.
De 11e onderorde van de Stekelvinnigen omvat de Hardervisschen (Mugiliformes); deze hebben 2 min of meer van elkander verwijderde rugvinnen, waarvan de voorste op de achterste gelijkt door kortheid en vorm of geheel uit zwakke stekels bestaat; de buikstandige buikvinnen zijn uit 1 stekel en 5 gelede stralen samengesteld; het lichaam is met gladde of weinig getande schubben bekleed.
De Pijlsnoeken, die overal, waar zij voorkomen, door de zeelieden en visschers Barracoeda’s worden genoemd (Sphyraenidae), gelijken werkelijk, zoowel door hun vorm als door hun gebit, eenigszins op Snoeken. Hun lange, bijna rolvormige romp is met kleine, gaafrandige schubben bekleed; de kop is spits, de bek wijd gespleten en met flinke, haakvormig gekromde, spitse tanden gewapend; de twee voorste tanden in iedere kaak zijn echte grijptanden. Deze buitengewoon stoutmoedige en gevaarlijke roofvisschen, die uitsluitend op levende dieren jacht maken, bewonen de zeeën tusschen de keerkringen en die van de gematigde aardgordels; zij leven meestal in de open zee, maar vermijden de kustwateren niet geheel. De grootste soorten kunnen hun slachtoffer met een enkelen beet in stukken verdeelen; ook op den mensch beproeven zij maar al te vaak de kracht van hun gebit; zelfs kunnen zij hem dooden. Sommige soorten worden wegens hun vleesch gezocht.
De Pijlsnoek (Sphyraena vulgaris afgebeeld op pag. 217) bewoont de Middellandsche Zee en wordt door de visschers kortweg „Snoek” genoemd. Op den rug is deze 1 M. lange Visch donker loodkleurig, op den buik zilverwit; de vinnen zijn bruin. Zijn slanke gestalte en vreeselijk gebit passen bij zijn roofzuchtigen aard; met groote snelheid klieft hij de golven; daar hij bijna altijd een lijnrechten weg volgt, werd hij reeds door de ouden met een pijl vergeleken. Zijn hard vleesch wordt gegeten, maar niet hoog geschat.
In de zeeën om de Antillen wordt de Pijlsnoek vervangen door den Barracoeda (Sphyraena picuda), die, naar men zegt, een lengte van 3 M. kan bereiken; de bovendeelen zijn groenachtig loodgrijs, de onderdeelen zilverkleurig, de zijden dikwijls met groote, bruinzwarte vlekken geteekend. Men vreest dezen Visch niet minder dan den Haai, daar zijn roofzucht zelfs den mensch niet verschoont; onbeschroomd dringt hij in de havens door, grijpt de badende menschen en verslindt ze. Zijn vleesch gelijkt eenigszins op dat van onzen Snoek, maar schijnt in sommige tijden vergiftig te zijn.
De familie van de Koornaarvisschen (Atherinidae), die in alle zeeën van de tropische en gematigde aardgordels vertegenwoordigd is, omvat ongeveer 40 soorten van slank gebouwde, nagenoeg cylindervormige vischjes met tamelijk groote, gladde schubben en een uit kleine tanden samengesteld gebit in een bek, die vooruitgestoken kan worden. Hun meest in ’t oog vallende tooi, een breede, zilverkleurige streep aan weerszijden van den romp, wordt met een koornaar vergeleken.
De hoogstens 15 cM. lange Koornaarvisch der Middellandsche Zee (Atherina hepsetus), was reeds aan de ouden onder dezen naam bekend. Evenals de andere leden van zijn geslacht, heeft hij een stompen snuit met schuins naar beneden gerichte mondspleet, die zich tot onder den voorrand van het oog uitstrekt, en zeer kleine tanden. Zijn doorschijnend lichaam is van boven licht geelachtig bruin met zwarte stippels, van onderen roodachtig wit met zwakken zilverglans; de glinsterende, zilverkleurige streep strekt zich van de onderste helft van de 4e tot de bovenste helft van de 6e overlangsche reeks van schubben uit en heeft langs den bovenrand een blauwen zoom.
Een andere, even groote soort (Atherina presbyter) is zeer menigvuldig aan de noordkust van Frankrijk en de zuidkust van Engeland en wordt ook bij ons ieder jaar in kleinen getale gevangen. Het gebit is duidelijker zichtbaar en de slankheid iets geringer dan bij de vorige. Het lichaam is zonder de staartvin ongeveer 5½ maal zoo lang als hoog, eenigszins doorschijnend en bij ’t levende dier licht vleeschkleurig, behalve op de reeds genoemde streep en den eveneens zilverkleurigen kop. De bovendeelen zijn zwart gestippeld.
