Tabakspijp (Fistularia tabaccaria). ½ v. d. ware grootte.
Van de Slangenkopvisschen (Ophiocephalidae), die een afzonderlijke onderorde (Channiformes) vertegenwoordigen, zijn een dertigtal soorten bekend; deze hebben een tamelijk langen, van achteren weinig samengedrukten, van voren bijna ronden romp, een breeden en platten, van boven met schilden bekleeden kop met ver naar voren gelegen oogen en een diep gespleten muil; de kaken en het gehemelte dragen borstelvormige tanden en eenige grootere grijptanden; de kieuwdeksels zijn geschubd, ongetand en ongedoornd. In geen der vinnen komen ongelede vinstralen voor. Hoewel zij (in tegenstelling met de leden der volgende onderorde) geen eigenlijken „doolhoftoestel” hebben ten behoeve van de ademhaling gedurende het verblijf op het land, staat hun kieuwholte met een voor ’t zelfde doel dienende, bijkomende holte in gemeenschap. De rugvin strekt zich bijna over de geheele lengte van den romp uit; ook de aarsvin is zeer lang, de staartvin afgerond; de borst- en buikvinnen wijken niet van den gewonen vorm af. Een zwemblaas is aanwezig.
„De Slangenkopvisschen,” zegt F. Day, „kunnen wegens de holten in hun kop op de wijze der Amphibiën ademen en langen tijd buiten het water verkeeren. Zij wagen zich tamelijk ver op het land, vooral wanneer dit eenigszins vochtig is, bewegen zich hier door de borstvinnen en den staart achtereenvolgens te verplaatsen en het lichaam slangsgewijs te krommen. Zij leven, naar het schijnt, steeds bij paren. Eenige soorten bewonen grasrijke moerassen of de met gras begroeide randen van de waterreservoirs, die voor de besproeiing der akkers dienen; andere houden zich op in bronnen en met water gevulde kuilen, ook wanneer deze met steenen wanden zijn voorzien, nog andere in gaten aan de oevers van rivieren. De soorten, die in moerassen of in de voor de irrigatie dienende watervergaarplaatsen leven, vestigen zich bij voorkeur op de ondiepe en met hooge grassen begroeide gedeelten dezer plassen. Onder de Visschen, die ik uit het slijk van uitgedroogde waterreservoirs heb zien uitgraven, bevonden zich eenige Slangenkoppen; de inboorlingen van Indië meenen, dat deze Visschen gedurende plasregens uit de lucht komen vallen.
„Het verbreidingsgebied van deze zoetwatervisschen omvat Beloetsjistan, Afghanistan, Britsch-Indië, Birma, Ceylon, China, Siam en de Maleische Eilanden; zij bewonen vijvers en rivieren in hooge en ver van de zee gelegen gewesten zoowel als wateren, die het verschijnsel van ebbe en vloed vertoonen. De Moerrels, zooals men ze in het noorden van Indië noemt, worden als voedsel gebruikt; de uit rivieren afkomstige smaken beter dan die, welke in langzaam stroomend of stilstaand water buitgemaakt zijn.”
*
Tot het geslacht der Slangenkoppen (Ophiocephalus), op Java Ikan-gaboes genoemd, behooren eenige soorten, van welker levenswijze men iets weet.
De Slangenkop, de Waral der Indiërs (Ophiocephalus punctatus), die het vasteland van Indië en vooral ook Ceylon bewoont, bereikt een lengte van 30 à 40 cM.; van boven is hij groenachtig grijs, van onderen witachtig grijs; op den romp ziet men donkerder dwarsbanden scheef van boven en voren naar achteren en onderen loopen.
De Keitsjel, die door de Europeanen Grondvisch, door de inboorlingen van Boetan (het zuidwestelijkste deel van het Himalaja-gebied) Boratsjoeng wordt genoemd (Ophiocephalus striatus), heeft een nog uitgestrekter verbreiding dan de vorige soort, daar men hem in Bengalen, Pegoe, Koromandel, op Java en de Philippijnen, waarschijnlijk ook op Celebes (hier nog op een hoogte van 600 M. boven de oppervlakte der zee) aangetroffen heeft. Hij kan meer dan 1 M. lang worden. De bovendeelen zijn dof groenachtig grijs, de onderdeelen geelachtig wit; de teekening bestaat uit onafgebroken strepen, die zich over de vinnen als stippels en vlekken voortzetten.
