VERHALEN EN GESPREKKEN
UIT DE
BINNENLANDEN VAN JAVA.

2.

Ik droomde.

Ik bevond mij in het binnenste heiligdom eener kerk, waar geen leek mogt binnentreden. Ik weet niet regt of het in Polen, in Spanje of in een ander land was. Een jonge geestelijke zou de priesterlijke wijding ontvangen en, met eene bijzondere zending belast, naar een verwijderd land vertrekken. Vele priesters in hun feestgewaad gedost waren aldaar vereenigd, ter bijwoning van de heilige plegtigheid. Verscheidene kardinalen, met de breede hoeden en prachtige purperen mantels, zaten in het gestoelte aan de eene zijde der hooggewelfde kapel, benevens eene menigte bisschoppen met hunne hooge mutsen en van goud blinkende herderstaven en kruisen, en hierop volgde eene lange rij priesters van minderen rang. Allen waren in prachtige, schitterende gewaden gedost. En—hetgeen ten hoogste mijne verwondering wekte—tegenover hen zat een gelijk aantal dominé’s, die met hunne driekante hoeden en zwarte kleedij eene, wel is waar, minder schitterende, maar even lange rij vormden. Ik en mijn broeder Nacht waren de eenige oningewijden aldaar tegenwoordig. Hoedanig ik te dier plaatse was gekomen, dit wist ik niet; het bleef mij een onoplosbaar raadsel, maar ik was er en stond met mijn broeder Nacht in een der verwijderde hoeken van de kapel achter een pilaar verborgen. Hoog verhieven zich in de beide zijgevels der kapel de spits toeloopende vensters, waarvan de beschilderde glazen het invallend daglicht temperden. Een veelkleurig schijnsel verwde den vloer in het midden der kapel, waarvan de verder afgelegene hoeken en nissen in een tooverachtigen schemer waren gehuld. Tusschen de vensters ontwaarde men allerwege aan de wanden groote schilderijen in olieverw, waarop verscheidene figuren stonden; zij waren allen in lijsten gevat en stelden voor de wonderen door Jezus Christus op aarde verrigt. Op eene dier schilderijen zag men de uitstorting van den Heiligen geest op de Apostelen, en eene der grootsten stelde voor de opstanding der dooden. De allergrootste echter, welke te gelijker tijd de fraaiste schilderij was, hing op den voorgrond hoog aan den wand; slechts een kruis verhief zich daar boven. Christus was daarop afgebeeld, na zijne opstanding uit het graf, ten hemel varende. Op deze schilderij verlaat hij onze aarde, keert hij terug naar zijnen hemelschen Vader, nadat hij zijn verlossingswerk alhier heeft volbragt. Zijn gelaat is verheerlijkt, zijne houding zegevierend, goddelijk. Al wat aardsch is, heeft hij overwonnen; hij zweeft opwaarts nog ligter dan de lucht, welke hij doorklieft en de sterfelijke wezens, daar beneden op de aarde, staren hem, met opgeheven armen, in verwondering en verrukking na. Een lichtende stralenkrans omgeeft zijn hoofd en tusschen gulden wolken blinkt in de verte de geopende poort des hemels, de plaats der eeuwige gelukzaligheid, werwaarts tallooze scharen van heilige engelen hem begeleiden.

Beneden deze heerlijke schilderij bevond zich eene nis; een zwaar gordijn verborg haar binnenste voor elken bespiedenden blik. Vóór deze nis stond eene tafel met een purperen kleed bedekt; op een opengeslagen Nieuw Testament, dat zich daarop bevond, lag een groot zilveren kruis.

Een der oudste dominé’s stond van zijnen zetel op en sprak deze woorden: „Katholieke broeders! Wij zijn alhier gekomen om, na het verrigten der plegtigheid, welke gij nu zult vieren, met u te beraadslagen over de wijze, waarop de gevaren zullen worden afgekeerd, die onze christelijke kerk van meer dan eene zijde bedreigen. Het kille ongeloof, welks adem een doodelijk vergift is, verbreidt zich allerwege meer en meer in het rond; de leeringen der natuuronderzoekers komen, als een verblindend weerlicht, al nader en nader tot ons, ten einde door haar bedriegelijk schijnsel het Heilige Woord der Openbaring in de schaduw te stellen. Zij durven het wagen van natuurwetten, in plaats van wonderen te spreken. Die dwazen! zij wanen zich in staat, meer te kunnen begrijpen van het geschapene in de natuur, dan hetgeen God de Heer in zijne Heilige Schrift—in den bijbel—ons daaromtrent heeft geopenbaard. Wonen wij niet in het vetste land des geloofs? en worden onze broeders wel ergens ter wereld zoo zeer door het volk geëerd als hier? Maar al onze invloed, al het aanzien, dat wij hebben verkregen door een moeitevollen arbeid, die eeuwen lang is voortgezet, moet geschokt worden, wanneer het volk niet meer aan wonderen gelooft. Dit moet worden verhoed, deze goddelooze zucht moet worden tegengegaan. Maar, mijne waarde Katholieke ambtgenooten, slechts dan wanneer wij met vereende krachten te werk gaan, kunnen wij de hoop voeden sterk genoeg te zijn om aan den stroom der verlichting paal en perk te stellen. Het is waar, ons beider kerken zijn gescheiden, ja, wat meer is, staan oogenschijnlijk vijandig tegen elkander over. Wordt de zaak echter van naderbij onderzocht, dan blijkt dat het onderscheid inderdaad niet groot is. Gij draagt een ronden, wij een driekanten hoed, maar toch gelooven wij beide aan het driemaal een is een, en bovendien wanneer het eene zaak geldt zoo hoog gewigtig als deze, dan zouden wij de punten onzer hoeden wel wat kunnen laten bijronden. Gij vereert, het is waar, de moeder Gods bijna meer dan Hem zelven en zijn Vader, maar wat is daaraan gelegen, want de scheppende kracht der natuur moet toch beide mannelijk en vrouwelijk tevens zijn geweest. En wenden wij onze blikken naar de tafereelen, die wij hier rondom ons aan de wanden aanschouwen,—zijn het niet allen zinnebeeldige voorstellingen van hetgeen gij den volke leert? Welnu, datzelfde leeren wij insgelijks.—Jezus Christus is Gods Zoon, ontvangen van den Heiligen Geest, geboren uit de onbevlekte maagd Maria; hij stond op van de dooden, nadat hij was gekruisigd geworden; hij verloste den mensch van de zonden en voer op ten hemel; dat leert gij en dat leeren wij insgelijks.—Gij acht het noodzakelijk ter bevestiging van uw aanzien, dat het volk aan wonderen gelooft; wij insgelijks.—Gij vermeent, wel is waar, in den wijn en het brood, of in de hostie het ligchamelijk vleesch en bloed van Christus te nuttigen, en wij denken slechts daarbij aan zijn gebroken vleesch en zijn vergoten bloed; maar gij beschouwt het Avondmaal als een der heiligste sacramenten, en wij insgelijks.—Gij houdt het omsluijerde beeld in de nis voor het oog der menigte verborgen; wij insgelijks.—Welk onderscheid bestaat nu tusschen uwe en onze leer? In het wezen der zaak komen beide overeen; datgene, waarin zij van elkander afwijken, betreft slechts den uiterlijken vorm, het zijn niet dan kleinigheden. Hierover moeten wij thans heenstappen, ten einde de hoofdzaak, die ons beide evenzeer aangaat, te redden. Bij de steeds dreigender wordende teekenen dezer zoogenaamde verlichte negentiende eeuw moeten wij onze krachten, die tot dusverre verdeeld zijn gebleven, vereenigen, opdat het gansche gebouw, waarop uwe zoo wel als onze magt steunt, niet instorte. Gij hebt, wel is waar, een opperhoofd der kerk, waaraan gij onvoorwaardelijk gehoorzaamt; wij hebben er geen en ieder onzer is liever zelf, elk in zijn eigen kring—een paus. Bij de gevaren echter, welke het heilige orthodoxe geloof aangrimmen, zou het niet dan verderfelijk voor ons beide zijn, indien de bestaande verdeeldheid en versnippering onzer krachten langer bleef voortduren. Door dergelijke kwalen geteisterd, gelijk tegenwoordig het geval is, waar een verstijvende adem van twijfelzucht en verlichting ons steeds heftiger toewalmt, ziet men gaarne om naar een steunpunt, naar een hechten pijler, waaraan men zich kan vastklemmen, en het is aan geen twijfel onderhevig, dat wanneer onze krachten zijn vereenigd en wij door een hoofd worden aangevoerd, wij niet tweemaal, neen, tienmaal meer kracht zullen kunnen uitoefenen, dan waartoe wij ieder afzonderlijk in staat zijn. En nu, broeder bisschop, verrigt eerst uwe dienst, opdat wij later over deze zaak kunnen beraadslagen. In den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes. Amen.”

