XVII.

AAN DE NOORDZEE.

Dezer dagen is aan de zee, te Scheveningen, te Zandvoort, en te Domburg,—en wat wilt gij er nog meer bij noemen?—het „badseizoen” weer begonnen, en de tijd aangebroken, waarop, althans aan de beide eersten, verschillende natiën elkander aan ons strand ontmoeten.

Nu zijn de drukke dagen nog niet daar: de levendigste tijd is Juli, Augustus, September; de vroegste gasten verschijnen op het eind van Juni. Wie in het begin dezer maand, op een mooien dag, onze zeedorpen bezoekt, vindt ze nog in hun normalen toestand, alleen bewoond door het oorspronkelijke visschersras,—de visscherskaste had ik bijna gezegd,—waarvan het mij altijd verwondert, dat, ondanks de voortdurende aanraking met de zeer onfrissche badwereld, het type zoo zuiver bewaard blijft. Welkom, knappe, frissche scheveningsche deernen, met uw mooie roode wangen en nog mooier blauwe of lichtbruine oogen! Welkom, oude zeebonk, met uw gerimpeld voorhoofd onder den zuidwester, met uw blik, die zoo dof schijnt, maar zoo geestig zijn kan! Houdt u goed te midden van dien zwerm vreemden, onder wier nieuwsgierige of geblazeerde oogen gij sinds jaren zoo rustig uw bedrijf uitoefent, alsof zij er niet waren. Neemt steeds zoo weinig als het zijn kan over van die heeren en dames, wier geurige parfumerieën u dagelijks om den neus waaien; behoudt uw eigen aard, zelfs al verkoopt gij hun uw speldenkussentjes met schelpen, of al leent gij hun, als „badman” en „badvrouw”, de hulp van uw gespierde armen. Laat hen liever gevoelen dat zij iets van u hebben over te nemen. Want waarlijk, gij zijt hunne meerderen, in zooverre gezondheid de meerdere is van ziekelijkheid; gij staat boven hen, zoover als inspanning en arbeidslust staan boven niets-doen, leêgloopen en luieren!

Niemand zal mij tegenspreken, dat dit laatste zoowat de dagverdeeling van de meeste badgasten is, ook al zijn zij niet bepaald ziek.—Hoe dit zij, er zijn er stellig altijd eenigen onder, wien ik bij nader kennismaking gaarne een verkwikkende vakantie, te midden van hun werkzaam leven, zou gunnen. En zeker is niets meer geschikt dan een verblijf aan zee, om iemand, beurtelings door rust en prikkeling, nieuwe krachten te bezorgen. Om nog niet eens te spreken van het eigenlijke zeebad, als geneesmiddel, of de watergymnastiek, zooals men haar kan noemen,—welk een verfrissching gaat er niet reeds uit van de lucht en het strand en de duinen en de ongewone leefwijze, voor geest en lichaam beide! Hoeveel en hoe men daarvan profiteert, hangt zeker af van individueele eigenschappen: van oog voor natuurschoon; van ontwikkeling van verstand, gemoed, verbeelding; van artistieken zin en wetenschappelijke vorming; van de gaaf om omtegaan met allerhande menschen; van de gewoonte om zich rekenschap te geven van hetgeen men ziet en geniet.

Zonderling, dat zij zulk eene toovermacht op ons kan uitoefenen, die zee, die vale Noordzee, met dat meestal vale zwerk daarboven, en dat vale zandvlak daarvóór, en die zandige heuvelen, slechts met vaal helm begroeid, als afsluiting van ’t landschap! Ginds in de verte stoomt een boot voorbij; nog verder aan den horizont telt gij een twintigtal pinken; achter u verheffen zich de badgebouwen, door boom noch struik versierd of beschaduwd; beneden, aan den voet der duinen, staan een stuk of wat leelijke koetsjes, die u misschien een glimlach afdwingen; behalve op een paar zeer drukke uren, zijn de menschenfiguren betrekkelijk zeldzaam, en slechts het gekrijsch van meeuwen breekt nu en dan het eentonig geruisch van de zee. Wat is daar toch te zien, zou men haast vragen, ’t welk het verblijf aan zulk een badplaats zoo aantrekkelijk maakt? Wat lokt niet alleen kranken, maar niet minder gezonden, jaarlijks in zulk een groot aantal derwaarts? Wat maakt dat onze zeebaden geen speelbank noodig hebben om bevolkt te blijven?

Vertoef er slechts één of twee dagen, en gij zult het voelen en begrijpen.