Volgens de berichten der Boetaneezen vindt men dezen Visch niet in rivieren, maar op volkomen droge plaatsen te midden van met gras begroeide wildernissen, soms op een afstand van 2 of meer Engelsche mijlen van het water. Door in de hier voorkomende kuilen te graven, bereikt men de waterhoudende laag, waarin deze dieren, in den regel bij paren, zich bevinden. Als men den Boratsjoeng uit zijn schuilplaats haalt en op den grond werpt, beweegt hij zich met slangsgewijze kronkelingen merkwaardig snel. Campbell geeft een eenigszins andere voorstelling van de zaak. Volgens hem zijn de holen, die de Boratsjoeng bewoont, uitsluitend aan den oever van een langzaam vloeienden stroom of van een meer, en is hun ingang gewoonlijk verscheidene cM. onder den waterspiegel gelegen, zoodat de Visch onmiddellijk uit verblijf te water kan gaan. Deze holen worden door Landkrabben gegraven en door den Boratsjoeng in bezit genomen. Toch is het bericht der Boetaneezen, dat de Boratsjoeng ook ver van het water in holen voorkomt, verre van onwaarschijnlijk, daar men de Slangenkoppen meer dan eens op het droge heeft waargenomen, waar zij als Slangen van het eene water naar het andere kropen. Misschien hadden de droge plaatsen, waar de Boratsjoeng in Boetan gevangen wordt, gedurende den regentijd onder water gestaan, en bleef hem bij ’t invallen van de droogte, niets anders over, dan in gaten van den grond, die vroeger met het water in gemeenschap stonden, betere tijden af te wachten. Hij is althans uitmuntend geschikt om geruimen tijd op het droge te leven.
Volgens Buchanan heeft deze Visch een buitengewoon taai leven; sommige exemplaren kruipen meer dan een half uur lang zonder ingewanden rond; hun vleesch is wit en gemakkelijk verteerbaar, hoewel niet zeer smakelijk. De meeste Europeanen op Java zijn afkeerig van deze slangachtige Visschen; door de Chineezen en inlanders worden zij met graagte gegeten.
Aristoteles spreekt van Visschen in de omstreken van Heraclea Pontica, die zich, als het water van de rivieren en meren verdampt, het vocht volgend, in den modder begraven, hier, terwijl de bovenste aardlaag verhardt, als ’t ware in slapenden toestand verkeeren, maar zich bij aanraking krachtig bewegen. Diep in het slijk, aldus vult Theophrastus het bericht van zijn meester aan, laten deze Visschen hunne eieren achter, die zich ontwikkelen, zoodra de bodem weer met water bedekt is. Bovendien zeggen de genoemde uitmuntende schrijvers der oudheid, dat er in Indië Visschen leven, die soms de rivieren verlaten en als Vorschen over land naar een ander water trekken. Waarschijnlijk berusten deze volkomen juiste mededeelingen op persoonlijke ervaringen van Grieken, die aan den krijgstocht van Alexander den Grooten naar Indië deelnamen. Zij leiden tot het vermoeden, dat de bedoelde Visschen met eigenaardige, bij andere leden hunner klasse niet voorkomende ademhalingswerktuigen voorzien zijn. Longen hebben zij niet, maar wel organen, die een soortgelijken dienst kunnen vervullen. Visschen, die uit het water genomen worden, sterven, omdat hunne kieuwen verdrogen en voor de ademhaling ongeschikt worden, hetwelk een storing in den bloedsomloop veroorzaakt: zij stikken, evenals een hooger Gewerveld Dier, dat men den hals dichtbindt. Hoe grooter de kieuwspleet, hoe fijner de vertakking der kieuwen, des te spoediger volgt de dood. Sommige Visschen sterven bijna oogenblikkelijk nadat zij boven water gebracht zijn; anderen kunnen uren lang buiten water verkeeren: onze Karpers verdragen een mijlenverre verzending over land, wanneer zij in vochtige doeken ingepakt zijn. Dezelfde werking als de natte doeken heeft het door de bovenste keelbeenderen gevormde „doolhoftoestel”, waaraan de Doolhofkieuwigen (Labyrinthibranchii) hun naam danken. Dit orgaan bestaat uit buitengewoon dunne, oorschelpvormige, concentrisch bijeengevoegde beenplaatjes, welker aantal mettertijd toeneemt. Zij begrenzen een zeer uitgebreid stelsel van fijne tusschenruimten, die bij het ademen met water gevuld worden en dit bij kleine hoeveelheden tegelijk aan de kieuwplaatjes afgeven, die hierdoor vochtig en voor het opnemen van zuurstof (ook uit de lucht) geschikt blijven. Met uitzondering van een enkele soort van kleine, op Borneo, Bankan en Billiton voorkomende zoetwatervisschen, die de familie van de Snoekkopvisschen (Luciocephalidae) vormen, worden alle Doolhofkieuwigen in de familie der Doolhofvisschen (Labyrinthici) vereenigd. Ook deze behooren in zoetwater thuis. Alle leden van deze familie bewonen de Oude Wereld; zij zijn het talrijkst gevonden in Oost-Indië (met de omliggende landen) en Zuid-Afrika.
