XXIV.

EEN BERGTOCHT.

Wanneer Hollanders over Boheme, met name over eene eigen reis naar Boheme spreken, denken zij daarbij meestal het eerst aan een badreis naar Karlsbad, met een uitstapje naar Praag, of wel aan het op boheemsch grondgebied liggende deel van de zoogenaamde „Sächsische Schweiz”. Mij voerden bijzondere omstandigheden een paar jaar geleden naar een ander hoekje, ook in het noorden van Boheme, maar een weinig dieper landwaarts in. Mijn tijdelijke verblijfplaats was dicht bij Trautenau, een welvarend stadje, bekend door de worsteling tusschen Pruisen en Oostenrijkers in 1866; en van daar maakten wij tochtjes in den omtrek. Eén daarvan heeft niet alleen voor mij zijne aangename herinneringen, maar gold eene merkwaardigheid, die hier te lande zoo goed als onbekend is, de „Weckelsdorfer Felsenstadt”.

Op een mooien zondagochtend trokken wij uit; één van het gezelschap had den weg vooraf bestudeerd, en wij overigen lieten ons leiden. Wel moesten wij een keer of vijf van lijn verwisselen; ééns een uur wachten op een trein die te laat kwam, en daarna nog eens twee uur overblijven aan een station dat midden in het land stond, met een arbeidershut die voor stationskoffiehuis diende; maar met dat al was ’t heerlijk dat er spoorwegen waren, waardoor wij binnen eenige uren ons doel konden bereiken. Naarmate de reis vorderde, begonnen wij te bemerken dat de plaats onzer bestemming eene zeer geliefkoosde zondagsuitspanning was voor de hoogere en lagere burgerij der omliggende stadjes. Zoo stil en eenzaam onze tocht in den beginne geweest was, zoo gezellig werd zij gaandeweg. Elk station leverde nieuw reisgezelschap, en bijna allen gingen naar Weckelsdorf of Adersbach om „die Felsenpartie zu machen”. Ook het aardige, vroolijke, geheel op den zomer ingerichte logement, waar wij te Weckelsdorf onzen intrek namen, bleek op die wekelijksche buitenpartijen voorbereid te zijn. Het was er druk en levendig, de kamers hadden zoo’n mooi uitzicht, de eetzaal was zoo lief met groen versierd, er was muziek aan tafel en wij deden ons te goed aan een bord oostenrijksche soep;—onze leidsman had moeite om ons allen tot opstaan te krijgen met de aanmaning: „Nu eerst naar de rotsen,—het is nog een half uur gaans en de zon mag niet te laag staan, als wij ze goed zien zullen.” Het aangenaam vooruitzicht van des avonds in die zelfde zaal terug te zullen komen, deed ons eindelijk gehoorzaam meegaan... naar „de rotsen”.

Maar wat waren dan toch eigenlijk die rotsen, op een half uur afstands, waarvan wij nog niets zagen? Onderweg lieten wij het ons uitleggen. Wij wandelden door een welvarend, heuvelachtig (laat mij ter vergelijking zeggen Veluwsch) landschap; ginds, als wij dat bosch achter den rug hadden, zouden wij van zelf de „Felsenstadt” in het oog krijgen. Tusschen de dorpen Adersbach en Weckelsdorf namelijk verheft zich, midden in eene betrekkelijk vlakke landstreek, eene zandsteenformatie van een paar uur gaans in omtrek. Tot voor omstreeks tachtig jaar werd zij bijna niet door menschen bezocht. De rotsen, hare zonderling gapende kloven en moeilijk te beklimmen spitsen, waren met een zoo goed als ondoordringbaar pijnbosch begroeid. Het kappen van het hout loonde de bezwaren van ’t vervoer niet; en ook voor de jacht werd deze steenmassa als al te gevaarlijk beschouwd. Slechts in oorlogstijden schijnt zij af en toe tot toevlucht verstrekt te hebben aan wanhopige vluchtelingen; de sporen van vroegeren menschenarbeid hier en daar zichtbaar, worden in den regel aan „de Hussieten” toegeschreven, die in alle oude boheemsche vertellingen eene groote rol spelen. Daar wij dicht bij het Reuzengebergte zijn, komt natuurlijk ook de berggeest Rübezahl bij de legenden van de Felsenstadt te pas.

