VII.

RONDOM EEN MOLSHOOP.

„Het kruid schiet op in den lommer van het geboomte, welig als het gras op het veld; en de witte madelieven en de gele paardebloemen spikkelen en strepen de groene weide met de sneeuw van den winter en den goudglans van den zomer, of zij in kleuren wilden uitspreken, hoe beide krachtige seizoenen samensmelten in de beminnelijke, maagdelijke lente.”—Dus heet het in een van die keurige natuurtafereelen, die steeds de grootste en blijvende schoonheid van Hofdijk’s werken zullen uitmaken.

Ik gun u allen, lezers, het gezicht op zulk een gespikkeld veld; benevens lust en rust om er u in te vermeien; gezondheid om er beurtelings in te loopen, te zitten, te liggen; een vrijen en ontspannen geest, ontvankelijk voor frissche indrukken!

Zoodra de spreeuwen op het dak hun voorjaarsliedje zingen gaan, in plaats van hun eentonig winterdeuntje, zoek ik elk jaar de plaatsen op, welke mij van ouds bekend zijn als het rijkst aan paardebloemenplanten, en het drukst gefrequenteerd door mollen. De paardebloemenplanten bloeien dan nog niet, maar zitten grootendeels nog in den grond verscholen, evenals de mollen zelven, die men bij die gelegenheden zelden te zien krijgt. Dit laatste is mij trouwens vrij onverschillig. Heel mooi is een mol niet. Zij is het best te vergelijken bij een donkergrijs fluweel speldekussentje, met zes niet zeer bevallige uitsteeksels: een daarvan is de kop, (als van een varken in het klein) en een de staart; de vier anderen zijn de pooten. Die pooten zijn voor ons ’t belangrijkst, èn om hun zonderlingen vorm, èn... omdat zij het zijn die middellijk de molsla leveren. In onderscheiding toch van gewone viervoetige dieren, heeft een mol, gelijk een mensch of aap, twee beenen om te loopen en twee handen om te werken. Die handen, als ik ze zoo noemen mag, hebben behalve haar merkwaardige breedte nog dit eigenaardigs, dat de bijbehoorende armen tot aan den elleboog toe onder de huid verborgen zijn. Een en ander maakt ze tot zeer degelijke graafwerktuigen. De mol wroet gangen, die men met de loopgraven van vestingwerken pleegt te vergelijken; en menigeen die zich de moeite heeft gegeven om in letterlijken zin die gangen na te gaan, bewonderde het instinktmatig plan, waarnaar het kleine dier te werk gaat, om zijn hol zoo veilig mogelijk te maken. Ik zelf ben nooit zoo diep in zijn geheimen doorgedrongen; mijn kennis van zijn werk bepaalt zich tot de oppervlakte, namelijk tot de „molshoopen”, welke hij gaande weg omhoogwerpt. En hoe meer paardebloemen-loten zich daarin dan ontwikkelen, hoe liever het mij is. Aan ieder nieuw pleidooi voor de mollen, uit het oogpunt van hun deugd als insectenvernielers, gaf ik telkens in verbeelding mijn bijval uit het oogpunt van molsla, en koester een vernieuwde hoop voor mijn oogst van het aanstaande voorjaar!

Of molsla-zoeken dan in waarheid geen vervelend werk is?—’t Hangt er van af hoe men het doet. Als ik met een leege mand op molsla uitga, zorg ik, dat ik met een volle t’huis kom; maar houd onderwijl mijn oogen open voor hetgeen er nog behalve molshoopen en paardebloemen op het veld te zien is. Eerlijk gesproken word ik dikwijls van mijn arbeid afgeleid door.... Ja door? Door den leeuwerik omhoog; door kikkereieren die in een greppel drijven; door het stuifmeel der wilgen; door het eerste plantje hondsdraf, dat ik een heel jaar lang niet had gezien en geroken. Bij elken stap ontmoet ik oude kennissen, die ik moet groeten; en somtijds ook nieuwe: kruiden, dieren, die mij onbekend zijn, en met welke ik trachten moet kennis te maken. Want indien ik dat niet deed, indien ik ze met half gesloten oog voorbij liep,.... ik zou mij schamen, al ware het slechts voor de nagedachtens van ouden Hend!