De Klimbaarzen (Anabas) kenmerken zich door een langwerpig ronden, zijdelings zwak samengedrukten romp; het voordeksel is gaafrandig, het kieuwdeksel aan den rand getand; de rugvin en de aarsvin zijn lang, haar voorste gedeelte wordt gesteund door vele dikke, spitse stralen; de borst- en de buikvinnen en de staartvin zijn betrekkelijk kort.
De Indische Klimbaars, op Java Ikan-betokh genaamd, de Pannei-eri of Sennal der Tamils, de Kaweja der Singalezen, de Koi van andere Indiërs (Anabas scandens), bereikt soms een lengte van meer dan 20 cM.; hij is op den rug bruinachtig groen, op den buik geelachtig; de rugvin en de aarsvin zijn paars, de buikvinnen en de borstvinnen roodachtig; de staartvin heeft dezelfde kleur als de rug. Enkele exemplaren zijn met donkerder strepen en lichtere vlekken geteekend, andere vrij wel effenkleurig.
Het verbreidingsgebied van deze soort omvat Indië, Birma, Ceylon, de Maleische eilanden en de Philippijnen. Haar woonplaats heeft zij in de stroomende en stilstaande wateren dezer landen; stroomafwaarts ontmoet men haar echter tot dicht bij den mond der rivier, waar bij vloed zeewater binnenstroomt; zij schuwt derhalve het brakke water niet.
Twee Arabische reizigers, die tegen het einde van de 19e eeuw Indië bezochten, hoorden hier spreken over een Visch, die, zijn element verlatend, zich over land naar de kokospalmen begeeft, deze beklimt, om palmwijn te drinken en vervolgens naar het water terugkeert. Een zendeling, die in de laatste helft van de vorige eeuw Indië doorreisde, nam verscheidene exemplaren van de bedoelde soort naar Europa mede en bevestigde het bericht, dat deze Visch met de als een zaag getande kieuwdeksels en scherpstekelige vinnen de langs den oever groeiende palmen beklimt, terwijl het regenwater bij hun stam neervloeit. Verscheidene uren kan hij op het droge leven en door vreemdsoortige krommingen van den romp vooruitkomen. Hij houdt zich gewoonlijk in modderpoelen op, wordt gevangen en als spijs gebruikt.