De Koornaarvisschen stemmen in levenswijze zoozeer overeen, dat men, één van hen beschouwend, de geheele familie leert kennen. In tallooze menigte bevolken de leden van de eerstgenoemde soort den Atlantischen Oceaan, benevens de Middellandsche, de Zwarte en de Kaspische Zee; langs alle kusten, in alle bochten, havens en met de zee in gemeenschap staande moerassen treft men verbazend groote scholen van deze Visschen aan. Nooit ziet men ze alleen, altijd zijn zij tot dichte zwermen opeengepakt, die uitgestrekte ruimten letterlijk vullen. Milliarden van hen worden door menschen, Meeuwen en dergelijke boven de zee vliegende Vogels, Eenden, Duikers en roofvisschen buitgemaakt. Hun talrijkheid bracht de ouden op het denkbeeld, dat zij zonder tusschenkomst van ouders ontstonden. Men voedert er de Zwijnen mede of schept hunne reeds tot zwermen vereenigde jongen eenvoudig uit het water op om er een eigenaardig gerecht van te bereiden, dat in de kustlanden van de Middellandsche Zee in den smaak valt. In volwassen toestand leveren zij het gemakkelijkst verkrijgbare lokaas voor de vangst van andere Visschen, maar worden ook in groote hoeveelheid, gekookt, gezouten of ingelegd tot voedsel voor de kustbewoners, die hen als een voortreffelijke spijs beschouwen. Bij ons worden zij echter over ’t algemeen veel minder geacht dan de Spiering.
De Harders (Mugilidae) zijn fraai gebouwde zeevisschen met langwerpig, afgerond lichaam, groote cycloïde schubben, die ook den kop bekleeden en twee door een groote ruimte gescheiden rugvinnen; de buikvinnen staan kort achter de borstvinnen; de dwarsgerichte, hoekige, diklippige muil is met fijne tandjes gewapend of tandeloos. Bij de meeste soorten zijn de spijsverteringsorganen op een zeer eigenaardige wijze ingericht: de zeer ontwikkelde keelbeenderen b.v. hebben een hoekige gedaante en vernauwen op deze wijze het spijskanaal; hierom en wegens de kleinheid van de mondopening kunnen de Harders geen andere dan vloeibare verdunde of fijn verdeelde voedingsstoffen gebruiken.
De Harders bewonen zoowel het zoetwater, dat met de zee in gemeenschap staat, als ondiepe zeeboezems, havens en andere kustwateren. Ook zij vormen in den regel talrijke scholen en leven in gezelschap van de Zeebarbeelen en andere verdraagzame Visschen. In de open zee wagen zij zich nooit; nooit begeven zij zich op een aanzienlijke diepte, maar houden zich, ook als zij het ondiepe water een enkele maal verlaten hebben, in de bovenste waterlaag van de zee op. Hun voedsel bestaat uit slijk en zand, of liever uit de hierin voorkomende plantaardige en dierlijke stoffen. Op plaatsen waar een modderige of tijdelijk door den regen troebel geworden beek in zee stort, komen zij gewoonlijk in grooten getale voor. Zij „grondelen” als onze Karpers en behouden intusschen een horizontalen stand. Vóór het kuitschieten vertoonen zij zich altijd in zeer talrijke scholen, later meestal slechts in kleine troepjes van ongeveer 10 stuks op hunne gewone verblijfplaatsen. Hun vleesch smaakt goed en wordt versch zoowel als gezouten gegeten. Voor hun vangst zijn ervaren visschers en eigenaardige netten noodig, omdat zij over de voor andere Visschen noodlottige schakels dikwijls heenspringen. Behalve door den mensch worden zij door alle vischetende roofdieren vervolgd; bovendien hebben zij veel te lijden van verschillende woekerdieren.
Een in de Middellandsche Zee en den Atlantischen Oceaan, ook in de Noordzee, doch niet aan onze kust voorkomende soort, door de Italianen Ramado genoemd (Mugil capito), bereikt een lengte van 40 à 50 cM. en is op den rug blauwgrijs, op den buik en aan de zijden zilverwit van kleur, overal met zwarte, overlangsche strepen.
