XIV.

EEN DUBBELE BOODSCHAP.

Tot de vaste attributen van een eersten mooien zomerschen dag behooren van oudsher, behalve zonneschijn, bloemen en vogelenzang, ook een zwerm vroolijk dansende muggen, een van plant tot plant zwevende vlinder, een sierlijk boven ’t water heen en weer vliegend juffertje. En zoo groot is de kracht der sympathie,—van de gemeenschappelijke vreugde over ’t mooie weer,—dat men bij zoo’n gelegenheid ieder spoor van afkeer jegens deze dieren laat varen, en hen alleen als natuurgenooten, als feestgenooten begroet!

Trouwens, der meeste menschen afkeer van insekten is nooit zoo groot, wanneer men ze met vleugels, dat is in volwassen, zoogenaamd „volkomen” toestand ontmoet, dan wanneer men in hun kruipend tijdperk met hen te doen heeft. ’t Is opmerkelijk, terwijl men in den regel aan jonge zoogdieren,—jonge honden, katten, lammeren, ja zelfs biggen,—vriendelijkheden pleegt te bewijzen, waarop zij op hun ouden dag wijs doen van niet meer te rekenen, heeft tegenover insekten juist het omgekeerde plaats. Van een rups heeft bijna elk een afschuw; zoodra zij een „kapelletje” geworden is, behoort zij tot de welkome, ja, dichterlijk gevierde verschijningen. Evenzoo geldt een gouden torretje algemeen als een schoon bezienswaardig beestje; maar indien men het bij ongeluk in zijne jeugd, d.i. als larve, in handen had gekregen, zou men het al heel licht voor „een wurmpje” aangezien en ter dood veroordeeld hebben, in plaats van het den tijd te laten om zich te verpoppen, en vleugels en schildjes te krijgen. Aan menig groen, purper, of rood-gespikkeld vliegje ontzegt men volstrekt geene schoonheid; mits het zich, voor zijn eigen veiligheid, maar schuil houde, zoo lang het nog als made in de kinderkamer t’huis behoort.

Hoe het zij, als figuranten bij een pastorale mag men dat kleine vliegende gebroed wel lijden, en gunt hun dan ook gaarne den honig dien zij uit de bloemen zuigen, te meer daar men overtuigd is, dat zij voor zich niets begeeren, wat de menschen zelven wenschen te behouden. Wanneer zich spreeuwen, musschen of andere vogels in den tuin of het bouwland vertoonen, worden zij onmiddellijk als dieven gebrandmerkt; maar vliegen en kapellen doen den mensch geen afbreuk; zij zoeken slechts honig, en... dauwdruppels, en.... „bloemenstof”, zooals mij eens verteld werd.

Ik ben niet genoeg op de hoogte van de dagelijksche spijslijst der verschillende insekten, om juist te weten welke van deze drie artikelen daarop het meest voorkomen en het meest gezocht worden. Maar wel stel ik groot belang in de meer en meer bevestigd wordende ontdekking omtrent de groote rol die de insekten in het leven van de plantenwereld spelen. Terwijl tot voor omstreeks honderd jaar deze dieren alleen op zich zelven beschouwd werden, als nuttig of schadelijk, al naarmate zij der menschelijke maatschappij onmiddellijk voor- of nadeel aanbrachten, is toch in de laatste eeuw ten stelligste gebleken, dat er althans bij verreweg de meeste planten, geen zaad tot stand zou kunnen komen, geen vrucht zou kunnen rijpen, indien er geen insekten waren, die daartoe een behulpzaam pootje boden.

Ik weet niet of op ieder de kennismaking met dit feit zoo’n diepen indruk maken zou als zij op mij gedaan heeft. Ik zie al die kleine vliegende reizigers met een geheel ander oog aan, sinds ik weet dat zij op hunne tochten,—de eene bloem uit, en de andere weer in,—telkens eene dubbele boodschap doen, nl. voor zich zelven den kost opduiken, en ten behoeve van de plantensoort, die zij bezoeken, het verkeer tusschen de meeldraden en de stempeltjes bevorderen.

Het is toch eene bijna algemeen bekende waarheid, dat er aan zichtbaar bloeiende planten geen zaadvorming plaats kan hebben, tenzij er stuifmeel op een zoogenaamd stempeltje (het bovenste deel van het vruchtbeginsel) hebbe gelegen. Wie dit voor het eerst hoort, moet zich dikwijls verwonderen, hoe dat stuifmeel juist altijd op dat kleine lichaampje, terecht komt; te meer daar meeldraden en vruchtbeginsels bij vele plantensoorten in verschillende bloemen, ja, op verschillende exemplaren aanwezig zijn, en zij zelfs in dezelfde bloem lang niet altijd tegelijk tot ontwikkeling komen. Men zag dan ook sinds een paar eeuwen dat het stuifmeel van de eene bloem in de andere kwam; dat het zelfs groote reizen maakte,—maar hoe zulks geschiedde wist men niet te verklaren. De wind kreeg er meestal den dank voor; en bij vele boomen, waar het stuifmeel zeer vluchtig is, en de stempeltjes zeer weinig bedekt zijn, doet hij in dit opzicht ontegenzeglijk groote diensten. Maar weldra begon men te bemerken dat er plantengeslachten bestaan (b. v. de Orchideeën) waarbij de stuifmeelklompjes zich zóó moeielijk laten verplaatsen en de stempeltjes zóó diep zijn verborgen, dat het zonder medewerking van buiten onmogelijk was, dat die beide organen met elkander in aanraking kwamen. Het waren dan ook vooral zulke planten, die den Duitscher Spengler het eerst tot zijn ontdekking van de hulp der insekten brachten; en voortgezette proefnemingen brengen hoe langer hoe meer bewijzen aan het licht voor de vooronderstelling, dat het overbrengen van het stuifmeel door deze kleine dieren (voor verschillende planten ook verschillende diersoorten) geen uitzondering maar regel is.