De reizigers en onderzoekers uit lateren tijd spreken volstrekt niet over een boomen-beklimmenden Pannei-eri; wel bevestigen zij het bericht, dat deze Visch nu en dan over land tochten onderneemt en zich gedurende het droge jaargetijde in het slijk der uitgedroogde wateren verbergt. Hierover heeft Tennent nauwkeurige mededeelingen gedaan, die op persoonlijke waarnemingen en op berichten van betrouwbare ooggetuigen berusten. Zoo schreef hem o.a. een zekere Morris, regeeringsbeambte te Trinkonomali op Ceylon: „Onlangs bezichtigde ik den rand van een grooten vijver, welks dam hersteld moest worden. Het water was nagenoeg geheel verdwenen; een kleine kolk was al, wat er van overbleef. Terwijl wij op een hooger gelegen plek stonden, om het voorbijtrekken van een onweer af te wachten, zagen wij aan den rand van den ondiepen kolk een Pelikaan, die druk aan ’t eten was. Dit trok de aandacht van onze Indische begeleiders, die er op afgingen en „Visschen, Visschen!” riepen. Ter rechter plaats gekomen, zagen wij in de geulen, die de zooeven gevallen regen gevormd had, een menigte Visschen voortkrabbelen en door het gras naar boven kruipen. Hoewel het water nauwelijks toereikend was om hen te bedekken, kwamen zij snel vooruit. De lieden uit ons gevolg raapten er ongeveer 2 schepels van op, de meeste op een afstand van 30 M. van den vijver. Alle deden hun best om den dam op te klauteren, welks kruin zij waarschijnlijk bereikt zouden hebben om zich langs de andere helling naar een geschikte waterplas te begeven, indien de Pelikaan en later wij hen niet gestoord hadden. Het waren blijkbaar Visschen van dezelfde soort als die, welke wij in de uitgedroogde vijvers aantroffen.”
Indische Klimbaars (Anabas scandens). ½ v. d. ware grootte.
„Hoe meer de watervergaarplaatsen uitdrogen, des te meer hoopen de hier wonende Visschen zich op in de kleine plassen, die nog water bevatten of in den vochtigen modder. Hier ziet men ze bij duizenden dooreenkrioelen in het brijachtige slijk. Als ook dit verdroogt, begeven zij zich over land naar andere vijvers, die nog water bevatten. Eens zag ik er honderden in de nabijheid van een zoo even door hen verlaten vijver; zij verspreidden zich in verschillende richtingen en vervolgden hun weg ten spijt van alle bezwaren en hinderpalen. Daar de bedoelde plas tot dusver als drinkplaats gediend had voor de tamme en wilde dieren uit de buurt, was de grond hier overal ingetrapt; niet weinige Visschen vielen in de diepe, door voetstappen veroorzaakte kuilen, waaruit het voor sommige niet mogelijk was weg te komen, zoodat Wouwen en Kraaien een rijke vangst deden. Ik kreeg den indruk, dat deze verhuizingen uitsluitend ’s nachts plaats hadden, want ik heb nooit anders dan gedurende de morgenuren trekkende Visschen gezien. Ook heb ik opgemerkt, dat de exemplaren, die ik levend opzocht en in een tobbe met water hield, over dag rustig bleven, des nachts echter pogingen deden om hun gevangenis te verlaten en dikwijls werkelijk ontsnapten.”
Deze zelfde Visschen begraven zich zoo noodig in ’t slijk; misschien doen zij dit, na vooraf getracht te hebben water te vinden; misschien geven zij zich deze moeite niet eens, steken dadelijk den snuit in den modder en dringen, de vochtigheid volgend, hierin door. Volgens de aan Tennent verstrekte opgaven hangt de diepte, waarop men ze vindt, van de gesteldheid van den grond af. De aardlaag, die hen bedekt, heeft een dikte van ½ M. of meer, is dikwijls in alle richtingen gebarsten en zoo droog, dat zij bij ’t oplichten in stukken valt. De Visschen zelf liggen in een laag, die gewoonlijk nog eenigszins vochtig is, doch, naar het schijnt, ook wel kan uitdrogen, zonder dat hun leven gevaar loopt. De inboorlingen graven gedurende de droogte uit de diepste gedeelten van de bedding der vijvers de Visschen op; deze liggen bewegingloos in het slijk, dat hen aan alle zijden omgeeft, maar beginnen zich dadelijk te bewegen, nadat men ze er uitgehaald heeft.
Onmiddellijk na de eerste regenbuien, als de watervergaarplaatsen sinds weinige uren, of hoogstens dagen, gevuld zijn, houden de Singaleezen zich ijverig met de vischvangst bezig. Zij maken hiertoe gebruik van een korf zonder bodem, die zij, door de plas wadend, voor zich uit duwen en met den benedenrand in den grond steken, zoodra er Visschen in zijn, die er vervolgens van boven met de hand uitgenomen worden.