Een verwante vorm, de Harder of Herder van onze visschers, de Cefalo der Italianen (Mugil cephalus), bewoont de Middellandsche Zee, maar wordt ook veelvuldig aan de Engelsche kust, nu en dan zelfs in groote scholen aan onze kusten waargenomen. Hij is gewoonlijk ongeveer 30 cM. lang, maar kan wel dubbel zoo lang en 8 KG. zwaar worden. Het oog is met een slijmerige huid bedekt, de borstvin aan den wortel met een lange, gekielde schub gewapend. Gedurende het leven zijn de kop en de rug van dezen Visch groenachtig, de overige deelen zilverachtig; aan elke zijde ziet men een zestal groenachtige, overlangsche strepen. Na den dood gaat de groenachtige kleur in een blauwachtige over.
De Ramado komt in groote scholen aan de kusten van Cornwallis en Devonshire voor en werd ook op allerlei andere plaatsen van de Engelsche en Iersche kust gevangen. „Nooit,” zegt Couch, „verwijdert deze Visch zich ver van het land; hij houdt zich gaarne in ondiep water op, vooral bij warm en helder weer; men ziet hem dan dicht bij het strand rondzwerven, of merkt de kleine kuiltjes op, die hij bij het zoeken van voedsel in den weeken grond maakt. Soms zwemt hij de rivieren op, bij eb keert hij echter altijd naar de zee terug.” Carew, de geschiedschrijver van Cornwallis, bezat een zoutwater-vijver, waarin hij zulke Visschen hield. Daar deze iederen avond op dezelfde plaats gevoederd werden, geraakten zij aan de voederplaats en aan hun verzorger zoozeer gewoon, dat het voldoende was op een bepaalde wijze te klepperen om ze bijeen te lokken. Hun verstand blijkt ook uit hun waakzaamheid en uit de behendigheid, waarmede zij zich aan allerlei gevaren weten te onttrekken. Zoodra zij bemerken, dat een tot op den bodem afhangend net hen omgeeft, keeren zij zoo schielijk mogelijk terug en springen dan gewoonlijk over den bovenrand van het net heen; zoodra één van hen een uitweg heeft gevonden, volgen de andere hem onmiddellijk na. Dit opspringen is hun aangeboren, zelfs jonge Visschen van geringe grootte springen over de netten heen. Couch zag er een van ongeveer 2 cM. lengte herhaaldelijk over een net springen, dat 3 cM. ver boven het water zich verhief.
Weeke en vettige, liefst reeds rottende stoffen, vormen het meest geliefde voedsel van deze Visschen. In de lippen, waarmede zij het meeste voedsel uit den grond halen, schijnt een zeer fijn tastgevoel te zetelen. Evenals de Romeinen der oudheid, vangen de Italianen ook thans nog vele Harders in de aan zee gelegen vijvers, vooral ’s winters. Ook de vijvers aan de kusten van Languedoc zijn om deze reden beroemd. Dikwijls zwemmen de Harders in zoo grooten getale de Garonne, Loire, Seine, Rhône en Somme op, dat de rivier met Visschen bedekt schijnt en dat de visschers nauwelijks in staat zijn om de met visch gevulde netten op te halen; deze rijkelijke vangst duurt echter nooit langer dan 2 of 3 dagen. De Harder wordt wegens zijn malschheid, vetheid en aangenamen smaak overal hoog geschat en versch of gezouten gegeten. Uit de eierstokken, die men afzonderlijk bewaart, perst en zout, wordt een vooral in Provence zeer gewilde spijs bereid, een soort van kaviaar, die „botargue” heet.
Bij de Stekelbaarsvisschen (Gastrosteiformes), die de 12e onderorde van de Stekelvinnigen uitmaken, bestaat het stekelige deel van de rugvin uit stralen, die niet door een vinvlies verbonden zijn, of ontbreekt geheel; de buikvinnen zijn borststandig, of wegens de groote lengte van de haar dragende bekkenbeenderen, die aan den schoudergordel vastzitten, buikstandig; de snuit is min of meer verlengd, de mond klein.
De Stekelbaarzen (Gastrosteidae) hebben een spoelvormig, zijdelings samengedrukt lichaam met spitsen snuit en zeer dun staartgedeelte; de kaken zijn over een smalle strook met fluweelachtige tanden bezet. Vóór de rugvin zijn eenige vrije stekels geplaatst; de buikvinnen zijn nagenoeg op het midden van den romp met een pantserachtig schild geleed; van ieder ziet men weinig meer dan één ongeleden vinstraal, in welks oksel echter eenige zachte stralen verborgen zijn. Bij enkele soorten is de overigens gladde huid aan de zijden van den romp met 4 of 5 reeksen van kleine schilden gepantserd.
