XXXVI.

VÓÓR OF ACHTER DEN PLOEG.

Ik betwijfel zeer, of er ooit in de werkelijkheid iemand bestaan heeft, die den titel droeg van „Graaf van Rome”. Maar er is eene oud-duitsche ballade, waarin van zulk een personage en zijn vrouwtje een teekenachtig avontuur wordt verteld.

De graaf van Rome dan, „een man van eer en ridderlijke deugden”, wilde aan de eischen van zijn tijd voldoen en een der kruistochten naar Palestina meemaken. Zijne vrouw, de gravin, had hier veel tegen; zij deed alle moeite om hem van zijn plan af te brengen, maar mocht daarin niet slagen. De graaf vertrok. De tocht was voor hem alles behalve voorspoedig. Het duurde niet lang of hij viel in handen van een koning, die zijn krijgsgevangenen zeer slecht behandelde en streng liet bewaken. Hij leed honger en ellende, en het ergst was dat hij, die aan zulken arbeid natuurlijk niet gewoon was, dag aan dag den ploeg moest trekken:

am pflug da must er ziehen

viel lenger denn jar und tag,”

zoo heet het in het oude gedicht. Eens, toen de koning aan het hoofd van zijn ridderstoet uitreed, viel de graaf hem te voet, en smeekte om genade en vrijheid; doch de koning „zwoer bij zijne kroon”, dat hij den gevangene niet zou loslaten, tenzij diens eigen vrouw er om kwam vragen. De graaf schrikte van dat bericht, en hield toen „in diep leed” de volgende naief-zelfzuchtige overpeinzing: „laat ik mijne vrouw komen, dan wordt haar smaad aangedaan; moet ik hier blijven, dan geldt het mijn lijf; dus: ik wil schrijven dat mijne vrouw kome.” Zoo gedacht, zoo gedaan. Er werd een brief geschreven, waarin hij aan de vrouw duidelijk maakte, dat niemand dan zij zijnen kommer kon keeren; en een bode ging er mee op weg. De vrouw ontving den brief, las dien „in ’t geheim”, en „het hart werd haar koud wegens den toestand van haren heer”. Nochtans schreef zij terug.... dat zij niet kon komen; dat het voor een vrouw niet paste „over de wilde zee” te varen; maar dat zij te huis alles voor hem doen zou wat zij kon. Zoodra echter de bode weer vertrokken was, beredderde zij in stilte al wat zij dadelijk bedacht had: zij liet zich een monnikspij maken en eene tonsuur scheren; en daar zij „lezen, schrijven en nog heel veel meer doen” kon, en ook in ’t snarenspel bedreven was, hing zij de harp en de luit op zijde en—reisde zoo den bode na. De zeereis duurde drie of vier dagen. Tot vermaak van zich en hare tochtgenooten, begon zij midden op de zee muziek te maken; de bode zat aandachtig en met welgevallen te luisteren. „Zij herkende hem wel, maar hij haar niet”. Toen zij geëindigd had, stelde hij haar voor, met hem mede te gaan naar zijn koning, die haar spel zeker rijkelijk zou beloonen; hij drong daar zeer op aan; zij stemde toe; zij reisden, toen zij aan land gestapt waren, samen verder, „over bergen en door diepe dalen”; en zoo was de bode, zonder het te weten en met hare weigering in den zak, de geleider en beschermer van de vrouw, om wie hij uitgezonden was.

Weldra stond de gewaande monnik voor den koning, en werd wegens haar spel luisterrijk ontvangen. Zij speelde en zij zong „veel vreugdevolle woorden”; en al de aanwezigen verzekerden luide, dat zij het nooit beter gehoord hadden. Zij werd onthaald „op wildbraad en op visch”, verheugde zich „in haar binnenste” dat „hare zaak zoo goed stond”, en speelde met vernieuwden moed, zoodat het door het geheele paleis klonk, en al de heidenen, (’s konings dienaren en gasten) begonnen te dansen.