Wie even nadenkt, kan daarvoor eene menigte voorbeelden vinden in zijne omgeving. Hoe komt het dat onze kamerplanten,—al zijn zij nog zoo gezond, en al bloeien zij prachtig, in huis bijna nooit zaad geven? Een Fuchsia bijvoorbeeld heeft een zeer zichtbaar vruchtbeginsel onder (of omdat zij hangt, boven) de bloem. Soms, als de plant buiten staat, zwelt dit na den bloeitijd op, en kan men er duidelijk zaadjes in ontdekken; maar binnenskamers verschrimpelt het doorgaans, en valt, zonder verdere ontwikkeling af. Zou het niet kunnen zijn, omdat in huis de kleine handlangers ontbreken, noodig om het stuifmeel van de acht langere en kortere meeldraden op het korte, gespletene stempeltje te brengen? In ’t groot heeft men hetzelfde, tot schade van de proefnemers, ondervonden, toen men, eenige jaren geleden, de vanilleteelt op Java wenschte in te voeren. De vanille toch is eene zuid-amerikaansche klimplant, die zich in de wouden van haar vaderland rondom de hoogste boomen slingert, en de kostbare vanillestokjes zijn haar zaadhokjes of vruchten. Waarom zou men op Java geen voordeelige kultuur daarvan kunnen maken? Het klimaat voldeed aan alle eischen; de grond ook; men zou de planten tegen hooge staken laten opklimmen. En o ja, zij klommen, zij groeiden en bloeiden; maar er kwamen geen vruchten aan. Elk jaar werden nieuwe proeven met telkens nieuwe voorzorgen genomen, maar het wilde niet lukken. Eindelijk gaf iemand daarvan de verklaring, op grond van Spengler’s merkwaardige ontdekking: het kleine vliegje, dat in Amerika, al honig zoekend, onwillekeurig zijne diensten aan de plant bewees, was niet mee den oceaan overgestoken; zijn werk kunstmatig, met menschenhanden aan iedere vanillebloem te verrichten, was te omslachtig, en dus moest die kultuur worden opgegeven.

Een ander sterksprekend voorbeeld. Men kent algemeen de Aucuba, met haar groenblijvende gevlekte bladeren, een sieraad van grootere en kleinere tuinen. Elk weet dat daarvan tweeërlei exemplaren bestaan: met witte bloemen, die nooit vruchten dragen, omdat zij wel stuifmeel, maar geen vruchtbeginsel bevatten, en anderen, met zeer onaanzienlijke paarsachtig-bruine bloempjes, die mooie helder-roode vruchten voortbrengen, mits er van elders stuifmeel op haar vruchtbeginseltjes gebracht worde. Daar nu de plant zich zeer gemakkelijk door stekken vermenigvuldigt, zoo gebeurde het, voor een jaar of wat, in een onzer provinciesteden, dat bijna ieder Aucuba’s bezat, maar die noch bloeiden (nl. met de bekende witte bloempjes), noch vruchten droegen. Het geval was dat men in het eindelooze van elkanders vrouwelijke exemplaren afgestekt had, en er geen mannelijke in de buurt voorhanden waren. Een plantenliefhebber liet een groot wit-bloeiend exemplaar komen. Dien zomer merkte ieder rondom zijne Aucuba kleine bruinachtige insekten op; en in den daaropvolgenden winter prijkten bijna allen met een grooter of kleiner aantal roode vruchtjes. De een schreef het toe aan het verpotten van de Aucuba, de ander aan de warmte, een derde aan het mooie najaar; maar voor wie alles in aanmerking namen, was het eene glorie te meer voor des ouden Spengler’s nagedachtenis!

Ik herinner mij, als kind, uit een fransch leerboek, hoe op zekeren dag Bernardin de St. Pierre verschillende soorten van vliegen bewonderde die hij achtereenvolgens op een aardbeienplant waarnam. Had die man, met zijn dichterlijk oog voor natuurschoon, Spengler’s wetenschap er bij bezeten, hoe veel rijker mijmerijen zou die „fraisier” dan nog bij hem opgewekt hebben!