Doen 's konings oogen drok en bezig weiden gingen
In 't koninklijk geslacht en 't puik der jongelingen,
Zij staren bleven bot op mij, die, als een starr',
Mijn blonde kuif opstak, als 't hof te Sinear
Behagen in mij schiep, en liet mijn brein opkweeken,
't Welk wijd leerde over 't hoofd in driemaal vijftig weken
Mijn meesters, en hoewel ik sober, als Gods knecht,
Voor 's konings lekkernij verkoos het moesgerecht,
Mijn aanschijn, wel gevleescht, gezonder men zag blozen
Als andre, dien 't banket walgt en steeds bastert[227] kozen.
Maar als 's monarchen droom ik nu t' ontdekken kom,
Daar al de Magi[228] der Chaldeên voor bleven stom,
Nebucadnezar mij verhoogt, en doet de zielen
Van 't pratte koninkrijk voor mij ter aarden knielen.
Na zag ik Babels hoofd, verbannen van Gods geest,
Bedauwd in 't veld, het gras afsnoeyen als een beest.
Belsazer namaals (zoo hij, godloos en verwaten,
Ontwijdde, in 't slempen, 't goud van d' heilge tempelvaten,
Terwijl de boelen met 't albaster van haar borst
't Wellustig lodderoog verletten[229] van de vorst)
Ik meldde zijnen val: als hij, vol schriks en beven,
Zijn vonnis op de wand zag onverhoeds geschreven,
En korts hadde uitgediend, als diadem, en staf,
En 't purper van zijn leên hij Meden overgaf:
Daar ik, te zeer ontzien om mijn droomkundig' hersen,
Den Nijd wierd tot een buit, vermits ik 't hoofd van Perzen
Ontzeî met Godlijke eer t' ontmoeten, dies zij dol
Mij gaf tot eenen roof den leeuwen in het hol:
Maar de Englen, door haar kracht, het woên der dieren temmen,
De leeuw het brullen staakt, en laat zijn lokken kemmen,
En vast, ter tijd toe ik ontkerkerd, hij verblijd
Mijn vijand met zijn kies en klaauwen motst[230] en rijt:
Dies orgelt ieders tong van zelve en ongeboden,
Dat Daniël alleen den God dient aller Goden.

DE TWAALF PROFETEN,
OF REI DER ZIENDERS.

Eccles. 49.

En der twaalf profeten gebeenten groenen nog daar zij liggen: want zij hebben Jacob getroost, en verlossinge toegezeid, die zij gewisselijk hopen zouden.

Hozeas! zijt gegroet, die, met uw profecye
't Huis Jacobs zuivren wilt van zijn afgoderye:
Met Joël, die van verre afdalen zag den Geest,
Als een slagregen, neêr op Sions Pinxterfeest.
Leeft lange, ô Amos! die vloodt uw gewolde vliezen.
En weidde zielen, als u d' Hemel kwam verkiezen.
Obadja, zijt geloofd! die Edom, al voorlang,
De roed' hebt laten zien van zijnen ondergang.
Gij, Jonas! uwen lof steeds bruisen moet en vlieten,
Vermits gij hebt bekeerd tot God de Ninivieten.
Micheas, u zij heil! die Bethlems boerewal[231]
Doet juichen, om dat God zich legert in de stal.
Gij, Nahum! prijs behaalt, die Ninive bewaakte,
En waarschouwde, eer haar val rechtveerdelijk genaakte.
O Habakuk! dat doch uw lofkrans eeuwig bloei,
Omdat gij los zaagt gaan de stammen zonder boei.
Zefanja, uwen roem werde altijd weêr geboren,
Vermits gij naken zaagt Jeruzalems verstoren[232].
Haggaï niemand wijk', die 't Joodsch gebouw versmaadt,
Om Kristus' kerk, die in zijn geest getimmerd[233] staat.
Maar Zacharias! o, wat zullen wij u wijden?
Die aller vorsten Vorst zaagt op een ezel rijden?
Met Malachias, die, naar zijn verschulde[234] plicht,
Een Engel henen zond voor 's Heeren aangezicht.
O heilge Zienders rei! vermits gij boos noch nijdig
Te zamen komt, heel goed van inborst, onpartijdig,
Onnoozel, ongeveinsd, en niemands aanzien smeekt[235],
Maar, wat u d' heilge Geest inluistert, tot ons spreekt,
Met lippen zonder smet: ik op uw woord wil bouwen,
En in dees duistre nacht die valsche leeraars schouwen,
Wiens pad ter Hellen leidt, en Kristus, mijnen Heer
En Heiland, zoeken bij de klaarheid van uw leer,
Het rechtsnoer des geloofs, het heldre licht der blinden,
De leidstarr', die ooit[236] blonk voor alle Gods beminden.

