Reeds vroeg in ’t jaar, tegelijk met boschanemonen en muurbloemen en welriekende viooltjes, bloeide de Pyrus Japonica. ’t Was het sieraad van de buurt, die welige drie voet hooge leiboom in zijn schitterend rood Maart-kleedje. Beschut tegen den noordenwind, en volop de voorjaarszon genietende, wijdde hij het schoone jaargetijde in, alsof er van geen kladsneeuw en geen nachtvorst meer sprake kon wezen. En menigeen vergastte dagelijks de oogen op zijn gloed, te treffender in dat seizoen der zachte tinten.—Dat het een peer- of een appelboom is, valt spoedig in het oog, al ziet men er hier in ’t land zelden vruchten aan groeien. Is de bloesem niet juist appelbloesem in het donkerrood? Zijn het niet dezelfde vijf ronde kroonblaadjes, dezelfde talrijke gele meeldraden, dezelfde duidelijk voel- en zichtbare vruchtbeginseltjes onder de bloem? Doet ook niet het loof aan pereblaadjes denken? Heeft niet het bloempje, ondanks de sierlijkheid van het met groen en bloemen bekleede geheel, in zijn bouw datzelfde stokkerige, hoekige karakter, dat, zal men de verlakte werkdoozen en theeblaadjes gelooven, een hoofdkenmerk van de japansche Flora uitmaakt? Die bloemen, zonder steeltjes, stijf opeendrongen op de knoopen der takken,—een plaag voor ieder, die er een bouquet van wenscht te maken,—hebt gij ze niet vaak teruggevonden op japansch porselein? Op een prijscourant van peren vond ik den naam „Ya-lo-ala”: zou dat misschien de vrucht zijn, die dit soort van appelboomen in hun vaderland draagt?
Thans is de beurt aan onze inlandsche vruchtboomen. De perenboomen zijn reeds „als met een wit laken overdekt”; en hun eigenaars worden geslingerd tusschen welbehagen over dat rijke gezicht, en angst voor ieder oostenwindje dat vorst of „zwarte vlieg” zou kunnen aanbrengen. (Tusschen twee haakjes zij gezegd, dat deze bête noire geen „vlieg” is, maar een kevertje.) En nog een dag of tien, en ’t zachte rood der appelbloesems zal, voorlooper van ’t later rood der rozen, aan duizend tuinen een feestelijk, echt lenteachtig aanzien geven.
Er is in de laatste twintig jaren heel wat voorgevallen in de pomologische wereld;—ja, lezer, ook een wereld op zich zelve, zoo goed als de „groote”, de parlementaire, de letterkundige, en andere afzonderlijke werelden!—Denk aan de pereboomen in de boomgaarden van onze boerderijen: echte knoestige boomen, met stammen en kronen, waaronder menschen rondloopen en kinderen spelen, en schapen aan een lijntje grazen kunnen. Denk aan de appelboomen, zooals zij in Duitschland langs de wegen geplant zijn, om den wandelaar een schijn van lommer, en den pachter op den koop toe een oogstje te bezorgen, en die mevrouw De Stael, bij hare komst „en Allemagne”, vervulden met een grenzenloozen eerbied voor de eerlijkheid der Duitschers, toen zij hoorde dat het grootste deel der vruchten daaraan wezenlijk bleef hangen tot het rijp was!—En denk dan aan de „snoeren en palmetten”, de „spiraal- en vleugel-piramiden”; in één woord aan die zonderlinge waaiers en ladders en rechthoekige figuren, zooals de heer de Beucker ze invoerde, boompjes welke meer aan Araucaria- of Cactusvormen, dan aan hunne eigene eenvoudige stamgenooten herinneren.
„En kies tusschen het oude en het nieuwe,” had ik er haast bijgevoegd. Als wij echter de zaak in het aangezicht kijken, valt er niet veel te kiezen. Leelijk is die nieuwe snoeimanier. Doch daar men nu eenmaal vruchtboomen niet voornamelijk om „het mooi” kweekt, maar om de vruchten; en de „beredeneerde kweekwijze”, omdat zij wezenlijk onmiddellijk op natuurfeiten berust, op de grootte en de fijnheid van die vruchten waarlijk gunstig werkt, valt daartegen niets afdoends meer in te brengen. Wie voortaan eigen appelen en peren eten wil, kieze uit de honderden op eene prijslijst voorkomende nummers die, waarvan hij den geurigen smaak heeft ondervonden, of wel enkelen waarvan de namen hem bijzonder prikkelen, (als daar zijn: Adams pearmain; Beefsteak; Newtons pippin; Weissbrod; Calville d’Eve; Républicain; Drie torenpeer; Napoleon-Bon-Chrétien; Curé Belle Héloise; Pie IX; Saint-Michel-Archange!) en ik wensch hem voorspoed op zijne plantage.
Maar wie ééns in het jaar, ééns in de ééne veertien dagen gedurende welke een appel- of pereboom schoon is, waarlijk al de weelde van den teêren bloesem wil genieten, die brenge—waar hij ze slechts weet te vinden, al is het op een schamel erfje, tusschen schuttingen en bleekveldjes—een visite aan de oude, groote boomen van zijn kennis, ’t zij zij Juttepeer heeten of Sapperdegroentje, of de grofste onbenoemde soort van „hand-” of „pot”-appel voortbrengen. Dan legere men zich hier of daar in de nabijheid, en late zich beregenen door de eerste afvallende blaadjes. En als dan toevallig aan de eene zijde een sering en aan de andere een gouden-regen over eene heining heen komt kijken,—het blonde kind der Alpen naast den geurigen zoon van het Oosten,—dan zal het steeds nog te bezien staan wie van die drie, zij of de vruchtboom, het meest tot ons lentegevoel bijbrengen.