Den graaf werd de boodschap van zijn schoone vrouw gebracht; hij treurde daarover zeer en zag geene andere toekomst vóór zich, dan zich „dood te moeten werken”. De vrouw intusschen, in hare vermomming, keek met alle opmerkzaamheid naar haren man uit; en haar eenig verdriet was, dat zij hem nergens zag. Eindelijk klom zij op den toren van ’t kasteel, en werd hem gewaar voor den ploeg in het veld. Zij schreide vele tranen, omdat zij hem niet dadelijk kon helpen; maar zij was intusschen onvermoeid in ’t spelen, en bleef vier weken op het slot. Toen zij nu sprak van afscheid nemen, wilde men den muzikalen monnik rijkelijk beloonen. Men bracht hem „eene gouden kroon en een schepel vol goud”, en verzocht hem die niet te versmaden; maar de monnik weigerde en zeide zeer nederig, dat „zijn orde hem niet vergunde zoo iets aan te nemen”, en hij zulk loon niet begeerde. „Maar”, voegde hij er bij, „om één geschenk wil ik u vragen: het is niet om roodgeel goud, noch om edele steenen, noch om eenig ander goed, maar alleen om den man, die ginds in het veld den ploeg trekt.” De koning antwoordde beleefd: „Heer, neem dien, als gij hem verkiest”; en de graaf werd van den ploeg gehaald en voor den koning gebracht, en de koning gaf hem zijne vrijheid en den raad: „bedank den avonturier, die u verlost heeft.”

Het verdere beloop van het verhaal is: dat de graaf, ondanks al wat hij geleden had, nog niet afzag van zijn tocht naar het heilige graf; en dat „de avonturier” zijns weegs ging. Dat de graaf, toen hij ten slotte tehuis kwam, door zijne vrouw ontvangen werd, alsof er niets gebeurd was, maar zich zeer beklaagde over den onvriendelijken brief, waarmee zij den zijne had beantwoord; en dat hij van geene verontschuldiging wilde weten. Dat ten overvloede zijne vrienden de vrouw aanklaagden en belasterden, omdat zij in zijne afwezigheid van huis was geweest, en wel op zulk eene geheimzinnige wijze, dat geen van de buren haar spoor had kunnen volgen. Dat het vrouwtje toen echter niets antwoordde, maar opstond, naar haar kamer ging, de pij aan en den monnikskap over het hoofd trok, en de harp, de luit en den bedelzak omhing, juist zooals zij zich in den vreemde aan hem had vertoond; en dat bij dien aanblik de graaf opsprong van blijdschap, haar in zijne armen greep en uitriep:

„das ist der abenteurer, der mich erlöset hat!”

Onder de prentjes, die in mijn oude boek dit verhaal aanschouwelijk moeten maken, is één, zeer sterk sprekend, waarop een man, bijna naakt en met uitgerekte spieren, rondom zijn lendenen is ingespannen voor een soort van wagentje met twee kleine wieltjes, dat bij nader onderzoek een ploeg blijkt te zijn; terwijl een ander, met een tulband op het hoofd en een stok in de hand, toezicht over hem staat te houden.—Ik denk aan die voorstelling dikwijls, als ik in werkelijkheid een ploeg zie, bespannen met twee flinke paarden: een der schilderachtigste sieraden van een schoon winterlandschap. Doorgaans verstaat men onder winterschoonheid slechts de pracht van sneeuw en rijm en ijs; maar ik bid u, versmaadt niet die stille dagen in December of in Januari, als het niet vriest, maar ook niet mist of stormt of regent, als het eigenlijk niets doet, doch de boer daarvan gebruikt maakt om des te meer te doen! Denkt u een heuvelachtige, eenigszins boschrijke streek; de reeds opkomende dunne nevel van den korten namiddag belet u om vèr om u heen te zien, en belooft een van die prachtig geschakeerde zonsondergangen, die juist in dit jaargetij ons oog zoo kunnen verblijden. Links van u liggen eenige roeden met rapen, rechts staat winterkoren te veld; de hooibergen rondom de huizen getuigen ook van weiland in de buurt; en ginds, af en toe achter een schuur of een paar boomen verscholen, en dan eensklaps weer te voorschijn komende, legt rustig en bedaard de ploeger zijnen weg af, van den eenen akker op den anderen, in ’t gezelschap van musschen en kraaien, die in de versch opgeworpen aarde op de jacht gaan.... ’t Is een welkom beeld van bedrijvigheid en leven, te midden van dat stille wintertooneel. Hij weet het niet, de jonge ploeger, welk een schilderachtige figuur hij is in deze omgeving.

Doch wij van onze zijde dienden ons te schamen, als wij hem niet nog met een ander oog bekeken. Hij zelf en zijn arbeid verdienen onze belangstelling. Een ploeger is, als hij zijn vak verstaat, een man van zekere kunde. Ploegen is nog niet iedermans werk. Men dient daartoe vooreerst goed met paarden te kunnen omgaan, zekere handgrepen machtig te zijn, vooral bij het zwenken aan de kanten der greppels; en minstens evenveel begrip van het verschil tusschen recht en krom te hebben, als iemand die zich op „rechtlijnig teekenen” toelegt.