Op Java ziet men den Klimbaars soms op aanmerkelijken afstand van het water, waar hij uren achtereen over den grond kruipt; ook kan hij met de stekels van de buikvinnen en de randen der kieuwdeksels bij de dooreengewarde wortels der rhizophoren of wortelboomen, die de kust omzoomen, opklimmen en hier zijn prooi belagen.
*
Een door fraaie kleur, eigenaardigen vorm en merkwaardige levenswijze uitmuntende soort van Doolhofvisschen, die door de Chineezen sinds lang gefokt wordt, heeft men in Frankrijk voor ’t eerst leeren kennen door de exemplaren, die de Fransche consul Simon uit Ningpo overzond. Deze Visch, die zich in de gevangenschap zonder bezwaar voortplant en thans een sieraad van menig aquarium uitmaakt, is een door kweeking verkregen ras van de Grootvin [Polyacanthus (Macropodus) viridi-auratus] en wordt door de liefhebbers meestal Paradijsvisch genoemd. Hij vertegenwoordigt het geslacht der Veeldoornen (Polyacanthus), dat 7 soorten van Oost-Indische zoetwatervisschen omvat. Deze hebben een langwerpigen, zijdelings samengedrukten romp, talrijke stekels in de rugvin en aarsvin, kleine tanden in de kaakbeenderen en een tandeloos gehemelte. Zij onderscheiden zich bovendien door een eigenaardige inrichting ter beschutting van het doolhoftoestel, bestaande uit een kegelvormige holte aan weerszijden van het voorste deel der wervelkolom, aan welks vorming de 5 eerste wervels en hunne ribben deelnemen. Bij de bedoelde variëteit zijn de achterste gedeelten van rugvin en aarsvin zeer groot en van achteren tot een punt uitgetrokken, de staartvin zeer groot, tweelobbig, halvemaanvormig. De bruinachtige kleur van de bovenzijde gaat naar onderen in grijsgroen over; de teekening bestaat uit afwisselende, geelgroene (of blauwachtige) en roodachtige dwarsstrepen; het groene kieuwdeksel prijkt met een gelen rand. Bij het wijfje zijn de vinnen minder ontwikkeld en de kleuren doffer. Lengte: 8 à 9 cM.
Van het leven van den Paradijsvisch in de vrije natuur is ons niets bekend; sommige onderzoekers beschouwen hem als het voortbrengsel van een lang voortgezette teeltkeus. In China wordt hij algemeen gekweekt en nagenoeg op dezelfde wijze als onze Goudvisch behandeld; veel eerder dan deze zal hij zich echter in een beperkte ruimte voortplanten. Zijn leven in den gevangen staat wordt door Benecke op de volgende wijze beschreven: „De dieren kwamen in goeden welstand aan en begonnen, toen zij in een bak van ongeveer 40 liter inhoud gebracht waren, onmiddellijk de kleine Schaaldieren, larven van Muggen en Wormen te verslinden, die tusschen de waterpest (Elodea canadensis) rondzwommen. Reeds in de eerste dagen moesten zij hun levenswijze veranderen. Toen zij de tot voedsel geschikte dieren verbruikt hadden, verving ik deze door 2 soorten van kleine Schaaldieren, Watervlooien (Daphnia) en Schelpvlooien (Cypris). De laatstgenoemde diertjes hadden zij bij mij en waarschijnlijk evenmin vroeger leeren kennen; zij grepen ze zeer dikwijls, maar lieten ze aanvankelijk steeds kopschuddend weer los. Na verloop van 2 dagen echter wilden zij niet anders dan Schelpvlooien eten en lieten de Watervlooien onaangeroerd, hoewel ik vele van deze diertjes in het water bracht; slechts nu en dan hapten zij naar een buitengewoon vet exemplaar. Aanvankelijk had ik mij hun eetlust minder groot voorgesteld: dit bleek mij, toen ik eens geen kleine Schaaldieren of larven van Insecten had kunnen krijgen. Zij verslonden toen met smaak niet slechts zeer kleine, maar ook groote Regenwormen, zelfs exemplaren, die 5 à 8 cM. lang en 2 mM. dik waren.