Het typische geslacht der Stekelbaarzen of Doornvischjes (Gastrosteus) bestaat uit een tiental goed omschreven soorten, die zoowel in zoetwater en brak water als in de zeeën van het noordelijk halfrond leven; in levenswijze komen zij zoozeer overeen, dat men door de drie inheemsche soorten na te gaan ook de overige voldoende leert kennen.
De Driedoornige Stekelbaars, in Groningen Stekelspoor genoemd (Gastrosteus aculeatus) is kenbaar aan de drie vrije stralen vóór de rugvin: de eerste is boven den wortel der borstvin aangehecht, de derde of kleinste op het midden van den afstand tusschen den kop en den wortel van de staartvin, de tweede of grootste iets nader bij den eersten dan bij den derden en tegenover de twee nog iets steviger doornen, die de buikvinnen vertegenwoordigen. De zijden van den romp zijn meer of minder volledig met korte, hooge pantserplaten bedekt; in de pantsering en de bewapening met doornen worden verschillende afwijkingen opgemerkt, die gedeeltelijk standvastig overerven en hierdoor aanleiding hebben gegeven tot het onderscheiden van verschillende ondersoorten. Deze soort wordt 7 à 8, hoogstens 9 cM. lang en is op de bovendeelen groenachtig bruin of zwartblauw, op de zijden en den buik zilverkleurig, aan de keel en de borst bleek rozerood of bloedrood; ook de kleur varieert zeer en is bovendien gedurende den rijtijd veel levendiger dan gewoonlijk.
Dit vischje bewoont geheel Europa met uitzondering van het Donau-gebied, waar het tot dusver nog niet waargenomen werd. Overal, waar het voorkomt, is het zeer veelvuldig, en in sommige gedeelten van de zee niet minder algemeen dan in het zoetwater. Bij ons ontmoet men het in grooten getale in alle binnenwateren, sloten, kanalen, veenplassen, enz., minder talrijk echter in beken en rivieren. Vooral van Januari tot Maart of April wordt het in de Zuiderzee overvloedig, te gelijk met de Spiering en de Sprot, gevangen. Zeer algemeen is het in het ankerkuilvischwater; letterlijk overal wordt het aangetroffen in de Nieuwe Merwede, het Hollandsch Diep en het Haringvliet. Door de visschers wordt het zeer gehaat: het is oneetbaar en verslindt veel vischkuit; op sommige plaatsen vindt men het in zoo groote hoeveelheid, dat het als zwijnenvoer, als mestspecie en voor het traankoken kan dienen.
De hoogstens 6 cM. lange Tiendoornige Stekelbaars, ook Zwarte Stekelbaars en in Groningen Kleine Stekelspoor genoemd (Gastrosteus pungitius), een van de kleinste zoetwatervisschen, is even verbreid als de vorige soort, maar op vele plaatsen, ook in ons land, minder algemeen en menigvuldig dan deze. Behalve in ons zoetwater wordt hij ook langs het zeestrand aangetroffen, waarheen hij waarschijnlijk door de rivieren en sluizen geraakt. In den ankerkuil wordt hij zelden gevangen; evenmin als de vorige soort, is hij als voedsel geschikt. Van deze verschilt hij door een eenigszins ranker gestalte; de doornen op den rug, ten getale van 9 à 11, zijn zwakker en bijna gelijk van lengte. Pantserplaten komen bij hem niet voor; aan weerszijden van den staart bevindt zich soms een reeks van ongeveer 10 moeielijk waarneembare gekielde schubben. De bovendeelen zijn geelachtig olijfgroen, de overige deelen zilverwit, met zeer fijne zwarte stipjes geteekend, die onduidelijke dwarsbanden vormen. De vinnen zijn witachtig. Gedurende den zomer wordt bij het mannetje de zilverwitte kleur van den buik dikwijls door donkerzwart vervangen.
1) Driedoornige Stekelbaars (Gastrosteus aculeatus), 2) Tiendoornige Stekelbaars (Gastrosteus pungitius), 3) Zeestekelbaars (Gastrosteus spinachia). Ware grootte.