Wie oude Hend was, en wat zijn aandenken nog achteraan voor invloed op mij uitoefent?—Het was een tuinman uit de buurt. Hij was ’t, die mij de eerste lessen in de botanie gaf, en bijwijlen, in ’t voorbijgaan, ook in de entomologie. Hij zou verbaasd gestaan hebben, zoo hem dit verteld werd, en toch was het de waarheid. Hij was het, die mij, toen ik vijf, zes jaar was, uren achtereen rondom zich in den tuin liet spelen; die mij, al spittend, zaaiend, wiedend, altijd met het uiterste geduld te woord stond, zoo over de geheimen van zijn eigen arbeid, als over honderderlei zaadjes, diertjes of onnoembare „griezeltjes”, die ik om hem heen verzamelde. Hij was het ook, die mij het eerst die witte en die gele „spikkels” van de weide leerde kennen en liefhebben; die mij het eerst een madeliefje in de hand gaf, met de zonderlinge vraag: „hoe veel bloempjes ik daar wel tegelijk had?”, en mij de pret van „’t kaarsjes blazen” dubbel aardig maakte, door te vertoonen dat zij uit een paardebloem afkomstig waren, blijkens het daarin reeds als zachte zijde gereedliggend zaadpluis. En wanneer de gele spikkels, later in ’t seizoen, van paardebloemen boterbloemen werden, dan leerde hij mij, aan de al of niet omlaag geslagen kelkblaadjes, voorspellen of onder aan de plant, als men haar uittrok, een bolletje zou zitten....

In zeker stadje, dat zich, sinds een paar jaar, in het beschavingwekkende bezit van een Hoogere Burgerschool verheugt, bestaat voortdurend een vriendschappelijke oorlog tusschen den leeraar in het teekenen en dien in plant- en dierkunde. De een verwijt den tweede het „onpraktisch” karakter van zijn lessen. De jongens hollen door, beweert hij, en letten op hetgeen zij op hun weg door de natuur ontmoeten slechts in zoover, als het hun de theorieën, waar men heen wil, helpt bereiken; zij praten mee over de leer, die Darwin op zijn duiven-studiën bouwde, eer zij zelven, met hun eigen oogen, een tortel uit een houtduif kennen. De man der wetenschap nu kan dit laatste feit niet tegenspreken; hij vindt het jammer, maar hij troost zich daarmee, dat de groote zaak niet zoozeer is, den jongens in hun korten leertijd vele beesten en gewassen „uit elkaar te leeren kennen”, als wel om hen „in te wijden in een goede natuurwetenschappelijke methode”, die hen helpen kan „een helder inzicht te verkrijgen in de plaats die de mensch in de wereld inneemt”, enz. De ander echter blijft van oordeel, dat een leek, aan hetgeen hij van natuurwetenschap leert, het meest heeft, in zoover het hem het teekenachtige van de natuurverschijnselen rondom zich doet gevoelen, en hem gewent zijn fantazie met dat gezonde en nooit opgebruikte voedsel te versterken. En daar beiden degelijke menschen en niet van geestigheid ontbloot zijn, is het niet onaardig hun schermutselingen aan te hooren. Ik echter denk dan onderwijl wel eens aan Hend. Hem zal het zeker nooit zijn ingevallen, dat er zooveel onderscheid kon wezen tusschen kunst en wetenschap, en tusschen de „methode” van verschillende scholen; maar ik heb alle reden om de zijne hoogelijk te waardeeren. Want—om slechts bij de weide-„stippels”, die wij straks bespraken, te blijven:—indien ik met belangstelling de botanische ontdekkingen bijhoud, waarbij o. a. de vorm der meeldraden van de „boldragende ranonkel” tot bewijs dient; indien ik oog en hart heb voor de schilderachtige legende, die de roode puntjes van de madelieven als met Held Siegfried’s laatste bloed bezoedeld voorstelt; als, in één woord, mijn ooren open staan voor al wat dichters en geleerden van dergelijk klein veldsieraad vertellen,—dan dank ik dat aan Hend, omdat deze de eerste geweest is, die mij met die bloemen zelven gemeenzaam en bevriend gemaakt heeft!