ESDRAS,
DE WETGELEERDE.

Esra 7.

Esra was een geschikt Schriftgeleerde in Mozes wet, die de Heere de God Israëls gegeven heeft: en de koning gaf hem alles wat hij begeerde, naar de hand des Heeren zijnes Gods over hem.

Als Xerxes zwanger ging met ijver boven maten,
En Sion gunst toedroeg niet min als zijn voorzaten:
Hij Esdras oorlof gaf, om, vuriglijk en kuisch,
De dorpels te betreên van 's Heeren heilig huis.
Elk reê was, zoo[237] ik sprak; 's volks vreugd men hoorde schatren,
Daar zijnen tol de Eufraat ontleent van mindre watren.
De aanstaande reize onveil, die ons te dreigen scheen
Met nood en lijfsgevaar, door vasten en gebeên,
Verzekerden wij ons bij God, die 't vrij geleide
Zijns Engels aan zijn kudd' gaf over berg en heide,
Tot dat te Salem wij der priestren overhoofd
Toewoegen[238] 't heilig goud, dat Assur had geroofd,
En deên op 't altaar 't smeer[239] en 't ongel van de rammen
En bokken golven naar 't gesternte, met roô vlammen,
Tot dankbaarheid, dat, wijd van 't slaafsche Babylon,
Zoo heuglijk over ons blonk 's ouden vrijheids zon.
Maar och! mijn hert bezweek, mijn ziel weemoedig treurde,
Mijn lokken trok ik uit, mijn kleederen ik scheurde,
Als mij ter ooren kwam, hoe, tegen Mozes' wet,
Het heilig zaad alom zijn kuischheid had besmet
Met 't goddeloos geslacht, dat heimlijk 't hert der Joden
Te neigen scheen tot haar belachelijke Goden:
Waarom de stammen ik verzamelde algemeen:
Die, voelende 't vergrijp, terstond met heilige eên
Den Hemel zwoeren dier, de uitheemsche bedgenooten
Te vliên, en van haar gunst en vrundschap te verstooten.
Het lovertenten[240]-feest genakende, ieder doen
Op mijn bestel 't gebergt' ging plonderen van 't groen.
Men vlocht alom d' olijf, de myrt, en frissche palmen:
De weêrklank op 's volks vreugd antwoordde met zijn galmen
's Wets heilge blaân ik las voor 't opgesteken oor
Van d' aangedrongen schaar, die bezig in 't gehoor
Zich zelf vergat, en naar geen huis heeft omgekeken
Voor 't statig loverfeest gevierd was en verstreken.

NEHEMIAS,
DE HEILIGE BOUWMEESTER.

Eccles. 49.

Nehemias is altijd te loven, die ons de verdorven muren weder opgericht, en de poorten gezet heeft met sloten, en onze huizen weder gebouwd.

Zoo haast sprak Perzen niet: "Nehemia! trekt henen,
En bouwt de stad, daar 't graf bewaart uws vaders beenen",
Of ik versmaadde 't hof, en vond[241] der priestren erf:
Daar over Salems val, en jammerlijk verderf,
Lang 't gras gewassen was; denkt, hoe mij was te moede,
Als ik mijn vaderland zag treuren in den bloede,
En van Jeruzalem de poorten en de muur
Geblaakt, gescheurd, geschend, met ijzer en met vuur.
Mijn oogen uitgeschreid, en weder tot mij zelven
Bedaard, ik 't volk opwek in d' heilige gewelven.
Elk tot der muren bouw wilveerdig in 't gemeen
Beament[242] mijnen eisch; ik leg den eersten steen,
Wien fluks een tweede perst; het was, om verjolijzen[243],
Te zien, hoe d' ernst[244] der Joôn het steenwerk dede rijzen.
De faam van 't stout bestaan fluks strekte een nieuwsgier tolk
Aan Moab, Ammon, en het nageburig volk:
Die, al van ouds jeloers, om Sion, zijn verdragen[245]
Ons 't metslen te verbiên met heimelijke lagen;
En snakten naar mijn ziel, daar 't al, naast God, aan hing;
Dies met een stoet hartsiers[246] ik 't lijf verzekren ging,
En gaf den bouwliên, zoo ik 's vijands list doorsnuffel,
Den degen in d' een vuist, in de ander hand den truffel,
Den beuklaar bij de werk[247], om schutten[248] slag op slag
Van 't heer, dat zwert van nijd steeds op zijn luimen lag.
Mijn tafel ik vergat, de vaak week uit mijn oogen,
Tot dat de heuvel Gods omgord was met een hoogen,
Onwinbren wal, en 't oog des schildwachts, voort en voort,
Bewaakte, nacht en dag, de valbrugge en de poort:
Doen klom ons juichen naar 't gesternte, klaar van schimmer[249],
Omdat van derwaarts was gezegend ons getimmer;
De stad bevolkerd[250] weêr van 't priesterlijk geslacht,
Zijn tiende Levi[251] wierd geheiligd en gebracht,
De godsdienst raakte in zwang; waarom mijn naam zal duren,
Zoo lang Jeruzalem derf[252] roemen op zijn muren.