De 15 à 18 cM. lange Zeestekelbaars (Gastrosteus spinachia), het grootste lid van zijn geslacht, verschilt aanmerkelijk van de reeds genoemde soorten. Zijn romp, maar vooral de twee laatste derden van den staart zijn zeer verlengd en rank. Het vijfkantige lichaam is langs de zijden met 41 gekielde beenplaten bedekt. De kop eindigt in een zeer spitsen snuit en is even lang als de romp, die zelf even lang is als het spitse gedeelte van den staart. Op den rug komen 15 tamelijk kleine, een weinig achterwaarts gekromde stekels voor. De bovenkop, de rug en het dunne gedeelte van den staart zijn olijfbruin, de zijden geelachtig, de wangen, de kieuwdeksels, de keel en de buik zilverachtig wit; de tweede rugvin en de aarsvin zijn soms van voren met een zwarte vlek voorzien.
De Noordzee in haar geheelen omvang en de Oostzee worden door den Zeestekelbaars bewoond; van hier dwaalt hij zuidwaarts af tot in de golf van Biscaye; nooit zwemt hij ver de rivieren op, maar vermijdt steeds het zoetwater. Hij werd langs onze geheele kust, van Zeeland tot Groningen, en zelfs in de Zuiderzee waargenomen, meestal echter slechts in kleinen getale; hij is dus alles behalve gemeen. Hij is als voedsel onbruikbaar en, wegens de pantserplaten, zelfs voor aas niet geschikt.
Er zijn weinige Visschen, die zoovele aantrekkelijke eigenschappen in zich vereenigen als de Stekelbaarzen. Zij zijn levendig en vlug, behendig, roofzuchtig en tot vechten geneigd, moedig door het vertrouwen op hunne voor andere Visschen gevaarlijke wapens, daarom ook wel overmoedig, doch vol teedere zorg voor hun nakomelingschap. Wegens al deze eigenschappen houdt men ze gaarne in gevangenschap, waarvan het gevolg is geweest, dat hun levenswijze vrij nauwkeurig bekend is.
In een ruim aquarium met overvloedigen watertoevoer gelukt het altijd hun het verlies van hun vrijheid te doen vergeten; in kleine, nauwe bakjes daarentegen brengen heimwee en de groote wijziging der levensomstandigheden aanvankelijk een groote sterfte teweeg; het blijkt dan duidelijk hoe prikkelbaar en opgewonden deze dieren zijn. In een ruime woning zwemmen de Stekelbaarzen, die men er gelijktijdig in heeft gebracht, in ’t eerst gezellig rond; zij doen een verkenningstocht, onderzoeken iederen kant, elken hoek, alle plekjes. Plotseling neemt een van hen bezit van een zekeren hoek of van een bepaald deel van den bak; een woedende strijd ontbrandt tusschen den overweldiger en ieder, die zich verstout, hem zijn verovering te betwisten. Beide kampioenen zwemmen met den grootst mogelijken spoed om en naast elkander, aanhoudend bijtend en met de vreeselijke doornen schermend. Dikwijls is eerst na verscheidene minuten de strijd beslist; zoodra een der vechtersbazen achteruitwijkt, zwemt de overwinnaar, die blijkbaar ten hoogste verbitterd is, hem achterna; de vervolgde wordt van het eene deel van ’t aquarium naar het andere gedreven, totdat hij bijna te vermoeid is om zich te bewegen. De stekels worden met zooveel kracht gebruikt, dat dikwijls een van de kampioenen doorboord en dood naar den bodem zinkt. Mettertijd heeft ieder vischje zijn eigen gebied en is de ruimte verdeeld tusschen drie of vier kleine despoten, die elkander in ’t oog houden en bij iedere overschrijding van de grenzen den overtreder aanvallen en met hem strijdvoeren. Dit doen zoowel de mannetjes als de wijfjes.
De kleur der Stekelbaarzen ondergaat groote veranderingen, die in verband staan met hunne verschillende gemoedsaandoeningen. Het groenachtige Vischje met zilverkleurige vlekken prijkt, als het van strijdlust blaakt, met schitterende kleuren: de buik en de onderkaak zijn donkerrood geworden; de rug heeft roodachtig gele en groene tinten verkregen; het regenboogvlies, dat in normalen toestand witachtig is, vertoont een donkergroenen glans. Even schielijk treedt de reactie in; de overwinnaar verbleekt, zoodra hij het onderspit delft.
