„Je moet sterk zijn,” zeide hij, terwijl groote tranen langs zijn ingevallen wangen stroomden, „voor jezelf en voor mij. Wat een wonderlijke liefde! Een liefde van tranen en zuchten, wie had ’t verwacht....”
„Ja, je hebt gelijk, lieve man! Ik zal mijn best doen, mijn uiterste best, ik wil sterk zijn. Ik wil onze liefde zoo mooi, zoo heerlijk mogelijk maken.”
„Ja, doe het, ’t zal zoo’n schat voor je zijn, want jou blijft ten minste de herinnering.”
Zij drukte sprakeloos zijn handen.
„En mij de hoop.... op.... wederzien... want ik hoop het nu, ik wil het hopen,... de liefde sterft niet.”
De dagen, die nu voor Rudolf en Céline volgden, waren vol zoeten weemoed en droevig geluk, vol hopen en vreezen, vol angst en toch weer vol kalmte.
Zij werden niet moede elkander aan te zien, elkander te liefkoozen, alles voor elkander te zijn zooveel mogelijk ieder oogenblik te genieten, altijd vreezende dat het ’t laatste zou blijken.
Na dien dag, toen hun harten zich hadden uitgesproken, vertoonde zich een werkelijke beterschap bij den zieken; de nachten werden rustiger, de hoest verminderde, zijn eetlust werd beter, hij scheen opgeruimd, gelukkig.
„Onze wittebroodsweken, vrouwtje! Verbeeld je, dat wij die eens konden overdoen, in Italië, aan het meer van Como of in Zwitserland: want waarlijk, zoodra ik iets beter ben, vraag ik verlof, je zult zien, de zeereis zal mij heel opknappen en wij stappen in Genua uit, dan reizen wij heel, heel langzaam naar Holland; dat zou toch grappig zijn, als ik ’t op die manier won, en dan getrouwd was, zonder het te bedoelen.”
„Zij zullen je beklagen? Neen, mij benijden; ik heb gisteren Van Velden geschreven en hem en Elise bedankt, dat ze mij zoo’n vrouwtje bezorgden, zoo’n juweeltje.”
„Je moet me niet trotsch maken.”
„Dat moet ik juist wel, dat mankeert je alleen, een beetje zelfvertrouwen. Je bent gedeprimeerd door die lange dienstbaarheid, dat zorgen en werken voor je onderhoud. Arm kind! kon ik je maar doen opleven in een atmosfeer van weelde en geluk.”
„Dat heb ik nu,” zeide zij hem teeder aanziende.
„Met een zieken man! Maar waarlijk, ik geloof zeker; dat het nog niet zoo erg met mij is. Als ik toch denk hoe vol levenslust ik nu ben in vergelijking met een maand geleden. Toen was alles mij onverschillig, leven of dood; maar nu kan ik weer zoo echt menschelijk voelen en van harte hopen. Die verandering heb ik geheel alleen aan mijn vrouw te danken.”
En een volgenden keer vroeg hij:
„Vind je werkelijk niet dat ik er beter uitzie?”
„Ja zeker,” antwoordde zij met overtuiging, haar best doende te gelooven, wat zij hoopte, al viel ’t haar soms ongeloofelijk zwaar.
„Ik heb van nacht best geslapen en maar vier keer gehoest.”
„Neen, driemaal, ik weet het zeker. Heb je nog pijn in je zij?”
„O, ’t is veel minder, soms nu en dan een steek, ’t lijkt er niets naar bij vroeger.”
Hij trachtte voetje voor voetje met haar door de voor- of achtergalerij te wandelen; dikwijls moest hij stilhouden en hijgend stilstaan.
„’t Gaat toch beter dan gisteren,” hield hij vol, „wat een verschil met toen je hier voor ’t eerst kwam. Weet je nog, hoe ik toen waggelde, wat dacht je toen wel?”
„Kon ik hem maar beter maken!”
„Dacht je dat toen werkelijk?”
