Tot de gaven die ik, bij haar geboorte, ons prinsesje Pauline voor de toekomst toewenschte, behoorde:
„Weet wat gij schoon vindt in de wereld om u henen”.
De meeste menschen weten dat van de meeste dingen volstrekt niet; en het is hun zelfs vrij onverschillig. Op het punt van kleederen bij voorbeeld vraagt men zich in den regel volstrekt niet af of men iets mooi vindt; niet schoonheid, maar „fatsoen” en „stand” zijn daarbij vaak de openlijk erkende hoofdbedoeling. Doch op het glibberig terrein der kleeding behoeven wij ons thans gelukkig niet te wagen. Ik wou eenvoudig even praten over het groepeeren van bloeiende planten.
Ik wou vragen: wat dunkt u van de in de laatste jaren heerschende mode der „tapijtbedden” of „mozaiekperken”?
Ziet ze vóór u, in hun sterksprekend karakter van netheid, stijfheid en hardheid, in dit alles niets onderdoende voor een keurig opgemaakt schoteltje haringsla. Schitterend rood, helder geel, hard blauw, blinkend wit spelen daarin gewoonlijk de hoofdrol; en vertoonen zich nog harder dan zij zijn, door de combinatiën waarin zij naast elkander geplaatst worden. Het spreekt van zelf, dat indien eenmaal zuiverheid van uit bloemen gevormde figuren hoofdzaak wordt, sterke contrasten zeer gezocht zijn, om de teekening effekt te doen maken; en dat daarbij zekere hardheid bijna onvermijdelijk is. Maar zelfs waar men er in slaagt die te ontwijken, en met fijnere tinten te werken dan in den regel het geval is, zondigt men daarbij toch altijd in hooge mate tegen de natuurlijke schoonheid der planten, door ze tot een vlakken groei te dwingen. De voor mozaiekperken gebruikte gewassen zijn veelal dwergachtige planten, die van jongs af voor deze bestemming gedresseerd zijn: zij groeien in de breedte, doordien men er bijtijds den kop heeft uitgesneden. Daardoor vervalt van zelf al de rijkdom van vormen, die uit een bevallige vertakking voortvloeit; van een sierlijk zwenken, buigen, zwieren kan geen sprake meer wezen. Het was zeker geen tapijtbed dat den italiaanschen dichter de gedachte ingaf:
Gij vlindertje in de bloemenperken,
Gij bloem die op den stengel wiegt,—
Een vlinder is een bloem met vlerken,
Een bloem, een vlinder, die niet vliegt!
Wel verre van tot de gelijke van een levenden vlinder verheven te worden, wordt de bloem hier verlaagd tot een gebruik, waartoe men juist zoo goed een hoopje steenen van verschillende kleuren kon bezigen!
Ofschoon nu verreweg de meeste eigenaars van grootere of kleinere parken en tuinen hierin volstrekt hun eigen smaak niet raadplegen, maar de zaak eenvoudig aan de mode en hun witboezeligen tuinman overlaten, zoo zijn er toch een aantal menschen, die dergelijke plantenmozaieken volstrekt nog zoo leelijk niet vinden. Hun oog wordt, geloof ik, verleid door den ontzaglijken rijkdom van bloeiend materiaal, dat er toe wordt gebruikt; en zij gaan dan niet na, dat deze zelfde bloemenmassa nog veel aangenamer indruk zou maken, indien zij op eene meer met haar karakter overeenstemmende wijze gegroepeerd was. En eindelijk zijn er sommigen, die werkelijk uit overtuiging de tapijtbedden toejuichen, omdat zij...hen doen denken aan den Style-le-Nôtre en de tuinen van Versailles, die zij zoozeer bewonderen.