„Maar ’t is een erg eentonig werk”, dus brengt misschien iemand in het midden; „en ik heb medelijden met een menschenleven dat op deze wijze wordt gesleten.”

Hoor eens,—is dan mijn antwoord, de „Graaf van Rome” werd zelf voor den ploeg gespannen; en in de dagen, waarin dat verhaal heet te spelen, was zulks volstrekt geen zeldzaamheid. Menschen,—slaven, lijfeigenen,—trokken den ploeg. Reeds die ploeg, hoe gebrekkig en hoe grof van vorm, was een werktuig, uitgevonden tot verlichting van die moeilijke, maar onvermijdelijke losmaking van den grond, die aan allen landbouw, aan alle zaaiing en oogsting dient vooraf te gaan. Thans, bij de hedendaagsche ploegwijze, is het niet meer de mensch die trekt, maar hij geleidt de huisdieren: paarden of runderen. Ook het werktuig zelf is in den loop der eeuwen aanzienlijk verbeterd. De ploeger, die zijne zaak meester is, arbeidt meer met zijn geest dan met zijn lichaam; en dit toch houdt men doorgaans terecht voor den standaard, waarnaar men het meer of minder menschwaardige van verschillenden arbeid bepaalt. Op den koop toe kan hij er zijn lichaam gezond en flink bij houden, wat op lange na niet bij allen uitsluitend geestelijken arbeid het geval is. Daarbij: een ploeger ploegt niet altijd. Hij ploegt in ’t najaar, opdat de omgeworpen grond zou „doorvriezen”, d. w. z. opdat door het bevriezen van de vochtigheid, die er in is, de opgeworpen stukken ondergrond in duizenderlei richting zouden barsten en zeer los worden. Hij ploegt in den winter, voor zoover de vorstlooze tusschentijden het toelaten. Hij ploegt soms nog laat in ’t voorjaar, maar dan is het wegens tegenspoed in ’t werk. In de lente en den zomer doet diezelfde arbeider geheel andere dingen. Hij zaait misschien, als hij die kunst verstaat,—want ook dat is een kunst, of voor het minst eene behendigheid; hij helpt bij het schoonhouden der akkers; ook zijne handen worden in beslag genomen in den oogsttijd, als er altijd handen te weinig zijn om den boel binnen te halen,—vooral waar het gewassen geldt welker vruchtjes gemakkelijk losspringen, en welker zaad dus bij de minste nalatigheid reddeloos verloren gaat. Ik bedoel hier b. v. koolzaad en karwei, die twee „dobbelgewassen”, die zelfs onze noordhollandsche landbouwers zoo dikwijls verleiden om in hunne kostbaarste weiden den ploeg te zetten, en ze tijdelijk tot bouwland te maken, (ze te „scheuren”).

En weldra zal op zijne beurt de stoomploeg den paardenploeg vervangen. Hij moge nog veel onvolkomens hebben, en vooral in de huishouding van kleinere boerderijen volstrekt geen voordeel aanbrengen—in beginsel behoort hem toch zeker de toekomst. Dan wordt de werkman geheel machinist, en dat is alweer bijna een even groote sprong als tusschen onze hedendaagsche ploegers en de lotgenooten van den Graaf van Rome. Zal hij er gelukkiger om wezen? De voorvechters van den „vooruitgang” verzekeren van ja. De vrienden van den „goeden ouden tijd” schudden het hoofd. Wie met Karl Marx een open oog hebben voor de gevaren die de stoom meebrengt,—in zoover deze door sterke verdeeling van arbeid alle menschen tot specialiteiten, d. i. tot fragmenten van menschen dreigt te maken—zetten een waarschuwend gezicht. Laat ons die twee punten in allen geval uit elkander houden. Iemands geluk hangt waarlijk niet af van zijn gereedschap, maar van zijne macht om dat gereedschap, en nog vele andere dingen er bij, te beheerschen: van zijne opvoeding, van zijn gemoedsleven, van de wijze waarop hij geleerd heeft zijn verstand, zijn geestesgaven, vooral zijn verbeelding te gebruiken! De soort van ploeg, waarmee hij werkt, komt er dan, beide in letterlijken en in figuurlijken zin, minder op aan.