„Ja, maar ik durfde het eigenlijk niet hopen, want ik meende, dat je het vreeselijk zou vinden dan aan mij vastgeklonken te zijn.”
„En nu?”
„O nu zou ik niets liever willen dan samen onze gouden bruiloft vieren.”
„O vrouwtje vraag niet te veel. De koperen of zelfs de blikken was al mooi genoeg.”
„Niet genoeg voor mij.”
Het was een genot voor Céline, eindelijk alle schatten van haar liefdevol hart te kunnen uitstorten, na ze zoo lang met grendel en slot te hebben afgesloten; zij had Rudolf lief met alle kracht en gloed eener eerste liefde; hij voelde het en die warmte deed hem goed, en schonk aan zijn eigen hart een tweede jeugd.
Eigenlijk had ook hij nooit bemind; nu eerst, nu hij de reine, sterke liefde eener edele vrouw gevoelde en ze zelf terug kon geven, begreep hij hoe onwaardig en laag het gevoel was geweest, dat hij tot nu toe voor vrouwen ondervonden had.
„Maar ’t is te laat, te laat,” dacht hij in zijn sombere oogenblikken, om even later weer op te leven onder haar liefkoozingen zijn oogen te verheugen aan haar gestalte, die hem hoe langer hoe lieftalliger, hoe bekoorlijker voorkwam.
„Wat staat die sarong-kabaja je goed,” zeide hij haar bewonderend aanziende, „ik heb nooit een Europeesche vrouw gezien, wie ’t zoo goed kleedde.”
Zij bloosde onder zijn lof en schikte haar pending (ceintuur) recht.
„Wanneer ik beter ben, dan zal ik met je naar Samarang gaan en de beste modiste moet je kleeden. Je mag het zoo duur nemen, als je wilt, wanneer het maar elegant is.”
„Och, ik geef zoo weinig om mijn toilet!” antwoordde zij glimlachend.
„Ook niet, als het je man plezier doet, als hij zijn oogen te gast wil laten gaan aan zijn mooi vrouwtje.”
„Mooi vrouwtje, dat is ook iets nieuws.”
„Is niet alles nieuw wat je nu voelt en hoort!.... Maar wacht, ik heb een idee! Domoor, dat ik er niet eer om dacht!”
Hij vroeg zijn schrijfgereedschap en schreef een brief, dien hij op de plaats liet bezorgen, aan een zijner kennissen. Céline dacht er niet verder aan; een paar dagen later kwam die heer met Rudolf spreken en toen hij weg was, riep hij haar bij zich.
„Zie eens hier!” zeide hij en reikte haar een étui over.
„O,” riep zij verschrikt uit, nadat zij werktuigelijk het deksel had opengeslagen.
Het vonkelde tegen haar in duizend kleuren, de diamanten van een prachtige parure.
„Rudolf! Is dat voor mij? ’t is te mooi, veel te mooi en te kostbaar.”
„Niets kan te mooi en te kostbaar zijn voor mijn vrouw. Ik ben zoo lomp geweest je niet eens een huwelijkscadeau te geven.... bewaar dit als een aandenken van mij.... wat er ook gebeure.”
Zij had moeite haar tranen te onderdrukken.
„Niet huilen, niet huilen! Anders denk ik dat je weer den moed opgeeft en dat mag niet, ik wil en zal beter worden. Geef mij liever een zoen.”
Zij kuste hem lang en innig, en hij drukte haar zoo vast tegen zich aan, dat het haar benauwde.
„Nu moet je mij een plezier doen, wil je,” zeide hij en trachtte een schertsenden toon aan te slaan om zijn eigen aandoening te verbergen, „trek je japonnetje aan, ik zal maar zeggen je bruidstoilet, me dunkt dat zag er nog al lief uit, en steek er die dingen op, dan zie ik je voor het eerst in groot ornaat.”
Céline liep gauw weg en kwam gekleed terug; zij zag er werkelijk allerliefst uit, blozend van geluk en vreugde.