In zeer wijde bakken of in de vrije natuur, zwemmen de Stekelbaarzen snel en behendig, springen dikwijls hoog boven het water uit, vermaken zich met allerlei spelen, maar letten intusschen op al wat er om hen heen gebeurt, vooral op de jonge vischjes, die hun voornaamste voedsel uitmaken. Om sterkere roofvisschen bekommeren zij zich over ’t algemeen weinig, waarschijnlijk op grond van het bewustzijn van de doelmatigheid hunner eigene verweermiddelen: werkelijk worden zij naar men zegt, zelfs door machtige roovers gemeden. De Snoek o.a., die alles wat eetbaar is, verslindt, deinst af voor hunne stekels. Slechts groote zeevisschen, zooals Dorschen en Zalmen, vullen onbezorgd hun maag met deze dwergjes. Ondanks hun weerbaarheid en schijnbare achteloosheid kennen zij hunne vijanden zeer goed, zooals blijkt uit het oprichten van hunne wapens bij de nadering van door hen gevreesde Visschen.
Niet minder onverschrokken dan in tijden van gevaar, zijn de Stekelbaarzen bij hun dagelijksch bedrijf. Zij maken jacht op alle dieren, die zij kunnen overmeesteren en toonen een verbazenden eetlust. Indien zij slechts de grootte van Baarzen hadden, zouden zij onze binnenwateren leegmoorden en ons buitengewoon veel nadeel toebrengen, hoezeer zij ons ook door hun schoonheid bekoren.
Het merkwaardigste deel van de levensgeschiedenis der Stekelbaarzen is ongetwijfeld de wijze, waarop zij hunne eieren verzorgen. Als de tijd van kuitschieten nadert, kiest ieder mannetje een bepaalde standplaats uit en verdedigt deze met zijn gewone hardnekkigheid en strijdlust tegen iederen soortgenoot van zijn sekse, die het wagen durft hem te verdringen. De uitverkoren plaats kan zeer verschillend zijn. De Stekelbaarzen, die in zoetwater kuitschieten, zoeken gewoonlijk een met grind of zand bedekte ondiepte op, waarboven het water tamelijk snel vloeit of althans dikwijls bewogen wordt; zij bouwen op den grond een nest, dat half in het zand begraven is, of bevestigen het vrij-zwevende gebouw tusschen waterplanten. De Zeestekelbaarzen kiezen soortgelijke standplaatsen voor hun nest; zij hechten het meestal vast aan lange wieren in de nabijheid van het strand, waartusschen zij zich over ’t algemeen gaarne ophouden: een uitgevezeld stuk touw, dat in het water hangt, kan hiervoor ook zeer goed dienen. Het mannetje, dat gedurende den voortplantingstijd met de prachtigste kleuren prijkt, toont ook op andere wijzen een vermeerderde levensenergie; om een nest op den bodem te bouwen moet hij in de eerste plaats eenige wortels en andere plantendeelen van dezen vorm, die niet zelden langer zijn dan hij zelf, aansleepen, soms van een tamelijk grooten afstand; dikwijls rukt hij stukken van levende planten los en onderzoekt hun gewicht door ze te laten vallen; die, welke snel op den bodem zinken, zijn voor bouwstoffen geschikt, de overige zijn te licht en worden weggeworpen. De kleine bouwmeester stapelt de steeds met zorg uitgekozen materialen laagsgewijs opeen en verandert hun rangschikking, totdat zij naar zijn genoegen is. Het vasthechten aan den grond geschiedt door bezwaring met zand of grind; om het nest van binnen af te ronden en tevens de noodige stevigheid te verschaffen, zwemt de Stekelbaars er langzaam doorheen, de reeds aan den bodem gehechte deelen intusschen aan elkander lijmend en verbindend. Het aanvoeren van de vereischte bouwstoffen duurt ongeveer 4 uren: na verloop van dezen tijd is tevens het nest, althans wat de grove omtrekken betreft, voltooid; voor het afwerken, voor het uitschiften van de te lichte bestanddeelen, het wijzigen van de schikking van sommige halmen, het samenvlechten van hunne uiteinden en het bezwaren met zand zijn echter verscheidene dagen noodig. Gedurende dezen arbeid denkt de Stekelbaars aan niets anders en tracht iedere stoornis te verhinderen. Terwijl hij vlijtig aan ’t werk is, kijkt hij wantrouwig naar ieder wezen, dat zich in de nabijheid vertoont, zoowel naar een andere Stekelbaars als naar een Salamander, een Waterkever of een larve, hetzij deze dieren met booze of met onschuldige bedoelingen het nest naderen. Een Waterscorpioen werd door een nestbouwend mannetje meer dan dertigmaal gegrepen en in den bek naar den anderen kant van den waterbak vervoerd! De grootte van het