[235] vleit.

[236] steeds, altijd.

[237] als, zoodra.

[238] Thans toewogen.

[239] vet.

[240] Voor loofhutten.

[241] Gall. voor zocht op.

[242] Thans beaamt.

[243] om vrolijk te worden (verg. nog ons jolig).

[244] naarstigheid, ingespannen arbeid; verg. vroeger.

[245] overeengekomen.

[246] boogschutters ('t Fransche archers).

[247] Voor werken.

[248] weren.

[249] geflonker.

[250] voor bevolkt.

[251] Versta: aan Levi d. i. de priesterschap.

[252] mag.

[253] Spreek uit Job.

[254] Anders lamfer.

[255] beëtterde.

[256] te pronk gesteld.

[257] onwijze.

[258] Gall. voor: na 't erlangen van mijn vrijheid.

[259] Anders dwa-en, af te wisschen; verg. nog den zaamgetrokken verlengden vorm dweilen, en 't zelfst. n.w. dweil.

[260] huisvestte.

[261] Thans hoewel.

[262] den steun mijns ouderdoms.

[263] Nam. mij.

[264] zoodra.

[265] duldt het.

[266] Thans vaak.

[267] sluwe.

[268] Versta: ont-nestlen.

[269] Daarna.

[270] Voor tenten.

[271] eindt.

[272] stof, gruis (verg. turfmolm en vermolmd hout).

[273] Met verkeerden klemtoon, voor Antíochus.

[274] vereenen.

[275] ten hemel stijgende.