„Wat staat je dat goed, nu ben je een echt bruidje! Ga daar zitten, dan kan ik je goed zien. Wie heeft dat kleedje voor je gemaakt?”
„Ik zelf,” antwoordde zij, „wie anders!”
„Wat een knap ding, wat vlugge vingers.
Maar ’t is je laatste kunststuk in dit genre, vrouw! Voortaan laat je al je kostumes maken. Mevrouw Telwerda moet naar haar stand gekleed gaan.”
Hij was zoo opgeruimd, zoo vroolijk, dat het zelfs den dokter, die zijn dagelijksch bezoek bracht, opviel. Céline wilde haar sieraden afdoen.
Hij verbood het haar.
„Neen, neen, de dokter mag je wel zien op zijn mooist. Wat zegt u, dokter, heb ik geen beeld van een vrouw?”
„Ik maak u mijn compliment, mevrouw! U ziet er flink uit en die parure flatteert u bepaald.”
Toen zij hem uitliet vroeg Céline aarzelend en met angstig kloppend hart:
„Dokter, vindt u waarlijk niet dat hij vóóruitgaat?”
„Ik weet het niet, mevrouw,” antwoordde hij, want hij vond niets beters.
„Als u ’t niet weet, wie moet het dan weten?” zeide zij knorrig, „ik vind wel dat hij op weg is van beterschap.”
„Ik hoop dat u gelijk heeft, mevrouw!”
Zij zag hem strak in de oogen en plotseling ontviel haar alle moed; zij begreep, dat de man niets liever wenschte dan haar gerust te kunnen stellen, maar hij mocht, hij kon niet.
Een doffe zwaarte viel op haar hart, het was of de dag zijn zon, de boomen hun groen verloren, of over alles een wolk van zwart neerzonk en met loodzware stappen keerde zij naar den zieke terug.
Toevallig kwam zij langs een spiegel en zag zichzelf in haar wit met kant gegarneerd kostuum, flonkerend van juweelen, aan hals, ooren en armen; rillend wendde zij den blik af, en ’t was of een ander zichzelf haar te gemoet trad geheel in rouw gehuld.
„Wat zei de dokter? Hoe vond hij me?” vroeg Rudolf nieuwsgierig toen zij terugkwam.
„O zoo goed, veel beter,” antwoordde zij en zij vond dat haar stem vreemd klonk als sprak een ander; hij scheen het niet te merken.
„Zie je wel? Ik kan ’t wel voelen; o ik vergis me niet, ik ken mijn oude machine zoo goed. Vrouwtje, vrouwtje, je bent zoo gauw niet af van mij, maar je zult zien, wat ik een goede man zal worden, geen brombeer, geen lastige keukenpiet.”
Zij trachtte te glimlachen, maar zij voelde hoe haar hart het uitschreeuwde in wanhoop, hoe al haar hoop wegsmolt in onzichtbare tranen vol bitterheid.
„Kom naast mij zitten, zie hoe heerlijk de zon ondergaat!”
Ja, heerlijk ging de zon onder in een glans van smaragden, robijnen en amethysten, en op de korte schemering volgde een avond van maneglans, zooals men slechts tusschen de keerkringen genieten kan.
Rudolf en Céline zaten doodstil naast elkander hand in hand; hij sluimerde even in. Toen hij zijn oogen weer opende baadde geheel het panorama aan hun voeten in een zilveren gloed; hoog aan den hemel zweefde de maan, in haar geelwitte schittering een kleine zon gelijk. Overal drongen haar stralen door in het ravijn, tusschen het dikke geboomte, overal verzachte zij de overgangen, overal temperde zij den vaak te schrillen kleurenrijkdom, over alles wierp zij een sluier van diamanten vonken, vol zoete poëzie. De geheele achtergalerij scheen met kantwerk overdekt, zoo speelden het dartele licht door de slingers en de bladeren van het klimop, dat zich tusschen de kolommen wiegde; een bloeiende kamoening of sokkaboom zond haar zoete geuren omhoog, in de verte klonken de eentonige, maar in deze omgeving zoo geheel harmonische klanken van de gamelan en verleenden aan de rustige stilte een soort van wijding, die er de plechtigheid van verhoogde.
