XIII.

BOUQUETTEN.

Wat moet toch een „bouquet”, of, naar den nederlandschen naam, een bloemruiker eigenlijk wel wezen?

Wat anders dan een bosje schoone, liefst welriekende bloemen, zoo saamgevoegd dat hare schoonheid en al haar eigenaardigheden zoo voordeelig mogelijk uitkomen? En wat is het tegenwoordig doorgaans?

Er is in de kunst van bloemen-schikken een zonderlinge gewoonte ingeslopen, die, uit zuinigheid geboren, zich allengs tot een heerschende mode heeft verheven. Het was namelijk, sinds lang, een zuinigheidspraktijk der fransche bloemenmeisjes, om voor kleine knoopsgatbouquetjes, die men voor een cent of wat op straat koopt, de bloemen bijna zonder steel af te snijden, ze dan elk op een rietje te steken en, met een paar bladeren er om, bijeen te binden. Het voordeel hiervan ligt voor de hand. Op deze wijze toch kan men alle bloemen, die een plant oplevert, gebruiken, zonder de nog onontloken knoppen meê weg te knippen, en behoeft er ook volstrekt niet op te letten of de plant in haar geheel goed uitgegroeid is: elk frisch puntje, zij het van een nog zoo krom of verlept lot, is bruikbaar. Van lieverlede nu is deze handgreep ook overgegaan op grooter en kostbaarder, uit zeldzamer bloemen saamgestelde bouquetten. Daar, uit den aard der zaak, die rietbouquetten een vrij gladde oppervlakte krijgen, en de bloemen dicht tegen elkaar gepakt dienen te worden, (ten eerste om de kortheid der stelen, en ten andere om de rietjes te bedekken), was men vindingrijk genoeg, om van zoo’n vlak of bol een soort van mozaiek te maken. Wij kennen allen de patronen, die bij dit knutselwerk het meest in zwang zijn: b. v. ééne groote bloem in ’t midden, dan een kringetje groen, daar omheen weer een randje van een andere kleur, enz. Soms worden er ook letters en cijfers in gewerkt, zooals ik het onlangs in een zilveren-bruilofts-bouquet zag bewonderen: het getal 25, uit knoppen van oranjebloesem samengesteld, midden in een groot vlak van rozenknoppen en rozen.—Eén bezwaar had zich voorgedaan: Terwijl in de centsruikertjes de rietjes zeer gemakkelijk verborgen werden, bleek dit bij de grootere bouquetten (waarin het rietwerk gaandeweg tot een vrij ingewikkelde stellaadje aangegroeid was!) vrij wat moeielijker te wezen. Maar daar wist de industrie raad op; en zoo zijn sinds vele jaren de welbekende bordpapieren kokers met uitgeslagen randen, een belangrijk onderdeel van de kartonwerkerij geworden. Menig minnaar, die zijn bruid op haar verjaardag een „hand-” of „vaasbouquet” wil sturen, zou dien niet gaarne zonder zoo’n geijkten witten driehoek zien bezorgen, maar misschien zeer geërgerd wezen, als men hem vraagde, waarom hij zulk een op een goedkoopje gefabriceerden bouquet had besteld. En menig bruidje, dat zoo’n „porte-bouquet” aanneemt, en niet gaarne zou willen, dat men aan haar goeden smaak twijfelde, beseft niets van het kluchtig loopje, dat de mode neemt met haar en haar smaak, en vooral met haar begrippen van kostbaarheid en weelde.

Wie intusschen deze geschiedenis kent, en zich aan de stijfheid dier bloementaartjes ergert, voelt den wensch opkomen, dat die mode mocht veranderen. De mode nu is eene groote macht; doch welbekeken is zij als een stout kind: er tegen praten kan men niet, maar ze is gemakkelijk af te leiden. Een flink bloemist, met schoonheidsgevoel in het hart en een voorraad mooie bloemen te zijner beschikking, zou zeer licht iets beters „in de mode” kunnen brengen. Zeer geschikt zou hij daartoe gebruik kunnen maken van den heerschenden eerbied voor al wat oud-hollandsche kunst heet, zich beroepen op het oordeel onzer oude schilders, en b.v. op de eerste de beste tentoonstelling, in een grijze terra-cotta vaas van eenvoudig model, een groot bouquet à la van Huysum ter tafel kunnen brengen. Het Trippenhuis of eene andere verzameling van schilderijen zou licht een voorbeeld leveren, dat men in hoofdzaak na kon volgen, vooral daar toch die hoofdzaak in niets anders bestaat, dan in de eischen der natuur zelve. Zij—en van Huysum!—stellen op den voorgrond, dat men alle schoonheid van de bloemen eere: niet alléén de kleuren van haar kroontjes, maar ook de sierlijkheid, waarmee zij, op haar stengel wiegend, zich verheffen of neerhangen; den rijkdom harer vormen, in verband met de plant, die haar voortbracht; het kontrast met het bij haar behoorend groen.—Het kost misschien meer bloemen en meer zorg, in elk geval meer kunst-smaak, zulk een bouquet te maken, dan een waarbij papier en riet te hulp komen. Daartoe toch kan men slechts volkomen gave takken, trossen, pluimen nemen, en ten tweede is die schikking niet gemakkelijk. Tusschen artistieke losheid en zeer alledaagsche slordigheid is slechts één zeer klein stapje; en teêre, levende, dorstige bloemen zijn een gevoelig, lastig materiaal. Soms, als de bloemen zelven handelbaar zijn, is het groen weerspannig; en er wordt takt en oefening vereischt, om daarvan juist zooveel te kiezen, dat het altijd aan de bloemenpracht ondergeschikt blijft. Daarbij, hoe meer verscheidenheid van kleuren, hoe meer gelegenheid voor fijne schakeering, maar hoe meer gevaar ook voor bontheid en hardheid.—Dit alles zijn bezwaren, en maken een Bouquet van Huysum,—om ons aan dien naam te houden,—tot een waagstuk. Maar nochtans, als hij goed uitvalt, zal hij stellig den eereprijs wegdragen in het oordeel van allen: ook van hen die nu de rietjes-ruikers mooi vinden, omdat.... ja, omdat bloemen nooit ophouden mooi te zijn, al wordt er nog zoo mee geknoeid!