JOB,
DE LIJDZAAMHEID.

Hiob, 6.

Wanneer men mijn jammer woege, en mijn lijden te zamen in een schale leide, zoo zoude het zwaarder zijn dan het zand aan de zee.

Gij, die u maakt voor God door 't murmureeren schuldig,
Komt herwaarts, ziet, hoe Hiob[253] zoo lijdzaam en geduldig
De lijdzaamheid uitbeeldt, en, voor elks aangezicht,
Zijn gouden zetelstoel van eenen misthoop sticht,
En zit behangen noch met zij noch purpren kleêren,
Maar met een mantel, rijk van rooven en van zeeren
En puisten geborduurd, gemyterd met een hoed
Van schurft, wiens lamper[254] is slechts etter en vuil bloed.
De potscherf hem een staf en schepter wil verstrekken:
Waarmeed' hij open klouwt de zweeren, die hij lekken
Laat van zijns huishonds tong, die, op haar voordeel uit,
Snakt naar de lekkernij van Hiobs[253] bedragen[255] huid.
Zoo pronkend'[256] hij van verr' gesneuveld ziet zijn knapen
In 't ijzer der Chaldeên, en zijn gewolde schapen
Van 's Hemels vlam geroosd, zijn kemelen geroofd,
Het dak zijn vrolijk zaad gevallen op het hoofd,
In 't midden van haar feest, en als hij straf bejegend,
Met een slagregen van veel rampspoên is beregend,
In plaats van troost, daar als amechtig hij naar gaapt,
Ontmoet hem dus zijn helft, die in zijn ermen slaapt:
"Is 't nu niet wel gesteld? waar is nu Hiobs[253] betrouwen?
Wat heil brengt het nu toe, op 's Heeren naam te bouwen?
Gij noemd' hem uwen schild en schutsheer onversaagd:
Hij helpe u nu, indien hem vromigheid behaagt."
"Ay! (zegt de martelaar) gij ratelt als d' onvroede[257]:
Wij dulden 't kwaad van hem, die zegende ons in 't goede:
Naakt rezen wij in 't licht: naakt varen wij in 't stof:
Die 't leende, nam ons 't zijn: den Heer zij dank en lof!"
Zijn maagschap ook, tot troost vast neffens hem gezeten,
Een pijnbank strekte schier 's mans ongekreukt geweten,
Dat, rijk in God getroost door 't veel gepleegde goed,
Een blijde schare kwam van deugden te gemoet:
Tot dat, doorlouterd hij, in 't aanschijn Gods verkoren,
Hem 's Hemels goedheid gaf meer als hij had verloren.

TOBIAS,
DE GODVREEZENDE.

Tob. 2.

Tobias vreesde God meer als den koning, en droeg de verslagenen heimelijk te zamen, en behield ze heimelijk in zijn huis, en des nachts begroef hij ze.