„O Céline, wat een nacht om te beminnen en bemind te worden.”
En hij drukte haar hand vast in de zijne. Zij moest zich geweld aandoen kalm te blijven, zij wilde hem niet opwinden, maar zij had er behoefte aan hem nog eens te zeggen, nog eens door liefkoozingen te doen voelen, hoe vurig zij hem liefhad, hoe geheel haar ziel in opstand kwam tegen het wreede vonnis hem te moeten missen en zij gaf hem zijn druk nog hartelijker terug.
„Mijn liefste vrouw, onwillekeurig denk ik aan die heerlijke tweespraak uit Shakespeare, van Lorenzo en Jessica, in de Merchant of Venice:
„Het was in zulk een nacht....” zoo gaat het dan in afwisselende rei:
„De maan is de beschermster der geliefden, dus ook van ons.”
„Ik houd zooveel van den Indischen nacht,” antwoordde Céline, „veel meer dan van den dag, die is te benauwd, te stoffig; maar is het je niet te koel, beste man? Zal ik niet het licht aansteken, en zullen wij dan Shakespeare nalezen?”
„O neen! zoo te zitten is het schoonste gedicht; ik gevoel me zoo gelukkig, zoo goed, zoo kalm als in lang niet. Wat valt die maan mooi op je juweelen en op je handen! ’t Is of je een prinses bent, een fee, die haar tooverland verlaten heeft om mij armen zieke te komen troosten en genezen.”
Hij zag haar teeder aan en zij trilde van blijdschap en stille vreugde onder zijn bewonderende blik. Nooit had iemand haar met zulk een vereering aangezien, nooit had zij gevoeld dat zij de zon was van een bestaan, het middelpunt van een leven. Zijn liefde, die, voor ’t laatst, het verzwakte, afgebeulde hart deed opleven, bleef zacht, droefgeestig, diep en innig, maar de hare, waarvan zij ten volle voelde, dat het voorwerp haar spoedig ontscheurd zou worden, was hartstochtelijk, sterk, vurig; zij moest zich onophoudelijk tot kalmte en matiging aansporen. Dit maakte haar misschien meer teruggehouden maar schonk haar een reine schuchterheid, die hem steeds meer en meer aantrok en boeide.
„Wat kan een mensch veranderen,” zeide hij na poos, „vroeger haatte ik het huwelijk, ik noemde het een ondragelijke slavernij, een drukkend juk, ik begreep niet hoe menschen het zich konden opleggen. En nu schijnt mij een leven zoo met zijn tweeën een ideaal van geluk toe, en wat denk jij, Céline?”
„Ik zal het je bekennen, Rudolf, ik had een groote illusie en die heb ik zoo lang mogelijk veilig gedragen tusschen vele teleurstellingen, ik heb ze beschut tegen spot en minachting, die vooral hier op Java zoo welig groeien.”
„Ja, en die zooveel wat goed in mij was hebben gedood; ja ik ken ze, Céline, en die illusie was?....
„Het huwelijksleven met een man, die mij liefhad en wien ik ook mijn liefde kon geven, het ideaal van Vondel’s Badeloch:
Twee zielen gloênd aaneengesmeed,
Of vastgeschakeld en verbonden
In lief en leed....
Naar dat leven heb ik gesmacht, daarom heb ik dagelijks gebeden!”
„En zie je ze nu werkelijkheid worden, die illusie? Ben ik in staat ze te vervullen?”
Zij drukte zijn handen aan haar lippen.
„Je bent mijn ideaal, mijn koning, op wien ik levenslang heb gewacht, wier slavin ik trotsch ben te zijn.”
Haar stem stierf weg in een snik en inwendig zuchtte zij:
„O, ’t is te wreed, veel te wreed. Ik wil, ik kan hem niet verliezen.”