De jonge zendeling trad voor en de wijbisschop sprak de volgende woorden tot hem: „Mijn zoon! Gij zijt hier gekomen om het hoofd der kerk den eed van onverbrekelijke gehoorzaamheid te zweren. Gij zijt onderwezen in onze geloofsleer en ik behoef hare grondstellingen hier niet te herhalen. Maar uwe pligten wil ik u nog eenmaal in het geheugen roepen. Onvoorwaardelijke gehoorzaamheid zijt gij aan de kerk verschuldigd, en gij moet bezield zijn met een blind geloof. Daarover na te denken is zonde, twijfel te voeden is ketterij. Ketters worden gestraft met den ligchamelijken dood en de eeuwige verdoemenis. Allen hopen wij met God, onzen Heer en Zaligmaker Jezus Christus, dat de tijd weder zal aanbreken, waarop wij magt zullen hebben alle twijfelaars en ketters te verdelgen en u, mijn zoon, hebben wij uitverkoren en waardig gekeurd om een medearbeider en ons werktuig te zijn, ten einde deze magt ons weder te hergeven. Het hoofd onzer kerk, de plaatsbekleeder Gods op aarde, heeft met de ingewijden, die hij zijn vertrouwen waardig keurt, alléén het regt de stellingen onzer heilige godsdienst te onderzoeken en te beoordeelen. Gij en alle anderen moogt niet beoordeelen, gij behoort slechts te gelooven en te gehoorzamen en dit geloof moet gij door alle mogelijke middelen uitbreiden en tegen de ketters strijd voeren. Kunt gij een ketter verdelgen, zoo moogt gij geen medelijden met hem hebben. Zij zijn door God vervloekt. Verlies nimmer uit het oog, dat gij aan datgene, wat de kerk u leert en gebiedt, dat wil zeggen: aan uwen God—meer moet gehoorzamen dan aan menschen. Wanneer gij, gedurende eene reeks van jaren, u waarlijk getrouw en werkzaam zult betoond hebben, dan wacht u de heerlijkste belooning. Gij zult met geestelijke waardigheden overladen en onder het tal van ingewijden opgenomen worden. Hef uwe oogen op naar het tafereel, dat gij ginds op den voorgrond ziet en aanschouw het voorhangsel, dat het binnenste der nis beneden de schilderij voor uw oog verbergt. Achter dit voorhangsel staat het ware beeld. Maar hoogst gevaarlijk, ja, verderfelijk zou het voor onze belangen zijn, indien wij dat beeld den volke vertoonden, want zagen zij het of konden zij het zien, dan ware het met onze heerschappij gedaan. Om die reden moet de waarheid omsluijerd en zorgvuldig geheim gehouden worden. Het volk mag niet verlicht zijn, maar moet gelooven, hetgeen wij aan hetzelve leeren en ons voor onfeilbaar houden. Dan laat het zich ’t gemakkelijkst besturen; op die wijze maken wij ons aan de wereldlijke regeringen onontbeerlijk, ja, wat meer is, wij houden die zelven daardoor in bedwang en heerschen over haar. Dat het groote doel der hierarchie, de algemeene wereldlijke heerschappij over alle volken der aarde, door u, mijn zoon, derhalve nimmer uit het oog worde verloren, en vergeet niet, dat het zekerste middel om daartoe te geraken, is: het onderrigt der jeugd. Prent derhalve de grondstellingen onzer leer vooral diep in het kinderlijk gemoed; want hetgeen het kind gewoon is als heilig te vereeren—al was het louter onzin, dwaling of bedrog—de vereering daarvan zal hem eene behoefte worden, welke in latere jaren niet dan hoogst moeijelijk ontbeerd, waaraan het geloof ter naauwernood geschokt zal kunnen worden. De jeugd zij derhalve bij voorkeur het voorwerp uwer zorg, en stel u steeds levendig voor den geest, dat een van onze eerste en krachtigste middelen, om ons tot het beoogde doel te voeren, is: het schoolonderwijs te leiden en de scholen onder ons opzigt te brengen. En gij, mijn zoon! wanneer gij de proef zult hebben doorgestaan en in de uitoefening uwer pligten, met het oog op het doel onzer heilige kerk, onwankelbaar getrouw zult geweest zijn, dan zal het u vergund zijn het voorhangsel ter zijde te schuiven, dat het gindsche beeld bedekt en gij zult een onzer vertrouwden wezen. Bereid u nu om den heiligen eed te zweren. Benedicite!”

Onmiddellijk hierop lieten zich de akkoorden van het orgel hooren; zijne krachtige toonen wekten de echo’s van het hooge gothische gewelf en een koor van priesters hief geestelijke liederen aan, waarvan het maatgezang plegtig en indrukwekkend zich paarde aan het orgelgeluid. Eene menigte kaarsen brandde op het altaar en in het wit gekleede knapen zwaaiden hunne wierookvaten, wier welriekende dampwolken al hooger en hooger opstegen.

De aanspraak des bisschops had mij tot in het binnenste mijner ziel geschokt; een onweêrstaanbaar verlangen maakte zich van mij meester om het beeld beneden die groote schilderij, dat hij het ware beeld had genoemd, te aanschouwen. Het was mij niet mogelijk dit verlangen te bedwingen, niettegenstaande mijn broeder Nacht mij bij den arm vasthield en mij toefluisterde: „Om Gods wil, Dag! houdt u toch stil; wij zijn hier beide ongenoodigde gasten. Dat wij ons alhier bevinden, is in hun oog reeds ongeoorloofd; woedend zouden zij worden, indien zij ons ontdekten en rukt gij nu daarenboven nog het gordijn weg, dat gindsche nis bedekt, dan zou het u ’t leven kunnen kosten! Ik bid u, zie af van dat voornemen; kom, laat ons ijlings en in stilte van hier vlieden.” Ik werd echter door de sterkste begeerte geprikkeld om dat beeld in de nis te ontsluijeren,—ik trad nader en rukte het gordijn weg.

Plotseling verbleekten de blinkende kleuren der schilderij, welke boven de nis hing, de stralenkrans die het hoofd van Christus omgaf, verdween, de engelen weken van zijne zijde, het orgel zweeg en het maatgeluid van het priesterkoor verstomde. De wierookwolken werden snel als door een storm weggevaagd en al de kardinalen, bisschoppen, pastoors en dominé’s vloden ontsteld, verschrikt, in de grootste verwarring uit de kerk.—En wat zag ik nu?—Wat geschiedde aldaar?

De beeldtenis afgemaald op de schilderij, welke zich bevond in de nis, waarvan ik het gordijn had weggeschoven, begon zich te bewegen, zij werd levend en—voor mij stond een mensch,—een man met joodsche gelaatstrekken, zwart van baard en van hoofdhaar,—met een bleek, door lijden vermagerd gelaat; hij was gekleed in een eenvoudig, grijskleurig gewaad en weemoedig, ik mag zeggen, treurig was de blik, dien hij op mij wierp. Aan zijne handen bespeurde ik blaauwe, dik opgezwollene lidteekenen.

Stil, ontroerd stond ik daar. Ik begon berouw te gevoelen over de daad, door mij bedreven; mijn boezem werd vervuld van medelijden op het zien der gestalte, waarop ik mijne blikken had gevestigd. Zij was niet blinkend gelijk de sluijer, die haar vroeger omgaf, om haar voor het oog te verbergen; neen, ontdaan van allen uiterlijken glans, stond daar voor mij, bleek en lijdend, een arme, mishandelde mensch!—ja, mensch.—En toch boeide mij die verschijning, stond ik als vastgenageld op de plek, waar ik mij bevond, was het mij niet mogelijk eene schrede voor- of achterwaarts te doen. De blik, welken deze mensch op mij sloeg, was zoo wonderbaarlijk zacht en teeder, dat mijne oogen aan de zijnen als gekluisterd waren en de menschenliefde, die hij zoo bij uitnemendheid schoon en luide heeft gepredikt, het medegevoel, de sympathie met onze natuurgenooten, werd in mijn boezem steeds levendiger en warmer, hoe langer ik hem aanzag. Zijn verhevene, rustige blik was op mij gerigt, op mij, die met vermetele hand hem had ontdaan van den stralenkrans en kerkelijken luister, waarmede de priesters hem vroeger hadden versierd; en toch was zijn blik zoo zacht, drong hij tevens zoo diep in het hart, ja, tot op den bodem des harten door, en deze ziel volle blik, de glans der oogen, welke steeds helderder werd, hoe langer men hem aanzag, wekte zulk eene geestvervoering in mij op, dat ook mijne oogen vochtig werden;—hij bemerkte het, hij verstond mij, een zachte lach, naauwelijks merkbaar, deed zijne lippen trillen,—hij strekte de hand naar mij uit en—ik viel neder op mijne knieën om haar te kussen.