„Kort na hun aankomst, vooral in de voormiddaguren, als de stralen van de morgenzon af en toe hun woning verlichtten, begonnen deze Visschen hun bekoorlijk minnespel. Dit gaat, als naar gewoonte, gepaard met het toenemen van de schoonheid en volheid der kleuren, die weer verflauwen, wanneer men het paar scheidt. Ongeveer 4 weken later had de romp van het wijfje een grooteren omvang verkregen en begon het mannetje een nest te bouwen. Met dit doel kwam het telkens aan de oppervlakte van ’t water, vulde den bek met lucht en liet deze daarna onder water in kleine, door een speekselvliesje omhulde bellen weer ontwijken; hierdoor ontstond een tamelijk stevig samenhangende laag van luchtbellen, die dikwijls door nieuwe vervangen werden. Het mannetje stond gewoonlijk onder deze laag in den eenen hoek van den bak, het wijfje in den tegenovergestelden hoek; om te spelen begaven beide zich echter naar het midden van den bak, waar geen planten waren.”
Nu begint het eieren leggen. Deze vallen slechts bij uitzondering op den bodem, maar stijgen in den regel naar den waterspiegel en blijven hangen of zweven aan de onderzijde van het uit schuim bestaande nest, waaronder het kuitschieten steeds plaats vindt. Die, welke op den bodem vallen, worden door het mannetje opgezocht en in het nest gebracht. Na verloop van eenigen tijd, in ’t geheel ongeveer 10-maal per dag, herhaalt zich hetzelfde verschijnsel. In de tusschenpoozen en ook na afloop van het kuitschieten tot aan het te voorschijn komen der jongen, is het mannetje telkens bezig met herstellingen aan het nest te verrichten en de eieren zoo te rangschikken, dat er één onder iederen schuimbel ligt; tevens waakt het ijverig en zorgvuldig voor de veiligheid van eieren en kroost. Ongeveer 24 uren na het leggen van het ei, wordt de donkere kiemvlek op den lichtgelen dooier zichtbaar; één dag later kan men het hart zien kloppen; 12 à 18 uren daarna wordt het ei verlaten door het jonge vischje, dat nog geen mondopening heeft en op een zeer kleine kikkerlarve gelijkt; op den 5den of 6den dag heeft het den vorm zijner ouders verkregen; in de 8e levensmaand is het volwassen. Zoolang het nog de hulp van de ouders behoeft, is het mannetje vol zelfverloochenende zorg. Op gelijke wijze als de mannelijke Stekelbaars houdt ook de Grootvin het jonge, onrijpe kroost bijeen en handhaaft streng de orde onder zijne kinderen. Zoodra een van de jonge vischjes zich te ver uit de buurt begeeft, grijpt hij het met den muil, slikt het in spuwt het weder uit in het tot beschutting dienende schuimnest. Op een even zonderlinge als doeltreffende wijze toont hij, naar men zegt, zijn zorgvuldigheid voor zieke of achterlijke jongen: zulk een schepseltje wordt met een vooraf gemaakte luchtbel omhuld en op deze wijze als ’t ware tot een nieuw leven opgewekt. Zoodra de jongen de hulp van den vader niet meer noodig hebben, laat deze hen aan hun lot over, en ziet er zelfs, evenals het wijfje, geen bezwaar in, ze te verslinden. De jongen voeden zich aanvankelijk met het schuim van het nest, later met uiterst kleine Infusiediertjes, vervolgens met verschillende voor het ongewapende oog zichtbare lagere dieren en ten slotte op dezelfde wijze als hunne ouders.
Zoowel door de hierboven beschreven handelingen en gewoonten, als door hun verrassende vruchtbaarheid, verdienen de Paradijsvisschen ten zeerste de belangstelling van alle liefhebbers van dieren. Men bericht, dat een enkel paar van deze Visschen gedurende één zomer 6-maal kuitgeschoten, telkens 400 à 600 jongen grootgebracht en dus aan niet minder dan 3000 nakomelingen het leven geschonken heeft. Waarschijnlijk zal daarom dit dier hoe langer hoe meer voor aquariën gebruikt worden en misschien den Goudvisch zoo niet geheel, dan toch ten deele verdringen.