„Hoe vreemd vonden wij elkaar toch! Hoe zal ik deze ziekte danken, die mij het geluk van mijn leven schonk. Je hebt gelijk, God is goed. Hij weet alles beter dan wij.”
En na een oogenblik:
„Vrouwtje, verbeeld je eens als wij niet altijd met ons beiden bleven, als er eenmaal jong leven om ons heen spruitte? O, wat zal je een lief moedertje zijn en ik een indrukwekkende, strenge vader! Vroeger zou ik ’t idee belachelijk hebben gevonden, maar nu! nu vind ik het een geluk. Dat doet alles de liefde, die tooverfee.”
Daar sneed een akelig, scherp geluid door de zilverblauwe lucht, den schitterenden hemel bekrassend en ontsierend. Rudolf hoorde het niet, maar Céline kromp rillend ineen. Zij wist dat het de kreet was van een nachtvogel, die volgens de bijgeloovige Javanen, de nabijheid van den dood voorspelt.
Tot driemaal herhaalde zich de ongelukskreet en toen voelde Céline een kille huivering, iets als de nabijheid van een onzichtbaren, vreeselijken gast.
Zij keek om, neen, het waren dezelfde bleeke stralen der maan, maar alles scheen haar nu spookachtig, geheimzinnig, dreigend toe. De bladeren ritselden angstig, het water in de rivier stroomde haastig bruisend als vluchtend weg, de gamelan verstomde en zelfs de krekels staakte hun gezang.
Zij zag naar haar man, maar zijn hoofd lag nog even rustig en kalm als daareven tegen haar schouder; alleen gaf het verheerlijkende licht der maan aan zijn uitgeteerd gelaat een schoonheid van majesteit, welke zij tot nog toe slechts op de aangezichten van dooden had gezien.
Zij streelde hem langs zijn in den laatsten tijd sterk vergrijsde haren en kuste zijn voorhoofd. Goddank, het was nog warm, de slapen klopten regelmatig.
„Mijn lieveling!” zeide hij en sloeg de oogen op. Zij herademde, hoe dwaas zich zoo angstig te maken; was alles dan niet ijdele vrees, hij voelde zich beter, de dokter kon zich vergissen; ’t is de eerste keer niet, dat geleerder en wijzer mannen dan hij zich in den aard eener ziekte bedriegen, en die vogel, hoe belachelijk daaraan te hechten.
„Kom, je moet naar de couchee, manneke, ’t is laat genoeg, en dan maakt vrouwtje voor je een kop bouillon klaar met een stuk kip en wat petits pois en dan gaat men rustig slapen, om morgen lekker frisch op te staan.”
„Kan ik hier niet blijven vrouwtje, ’t is hier zoo goed, ik geloof dat ik zoo heerlijk zal droomen.”
„Neen, je moet niet zoo ongeregeld doen, als je beter wilt worden voor je arme vrouw. Geef mij je arm maar!”
„Zullen wij eerst wat in den tuin wandelen in den maneschijn?”
„Zal het je niet vermoeien?”
„O neen!”
Hij richtte zich op, maar plotseling viel hij weer terug in den leuningstoel.
„Daar breekt iets,” hoorde Céline hem zeggen, en nog voor dat zij ’t wist stroomde een golf van bloed over haar wit japonnetje, waarop hij zooeven nog met zooveel trots had neergezien.
De volgende morgen vond Céline nog steeds in haar met bloed bevlekt bruidskleed, de diamanten om armen en hals. Zij dacht aan niets anders meer dan aan haar doodzieken, nog steeds bewusteloozen man. Hij was nog niet bij kennis geweest, maar den geheelen nacht hadden hevige benauwdheden, hoesten en bloedspuwingen elkander afgewisseld.
De dokter was niet op de plaats en kon eerst laat in den morgen terug zijn; wat zij vermocht deed Céline, zij had geen tijd tot treuren, geen tijd tot nagedachte, geen tijd zelfs tot vreezen.
Tegen acht uur glimde een straal van bewustzijn in de verdoofde oogen.