nest is zeer verschillend en hangt zoowel van de standplaats als van de soort van bouwstoffen af; gemiddeld is het ongeveer zoo groot als een vuist. Gewoonlijk is het langwerpig rond en van boven volkomen gesloten, aan de zijden echter met een ingang en een uitgang voorzien. Aanvankelijk ziet men er slechts één opening aan, later hiertegenover ook de tweede. Zoodra n.l. een Stekelbaars zijn nest gereed heeft, tracht hij er een wijfje in te lokken. Dit legt hier eenige eieren, boort tegenover den ingang een gat in den wand en ontsnapt. Daar het nest van nu af twee openingen heeft, kan het water er door stroomen, hetgeen voor de ontwikkeling der kiemen noodig is. Het mannetje, dat den volgenden dag een tweede wijfje naar het nest leidt en hier goedschiks of kwaadschiks kuit laat schieten, gaat op deze wijze voort, totdat het noodige aantal eieren bijeen is. Om deze tegen elken aanval te vrijwaren en te verdedigen, moet het mannetje zijn ijver en waakzaamheid verdubbelen. Iedere andere Stekelbaars, die zich in de buurt van het nest vertoont, wordt vol woede besprongen en op de vlucht geslagen; deze voorzorgsmaatregel geldt zoowel de mannetjes als de wijfjes; deze zijn niet minder gevaarlijk dan gene, eer meer dan minder belust op de eieren of de pasgeboren jongen. Tot aan het tijdstip van hun geboorte draagt het mannetje ook nog op een andere wijze zorg voor het goed gedijen zijner nakomelingen. Met den snuit herstelt hij gebreken van het nest, hetzij deze bij toeval ontstaan of door een nieuwsgierige hand veroorzaakt zijn; bovendien begeeft hij zich dikwijls vóór of in de broedruimte en brengt door een trillende beweging van de borstvinnen een verversching van het water in het nest teweeg, alsof hij weet, dat aan de eieren versche zuurstof toegevoerd moet worden. Afgunstige mannetjes, die zich waarschijnlijk van het nest willen meester maken, en snoeplustige wijfjes storen telkens weer den trouwen wachter, die, zoolang zijn diensttijd duurt, bijna aanhoudend strijd moet voeren. Nieuwe zorgen wachten hem, wanneer eindelijk de eieren uitkomen. Hij moet, om de hulpbehoevende jongen te beschermen en te verdedigen, vreemde Stekelbaarzen verjagen. Voorloopig blijft hij met zijn kroost in de onmiddellijke nabijheid van het nest, hoewel hiervan niets anders overgebleven is dan eenige in den grond vastzittende halmen. Minder moeielijk wordt zijn taak allengs, naarmate de vischjes meer en meer bekwaam worden in ’t zwemmen; hij bekommert zich niet meer om hen, zoodra zij eindelijk in staat zijn om zelfstandig in hun onderhoud te voorzien.
In de vrije natuur is het nest gewoonlijk grootendeels in het slijk verborgen; waarschijnlijk is het vooral hieraan toe te schrijven, dat men eerst zoo laat begonnen is te letten op de zorgen, die de mannelijke Stekelbaars aan zijne jongen wijdt.
Hoewel de Stekelbaarzen niet meer dan ongeveer 60 à 80, dus betrekkelijk weinige eieren leggen en, ondanks hunne uitmuntende verweermiddelen, door sommige vijanden, vooral door bijzonder groote Lintwormen geplaagd en geteisterd worden, hoewel zij, naar men zegt, hoogstens drie jaar leven, vermenigvuldigen zij zich soms ongeloofelijk sterk, vooral in de zoogenaamde doode armen van een rivier, in plassen of meren met stilstaand water en in vestinggrachten. In dit geval kunnen zij voor den mensch lastig worden en hem bij sommige werkzaamheden hinderen; zelfs leveren zij middellijk wel eens gevaar op voor de gezondheid van de menschen in de door hen bewoonde streek, n.l. wanneer zij in grooten getale te gelijk om ’t leven komen en hunne rottende overblijfselen de lucht verpesten. Ook in grootere plassen ziet men ze volstrekt niet gaarne, daar hun vraatzucht de vermeerdering van het aantal nuttige Visschen zeer in den weg staat; op plaatsen, waar zij zich eens genesteld hebben, kan men ze moeielijk uitroeien. De oorzaken van de groote talrijkheid dezer dieren, zijn min of meer dezelfde als voor de Muizen: het eene of andere troepje broedt ongestoord; de jongen worden schielijk geslachtsrijp, vermenigvuldigen zich eveneens en zoo kan het voorkomen, dat het na korten tijd van Stekelbaarzen wemelt op plaatsen, waar men ze vroeger niet opmerkte, totdat eindelijk een groote sterfte onder hen een opruiming houdt.