*
Vermelding verdient nog de Goerami of Ikan-goerami (Osphromneus olfax), de koning der Javaansche zoetwatervisschen, wiens smakelijk vleesch zoowel door Europeanen als door inlanders hoog geschat wordt. Deze zeer groote Visch, die soms meer dan 2 M. lang en ruim 10 KG. zwaar wordt, heeft, evenals de andere leden van zijn geslacht, een zijdelings zeer sterk samengedrukt lichaam van onregelmatige eivormige gedaante, aan den buik sterker buitenwaarts gekromd dan aan den rug, een kleine mondopening met naar voren verschuifbare tusschenkaaksbeenderen en eenigszins vooruitstekende onderkaak, fijne, fluweelachtige tanden in beide kaken, fijne tandjes aan den rand van het voordeksel en aan het onderoogkasbeen, een aarsvin, die de rugvin verre in de lengte overtreft en buikvinnen, waarvan de eerste straal zeer sterk borstelvormig verlengd is. Hij heeft een roodachtig bruine rugzijde met donkerder dwarsstrepen; de zilverkleurige buik is als ’t ware met bruine, halvemaanvormige vlekken geteekend, omdat de overigens licht gekleurde schubben een bruinen rand hebben; aan den wortel van iedere borstvin bevindt zich een onregelmatige, zwarte vlek.
Riemvisch (Regalecus Banksii). 1⁄12 v. d. ware grootte.
De Goerami bewoont de Groote Soenda-eilanden. Hier leeft hij op de wijze van onze Karpers in stille, overvloedig met planten begroeide zoetwaterplassen; hij geeft aan zuiver water de voorkeur, doch gedijt ook in modderige vijvers en poelen, verbergt zich gaarne in holen en voedt zich met plantaardige stoffen. Wegens zijn vleesch, dat, naar gezegd wordt, boven dat van alle overige zoetwater- en zeevisschen te verkiezen is, kweekt men hem in en bij Batavia in vijvers of houdt hem in groote steenen potten, waarvan het water iederen dag ververscht moet worden. De gevangen dieren worden gevoed met een zoetwaterplant (Pista natans); deze gewone spijs kan men echter zeer goed vervangen door voedsel, dat ook hier verkrijgbaar is: kool, salade, zuring, rapen, zemelen, brood, rijst, maïs, boonen en gekookte aardappelen; bovendien eet dit dier ook Wormen, Insecten, kleine Visschen en Vorschen, zelfs stukjes vleesch, hetzij rauw of toebereid. De pogingen om den Goerami, die wegens de taaiheid van zijn leven, de gemakkelijkheid, waarmede hij gevoed kan worden en de kwaliteit van zijn vleesch ten zeerste aanbeveling verdient, ook in andere landen te acclimatiseeren zijn velerwege (Penang, Malakka, Mauritius) uitmuntend geslaagd en doen elders (zelfs in Europa) een goeden uitslag verwachten.
Ook de Goerami onderscheidt zich door de zorg, die de ouders voor de eieren en de jongen dragen. In een eivormig nest, dat in een hoek of tusschen waterplanten gebouwd wordt, legt het wijfje 800 à 1000 eieren, die zich aanvankelijk met de bestanddeelen van hun nest voeden.
De 18de onderorde van de Stekelvinnigen is die der Lintvisschen (Taeniiformes); zij vormen één gelijknamige familie (Trachypteridae) en kenmerken zich door een lang en hoog, zijdelings zeer samengedrukt en dus lintvormig lichaam met kleinen kop en groote, uitpuilende oogen; de mondopening is klein en kan tot een korten snoet verlengd worden; deze is tandeloos of met zwakke tandjes gewapend; de rugvin, die zich over de geheele rugzijde uitstrekt, wordt gesteund door ongelede stralen, behalve op den kop, waar zich buigzame stekels bevinden, die zich door een eigenaardigen vorm en een buitengewone lengte onderscheiden; de buikvinnen zijn een weinig achter de meestal zeer kleine borstvinnen aangehecht en soms sterk ontwikkeld; de aarsvin ontbreekt; de staartvin is onbeduidend en niet in de lengteas van het lichaam gelegen, maar naar boven gericht; de wervels zijn zeer talrijk. De huid bevat uiterst kleine schubben of is naakt.