Nu sprak hij: „Laat af, mijn vriend. Ik ben, gelijk gij, eens menschen zoon. Voor God alleen zult gij de knieën buigen. Mij hebben zij eerst mishandeld en gekruisigd,—druk mijne handen niet zoo sterk, de wonden, die zij mij geslagen hebben, doen mij steeds pijn,—duizend anderen, die na mij zijn gekomen en een gedeelte beleden van hetgeen ik beleed, hebben zij mishandeld en verbrand; toen hebben zij mijne leer vervalscht, mijn beeld omsluijerd, de waarheid verduisterd. In de plaats daarvan hebben zij bijgeloof gezaaid en opgekweekt, waarop hunne magt is gebouwd en godslasterlijk hebben zij beweerd deze daden te verrigten in majorem Dei gloriam! Ja, ten einde zulks met des te meer zekerheid te doen, hebben zij mij God den eeuwige genoemd en zich zelven verklaard te zijn mijne opvolgers en plaatsbekleeders op aarde. Toen Jozef van Arimathea mij van het kruis nam en nederlei in het graf, in de rots uitgehouwen, was ik schijndood ten gevolge van bloedverlies en het lijden, dat ik had verduurd;—later moest ik mij voor mijne vijanden verbergen en verkwijnde langzamerhand aan de gevolgen der geleden mishandelingen. Mijne leerlingen en vrienden, die mij overleefden, vermeenden in hunnen blinden ijver de goede zaak te bevorderen, door mijne geschiedenis met wonderen op te sieren. Zij verspreidden het verhaal, dat ik ten hemel was gevaren, maar helaas! door niets hebben zij zoo veel nadeel toegebragt aan de menschheid als juist door deze sprookjes, die zij hebben uitgestrooid. Wij allen zijn kinderen Gods, want de Heer heeft ons boven het gedierte, dat in de wildernis leeft, begiftigd met eene redelijke ziel;—maar zij zeiden: dat ik Gods ligchamelijke zoon was! En hetgeen ik uit mijn menschelijk verstand waar en juist ten opzigte van de schepping en haren maker erkend en geleerd had, dat alles gaven zij nu uit voor „het geopenbaarde woord Gods.” Niet altijd hadden zij mij begrepen, menigwerf een verkeerd denkbeeld van mijne woorden opgevat; veel hadden zij vergeten van ’t geen ik hen geleerd had, en andere dingen er bij gevoegd, die ik hen niet had geleerd; maar niettegenstaande dat stelden zij dit alles later te boek gelijk zij zulks geloofden en leiden mij die woorden in den mond. En nu werd dit doode woord als „heilige schrift of bijbel,” onveranderlijk van de eene eeuw op de andere voortgeplant, en in plaats van in het ware boek der openbaring te lezen, hetwelk allerwege, bij dag en bij nacht, voor hunne blikken geopend ligt, in plaats van zich te laven aan de levende bron der kennis, de schepping, en het oog in de diepte hunner eigene ziel te slaan, wisten zij van niets dan van het bepeinzen en doorbladeren van dezen bijbel; zij legden hem uit, zij verklaarden hem, zij stelden een woord nu aan de linker-, dan aan de regterzijde, plaatsten het nu eens schuin, dan weder regt; zij vonden er alles in, dat zij verlangden en loochenden datgene, hetwelk hun verkeerd toescheen. Uit deze woorden vormden zij gansche geloofstelsels en stelden den mensch het aanbidden van hunnen waan ten heiligen plagt; zij grondvestten hierarchien, rigtten brandstapels op en offerden ketters in de vlammen; zij begonnen te twijfelen, oneenigheid ontstond onder hen, zij scheidden zich van één, stichtten eene oneindige menigte sekten en op die wijze dwaalde een groot gedeelte der menschheid in de duisternis voort,—het weldadige licht der waarheid bleef verre van hen, dewijl de verstokte geloofswaan allen vooruitgang belette en dewijl zij datgene, hetwelk niet anders is dan een onvolkomen voortbrengsel van het menschelijk verstand—mijne leer, en zelfs deze niet dan vervalscht,—voor Gods woord uitgaven.—Maar laat dit u niet ontmoedigen; elk haar van uw hoofd is geteld, en de Heer, die in zijn groot scheppingswerk alles naar wijze wetten heeft geregeld, heeft insgelijks de veredeling en steeds voorwaarts strevende ontwikkeling der menschheid aan vast bepaalde wetten onderworpen. Moge onze blik te beperkt zijn om al deze wetten te doorgronden en te bevatten, het is echter niet minder zeker, dat de mensch zijne bestemming naar even onwankelbare wetten te gemoet gaat als zulks het geval is met alle andere werken Gods. Zou dan het volkomenste schepsel op deze aarde, waaraan de Eeuwige, Onvergankelijke een deel zijner kracht, het verstand, de redelijke, van zich zelf bewuste en onvergankelijke ziel schonk, zou dit buiten de algemeene ontwikkelingswet zijn gesloten? Neen, zijt verzekerd, de mensch gaat eene steeds grooter wordende volkomenheid in den toestand van het maatschappelijk leven te gemoet, beschenen door het licht van eene steeds helderder wordende kennis van het geschapene in de natuur en der Goddelijke kracht, welke er in heerscht. Te vergeefs trachten de dwazen de bron des lichts te verstoppen en de waarheid te omsluijeren; duizend andere menschen waren gereed en zullen gereed zijn om den sluijer, waarmede de waarheid is omhuld, weder weg te rukken, opdat de wet des Eeuwigen vervuld worde. Gij zijt een diergenen, en gij hebt het gordijn weggeschoven, dat mijn beeld bedekte. Ik dank u daarvoor. Ik bestreed de huichelarij der priesters, het bijgeloof en het bedrog in de godsdienst en zij kruisigden mij. De voortgang des tijds heeft u nader gebragt aan het groote doel der ontwikkeling en de magt der boozen is reeds in eene groote mate geknakt. Zij zullen u beschimpen, belasteren, zij zullen pogingen aanwenden om uwe bedoeling in een verkeerd daglicht te stellen. Maar vrees niet, want Groot is de waarheid en zij zal zegevieren. Zij echter, die de waarheid kennen en haar niet verkondigen, maar verzwijgen; zij schenden den pligt, die op hen rust. Deze zijn de helers, gene die stelen. Gene zijn het, die de onwaarheid en het bijgeloof onder het volk verbreiden; zij ontrooven den mensch de goddelijke kennis en zijn zedelijk heil. Ga voort op den weg, dien gij bewandelt en doe waartoe gij u geroepen gevoelt, maar doe zulks met zachtmoedigheid en vergeet nimmer, dat de boozen en huichelaars slechts verdwaalden en uwe broeders tevens zijn.”

Hij sprak met eene zachte stem. Zijne woorden klonken als de heerlijkste muzijk in mijne ooren en met verrukking ving ik dezelven op. Zijne krachten schenen uitgeput als van iemand, die veel geleden heeft en nu langzaam ter aarde zijgt. Maar zijn gansch gelaat teekende vrede en de glans zijner oogen was niet verdoofd.—Ja, ik erken u, gij zijt het—Jezus van Nazareth! die tot mij spreekt en u vereer ik. Ook ik wil mijn penningske bijdragen en eene poging doen om de aanbidding Gods in zuiverder, warer vorm te doen stand grijpen, om het verkeerde, het bijgeloof er uit te verwijderen, opdat sluwe menschen niet langer misbruik maken van de behoefte aan godsdienst hunner medebroederen,—ik wil mij scharen aan de zijde dergenen, die pogingen aanwenden om de voorschriften der zedeleer zoodanig in te rigten, dat zij werkelijk en letterlijk kunnen worden opgevolgd, opdat de huichelarij en schijnheiligheid ophouden te bestaan.

Eensklaps hief hij beide handen opwaarts, als bespeurde hij onverwacht eenig voorwerp achter mij,—ik keerde mij om en zag twee pastoors en drie dominé’s, die teruggekeerd waren,—zij hadden hunne ronde en driekante hoeden op den grond geworpen en ijlden met ontbloot hoofd, vreugdedronken en met tranen in de oogen naar het ware beeld van Jezus heen;—ik stond verlegen, getroffen, doch tevens aangenaam verrast tusschen hen beide; snel trad ik ter zijde,—daar klonk het geluid eener nabij zijnde muzijk mij in de ooren; ik hoorde zachte en welluidende toonen als van slaginstrumenten en de schoone gestalte van Jezus, het ontsluijerde beeld verdween uit mijne oogen.


Daar buiten in het dorp werd de Gamĕlan gespeeld, waarvan het geluid mij uit den slaap had doen ontwaken; mijn broeder Nacht lag nog verzonken in den periodieken schijndood der ziel,—hij sliep nog nevens mij, toen ik in stilte opstond en de deur der hut opende.—Het oog des daags was nog niet geheel en al ontwaakt; het gebroken zonnelicht, dat de hoogere luchtlagen, door de zon reeds beschenen, terugkaatsten, de schemering, omhulde nog de natuur, toen ik van den ladder afklom, en koel was de morgenlucht die mij haren verkwikkenden adem toeblies. Tot mijne verwondering zag ik, dat al onze pakkaadje reeds was aangekomen en op den achtergrond van het open plein voor onze woning, onder het geboomte, rondom eene Gamĕlan gerangschikt was.

Onder mijne Indische lezers wordt geen enkele gevonden, die niet weet wat eene Gamĕlan is. Dewijl het zeer mogelijk kan zijn, dat zulks niet met alle lezers in Nederland het geval is, zal het navolgende ter verduidelijking kunnen dienen. Onder eene Gamĕlan verstaan de Javanen eene vereeniging van groote en kleine muziekinstrumenten, voornamelijk van metaal vervaardigd, welke meerendeels den vorm hebben van een bekken en wat betreft de grootere soorten (de Gong’s) deels aan fraai bewerkte houten gestellen handen, deels (de Bonang’s en Kĕnong’s) zijn geplaatst over trogvormige kisten om den klank te verzwaren en in rijen nevens elkander op strak gespannen koorden liggen. Hiertoe behooren nog eene fluit (Soeling), eene viool met twee snaren (Rébab), eene trom (Kendang of Bĕdoeg), vervolgens een aantal andere trog- of bootvormige kisten, waarboven verscheidene in grootte trapsgewijs afnemende platen of staven in eene rij nevens elkander zijn geplaatst. Deze zijn of van metaal en hangen aan koorden (Gĕndèr), of zijn door middel van houten pennetjes op den rand der kist bevestigd en deels van metaal (Saron), deels van hout (Gambang kajoe) vervaardigd. Zij worden allen met houten hamers geslagen, die met leder of garen omwonden zijn en geven, niettegenstaande de voortdurende herhaling derzelfde hoogst eenvoudige Javasche melodien, een zeer aangenamen, welluidenden klank, welke eenige overeenkomst heeft met het geluid van een klokkenspel, maar die veel zachter van toon is, vooral indien men hem in de verte hoort. Tot een volledig orchest behooren vier, vijf tot acht Javanen om de instrumenten te bespelen en eene of twee Ronggeng’s, d. i. dans- of zangeressen. De Ronggeng’s zijn eene navolging der Indische bajadèren, die op Java uit den voormohammedaanschen tijd—den tijd der Hindoerijken, der Brahma- en Boedhagodsdienst—zijn overgebleven; deze treden echter alleen bij plegtige gelegenheden op.