Vooreerst doet het de zee, door hetgeen zij niet is. Zij is namelijk zóó geheel iets anders dan het tooneel van ons dagelijksch leven en werken, dat haar aanblik ons reeds daardoor eene onvergelijkelijke verfrissching bezorgt. Zij is niet het land, met al wat daarop groeit en vaststaat, en waarmee ons alledaagsch bestaan op de eene of andere wijs is verbonden; ik had bijna gezegd, zij is niet de aarde. De gansche zandige, flauwlijnige omlijsting helpt, juist doordien zij niets te zien geeft,—niets dan zand en fletse gewassen,—slechts mede om dien indruk te versterken. Het vage, golvende karakter van alles om ons heen, geeft ons reeds onbewust de zekerheid, dat wij hier niet met menschenwerk te doen hebben; het dichtste bosch, de wildste bergpartij doen ons niet zóó volop gevoelen, dat wij alléén met „de natuur” zijn. Zelfs de heide niet, want de heide is vast, en de zee is eeuwig bewegelijk.

En de zee treft ons ook wel degelijk door hetgeen zij wel is: door de eindeloos afwisselende schoonheid, die zonneschijn en wolkenschaduwen op haar te weeg brengen; door het spel der rimpels op haar spiegel, of het klotsen van de baren vóór, in en na een storm. En is er, voor wie dieper doordringt, niet nog grootscher bekoring verscholen in haar eigene gestadige rijzing en daling,—in dien vloedgolf, die zoo rustig komend en weer heengaand, getuigt van eene kracht, waarbij de felste storm nog niets is? Is daar geen prikkel voor den geest van elk die voelt en doordenkt, in al de verscheidenheid van kleine aanspoelende voorwerpen,—eene doorloopende tentoonstelling, die met elk getij vernieuwd wordt? Kan men open oogen hebben, en niet reeds na weinig dagen eenig hart hebben gekregen voor die ongewone dier- en plantenvormen, waarmede wij, desnoods onzes ondanks, in kennis gebracht worden?

En dan is er eindelijk het sterk sprekende contrast tusschen die afzondering en eenzaamheid,—dat uit-de-wereld-zijn, dat men hier gemakkelijker dan ergers kan bereiken,—en het bont gewoel der badwereld op een paar schreden van ons af. Juist hier, bij deze scherpe tegenstelling, worden wij er ons diep van bewust, dat in het leven van ieder menschelijk mensch natuur en maatschappij twee elkaar aanvullende machten zijn; dat de omgang met de eene op den duur nooit geheel het gemis van de andere vergoedt, maar dat zij, indien wij slechts willen, ons elk op haar beurt leeren ze beiden lief te hebben.

Stel u voor, dat gij badgast zijt. Gij zijt vroeg opgestaan, vroeger dan gij ’t in de stad gewoon waart;—gij hebt gebaad of wel het badgewemel aangezien, naar den vischafslag staan kijken, of wel in uw tijdelijk tehuis het noodige verricht. Thans zijt gij met een boek of knutselwerk naar een luw plekje aan de voorste duinrij getogen. De zee is kalm; het is een jour de dame: de zon schijnt bijna door de dunne wolken heen. Maar het werken wil niet vlotten, en het lezen ook niet. Gij vindt, dat gij dat t’huis, aanstaanden winter, genoeg doen kunt. Het valt u moeielijk, uw blikken van de zee af te houden. Indien gij Heine kent, lokt hij u in verbeelding naar Norderney; zoo gij Schleiden hebt gelezen, vliegt gij met hem over naar Helgoland: wie weet welke andere lievelingsdichters u ongemerkt naar fransche, britsche, noorsche kusten heentrekken. Eensklaps valt uw oog op de schaal van een kokosnoot, die een pas of wat van u afligt. Zou die zijn komen aandrijven op de golven: op haar eigen houtje zulk een lange reis gemaakt hebben, uit een land waar palmen groeien? Of zou zij afkomstig zijn van een verongelukt schip? Waar zou dan de bemanning terecht zijn gekomen?... En gij ziet er gindsche visschers, die bezig zijn iets aan hun pink te timmeren, eens op aan, hoeveel gevaren het zeeleven meebrengt; en gij krijgt sympathie voor hunne avonturen. Onwillekeurig raapt gij af en toe een schelp op of een horentje, afgelegde omhulsels van vergane zeedieren, die in plaats van inwendig geraamte, slechts deze uitwendig op één punt aan hen vastgegroeide huisjes, tot stevig tegenwicht voor hunne weekheid hadden! En kijk, wat hebt gij daar? Een bruin, hoornachtig langwerpig-vierkant zakje, met vier puntige aanhangsels. Het is een rogge-ei. Gij weet dat misschien niet, maar dan zult gij het vragen aan dien aardigen duitschen professor, die gisteren uitgelegd heeft, hoe het komt dat alles wat met zeewater bevochtigd is niet opdroogt eer men het in zoetwater heeft uitgewasschen. Hij beweerde dat dit een gevolg is van de „zoutzure magnesia”, die er aan was blijven hangen, en die altijd weder vochten uit den dampkring opneemt; en hetzij gij iets van scheikunde begrijpt of niet, gij kunt niet laten er het nimmer geheel droge zand eens op aan te voelen.