Het herte Napthali zal trotscher als voorhenen
Zijn hoornen steken op, en met zijn ranke beenen
Opsteigeren 't gebergte, omdat zijn doode faam
Is opgewekt door mij, die vroeg den grooten naam
Des grooten Gods aanriep, en die om niemands halven
Bevlekte mijn gemoed, doen elk de gulde kalven
Jeroboams aanbad, maar, naar des hoogsten stem,
Mijn eerstelingen steeds bracht te Jeruzalem,
Tot dat, met Isrel ik vervoerd de boei most slepen,
Daar Ninive gevrijd wordt van d' uitheemsche schepen,
En daar, als andre, nooit mijn lippen zijn besmet
Met 't voedsel, ons zoo streng verboôn van Mozes' wet:
Dies God mijn vromigheid mij komen liet te stade,
Als 't hert des Assyriêrs hij roerde met genade.
Mijn vrijheid nu erlangd[258], ik evenwel verplicht
Mij hiel te dwaden[259] der bedroefden aangezicht,
Tot dat Senacherib ontzeî al wie mij hoofde[260]:
Wiens gramschap ik ontsloop, als hij mijn have roofde,
Doen ik mijn broedren (die hij, in zijn grimmigheid,
Versloeg) gekist hadde en in 't heimelijk graf geleid.
Der dooden uitvaart was mij liever als mijn eten,
Zoo fluks de bleeke dood het leven had verbeten.
Doch mijn godvruchtigheid leed wederom aanstoot,
Doen eenen zwaluwdrek mijns lichaams vensters sloot,
Daar 't morgenlicht door scheen: en of wel[261] mijnen rouwe
Met schimp ophoopten nog mijn magen en mijn vrouwe,
Nog hiel mijn vroomheid aan: mijn ijver nog bekleef,
Als ik in 't hert mijns zoons die gulde lessen schreef.
Geprangd van armoede, ik mijns oudheids kruk[262] in Meden
Naar Gabel zond om 't geld: maar d' Engel Gods met vreden
Hem weêr betreden deê den dorpel van mijn huis,
Met zijnen bruidschat en zijn Sara, hupsch en kuisch.
Mijn lichten zagen 't licht, dat zoo lang was gedoken,
Tot dat, ik levens zat, mijn kindren d' oogen loken[263].

MATATHIAS,
DE PRIESTERLIJKE KAMPIOEN.

1 Mach. 2.

Wij en willen niet bewilligen in 't gebod van Antiochus, ende en willen niet offeren, en van onze wet afvallen, en andre wijze aannemen.

Dat ging mij veel te na, dat ik van verr' de wallen
Van d' heilige stad met haar wachttoornen hoorde vallen.
Dat ik vernam, hoe die aartsvijand van Gods wet
Zijn schelmsche voetzool hadde in 't heiligdom gezet:
Dat ook Antiochus dorst, godloos en verwaten,
Tot roof verklaren 't goud van ons gewijde vaten:
Dat hij zijn schouwspel zag aan menschen en aan vee,
En 't volk voor 't aanzicht van zijn afgoôn knielen deê.
Waarom, zoo fluks[264] ons kwam, op Modins hooge rotsen,
De veldheer des tyrans, in naam zijns meesters, trotsen,
Ik, met een hellebaard, die zwaar van koper woeg,
Hem en die valsche Jood den kop in flarden sloeg,
En, om de wet jeloers, als dol en uitgelaten,
Het volk op 't marktveld ik bazuinde uit alle straten,
En wekt' haar ijver op aldus: "wat! is 't niet schand,
Dat hij, die onlangs zat gegijzeld en verpand,
Ons wetten stellen zal, en onzen Godsdienst schenden,
En maken van ons kerk een grouwel der ellenden?
Wat, mannen! duldet[265] niet, dat u die dwingland kruist,
Zoo lang gij houden kunt het lemmer in de vuist:
Wie ijvert, volgt mij na!" 't Woord droop naauw van de lippen,
Een werld van menschen zich, in holen en in klippen,
Met mij verstak voor 't heer van die vermeten zot,
Die kwam te spa zijn hiel opheffen tegen God.
Wij streên in 't steengebergte, en zoo wij daag'lijks wiessen,
Wij vaken[266] d' onbesneên deên dansen door de spiesen.
Geen Sabbath onzen erm noch zeenwen hiel verlet,
Als ons d' erfvijand zocht; de nood wist van geen wet.
Met wijf en kindren dus in ballingschap gevloden,
Wij stelden de eere Gods voor 's dwingelands geboden,
Tot dat onze ouderdom zijn zonen alle vijf,
Vóór zijn verscheiden blies een krijgsmans hert in 't lijf,
En Macchabeus, die ons kwam in vroomheid nader,
't Zweerd ophief, en het ampt vervulde van zijn vader.

JUDAS MACHABÆUS,
DE VOORVECHTER.

1 Mach. 3.

Judas verkreeg den volke groote eer; hij toog in zijn harnas als een held, en beschermde zijn heer met zijnen zweerde; hij was vrijmoedig als een leeuw.