Eene dergelijke Gamĕlan nu stond, met onze pakkaadje daaromheen, als het ware voor onze oogen nedergetooverd, terwijl eenige Javanen welluidende toonen aan de verschillende muziekinstrumenten ontlokten. Zij zaten daar met de beenen kruiselings over elkander geslagen op uitgespreide matten, voor hunne instrumenten, met de speelhamers in de hand en zagen er tamelijk slaperig uit. Zij schenen slechts het oogenblik te verbeiden, dat de zon boven den horizon zou verschijnen,—het tijdstip waarop onder dezen tropischen hemel iedereen, rijk en arm, zijne legerstede gewoonlijk verlaat,—om hunne instrumenten onder zwaardere slagen te doen klinken. Ik was vóór dien tijd ontwaakt, doch gaf hen te verstaan, dat mijn oudere broeder nog sliep en te gelijk roerden zij hunne handen sneller; zij speelden de melodie van Poetjoeng kanginan, een luid allegro werd gehoord, bim, bam, bim, en—boem klonk de zware basstem van den grooten Gong als een klok boven alles uit, en ziet, mijn broeder Nacht trad aangenaam verrast naar buiten, wenschte mij goeden morgen en wreef van verwondering zijne oogen, toen hij de Gamĕlan en onze koffers gewaar werd.—Sluipend naderde zijn bediende Lapiah, die met een mijner jongens gisteren de Koeli’s begeleid en reeds vóór het vallen van den avond hier had moeten zijn. Hij hinkte—en maakte een erbarmelijk figuur, toen hij daar schoorvoetend naderbij trad. Eindelijk vatte hij moed; hij maakte een buitengewoon feestelijk compliment en begon nu met een „Banjak tabé Toean, djangan mara Toean” een en ander tot zijne verontschuldiging in te brengen. Deze redenering kwam ongeveer hierop neder: Ja, mijn heer, de Koeli’s liepen zoo snel als mogelijk was en ik spoorde hen daarenboven voortdurend aan om nog grooteren spoed te maken, ten einde vroegtijdig genoeg alhier te komen; maar aan de Tji-Roké genaderd, kroop eene slang dwars over den weg en die beet mij in mijn linkerbeen.

NACHT. Eene slang, gebeten?

LAPIAH. Ja, mijn heer, maar zij was niet vergiftig.—Mas Poetri heeft haar dood geslagen en voor de verzameling van mijn heer Dag (bij het uiten dezer woorden maakte hij eene buiging voor mij) medegebragt. Toen de Koeli’s dit zagen, zeiden zij: dat is een kwaad teeken; op dezen weg durven wij niet verder voortgaan, want wij krijgen stellig een ongeluk, wij moeten een omweg maken en met een sloegen zij een zijpad in, dat langs de andere zijde van het dal loopt, zoodat wij door Desa-Paréang kwamen. En ziet, bedenk eens mijn Heer, hoe toevallig de omstandigheden kunnen zamenloopen, daar werd juist bruiloft gehouden en de Gameĕlan gespeeld, er waren Ronggeng’s en ons werd thee en Koewé koewé aangeboden. Ziet gij wel, zeiden de Koeli’s, dat wij geluk hebben op dezen weg en met een schoven zij de koffers van hunne schouders, plaatsten al de pakkaadje onder een Pĕndopo en wat wij ook deden, wat wij hiertegen inbragten—wij baden, wij dreigden hen, wij stompten er op—maar ’t was alles te vergeefs, eenigen vlijden zich neêr, aten Koewé koewé en luisterden naar de Gamĕlan, anderen tandakten (d. i. dansten) met de Ronggeng’s en al onze pogingen waren vruchteloos, wij konden hen niet van daar krijgen. Maar heden morgen ten 4 ure hebben wij er met den stok achter gezeten, hen eindelijk den weg op gedreven, en wetende dat wij op onzen togt voortdurend op den Gong zouden moeten slaan om de tijgers te verjagen, hebben wij gemeend, dat het beter was de gansche Gamĕlan maar mede te brengen. Ik weet immers, dat mijn Heer veel van muziek houdt. Mijn Heer ziet dus wel, dat het mijne schuld niet is.

NACHT. Gij slimme vos! De klappen, die gij de Koeli’s hebt gegeven, zullen wel niet veel pijn hebben veroorzaakt. (Lapiah zette een strak gezigt en eenige andere Javanen keerden zich om, ten einde hun lagchen te verbergen.) Vooreerst hebt gij den ganschen nacht gezwierd en met de Ronggeng’s getandakt; ons hebt gij, met verzaking van uwen pligt, hier laten zitten zonder kleederen, zonder wijn, zonder sigaren; ten anderen hebt gij die arme menschen nog bovendien gedwongen midden in den nacht de Gamĕlan herwaarts te brengen en nu zoudt gij mij nog wel willen wijs maken, dat dit alles geschied is om mij te believen. Maar gij zult zelf de kosten er van dragen.

LAPIAH. Baïk, Toean. Saja poenja oewang abis, kapan soeka pindjam sĕpoeloe roepia. (Zeer gaarne, mijn Heer. Mijne duiten zijn verteerd; heb de goedheid mij tien gulden te leenen.) Gij hebt toch geld genoeg.

NACHT. (lagchend) ’t Is wel, ik zal ze betalen, maak nu slechts dat gij weg komt en breng koffij voor ons beiden.

Dit bevel was voor Lapiah het teeken van verzoening; in zijn ijver om onze koffij in eene der hutten gereed te maken, sprong hij meer dan hij liep en had in zijne vreugde het hinken geheel vergeten, hetgeen de Javanen eindelijk in lagchen deed uitbarsten. Nu kwam ook mijn jongen, Mas Poetri, te voorschijn, die intusschen stil achter de deur gestaan en geluisterd had, met eene groote Sawah-slang, die minstens vijf voet lang was; zij hing aan een stok, welken hij voor zich uitdroeg. Na eenige strijkaadjen en buigingen begon hij op gelijke manier als de andere, Tabé Toean, enz., enz., deed nu ongeveer hetzelfde verhaal, dat hij met de volgende woorden eindigde: „Ja, mijn Heer, al het gebeurde moet aan de slang hier worden geweten. Maar nu heb ik toch uwe verzameling met een fraai en zeldzaam stuk verrijkt, indien gij de slang op spiritus wilt zetten.”

IK. Ga heen! Gij weet zeer goed, dat het eene gemeene soort van slang is, die voor mijne verzameling hoegenaamd geene waarde heeft. Ik wil u niet berispen, omdat gij u een onschuldig genoegen hebt verschaft, door deel te nemen aan de bruiloft; maar zoudt ge u niet beter van uwen pligt hebben gekweten, indien gij ons vooraf eene matras, onze dekens, eenige cigaren en wijn had toegezonden?

MAS POETRI. Ach, mij beste Heer! Ik dacht: wij jongens drinken nooit wijn en slapen alle dagen zonder dekens op den blooten grond; wat zal het nu voor kwaad doen, indien onze Heeren eens eenen enkelen nacht op die wijze doorbrengen?

IK. Nu, pak u voort, help de koffij zetten en draag zorg, dat die gereed is, wanneer wij terugkomen. Wij gaan den Goenoeng-Soesoe beklimmen (zoo heeten de bewoners van Gnoerag een kleinen heuvel, achter hun dorp gelegen), om van daar de zon te zien opgaan.

NACHT. Zeg eens broeder, hoe zou iemand op die menschen boos kunnen zijn?

DAG. Het is mij niet mogelijk. Hun karakter is een zonderling weefsel van goedhartigheid en zorgeloosheid, vereenigd met eene tamelijke dosis naive sluwheid. Zij hebben weinige behoeften; zij bekommeren zich niet om den dag van morgen en nog veel minder om dien van overmorgen, en een jaar na heden is iets, waarvan zij zich geen denkbeeld kunnen maken; om die reden genieten zij gaarne de vreugde van den oogenblik. Treft men hen aan, wanneer zij een onderwerp van eigen liefhebberij behandelen, bij voorbeeld, tandakken of bezig zijn een aap te vangen, en hem van boom tot boom, ja, tot in de hoogste toppen der boomen naklauteren, hoe behendig zijn zij dan! Dan laat zich geen spoor van traagheid of onverschilligheid bij hen bemerken;—welk eene kracht ontwikkelen zij dan, welk eene vaardigheid, welk eene vurige drift, welk eene volharding leggen zij aan den dag om hun doel te bereiken! Dan doen zij alles uit eigen beweging, en hebben geenerlei prikkel noodig.—Wenscht gij echter, dat zij iets zullen doen, waarbij gij alleen belang hebt, waaraan zij vooreerst geene behoefte hebben; verlangt gij, dat zij zich bezig houden met dien arbeid, welke de producten, voor de Europesche markt bestemd, levert, waarvan de bloei van onzen handel, ja, meerendeels het bestaan van ons rijk afhankelijk is, verlangt gij, dat zij dien arbeid vrijwillig verrigten, wilt gij het wat en het hoeveel zij planten zullen geheel en al aan hun eigen goeddunken overlaten, draag dan vooraf zorg, dat zij volkomen dezelfde behoeften, dezelfde belangen, een gelijken graad van beschaving hebben verkregen als wij bezitten; dan zullen zij het doen, even goed als wij. Maar wenscht ge, dat zij het vroeger doen, reeds nu doen, dan behoort gij hen te leiden en toezigt te houden over hunnen arbeid. Ik wil gaarne gelooven, dat de behoeften der Javanen, die in de nabijheid wonen van eenige groote kuststeden, waar vele suikerfabrieken in gang zijn, met het toenemen hunner beschaving zoodanig zijn vermeerderd, dat het niet noodig is toezigt over hunnen arbeid te houden. In het binnenland echter,—en hiervan zult gij weldra de overtuiging erlangen,—heeft de inboorling (op weinige uitzondering na) nog zoo weinig behoefte, dat een arbeid van twee à drie uren daags voldoende is om ze allen te bevredigen, en dat binnen den omtrek van één of een half uur afstands van zijne woning alles gevonden wordt, wat hij behoeft en waarnaar hij verlangt. De rijkelijkste belooning, de duurste betaling is aldaar niet in staat hem te bewegen om meer te verrigten. Wat zal hij aanvangen met het vele geld? Europesche waren en producten heeft hij niet noodig, en rijkdommen, enkel om den wille van het bezit er van, acht hij volstrekt niet. Maar hij bemint de eenvoudigheid en de rust in het kleine Eden, dat hem ten deel is gevallen, en hetwelk de natuur zoo wonderschoon meubileerde. Moge het nu waar zijn, dat wij van den arbeid, waartoe wij de Javanen verpligten, uit een materieel oogpunt beschouwd, het meeste voordeel trekken, het is niettemin eene onloochenbare waarheid, dat het houden van toezigt over dien arbeid ook voor hen zijne heilrijke zijde heeft. Een overtuigend bewijs daarvan leveren immers juist gindsche kuststeden en fabriekstreken des eilands, dewijl de aldaar wonende Javanen thans vrijwillig verrigten, waartoe zij vroeger moesten gedwongen worden. Door ons leeren zij al het weldadige eener regelmatige arbeidzaamheid kennen; het doelmatig verdeelen van hunnen tijd wordt hen tot gewoonte, en door hunnen omgang met de Europeërs vermeerderen hunne behoeften en worden zij van zelf beschaafder. Reeds gedurende den korten tijd van uw verblijf op Java is de beschaving der inboorlingen, zelfs in het binnenland, onmiskenbaar toegenomen.

