X.

HEI! ’T WAS IN DE MEI!

De Mei is in het land!

Ik heb dikwijls hooren zeggen, dat de Meimaand zeker achteruit gaat, en in vroeger eeuwen hier te lande veel schooner moet geweest zijn dan heden; daar anders onze voorouders niet zooveel werk gemaakt hadden van hunne Mei-verheerlijking, die ons thans maar al te dikwijls, bij de kachel, de schouders doet ophalen. De liederen van „de zoete Meie,”

„..............een kus,

Dien de zon geeft aan de aarde,”

klinken bijna als eene bespotting van de hedendaagsche pinksterstormen.

Het kan waar wezen, dat de geleerden gelijk hebben, die in ijsverplaatsing in de poolstreek een oorzaak zien van eene telkens vermeerderende afkoeling van ons klimaat. Maar er is zeker nog een andere, meer geestelijke reden voor die klachten. De vroegere geslachten, of liever de traditioneele volksgeest, welke die legenden en die liederen schiep, was in zeker opzicht veel wijzer dan wij zijn; hij mat het Meigenot niet naar de hoeveelheid, maar naar de hoegrootheid. Wij tellen, angstig en bekrompen, de schoone dagen, avonden, halfuren, die de Mei ons aanbrengt. Is dat genot te tellen, of te meten? ’t Is een prozaïsch, een huisbakken element, dat ooit eenige weelde—welke ook—naar hoeveelheid berekent! Ons beter deel,—de dichter in ons,—weet wel anders. Hij weet dat daar geen sprake is van tijd, maar van diepte; niet van langer of korter, maar van een min of meer machtigen indruk. En of de Mei nu drie- of viermaal heeft geglimlacht in zijn 31 dagen, doet er weinig of niets toe, mits elk onzer slechts één oogenblik dien lach heeft weten op te vangen, zóó dat hij ons door merg en been, door ziel en zinnen heendrong,—zóó dat nog maanden achteraan onze verbeelding tintelt bij de herinnering, en ons hart opengaat bij het hooren van het ééne woord: Lente!

De vaderen plachten hunne Meifeesten te vieren; en de overlevering brengt verhalen van de vreugd die daar gesmaakt werd, welke ons, indien zij ons toevallig in een opgewekte stemming treffen, jaloersch maakt dat wij daar niet bij geweest zijn. Zou dan toen altijd de zon geschenen hebben op die landelijke danspartijen, en de lucht zoel geweest zijn juist op den 1sten of den 21sten Mei, en de noordoostewind de takken op de Meiwagens ontzien hebben? Soms wel, soms niet: ten naastenbij als tegenwoordig. Maar het feest was eenmaal dààr; en verreweg de meeste feestgenooten waren sterk van huid en zenuwen; en de hartstocht der werkelijkheid was niet altijd zoo wakker in hen, of onder al het nieuwe wat op zoo’n dag hun fantazie beheerschte, vergaten zij gemakkelijk den ouden regen of de maar al te wel bekende zeevlam. Zij vonden die niet eens de moeite waard om op te merken;... gelijk dit alles dikwijls nog gaat bij dergelijke feestelijkheden; maar dan doorgaans bij een ander publiek, dan ’t geen mij de eer aandoet om deze mijne schetsjes te lezen!

Doch ook voor den meest verfijnden negentiende-eeuwer zijn Meifeesten weggelegd,—even plechtig als men ’t zich van Druïden-priesters, even jolig als men ’t zich van middeleeuwsche poorters voorstelt. Mits hij zelf bereid zij, zal het Meiweer wel komen! Maar het komt onverwachts. Somtijds springt het over de grenzen en komt in April of in Juni: ook die gril moet men nemen zooals ’t valt.

Heden is het gekomen. Ik kan niet nalaten, aan uw venster te kloppen. Ruim uw werk op en ga mêe. Er zullen gure dagen genoeg aanbreken, waarop ge kunt lezen, schrijven, boekhouden, visites doen, schoonmaken of naaien. Een dag als deze is zoo goed als een heiligendag.