De Lintvisschen, waarvan 3 geslachten met 16 soorten onderscheiden worden, leven op aanzienlijke diepten en bewonen waarschijnlijk alle zeeën; slechts zelden en steeds in dooden toestand wordt er een enkel exemplaar van gevonden. Ten gevolge van de vermindering, die op de spankracht der gasvormige bestanddeelen van het lichaam bij den overgang uit de diepte naar de oppervlakte der zee ondergaat, zijn het spierweefsel en het van nature zacht en poreuze beenweefsel zoo onsamenhangend, dat het bijna niet mogelijk is dergelijke exemplaren onbeschadigd uit het water te halen; zij gaan zeer spoedig tot ontbinding over en kunnen dikwijls zelfs in spiritus niet goed bewaard worden. Van de levenswijze dezer dieren is niets bekend.
Chipfish of „Spaanvisch” (Trachypterus arcticus) noemen de Engelschen een, naar het schijnt, uit noordelijke zeeën afkomstige Lintvisch, die herhaaldelijk aan de kusten van Groot-Brittannië, vaker evenwel aan die van Skandinavië en IJsland aangespoeld is, maar zoowel hier als daar zelden voorkomt. Deze Visch heeft bij een lengte van 150 een hoogte van 20 en een dikte van slechts 2 cM.; hij gelijkt dus werkelijk op een houtspaander. De kop en de romp zijn zilverwit, gene grijsachtig gemarmerd, deze aan weerszijden met twee schuins geplaatste, eivormige vlekken geteekend; de vinnen hebben een lichtroode kleur. De staartvin, die bij volwassen exemplaren slechts zelden aangetroffen wordt, is waaiervormig naar boven gericht. De buikvinnen zijn goed ontwikkeld, uit verscheidene min of meer vertakte stralen samengesteld. Aan de kusten van Europa en aan de westkust van Zuid-Amerika heeft men nog 8 andere soorten van hetzelfde geslacht aangetroffen.
*
Den 23en Februari 1788 strandde op de kust van Groot-Brittannië een Visch, die 2.5 M. lang, 24 cM. hoog, 6 cM. dik en 20 KG. zwaar was. Men noemde dit aan alle visschers onbekende dier Paddlefish (Riemvisch), omdat zijn vorm aan een roeiriem herinnerde. Een tweede exemplaar van dezelfde soort, ruim 4 M. lang, 30 cM. hoog en 8 cM. dik, werd den 18en Maart 1796 gevonden. In ’t geheel zijn van 1759 tot 1878 zestien Riemvisschen op de Britsche kust aangespoeld (één daarvan was 6 M. lang en slechts ongeveer 5 cM. dik); het is echter niet uit te maken, of zij alle tot dezelfde soort behooren als de eerstgenoemde. Bij deze (Regalecus Banksii) bedraagt de lengte van den kop 1⁄16, de hoogte van den romp 1⁄13 van de totale lengte. De snuit is afgeknot, de mond tandeloos, de bovenkaak verschuifbaar. De groote oogen zijn zijdelings voor en boven aan den kop gelegen en beslaan niet minder dan ⅙ van de lengte van den kop. Een vliezige zoom strekt zich uit langs den buik. Van de 264 à 290 rugvinstralen zijn de 12 à 15 eerste sterk verlengd, aan den top een weinig achterwaarts gebogen en hier voor een deel tot dubbele dikte verbreed; eenige daarvan zijn tot dicht bij de spits door een vlies vereenigd, de overige vrij; de korte stralen steunen een vinvlies van gelijkmatige hoogte; de borstvinnen zijn klein; elke buikvin bestaat uit één zeer langen en spitsen straal. De romp is met talrijke beenige schildjes bedekt, waarvan de grootste op vier langs de zijden van den romp hoekig uitpuilende kanten voorkomen en de overige onregelmatig verstrooid zijn. De teere, witte kleur vertoont een zilverachtigen glans; de teekening bestaat uit afgebroken, donkere strepen. De vinnen zijn oranjegeel.
De zeldzaamheid van deze Visschen en de toestand, waarin zij bij het aanspoelen verkeeren, pleiten ten gunste van de onderstelling, dat zij in diepe lagen van de zee leven. In verband met de vroeger heerschende onjuiste meening, dat uit de IJszee de haringscholen afkomstig zijn, heeft men den Riemvisch ook wel „Haringkoning” genoemd, evenals de Zonnevisch.