NACHT. Maar ook hun schoolonderwijs behooren wij toch te verbeteren, op het gebied van zedelijkheid en godsdienst moeten wij hen toch iets leeren!

DAG. Ongetwijfeld; mits het slechts geene zoogenaamde heilige openbaringen, geene abstracte dogmen zijn der leer: driemaal een is een. Deel hen nuttige kennis mede der stellige wetenschappen, die zij kunnen toepassen ter verbetering hunner huisselijke inrigting en van hun handwerk, waardoor zij hun materieel welzijn verhoogen. Wanneer zij zich toeleggen op de beschouwing der natuur, die in hun land zoo majestueus groot en schoon is, waarvan eene naauwkeurige kennis—van de wederkeerige werking der krachten, naar gelang van het onderling verband der verschijnselen—voor hen in elk opzigt niet dan nuttig zijn kan, dan zal hun zedelijk gevoel tevens worden veredeld en de ware, natuurlijke godsdienst zal van zelf meer en meer bij hen ontluiken; want al dat in de natuur bestaat, ademt Gods wijzen geest.

Onder het houden van dit gesprek hadden wij den top des heuvels bereikt (benevens eenige Javanen, die achteraan waren gekomen),—toen de morgen aanving de openbaring Gods in de natuur op nieuw te verkondigen. Het opgaan der zon is overal, in alle landen, in elk jaargetijde een heerlijk verschijnsel, het stemt den mensch tot nadenken en wekt menig sluimerend gevoel in onze ziel. En een morgen op Java! hoe verheven, hoe prachtig en verkwikkend tevens lacht hij ons toe!

Nog laat zich geene stem in de schepping vernemen, de geringste ademtogt des winds wordt men niet gewaar; men bespeurt slechts eene toenemende verandering, namelijk, aan den hemel, vooral aan den oostelijken hemel, die tot hoog in het zenith allengs helderder wordt; gekleurde stralen schieten, in eene divergerende rigting even als de speeken van een wiel, opwaarts,—eenige dezer stralen, namelijk die deelen der atmospheer, welke door de zon worden beschenen, blinken in gulden gloor, anderen, namelijk die niet door de zon worden getroffen, waarop ver verwijderde oneffenheden des horizons, als boomen, bergen, hunne schaduw werpen, doen zich aan het oog voor als azuurblaauwe strepen tusschen de vorigen;—geen enkel wolkje is aan het gansche uitspansel te bespeuren; de nachtelijke koelte, die juist op dezen oogenblik, nu de verwarmende zon het langst afwezig was, haren hoogsten graad heeft bereikt, deed al den waterdamp, in de lucht aanwezig, nederploffen; hij werd herschapen in nevel en dauw, en bedekt nu allerwege bladeren en grashalmen,—alles is vochtig en het plantenrijk is verkwikt, ook zonder dat er regen is gevallen; de bronnen van alle beken hebben nieuwen toevoer van water gekregen,—daar gaat de zon op en elke dauwdruppel wordt tot een prisma, blinkt in alle kleuren des regenboogs en millioenen diamanten fonkelen aan alle grashalmen, die zich buigen aan alle boomen en struiken. Tallooze vogelen heffen nu hun gezang aan; zij kweelen en fladderen door het gebladerte een nieuw leven te gemoet;—de paauwen verlaten den tak, waarop zij in het loofgewelf van hooge boomen gedurende den nacht stil nederzaten; zij vliegen nu onder een luid geschreeuw over het dal en heerlijk golft in de lucht hun blinkende vederdos, waarop de eerste stalen der morgenzon zich spiegelen; ook de apen, die zich tot op dezen oogenblik niet verroerden, beginnen te schreeuwen: oeh äh, oeh äh, oeä, oeä, oeä; uit 20, 50, ja, somtijds uit een grooter getal kelen te gelijk heffen zij, nu eens in zwellende, dan weder in dalende akkoorden, hun koraalgezang aan, waarvan de echo door de bergen terug wordt gekaatst, om op hunne wijze den levend makenden, verwarmenden straal der zon te begroeten en—de mensch?—De Javanen zitten op den grond met de beenen over elkander geslagen; vol aandacht hebben zij het gelaat, waarop stille vreugde te lezen staat, naar het oosten gekeerd. Zij zeggen niets, maar zij hebben gevoel van hetgeen, waarvan wij een duidelijker bewustzijn omdragen,—want ik strekte mijne armen opwaarts en riep uit: O, heerlijke zon, gij zijt slechts een der werken van den Onvergankelijke, die met een enkelen slag duizend draden vlecht, maar ik begroet u als het schoonste zinnebeeld, dat voor ons aardbewoners bestaat van de eeuwiglijk zich hernieuwende openbaring Gods in de natuur. Sedert duizenden van jaren keert uw straal elken morgen getrouwelijk weder, en brengt elken dag op nieuw weder alles in beweging. Aan uwe massa is onze aarde gebonden, en zonder u kon zij niet zijn, noch haren kringloop volbrengen. Zonder u ontbeerden wij jaargetijden, den dag, den nacht. Gij zijt voor het aardsche leven alles voor allen. In minder dan één oogenblik verspreidt uw straal het licht en maakt de dingen zigtbaar. Zonder u hadden wij geene oogen, want waartoe zouden zij ons dienstbaar zijn? Als door een tooverslag schept uw licht zijne half aardsche, half hemelsche dochter: de kleurenpracht, waardoor gij schoonheid geeft aan alle dingen. Ja, met het licht verwekt gij nog een ander aardsch kind de warmte, en gij maakt het harde week en veerkrachtig. Hoe zou er beweging op aarde mogelijk zijn zonder u? Hoe zou er water, lucht aanwezig kunnen zijn, hoe zou een geluid kunnen gehoord worden, indien uwe warmte niet vooraf de ligchamen luchtvormig of vloeibaar maakte? Hoe zouden wij kunnen ademhalen zonder lucht en tot welk einde zouden wij het gehoor hebben verkregen, indien er geen geluid was? Hoe zouden planten groeijen, beken vlieten, hoe zouden wolken zweven en winden waaijen zonder uwen verwarmenden straal, o schoone zon, die hetgeen vast is doet vloeibaar worden en alle beweging in het dier- en plantenrijk mogelijk maakt, zoo mede in het luchtruim uitlokt. Ja, zelfs de electriciteit in de wolken gehoorzaamt u en gebiedt den donder.—Slechts éénen nacht waart gij sedert gisteren afwezig en reeds is de dampkring zoodanig bekoeld, dat al het water, ’t welk gisteren, door de warmte opgelost, als een onzigtbare damp in het luchtruim zweefde, nu als dauw op de aarde is nedergeploft. Nu paarlen nog millioenen druppels aan de boomen; nog staat de luchtzee stil, niet het geringste togtje laat zich bespeuren. Maar hoe lang zal dit voortduren? Naauwelijks heeft de planeet in zijn eeuwigen kringloop dit plekje der aarde naar uw aanschijn weder toegekeerd; naauwelijks heeft uw opgaand licht zich weder uitgestort over berg en dal, of door uw schijn getroffen, begint alles te trillen en uit te dampen en, gelijk de mensch en de gansche dierlijke schepping, door uwen straal opgewekt, zich op nieuw beginnen te bewegen,—gelijk in het plantenrijk millioenen knoppen ontluiken, zoo worden insgelijks het water en de lucht in beweging gebragt. Spoedig zullen de luchtlagen verdund worden, welke het digtst nabij de aarde zich bevinden en, ligter geworden door den invloed uwer warmte, zullen zij loodregt opwaarts stijgen; de streken, welke kaal en vlak of lager gelegen zijn, zullen sterker worden verhit, dan anderen, die tot hooge bergen oprijzen, of met wouden zijn overschaduwd; de zee zal niet in die mate worden verwarmd als het land,—ten gevolge hiervan zal de lucht in de verschillende deelen des lands, zoo mede boven land en zee ongelijkmatig uitgezet en verdund worden, de digtere en koudere lucht zal naar de meer verdunde streken des dampkrings heenstroomen, de stilte, die thans nog in het luchtruim heerscht, zal daardoor weldra gestoord worden en winden zullen door de toppen der boomen waaijen;—te gelijker tijd zal de dauw worden opgelost en als waterdamp mede worden opgevoerd in de koudere luchtlagen, alwaar hij wederom wordt nedergeploft tot mist en nevel,—wolken zullen dan worden gevormd; deze zullen steeds talrijker en grooter worden en eindelijk, bij het toenemen der warmte en snellere verdikking van den waterdamp, zal de electriciteit in de wolken ontwaken, de donder zal rollen, de regen zal nederstroomen op den verkwikten bodem, stortbeken zullen in sprongen van de rotswanden vallen en Bandjĕr’s met onweerstaanbare kracht door de bergkloven bruisen—en van dit alles, van deze herscheppingen des dauwdruppels en van alle veranderingen, welke plaats hadden op en boven de aarde, hiervan zult gij de eenige oorzaak geweest zijn, gij blinkende, zoo rustig stralende zon!—En zou uw straal, die met eenen slag duizend werkingen voortbrengt, welke wederom duizend en nogmaals duizend andere, verschillende werkingen ten gevolge hebben, die echter allen gezamenlijk door zulk een harmonischen band verbonden en zoo innig met elkander zijn verknocht, dat geen enkele schakel der keten afzonderlijk kan bestaan en de gansche keten zelf niet denkbaar is, indien slechts één enkele schakel daaraan wordt ontnomen,—zou uw straal ook niet door mijn oog kunnen binnendringen, zou hij in het binnenste mijner ziel niet eene stem kunnen doen ontwaken, die zegt: ik erken u, hoogste doelmatigheid in de natuur; geen ding, geene kracht staat op zich zelf; elk deel van het geschapene is daar om den wille van andere deelen van het geheel en alles is in onverbrekelijken zamenhang naar wijze wetten geordend;—wel weet ik niet, of mijn oog om het licht is geschapen of het licht om mijn oog, maar het eene is om het andere aanwezig, en zou de ziel, die in mij leeft, welke door middel mijner opene zintuigen in zulk een innig wederkeerig verband staat met de gansche natuur, die mij omringt, dat ik mij het gezigt en het gehoor niet denken kan zonder licht en geluid, en dat het geluid en het licht voor mij niet denkbaar zijn zonder oor en zonder oogen,—zou deze ziel ook niet om iets anders geschapen zijn, zou zij in geene betrekking tot iets anders staan?