Eensklaps echter, in het begin van onze eeuw, ontstond er in deze geheimzinnige rotsmassa boschbrand. Wie zich een brand voorstellen kan in zulk een woud van naaldhout, met zijn oorspronkelijken harsvoorraad, die doe het. Ik kan er niet van meepraten: ik zag slechts de gevolgen. En deze waren: dat de rotsen kaal en daardoor toegankelijker voor menschen waren geworden. Dat toen weldra de lieden uit den omtrek, nieuwsgierig in dat plotseling geopend heiligdom der natuur binnendringende, verstomd hadden gestaan over de vreemde vormen die zij daar aanschouwden. Het weer, het water, de elkander opvolgende boomgeslachten, die sinds honderden van jaren daar ongestoord aan ’t werk waren geweest, hadden deze rotsen op allerhande wijzen doorkliefd en gespleten. De regen was er doorgesiepeld, en de wind had het ééne stuk op het andere geworpen; en zandsteen is zoo bros en laat zich zoo gemakkelijk boetseeren, vooral wanneer de reuzenkrachten, die zich daarmee bezighouden, er hun tijd voor kunnen nemen! En een laatste gevolg was geweest, dat het bezit der rotsenstad, waaraan zich tot nog toe niemand veel gelegen liet liggen, nu door den rechtmatigen eigenaar, den landheer, geregeld aanvaard werd; dat hij de gemakkelijkste toegangen afsluiten en aan vreemdelingen zonder gids verbieden liet. Weldra werd toen het vertoonen van de „Felsenstadt” aan beëedigde gidsen verpacht,—en op aanbeveling van Baedeker en zijne plaatselijk-boheemsche collega’s, neemt in de laatste jaren het aantal bezoekers elken zomer toe.

Wie nu mocht vreezen dat die inmenging der menschen aan het echt natuurlijke van deze natuurstad veel afbreuk doet, behoeft zich daarover niet ongerust te maken. Zij mogen hier en daar een boomstam weggehaald, de hoofdwegen een weinig gelijkgemaakt, op een gevaarlijk hoekje een hek of een paal gezet, of een schuitje beschikbaar gesteld hebben om de waterplassen over te steken; klauterlustige reizigers mogen op moeilijke punten hun naam gegrift, (of minder klauterlustigen ze door een daartoe aanwezigen verver op de rotswanden hebben laten schilderen!); orgelmannen mogen verlof hebben om op de meest indrukwekkende plaatsen een verflauwd Stabat Mater te spelen, en af en toe moge er op een hoorn geblazen worden, ter wille van een echo,—aan de eigenlijke rotsvorming zelve heeft de menschenhand blijkbaar niets veranderd, hetgeen trouwens in de meeste gevallen eenvoudig onmogelijk zou geweest zijn. En deze rotsvorming is en blijft toch het voorname doel van het bezoek. De plantengroei is schraal en onaanzienlijk; behalve in enkele vruchtbare valleitjes, brengt die weinig tot de aantrekkelijkheid van ’t landschap bij: hoofdzaak zijn de verrassende wendingen, de grillige blokken, de donkere kloven, welker aanblik bij iederen voetstap verwisselt. Ons allen boeiden deze tooneelen ontzaglijk; de gids ging vóór, wij volgden, bijna twee uur lang, nu rechts dan links, en niemand dacht aan moeworden. Indien men spreekt van een eenigszins vervelende inmenging van menschen, dan bestaat die misschien daarin, dat de gidsen aan de meeste eenigszins in het oogvallende rotsstukken namen geven. „Daar zijn de koornzakken,”—werd ons reeds kort bij den ingang aangewezen, „daar zijn de kazen”, daar is „de kroon”, „de wandelende pelgrim”, de „reuzenharp”, de „schoorsteenveger”; ginds in de hoogte zit „de broeiende kip.” Ik moet eerlijk bekennen dat dit mij minder aangenaam aandeed; men had het, dacht mij, wel aan onze eigen verbeelding kunnen overlaten. Somtijds echter waren de figuren zoo teekenachtig, dat zij voor zich zelven spraken. „Kijk,” riep eensklaps een van het gezelschap, toen wij een bocht van een smal dal omgingen: „daar staat Erasmus boven op dien top.” „Sanct Johan von Nepomuc,” zei de gids, die ons natuurlijk niet verstond, sloeg een kruis, en wees plechtig naar de hoogte. Er werd hartelijk gelachen om die botsing van de katholieke en de protestantsche zienswijze; maar het is waarlijk niet te verwonderen dat het volk hier den schutspatroon van Boheme meent te aanschouwen. Dat groote standbeeld van dien man met toga en baret, met een boek in de ééne hand, en de andere over het land uitgestrekt,—spreekt het niet van zelf, dat men hem als den heilige moet aanbidden? (Welk een groote rol het lichteffekt echter bij die gelijkenissen speelt, blijkt wel dadelijk daaruit, dat dezelfde rotspunt, van de andere zijde gezien „der Uhu”, de uil, heet!)—Iets verder maakte ons de gids opmerkzaam op: „de wachtende rotsbruid”. Ditmaal was het goed dat hij ons voorthielp, want wij zouden de aardige figuur niet gezien hebben; toen wij haar eenmaal in het oog kregen, trof ons allen dat zinnebeeld van verlangend wachten. Een driehoekige rotspunt namelijk maakt geheel den indruk van een lange vrouw, die, vlak op den bergrug gezeten, met uitgerekten hals in de verte naar iets uitziet.