Ik heb dikwijls getracht mij daarvan rekenschap te geven. Doch wat aangaat den Style-le-Nôtre, in één geval slechts kan ik mij voorstellen dat iemand van beschaafden smaak daarmede ingenomen is. Dat is: wanneer men lang, te lang in eene wildernis vertoefd heeft, waar de natuur alléén het heft in handen had, en dan, teruggekeerd in de bewoonde wereld, zich als tegenstelling aangenaam voelt aangedaan door zulk een machtig en planmatig ingrijpen van menschelijke kunst in natuurlijke groeikracht. Of wel,—wat geestelijk daarmee gelijk staat,—wanneer men dezen tuinstijl beschouwt als ’t geen hij is: de allereerste poging, die de europeesche maatschappij in dit opzicht beproefd heeft, en van welke men dus niet al te veel mag verwachten. De lage trap waarop hij staat, blijkt overigens wel daaruit, dat zijne degelijke bewonderaars hem ’t meeste prijzen als: „zoozeer in harmonie met den bouwtrant” van zekere kasteelen en paleizen, wier lijnen hij in eene andere grondstof herhaalt. De tuinaanleg wordt daarbij dus geheel ondergeschikt gesteld aan de steen-architektuur. En is dit niet juist in tegenspraak met het karakter van tuinen en parken: het omheinde lapje grond, waarop de mensch zijn best doet, om te midden van de aangroeiende steenwereld der steden iets te scheppen, dat hem zoo veel mogelijk aan het vrije veld herinnert?
Indien wij de geschiedenis van den zich ontwikkelenden tuinsmaak nagaan, zien wij dezen dan ook weldra eene hoogere vlucht nemen. Na eerst naar hartelust getoond te hebben, in hoeverre men bij machte was, den dwingeland te spelen over de natuur, kwam men op den edeler inval, om dieper in haar wezen en haar eigen wetten door te dringen, en haar in overeenstemming daarmede te regeeren. Na Le Nôtre heerschte William Kent. Na de stijve sterrenbosschen en de tot groene muren opgesnoeide hagen, en als geparquetteerde vloeren vlak uitgestrekte bloemperken, kwam de „engelsche aanleg” met zijne aan de natuur zelve ontleende schoonheden, met zijn heerlijke boomgroepen, zijn verrassende wendingen, zijn wandelwegen, waarop men zich zoo vrij beweegt, en zich nochtans onder de betoovering van echte kunst gevoelt; zijn schijnbaar ongedwongen lijnen, maar die toch allen samenwerken aan een goed verdeeld geheel. Het is eigenlijk verbazend hoe in betrekkelijk zoo korten tijd de destijds jonge tuinarchitektuur zich zoo sterk heeft ontwikkeld,—zulk een sprong voorwaarts heeft gedaan van die bekrompen strengheid tot dat ongedwongen meesterschap!
Maar nog verbazender, en daarbij beschamend dunkt het mij, als onze eeuw zoo goedsmoeds weder een sprong achterwaarts schijnt te willen maken. Of is het niet een onbegrijpelijke terugkeer naar het oude, wanneer hier, zoowel als in Engeland, in Frankrijk, in België, in Duitschland, op zoo menig glooiend grasveld de liefelijkste heesterpartijtjes weggeruimd worden ten behoeve van een mozaiek-aanleg? Wanneer in plaats van hier en daar verspreide perken, waar schilderachtig geschakeerde planten, los en sierlijk, al naar haar aard het meebracht, uitgroeiden, zich vertakten en bloeiden,...... een aantal potjes zoo symmetrisch mogelijk gerangschikt worden tot randen, tot sterren, tot krullen? Wie eens de tuinen van Versailles en van Hamptoncourt gewaardeerd heeft als antiekiteiten, en daarna met oog en geest genoten in Hydepark, in ons Haagsche bosch, in het Bois de la Cambre, die staat verstomd bij het betreden van een plein als b. v. voor den Palmengarten te Frankfort. Men vraagt zich dan onwillekeurig af, of het geheel voor niet is, dat er een poos lang een beter wind gewaaid heeft? Frankfort a/M. is niet zoo heel ver van Cassel, met zijn schoonen Auegarten. Zou er dan niets waar zijn in hetgeen wij somtijds droomen van esthetischen vooruitgang? Zou de mode maar altijd als in een mallemolen ronddraaien, en de menschen zich daardoor zoo duizelig laten maken, dat zij hunne eigen oogen niet meer durven vertrouwen?
Het zal hier wel zijn gelijk op elk ander gebied: iets van het betere blijft altijd hangen!