Over alles, dat zich aan mij door de zinnen openbaart, mag ik nadenken, dit alles mag ik bepeinzen; ik ben van mijzelven bewust;—er was een tijd, dat ik niet bestond, thans ben ik;—gedurende langen tijd wist ik niet werwaarts ik kwam, van waar deze met denkvermogen, met rede begaafde ziel zijn oorsprong had; ik wist evenmin waarheen zij gaat;—uit mijzelven ontstond ik niet;—in de natuur schiep ik niet het kleinste wormpje, veel minder deze zon, die toch ook slechts een afhankelijk gedeelte van het geheel is, die met andere zonnen in verband en wederkeerige werking staat;—een draad kan het slechts zijn van waar, als uit een brandpunt, die millioenen draden der schepping uitloopen; een eeuwige, onvergankelijke ziel, een wijze, volkomene geest moet leven, die aan mij, als een uitvloeisel van zich zelven, mijne kleine, minder volkomene ziel gaf,—die de natuur schiep en onderhoudt, waarin alles de blijken draagt der grootste wijsheid, doelmatigheid en goedheid!—Ja, gij hebt u geopenbaard en openbaart u voortdurend in de gansche schepping gelijk in ieders boezem,—tot U sta ik in betrekking!—eeuwige en onvergankelijke God!

Een dergelijk „morgengebed” zal wel zijn opgeweld in den boezem van mijn broeder Nacht, en in dien van de aanwezige Javanen, want zij waren verzonken in de beschouwing van het heerlijke schouwspel en bewonderden het opgaan der zon. En terwijl de vogelen floten, de insekten gonsden en alle andere dieren der wildernis, elk naar zijn aard en zijn bijzonder instinkt, het morgen- en loflied der schepping mede instemden, waren wij menschen toch de eenigen, die van de gevolgen tot de oorzaak opklommen, en in heilige vervoering, dankend en aanbiddend, onze blikken rigtten tot den Schepper.

Onder den tropischen hemel is het zoowel gewoonte als behoefte, het ligchaam elken morgen te verfrisschen door het nemen van een verkoelend bad. Wij stonden juist gereed om den top des heuvels weder te verlaten en bergafwaarts te gaan, ten einde ons naar den Pantjòran te begeven, toen wij de bedienden gewaar werden, die onze terugkomst niet hadden willen verbeiden en ons de stoomende koffij te gemoet droegen. Zij hadden het vochtig element reeds bezocht en klommen druipend nat als Najaden bergopwaarts, terwijl hun lang hoofdhaar los en vrij om hunne schouders zwierde en hun bovenlijf bedekte. Wij dronken onze koffij met wat geitenmelk, welke zij hadden medegebragt, hetgeen de spotlust der inboorlingen gaande maakte, die ons om deze reden met jonge kinderen, ja, met jonge geiten vergeleken. Het gebruik van melk, namelijk, is hun volstrekt onbekend en in het binnenland van Java wordt die nooit gedronken.

Wij ontwierpen nu een plan voor onzen verderen togt en kwamen tot het besluit, dat het raadzaamste zou wezen om terstond verder te gaan, ten einde zoo mogelijk nog heden een der grootere dorpen te bereiken, alwaar ons verblijf aan de bewoners minder bezwarend zou zijn dan hier, in dit kleine gehucht, het geval was. Wij hadden het voornemen opgevat om dwars over het gebergte onzen togt in eene westelijke rigting voort te zetten tot aan het naastbij gelegene groote dal, van daar uit de zuidkust te bezoeken en vervolgens te trachten in het hoog gelegene binnenland door te dringen. Op een afstand van eene kleine dagreize van hier moest, aan de tegenovergestelde zijde van het gebergte, een groot dorp liggen; daarheen was het, dat wij besloten hadden onzen koers te rigten. Terwijl wij ons nu gereed maakten om zelven een bad te nemen, gaven wij aan onze jongens last intusschen de benoodigde Koeli’s op te zoeken en te huren.

Toen wij, eenige dagen geleden, ons op reis zouden begeven, hadden wij tot stelregel aangenomen, dien wij vast besloten hadden na te komen: om in deze streken des eilands slechts vrijwillig hulpbetoon der inboorlingen, tegen goede betaling en welwillende behandeling, in te roepen,—ten einde eens te zien hoe ver wij op die wijze zouden komen. Wij hadden besloten alleen in zeer dringende omstandigheden onze toevlugt te nemen tot de bevelschriften der Residenten en Regenten, waarvan wij ons hadden voorzien en welke, in de Maleische en Javasche taal gesteld, aan de distriktshoofden waren gerigt. Op dringend verlangen van Nacht, aan wien ik in dit opzigt had toegegeven, was dit tot regel aangenomen.

Eindelijk kwamen onze jongens terug met het navolgende berigt: „Mijn Heer! Wij kunnen geene Koeli’s vinden; de Koeli’s, die te Gnoetnig te huis behooren, zijn gisteren slechts tot aan Paréang medegegaan en uwe pakkaadje hebben wij door mannen uit die plaats hierheen laten brengen. Wij vermeenden, dat zij nog hier waren, maar zij zijn weggeloopen zelfs zonder te wachten, totdat zij betaling hadden ontvangen. Zij waren ongetwijfeld beducht, dat zij nog verder zouden moeten medegaan. En hier te Gnoerag is geen mensch te vinden, uitgenomen de vrouwen en een paar knapen.”

Zonderling. Gisteren avond, bij gelegenheid van de tijgerjagt, was er meer dan een dozijn wakkere mannen op de been en nu waren zij allen, op enkele knapen na, verdwenen. De vrouwen zeiden: „mijn man is op den Oema” (het drooge rijstveld), „mijn man is gaan visschen, mijn man zoekt Rotan in het woud,”—de meesten echter hielden zich in hunne hutten verborgen en lieten het voorkomen als of zij afwezig waren. Wij stelden den Loerah een half dozijn Spaansche matten (dollars) ter hand en verzochten hem met onze bedienden in de hutten te gaan, ten einde te beproeven hoe ver wij met klinkende munt en overreding konden komen. Na lang praten bragt hij het eindelijk zoo ver, dat eenige Javanen—wel is waar, schoorvoetend en langzaam—buiten hunne hutten traden. Maar zij bragten tevens ieder eene verontschuldiging mede. De een spoorde den anderen aan en zei: „Kom! gaat gij mede; de Heer kan toch zelf zijn koffers niet dragen;”—de aangesprokene moedigde weder een derde aan om mede te gaan,—de derde een vierde en ieder van hen had gaarne gezien, dat een ander zich daartoe bereid had betoond, maar om het zelf te doen, daartoe gevoelde de eerste zoo min lust als de tweede, de derde of de vierde.—Onder de Gamĕlanspelers was er een, die een begeerig oog sloeg op de Spaansche matten, welke de Loerah hem voorhield; hij nam er een in de hand, draaide ze om, bekeek haar nu aan dezen, dan weder aan den anderen kant;—zij beviel hem uitmuntend, gaarne had hij ze behouden, maar—daaraan zijn gemak op te offeren, zijn dolce far niente te laten varen! over het gebergte te gaan! ver van hier naar een ander dorp en nog bovendien een koffer te dragen! op het heetste van den dag!—neen, dat was te veel gevergd. Hij trok een bedenkelijk gezigt, gaf, met de blikken naar den grond gewend, den dollar aarzelend terug, zette zich neder, zweeg en—kaauwde Siri.