Als Apollonius te trotsch mijn heerkracht porde,
Hij vond dien, die hij zocht, en hem het mes afgordde.
Den batschen[267] Seron, die dacht dat ik van 't gerucht
Verveerd was, kwamen wij vernestlen[268] op de vlucht.
Na[269], Gorgias ontvlood, als in zijn pauweljoenen[270]
Ik 't vuur stak: duizendwerf vijf dappre kampioenen
Het overrompeld heer van Lyzias op 't veld
Vermiste, als namaals wierd het overschot geteld.
Jeruzalem ik bouw tot troost der Isralieten,
En open 't hooge koor voor priestren en Levieten.
Den Ammoniet ik sla, met Beon, d' Idumeen.
Datheman ik verkwik, en bliksem steên aan steên.
Timotheus ontwijkt mijn benden, die hem naken:
Dies Efron Carnaïm wij met ons tortsen blaken,
En vlammen naar den roof, en slaan, eer 't woeden slist[271],
Al wat er wapens draagt, en aan de muren pist:
En vinden zegenrijk den priesterlijken heuvel:
Daar wij hem roemen, die nam wraak van 's vijands euvel.
Maar als in 't Zuiden ons grijnst Edom aan zoo stuur,
Wij Hebron breken af tot molm[272], met staal, en vuur.
In 't land van Asdod, daar de blinde de afgoôn eerden,
Wij steên en vlekken gants het onderst' boven keerden.
Doen d' elefant ten toon den Antiochus[273] droeg,
Ik 't onbesneden zaad zes honderd man afsloeg.
Als nu Nicanor komt, dat hij mijn glorie schake,
Ik hem zijn rechterhand en hoofd afsnij tot wrake.
Zoo haast de faam ons doet den roem van Rome kond,
Wij met 't Romeinsche volk ons houwen[274] door verbond:
En als Bacchides trok, den smaad op 't strengst' te wreken
Demetrio gedaan, ik in 't gevaar bleef steken,
Als mij mijn volk bezweek, daar 't leger ik ophiel,
En in 't gevecht opgaf mijn ridderlijke ziel;
Die, heemlende[275] naar 't koor der heiden van der eerden,
Het heldisch lichaam liet doorregen van de zweerden.

[1] Gelijk reeds vroeger voor het altaar doen rooken.

[2] Voor deel.

[3] Gelijk reeds vroeger, voor zedeloos.

[4] bij voortduring.

[5] Voor uitmuntend.

[6] verdichte.

[7] te berde brengen.

[8] Thans vatten.

[9] D. i. die om hun naam benijd, uit zich zelf, meer dan de stralen der middagzon, vonken en schitteren.

[10] bron.

[11] van gelijken aard is met.

[12] Godfried van Bouillons wondheeler; zie in Ten Kate's Tasso II, bl. 24.

[13] Voor verheven; verg. vroeger.

[14] van.

[15] Fontein.

[16] Amstel.

[17] Voor Sprokkele, d. i. Sprokkelmaand.

[18] Voor 't gewone staroogen; gelijk herp voor harp, tesch voor tasch, enz.

[19] verkeerde.

[20] Thans verkeerdelijk wenkbraauwen;'t best schreve men wimbrauwen.

[21] even, juist.

[22] Germ. voor tegenwerpen.

[23] Germ. voor iemand.

[24] gelet.

[25] gunt, veroorlooft voor.

[26] oogpunt.

[27] Thans eer.

[28] Hier, tegen de gewoonte, in goeden zin.

[29] Nam. heiland. Gelijk Van Lennep te recht opmerkt, wordt door 't onzijdige voorn. w. (in tegenoverstelling van 't mann.) meer de eigenschap dan de persoon aangeduid.

[30] Thans verwellekomd.

[31] Thans ziel.

[32] Anders verpersoonlijking.

[33] aanleiding vinden.

[34] Den Bijbel natuurlijk.

[35] Germ. voor hartsgeliefde of derg.

[36] Nam. door den Booze.

[37] Thans beschaduwen.

[38] Rijmshalve voor Cherubijnen.

[39] Groot-vader, eerste voor-vader.

[40] schapen.

[41] Germ. voor eensgezind.

[42] Germ. voor beloofden.

[43] Gall. voor weêrzin.

[44] somberst.

[45] spieren.

[46] Min gelukkig, rijmshalve voor zwaard.

[47] bespeurde.

[48] Germ. voor om niet.

[49] zegt het.

[50] Germ. voor instelling, wet.

[51] vrijwillige, ongevergde.

[52] Voor verhindert, belet.

[53] manna.

[54] Hier waarschijnlijk welluidendheidshalve voor haar.

[55] bouwden, takelden op.

[56] Voor kraag-stijvende ijzerdraden.