In Holstein en Sleeswijk, Zweden en Engeland worden de Stekelbaarzen in sommige jaren in grooten getale gevangen en als voedsel voor Zwijnen, Hoenderen en Eenden gebruikt, tot traan verkookt of als mestspecie op den akker gebracht. Hoewel men algemeen de Stekelbaarzen voor oneetbaar houdt, leveren zij, volgens sommigen, na behoorlijke toebereiding een smakelijke soep.
Bij de Fluitbekvisschen of Pijlvisschen (Fistulariidae) is het lichaam buitengewoon lang en vormen de voorste beenderen van den kop een lange buis, die aan haar voorste uiteinde de kleine mondopening heeft; de tusschenkaaks- en onderkaaksbeenderen dragen kleine tanden. De schubben zijn klein of ontbreken. Het stekelige deel van de rugvin bestaat uit zwakke, vrije stralen of ontbreekt geheel. De buikvinnen worden door geen andere dan zachte stralen gesteund en zijn borststandig of buikstandig, maar in ’t laatstgenoemde geval gescheiden van de bekkenbeenderen, die aan den schoudergordel verbonden blijven.
Bij het geslacht der Fluitbekken (Fistularia) komt slechts één enkele, korte, ver naar achteren geplaatste rugvin voor en heeft de in 2 lobben verdeelde staartvin een eigenaardig verlengstuk; de beide middelste stralen zijn n.l. vergroeid tot een borstelachtige draad, die bij sommige soorten het overige lichaam in lengte evenaart; de huid is wegens het ontbreken der schubben glad.
De meest bekende vertegenwoordiger van de familie en van het geslacht is de Tabakspijp (Fistularia tabaccaria), die meer dan 1 M. lang kan worden, waarvan trouwens de helft op de staartdraad komt. De bovenzijde is op bruinen grond met 3 reeksen van blauwe vlekken bezet; de onderzijde heeft een zilverwitte kleur.
De Fluitbekken zijn beperkt tot de zeeën tusschen de keerkringen, bewonen zoowel den Atlantischen als den Indischen Oceaan en komen ook in de Stille Zuidzee voor. De Tabakspijp wordt binnen de genoemde grenzen langs de oost- en westkust van Amerika aangetroffen. In haar maag vond Commerson kleine Visschen; volgens andere onderzoekers voedt zij zich ook met verschillende Schaaldieren.
De kleine onderorde der Schildbuiken (Gobiesociformes) omvat slechts één gelijknamige familie (Gobiesocidae) met een 20-tal soorten. Zij is kenbaar aan de afwezigheid van het stekelige deel van de rugvin, welker geleedstralig deel, evenals de aarsvin, geheel tot den staart beperkt blijft; de keelstandige buikvinnen omsluiten een in twee opeenvolgende stukken gesplitste hechtschijf van andere samenstelling dan die der Snottolven, daar zij niet door vervorming van de buikvinnen ontstaat, maar door een kraakbeenig uitgroeisel van het onderste been van den schoudergordel gesteund wordt.
*
De Slakdolf, Kringbuik of Zeeslakvisch [Lepadogaster (Liparis) barbatus] heeft een samengedrongen, langwerpig eivormig lichaam van ongeveer 15 cM. lengte. De borstvinnen strekken zich tot onder de keel uit en zijn hier tot een punt verlengd. De rugvin en de aarsvin zijn laag, lang en met de kleine afgeronde staartvin vereenigd; de rugvin begint boven de borstvinnen, de aarsvin is een derde korter. De kleur is lichtbruin, op de onderdeelen lichter, op de bovendeelen afgebroken door fijne, bruine, overlangsche strepen en op de vinnen door bruine, veelal op dwarsrijen geplaatste stippen.
Deze Visch bewoont de IJszee tot aan de kusten der Noord- en Oostzee. Hij wordt bij ons zoowel langs de kust als in de Zuiderzee en de Zeeuwsche stroomen aangetroffen, maar is er alles behalve gemeen. Hij voedt zich met kleine Schaaldieren en kleine vischjes. Naar men zegt, heeft het kuitschieten vroeg in het jaar plaats. (Schlegel.)