Eindelijk naderden eenige knapen: „ik, mijn Heer! ik wil meê!” en een derde, een ongeveer zestienjarige knaap, die de oudste van hen scheen te zijn, zeide: „indien ik de Spaansche mat krijg, ga ik meê.” Maar wat zouden wij uitrigten met deze drie knapen, waarvan twee nog volslagen kinderen waren. Toen nu de Loerah uit Gnoetnig gewaar werd, dat onze zaken verkeerd liepen, verontschuldigde hij zich insgelijks zeer beleefdelijk en verzocht om onze toestemming, ten einde nu mede naar zijn dorp terug te keeren. Hoe ongaarne wij ons dezen laatsten troost zagen ontvallen, was zijn verlangen toch te billijk om van de hand gewezen te worden. Wij beloonden hem voor zijne moeite en hij vertrok. De weduwe, in welker hut wij onzen intrek hadden genomen, naderde nu en zeide: „Och, mijne Heeren! waarom maakt gij zulk een haast! Bevindt gij u hier niet naar uw wensch? Gij kunt vertoeven, zoo lang gij verkiest,—morgen of overmorgen zullen er wel Koeli’s te vinden zijn;—wij blijven immers voortdurend hier!”—en stellig houd ik mij overtuigd, dat wij maanden lang aldaar hadden kunnen vertoeven, zonder dat een enkele bewoner van het dorp ons een onvriendelijk gezigt zou hebben getoond, en wel voornamelijk indien wij deel hadden genomen in hunne dagelijksche bezigheden en hunne wijze van leven hadden gevolgd. Zonder twijfel zouden wij hen dan welkom geweest zijn. Maar—een ongewoon werk te doen, Koelidiensten te verrigten, daartoe konden zij uit eigen beweging niet besluiten! Liever hielden zij hun gemak en—bleven arm, gelijk zij waren, te huis.

Wat stond ons nu te doen? Van de medegebragte bevelschriften wilden wij, zoo als vooraf was bepaald, geen gebruik maken. Zouden wij derhalve blijven? Natuurlijk; want aan het voortzetten van onzen togt kon althans heden, welligt ook morgen of overmorgen, niet worden gedacht. Wij schreven nu uit onzen eigen naam een brief aan het hoofd van het naburige distrikt, met verzoek om ons 12 Koeli’s toe te zenden, en voegden daarbij alleen nog onzen pas, ten einde hem de overtuiging te doen erlangen, dat wij bevoegd waren om in de binnenlanden te reizen. Deze brief werd in folioformaat gevouwen en met een rood zegel van indrukwekkende grootte voorzien. Wij gaven nu aan de dorpsbewoners te kennen, dat de inhoud van dezen brief van ’t hoogste gewigt was, dat hij noodzakelijk moest bezorgd worden en dat de Kapala tjoetak (het distriktshoofd), indien de brief niet aan hem werd ter hand gesteld, zulks zou beschouwen als eene daad van ongehoorzaamheid jegens hem zelven gepleegd. Op die wijze gelukte het ons een der Javanen te overreden om den brief, tegen betaling van 2½ gulden, waarvan wij er 1½ vooruit moesten geven, te brengen naar het dorp, alwaar het distriktshoofd woont (Pakamitan), hetwelk ongeveer eene kleine dagreis van hier kon liggen.—Van eene voldoende hoeveelheid Nasi (gekookte rijst) voorzien, welke in Pisangbladeren en schellen van den Pisangstam was gepakt—onze brief had hij behoorlijk in drooge bladscheeden van den Djambé-(of Pĕnang-) palm gewikkeld, ten einde hem voor nat worden te bewaren,—stapte onze bode, met den Gòlok op zijde, zijn pakje rijst op den rug en onzen brief op zijn hoofd, alwaar hij tusschen de vouwen van zijn hoofddoek uitstak, omstreeks negen ure het dorp uit.

Wij lieten nu kippen en andere levensmiddelen aankoopen, gaven eenigen onzer bedienden den last onze hut op eene betere wijze in te rigten, en bevalen den kok—dit gewigtige ambt bekleedde een ander van hen—om voor een goeden maaltijd zorg te dragen.—Welgemoed behoort men zich te onderwerpen aan hetgeen onvermijdelijk is. Tot nader order zetteden wij derhalve alle verdriet van ons af, beraamden dadelijk een nieuw plan voor datgene, ’t welk den bodem was ingeslagen en besloten om, met de helft onzer bedienden, den naastbij gelegen hoogen berg te beklimmen. Wij voorzagen ons van eene kleine hoeveelheid Nasi, Pisang, Dendeng, eene kruik water (Gindi), namen een jagtgeweer, eenige natuurkundige instrumenten en dergelijken mede en joegen de drie dorpsjongens, die zich vroeger tot het verrigten van Koelidiensten hadden aangeboden, voor ons uit, om ons nu bij onzen togt bergopwaarts te begeleiden. Want zelfs tegen ruime betaling wilden zij vrijwillig „zulk een hoogen berg” niet beklimmen. Wij hadden hen echter volstrekt noodig om de vroeger opgenoemde voorwerpen te helpen dragen, en dewijl moeten een bitter kruid is, zoo—verschaften zij ons het genoegen van hun aangenaam bijzijn. Wij waren acht man sterk en stapten vrolijk naar den Goenoeng-Amlong heen, zoo heet een verder noordwaarts gelegen en wel het hoogste gedeelte der lange bergketen, welke het Tji-Nagnéakdal aan de westzijde begrenst. Zij verheft zich in de opgenoemde rigting tot een hoog en steil bergjuk, dat met een somber, onafgebroken woud is bedekt; door dit woud wilden wij ons een weg naar den bergtop banen. Geen enkel wolkje liet zich nog in het luchtruim bespeuren.

Aanvankelijk trokken wij door vlakke streken, die heinde en verre met hoog groeijend Alang alanggras waren bedekt. Allengs echter liet zich nu en dan een zacht togtje bespeuren; het Alanggras golfde als een korenveld, dat door den adem des winds wordt bewogen. De omgebogen bladeren kaatsten, als zoo vele spiegels, de zonnestralen terug en vormden daardoor een meer zilvergrijs dan groen tapijt, waarvan de heldere glans het oog verblindde. De hitte nam meer en meer toe, terwijl wij onzen togt voortzetteden door deze graswildernis, die zich voor onze voeten opende en zich achter ons weder sloot, en waarin wij tot aan de schouderen, de Javasche knapen tot over de ooren toe verborgen waren, zoodat de stijve, scherpe bladeren hen bij het gaan het vel van het aangezigt open reten. Wilde zwijnen—de alledaagsche kost der tijgers—sprongen allerwege op en verdwenen al knorrend even spoedig uit ons oog. Hier en daar troffen wij kleine Oema-velden aan, waarop Padi (rijst), Djagong (maïs) of Kapas (kleine katoenstruiken) groeiden en die als opene, van alle onkruid gezuiverde plekjes in de graswildernis verstrooid lagen.

Langzamerhand begon de bodem te rijzen; wij hadden den voet van het gebergte bereikt en kozen een der vooruitspringende bergribben om het te beklimmen. Het gras dat hier groeide, werd allengs korter en geleek, meer dan het gindsche in golven op en neder bewogen wordende, verstikkend heete Alanggras, op dat onzer Hollandsche weidevelden. Hier groeide tusschen het gras eene menigte prachtige purperroode bloemen, Onjé of Koening, waarvan de aromatische wortelen het hoofdbestanddeel vormen der Kĕri, aan welke zij eene gele kleur mededeelen; op vele plaatsen verhieven zich afzonderlijk staande Bamboesgroepen, die echter ter wederzijde van de bergrib in de kloven een meer aaneengeschakeld woud vormden. De wind ruischte allengs sterker door het loofgewelf; het ritselen van het fijne, drooge gebladerte, dat zich boven onze hoofden boogsgewijs vereenigde en ter zijde in guirlandes afwaarts hing, nam hand over hand toe en het geknars der over elkander heen en weder bewogen wordende Bamboesbuizen,—de kolossale stengels dezer grassoort,—die de dikte van een mansarm bereiken, werd steeds luider, naar mate wij hooger langs de bergrib opklommen. Enkele herten (Mĕndjangan) huppelden er tusschen door en kleine dassen (Bioel) werden wij hier en daar gewaar, die zoo snel mogelijk zich in hunne holen aan de zijwaarts gekeerde hellingen der bergrib trachtten te verschuilen. IJlings wierpen de Javasche knapen den last, welken zij droegen, neder, liepen deze kleine, volkomen onschadelijke dieren na om ze te vangen of te dooden, niettegenstaande zij oneetbaar zijn. Niet dan met moeite kon Nacht hen daar van terug houden; hij sprak hen op de volgende wijze toe: „wij moeten nimmer eenig dier mishandelen of kwellen, en die, welke ons geen nadeel toebrengen, mogen wij - - -” paf! daar viel een schot; wij keken om en zagen Sidin, die mijn geweer had gedragen, naar een hert ijlen, dat hij geschoten had. Nacht had willen zeggen: - - - die ons geen nadeel toebrengen, mogen wij niet dooden en Sidin had deze les in dier voege voltooid: wij moeten echter de aandrift der natuur volgen en mogen dezulken onder de onschadelijke dieren wel dooden, wier vleesch wij kunnen eten, dewijl plantenvoedsel alleen voor onze behoefte niet toereikend is.