Waar wilt gij heen? Kies slechts. De Mei heeft alles met een waas van schoonheid overtogen,—zelfs de kaalste velden en de leelijkste moerassen,—maar toch: er zijn bevoorrechte plekjes. Begin eens ginds aan den stadswal, waar ’t leven van natuur en maatschappij elkander zoo naief ontmoeten: waar kleine kinderen met gras en jonge lindeblaadjes spelen, en opgeschoten meisjes al schrobbend zingen, met de lijsters om het hardst. Of ga wat verder, waar gij ’t oog hebt op de tuinen in den omtrek, waar de hagedoorns bloeien, en waaruit u nu de ééne, straks een andere geur te gemoet komt, die u doet denken aan,—ja aan....? Gij weet het zelf niet...—zeker aan een vroegeren Mei.—Of wel, waag u eens even aan den waterkant, en verdiep u in het duizendvoudig leven, dat daar tiert en wemelt: kruipend, zwemmend, vliegend. Of begeef u in het beukenbosch, waar nog wel lang niet alles volop groen is, maar waar sommige voorlijke takken u ieder jaar op nieuw verbaasd doen staan over hunne voorlijkheid, en u, in sierlijk stilzwijgen, het antwoord schuldig blijven op de vraag: waarom zij zooveel vroeger in blad staan dan de anderen?

Moet ik nu, zooals gewoonlijk, iets vertellen van de bloemen, die wij gaandeweg vinden? Och toe! neem heden liever zelf het woord, en vertel gij mij. Vertel mij van alles en alles en nog wat; van hetgeen u op een dag als dezen voor den geest komt. Vertel mij van u zelven; van hetgeen er in u omgaat. Het is zoo onderhoudend, een mensch bij te wonen in zijn volle oprechtheid, hem zijn geest binnenste buiten te zien keeren; en het moet raar loopen, als wij niet een beetje sympathie hebben voor hetgeen wij dan te hooren krijgen. Vertel mij wat gij voelt en denkt, hetzij vroolijk of treurig: ik—in elk geval slechts in verbeelding bij u—ben een veilige vertrouwde. Vertel mij van uw jeugd, uw kindsheid; van uw doen en laten, uw vreugden en teleurstellingen, uwe plannen, uwe wenschen, uw hoop. Zoek ongestoord de woorden om u zoo juist mogelijk uit te drukken: ik heb geduld, ik luister. En als gij ze niet langer vinden kunt,—welnu, dan voel ik met u mee, hoe wenschelijk het is om altijd nog een overschotje van bewustzijn te hebben, boven dat uit, wat zich reeds als denkbeeld weêr laat geven. Maakt u de Mei bewegelijk of stil? Stemt zij u tot juichen, als om strijd met de vinken; of dringt zij u terug in u zelven? Bezielt zij u onmiddellijk met denzelfden drang tot werkzaamheid en leven, die u uit alles te gemoet stroomt; of vervult zij u met weemoed over onbereikbare dingen? Beiden zijn begrijpelijk; in beiden kan een schat van levenslust en van ontwikkeling besloten liggen. Met beiden zou ik u geluk wenschen. Voor beiden heeft Mei raad. Die raad—ik meen wijding voor de opgewektheid, ontspanning voor den weemoed—lag van oudsher in samenstemming met de edelste, beminnelijkste aller fantazieën, ooit aan de dichterziel der menschheid ontsproten: dankbaarheid jegens een verborgen Maker, die de lente en hem die haar liefheeft, naast elkander voortbracht. Verheug u, zoo de tooveresse Mei u doet meedoen aan die „goddelijke dwaasheid”, die hoogste geestelijke weelde!

Dat ik ondertusschen ook een weinig met de boomen gepraat heb, heeft volstrekt geen afbreuk gedaan aan mijn aandacht voor u. Gij vraagt wat ik in de hand heb? Bloemen van het seizoen: een bloeiend eschdoorntakje......