Intusschen is het etensuur geslagen, en daarna, tusschen zessen en zevenen, begint op het strand en de terrassen de pantoffelparade. Menigeen, die tot dus verre genoeg had aan de zee en zich zelven, komt nu om het gezelschap. Gij doet mee met de massa. Een mensch is zóó niet, of hij wil daar ook eens het zijne van hebben. Gij voelt u minder vrij dan ’s morgens, maar hebt daartegenover het voorrecht van menschengezichten te zien. Gij weet, er zijn er bij, die u aantrekken; gestalten, die gij gaarne nog eens zien zoudt, stemmen, die gij gaarne nog eens hooren wilt, al was ’t alleen maar om te weten welke taal zij spreken; ontmoetingen, waarnaar gij wenscht, en andere, nieuwe, die u misschien boven het hoofd hangen. Gij hebt reeds heele, halve, groet- en aanspraakkennissen; en loopen er soms onder, met wie gij liever niet tot meerdere gemeenzaamheid woudt komen,—de talrijkheid van ’t badpubliek geeft desverkiezende gelegenheid genoeg om die te ontwijken. De kans op conversatie is voortreffelijk; ’t is een prachtige avond geworden en ’t blijft licht tot negen uur, half tien toe.

Doch eer het donker is, komt er één oogenblik, of liever één kwartier, waarin de meeste gesprekken verstommen, en bijna aller oogen naar één zij gericht zijn: naar den noordwestelijken horizont. Het is, als daar het drama van den zonsondergang wordt afgespeeld. Ziet, het oogenblik nadert; reeds begint zich de hemel te kleuren. De zon daalt merkbaar; en zij, die op den dag niet dulden wilde, dat wij haar in het aangezicht zagen, laat zich nu, mak en goedig, van hare verblindende stralen ontdaan, ongestraft in hare volle grootte ten afscheid groeten. Daar daalt zij tot de kim; het is als rust zij op het water. Daar duikt zij onder; nog een klein gedeelte en zij is verdwenen. Maar alsof dan plotseling al haar gloed uiteen spatte, zoo schitterend rood verft zich de plaats waar zij is neergezonken,—de zee, zoo even donkergrijs, wordt paarlemoerwit en de nevelen, waarvoor ons Noorden berucht is, doen zich dan eensklaps gelden als de luchtgeesten uit een sprookje, en maken van het halve uitspansel een kolossalen ongestreepten regenboog. Onwillekeurig zwijgt men. Ik ken menschen, die nooit vroom zijn, dan alleen op zulke oogenblikken; menschen, die, hetzij uit lichtzinnigheid of redeneering, gewoonlijk alle godsvereering van zich werpen, maar die bij dezen aanblik zwichten voor de geheimzinnige weelde van iets boven zich te vereeren, en in stilte den raad des dichters volgen:

Laisse aller ta prière où ton âme l’envoie:

Ne t’inquiète pas, toute chose a sa voie,

Ne t’inquiète pas du chemin qu’elle prend!

Dit gloeiend schouwspel duurt slechts kort; na weinige minuten verbleeken de tinten, en weldra is alles voorbij.

Nooit voelt men den overgang van dag tot nacht zoo snel en sterk, als wanneer men het hoofdmoment zoo geheel mee doorleefd heeft. Het zwijgen is dan weder opgeheven, en men wordt op nieuw spraakzaam. Het is zelfs alsof, na het verdwijnen van de dagvorstin, de menschen zich inniger aaneensluiten. Maar juist daardoor is de toon veranderd. Een groot deel van het publiek trekt zich na zonsondergang terug: het wordt stiller op het strand en rondom ons, naarmate de duisternis valt, en de moed wordt grooter voor gesprekken, die, hetzij in vertrouwelijkheid of in verheffing, min of meer het alledaagsche overschrijden.

Ten slotte keeren ook de laatste achterblijvers huiswaarts naar hun grooter of kleiner logies. En indien zij daar dan iemand vinden,—het is een tref, maar als men ’t treft, is het een groot voorrecht aan een badplaats!—die het gemeenschappelijke avondeten weet te kruiden met een aardigheid; die de kleine feiten van den dag artistiek opvat, of een oude anekdote handig weet te pas te brengen; die de kunst verstaat, òf om zelf te vertellen, òf om het gezelschap aan de praat te brengen,... zie, dan wenschen zij, in negen van de tien gevallen, dat het badseizoen voor hen nog heel lang moge duren.

Zulk badgenot, en nog veel meer, in dagelijksche verscheidenheid, wensch ik aan allen toe, die in dit jaar hun op een of ander veld van eer (om ’t even van welke soort) verloren krachten, aan ons noordzeestrand zullen trachten te herwinnen. Moge hun gezondheid hersteld, hun zenuwen versterkt, hun geest opgewekt worden; en mogen zij de zee vaarwel zeggen met aangename herinneringen en met nieuwe plannen voor de toekomst, waarover zij zich voor badvrouw noch badman behoeven te schamen!