Ten einde bij onzen terugtogt de plek te kunnen wedervinden, waar het doode wild lag, plaatsten wij een boomtak midden in den weg en zetteden vervolgens onze reis bergopwaarts weder voort.—Langzamerhand verdwenen de Bamboesboschjes en in plaats daarvan verhieven zich groepen fijn gebladerde acacia’s (Djoendjingboomen); hun in de breedte uitgestrekt loofdak scheen een floers, dat tusschen ons oog en den hemel was uitgespannen en eene menigte grijze apen (Monjet) sprongen al schommelend, als het ware ons ten spot en met elkander spelende, over de lang uitgestrekte takken dezer boomen in het rond.

Spoedig daarop zagen wij den benedenrand van het oorspronkelijke woud, dat zich voor onze blikken verhief als zuilenrijen met gangen tusschen de pilaren, waardoor men in het binnenste kon zien als in eene hoog gewelfde koepelkerk, terwijl elke afzonderlijke zuil met eene koepelvormig zich verheffende loofmassa als het ware met eene groene wolk was gekroond. Wij traden dit gewelf binnen en nu veranderde het gansche tooneel. Ter naauwernood waren wij 200 voet hooger in dit woud opgeklommen, of het heldere zonnelicht was reeds verdwenen, en vervangen geworden door de lommerijkste schemering. Slechts hier en daar ontwaarden wij door eene kleine opening in het loofdak, als door een geopend venster, nog een gedeelte van den blaauwen hemel; in plaats der verhitte lucht, zoo als vroeger, ademden wij nu eene koele, vochtige lucht in; in plaats van het vrije uitzigt, dat wij zoo straks naar alle zijden genoten, zagen wij hier niets dan een groen met millioenen bloemen bedekt weefsel van dooreengegroeide kleinere boomen, struiken en van woekerplanten, die zich van den bodem verhieven, aan de stammen waren vastgehecht of aan de takken afwaarts hingen, en dit kreupelhout besloeg niet alleen de gansche ruimte tusschen de boomstammen, maar reikte ter halver wege van deze zuilen, ja, nog hooger, terwijl daarenboven wilde wijngaardtakken (Aroï ki barera) en andere slingerplanten, namelijk Oë- of Rotansoorten, wier ranken menigwerf de dikte van een mansarm bereiken, tot in de toppen der boomen opklauterden, van daar weder naar den bodem afdaalden, zich op nieuw verhieven en het woud in alle rigtingen doorslingerden. Niet de geringste adem des winds bragt de minste beweging voort in het binnenste van dit woud, maar hoog boven ons in de toppen der boomen ruischte de wind en veroorzaakte een voortdurend gesuis, ’t welk zoo gelijkmatig aanhield, zoo diep en dof van toon was, dat men op het denkbeeld zou hebben kunnen geraken het gebruis te vernemen eener branding, klotsend tegen een ver verwijderd strand. Het waren Poespa-, Ki tĕrong-, Bĕngang-, Palaglar- en een dozijn andere boomsoorten, wier stammen zich hier allen onder elkander, in een woud, slank en hoog als kunstmatig gevormde zuilen verhieven; hunne afgevallen bloemen lagen op den bodem verstrooid in het rond. Tusschen de vorigen rees hier en daar een reusachtige gomelastiek- of Karetboom opwaarts, die als het ware uit honderd andere ineengedraaide of door elkander gevlochtene stammen is gevormd en zwarte apen (Loetoeng) sprongen door hunne takken rond, terwijl groote vogelen (jaarvogels), die zich slechts door hun luid snuiven verrieden, hoog boven het woud heenvlogen. Eindelijk—wij naderden nu den top des bergs—ontwaarden wij eiken-, laurier- en Ki mérakboomen tusschen de anderen, die allengs dunner werden en verder van elkander schenen op te groeijen. Het was nu ongeveer 12 ure. Onze togt door het woud had twee uren geduurd; een open plekje bereikt hebbende, zetteden wij ons neder om uit te rusten. Wij luisterden naar het gezang eens vogels, Manoek kaso geheeten, welks slagen verre door het woud klonken en waarvan wij in de lager gelegene streken des bergs niets hadden gehoord. Te oordeelen naar den stand des barometers, bevonden wij ons nu ter hoogte van ongeveer 4000 voet. Frambozenstruiken, viooltjes, weegbree en valeriaan groeiden hier in het rond, benevens nog andere bloemen, die zooveel overeenkomst hadden met onze Hollandsche flora, dat mijn broeder Nacht er niet weinig van verrast stond.

NACHT. Hoe wonderbaar toch!—Op onzen korten togt van het dorp tot aan deze woudgrens hebben wij bijna alles aangetroffen, hetgeen de Javaan tot voedsel, woning en deksel benoodigd heeft. Zijne hut staat in de schaduw van velerlei boomen, die hem voedzame, verkwikkende en olie opleverende vruchten verschaffen. Siri klimt tegen hunne stammen op en schenkt hem het blad tot het Betelkaauwen. Spaansche peper (Tjabé), welke hij als kruiderij of in plaats van zout met zijne rijst eet, groeit niet verre van daar in de schaduw. Alom in het rond liggen de velden, die hem zijn hoofdvoedsel, rijst en maïs, benevens katoen opleveren, waarvan hij zijne kleederen vervaardigt. Met Alang alang, dat deze velden weder omgeeft, dekt hij zijne hutten. Iets hooger bergopwaarts vindt hij de Bamboesboschjes, wier kolossale stengels (buizen) hij deels bezigt tot balken, deels gekloofd gebruikt om den vloer en de wanden zijner woningen er van op te bouwen, ja, waaruit hij alle stukken van zijn huisraad vervaardigt. Gaat hij nog eenige schreden verder, dan vindt hij gomelastiek en door de natuur geslagen bindgaren en touw (Rotan), dun en dik, zoo veel hij verkiest. Wild wordt overal in menigte aangetroffen. Mag men zich dan nog verwonderen, dat de Javaan, te midden van eene zoo rijke, zoo vruchtbare natuur levende, die hem bijna alles, wat hij behoeft, reeds kant en klaar oplevert, dat hij eenigzins zorgeloos en tot traagheid geneigd is.

DAG. Dat is volkomen waar. De verscheidenheid der producten van het plantenrijk, zoo mede der dieren, welke daarvan afhangen, is buitengewoon groot in dit land, alwaar het gansche jaar door eene gelijkmatige warmte heerscht en waarin hooge bergen worden gevonden. Elke trap van duizend voet, dien wij hooger bergopwaarts stijgen, voert ons in zeker opzigt in een geheel ander land en klimaat, waar wij andere dieren en planten aantreffen dan op den het naast er aan grenzenden of lager gelegen trap. Hier brengt ook weder, gelijk overal elders in de gansche schepping, eene enkele oorzaak—de afnemende warmte naar mate de aardoppervlakte hooger rijst—duizend andere werkingen te weeg. Eerst hebt ge, beneden in het heete land, Alang alanggras met wilde zwijnen ontmoet die zich met Alangwortelen, en tijgers welke zich hoofdzakelijk met wilde zwijnen (met in vleesch en bloed omgezette Alangwortelen) voeden; dan hebt ge streken ontwaard met korte grassoorten begroeid, waarop Bamboes en herten voorkomen die gras eten, benevens Bioel’s die op wormen en insekten azen, welke in deze zone, aan de grens der wouden, tusschen vermolmde boom- en Bamboesstammen het menigvuldigst voorkomen;—later hebt ge acacia’s aangetroffen, waarin grijze apen rondsprongen, die zich voeden met de peulvruchten van dit geboomte; vervolgens kwaamt ge aan het hoogstammnige oorspronkelijke woud, dat met vijgenboomen aanving en hier met Ki mérakboomen eindigt, op wier takken de Kasovogel fluit, dewijl hij zich met de bessen van deze boomen voedt.—Overal waarheen gij uwe vorschende blikken nadenkend heenwendt, in de gansche natuur zult gij bevestigd zien, dat immer het eene van het andere afhangt en hieruit weder andere gevolgen voortspruiten, en dat een schoon, van het allerhoogste vernuft getuigende, consequent gevolgde plan in het gansche scheppingswerk zigtbaar is, waarvan de grondstelling is: door de eenvoudigste middelen de grootst mogelijke verscheidenheid voort te brengen. Maar zelfs de grootste verscheidenheid in het dieren- en plantenrijk wijkt nimmer af van eene algemeene leidende type, zij brengt in tegendeel overal overeenkomstige—verwante en analoge—vormen voort, die echter, indien de bodem en het klimaat verschillen, toch niet eenerlei zijn. Bezien wij, bij voorbeeld, deze bloemen, deze frambozen, deze valeriaan, deze viooltjes. In het diepland van Java zult gij geen spoor er van aantreffen. Hier bevinden wij ons bijna 4000 voet hooger; het is hier zoo veel koeler dan daar ginds beneden ons en wij ontwaren dan ook geheel andere plantenvormen, namelijk, dergelijken die ons herinneren aan ons koeler, meer noordelijk gelegen vaderland. Onderzoekt gij ze echter meer van nabij, dan ziet ge, dat zij slechts op onze Europesche soorten gelijken, dat het echter niet dezelfde, maar verschillende soorten zijn, en inderdaad zelfs hier op deze hoogte verschilt het Javasche klimaat nog zeer aanmerkelijk van het onze in Holland.