Weldra kwamen wij aan het „rotsamphitheater”, een halfrond dal, dat werkelijk aan de afbeeldingen van het romeinsche Coliseum doet denken; in den somberen „grafkelder”; en eindelijk in den „Münster”, een prachtige grot, waar de tonen van ’t genoemde orgel, ofschoon zwak, niet slecht klonken. Een paar allerliefste plekjes waren „de lentetuin”, met zijn frissche varensvegetatie, en „Italië”. Dit laatste heet nl. zoo, in tegenstelling van „Siberië”, een kille kloof, waar nooit zonnestralen doordringen en waar het gansche jaar door sneeuw ligt;—daaruit tredende, komt men dan onmiddellijk in het warme, rondom beschutte, rijk begroeide „Italië”. Eerst tegen ’t vallen van den avond, juist toen de schaduwen te lang begonnen te worden, was onze wandeling ten einde. Bij den ingang—thans voor ons den uitgang—stond een hut, waar men bier en wijn kon krijgen en allerhande snuisterijen, bestemd voor „welkom t’huis”; getuige de gemoedelijke woorden, waarmee ze allen prijkten: „Auch in Weckelsdorf gedachte ich Dein.” Vóór de deur, op onze tafel, lag een vreemdelingenboek, en als gewoonlijk zochten wij daarin naar Nederlanders, die wij echter hier zoomin als ergens anders in deze buurt ontmoetten. Het plan werd aangenomen om er een versje in te schrijven, en ten slotte kwamen deze drie coupletjes tot stand:

Wie zien wil, hoe een schutspatroon

Ontzag wekt en vertrouwen,

Lette op Johan von Nepomuk,

Door de eeuwen uitgehouwen.

Wie voelen wil, wat wachten is,

Trots tijd, en storm, en regen,

Zie opwaarts naar de Steenen Bruid,

En vraag haar stillen zegen.

Wie weten wil hoe grillig-grootsch

Natuur zich kan vertoonen,

Betreê de Weckelsdorfer „Stadt:”

Het zal de moeite loonen.

En dien raad herhaal ik bij deze tot allen, die ooit in de nabijheid van deze zonderlinge rotsen mochten komen.

Na een vroolijken avond en een rustigen nacht gingen wij den volgenden morgen de zaak nog eens even van de Adersbachsche zijde bekijken. Bij Adersbach nl. is nog een tweede toegang, en vandaar uit wordt men door de andere helft van het rotsgebied rondgeleid. M. i. is intusschen de Weckelsdorfsche helft de beste, daar zij veel meer verscheidenheid aanbiedt. De Adersbachsche kant heeft dit vóór, dat werkelijk het begrip van stad daar het meest tot zijn recht komt. In de lange, eentonige, slechts nu en dan in breedte verschillende gangen, die daardoorheen leiden, kan men zich volkomen verbeelden door straten te loopen. De rotswanden aan weerszijden zijn telkens, op eenige ellen afstands, gespleten; de doorsiepelende regen heeft er gleuven tusschen gemaakt, die aan smalle stegen of slopjes doen denken; en wie dan den donker grijzen steen kent, waarvan reeds te Leipzig en te Dresden het grootste oude deel der steden opgetrokken is, zal zich niet verwonderen dat de namen: „lange Gasse”, „Prager Jesuïtengasse”, „Breslauer Wollmarkt” enz. hier zeer teekenachtig en gelukkig zijn gekozen.