„Vrouw,” fluisterde hij en iets als een schaduw van een glimlach speelde hem op de lippen; met moeite bewoog hij even de hand om op haar bevlekt kleed en parure te wijzen.
Nu eerst zag Céline de wreede tegenstelling en plotseling was het of een stroom van wanhoop zich een weg baande door een dam van wezenloosheid en zelfvergetelheid; zij zag hem aan met een half waanzinnigen blik en toen staarde zij met afschuw en walging naar haar besmeurden opschik en zij vluchtte weg uit de kamer. Instinctmatig snelde zij heen, zoo ver mogelijk, tot zij in de logeerkamer der bijgebouwen zich in veiligheid waande en daar zich radeloos op den grond wierp.
„O God! laat mij ook sterven, ik kan hem, niet overleven,” jammerde zij, vergeefs worstelend om tranen; „ik kan ’t niet langer dragen, ik kan ’t niet aanzien.”
Eindelijk gaf haar smart zich lucht in een bitter, niet te bedaren gesnik, zij voelde zich machteloos, ’t was of alles in haar zich oploste in tranen en zuchten. Hoe lang zij daar lag, wist zij niet te berekenen; zij had een gevoel of zij daar altijd moest blijven, altijd door schreien tot haar leven wegstroomde met haar laatsten traan, haar laatsten kreet van pijn.
Een hand greep haar aan den schouder, een ernstige stem riep haar:
„Mevrouw, mevrouw!”
Zij verroerde zich niet, zij bleef onbeweeglijk met haar hoofd op de armen gedrukt.
„Mevrouw, mevrouw! Hij heeft u noodig. Rudolf roept om u!”
Toen sprong zij op en zag met haar verwilderd gelaat, waarom verwarde haren hingen, den dokter aan alsof zij hem niet herkende.
„Mevrouw, u moet zich staande houden voor dien korten tijd.”
„Ik kan niet meer,” antwoordde zij dof, „ik wil ook sterven, dokter!”
„Neen, mevrouw, geen noodelooze opwinding! Sta op, ga u verkleeden; zoolang er leven is, is er immers nog hoop!”
Voor ’t eerst sprak hij in haar tegenwoordigheid het woord „hoop” uit. ’t Kostte hem moeite, want nooit was ’t zoo slecht op zijn plaats geweest. Zij zag hem aan of zij niets verstond; toen sprong zij eensklaps op, bond haar haren hoog, rukte haar sieraden af en ging zwijgend heen: de dokter keerde naar den zieke terug, die met gesloten oogen, wasbleek en afgemat, in de hooge kussens leunde.
„Céline,” zeide hij haast onhoorbaar.
„Zij komt dadelijk,” antwoordde de dokter.
Rudolf knikte met het hoofd; een oogenblik later, toen zij er nog niet was, keek hij nog eens rond maar zonder iets te zeggen.
Eindelijk verscheen zij, bijna even bleek als hij, maar verfrischt en verkleed in sarong en kabaya; zij boog zich liefkoozend over hem en vroeg of ’t beter ging.
„Wat een verschil met gisteren, ik heb toch niets onvoorzichtigs gedaan,” lispelde hij, „wel dokter?”
„’t Is de ziekte,” antwoordde de dokter, „het moet eerst erger worden om te kunnen beteren.”
Hij schudde het hoofd en glimlachte droevig.
„Neen, ’t is het begin van het einde. Blijf bij mij, Céline; laat mij niet meer alleen!”
„Neen, nooit meer!” verzekerde zij en kuste hem de moede oogen toe.
Hij hield haar hand in de zijne en drukte die tegen zijn wangen. Céline zag vragend den dokter aan, hij begreep die stomme vraag en haalde de schouders op.
„Van avond kom ik terug,” sprak hij afscheid nemend, „en breng u ook droppels mede, mevrouwtje!”
„O dokter, ’t zal wel moeten gaan zonder droppels.”
Hij bleef dien dag buitengewoon mat en stil; nu en dan alleen verscheurde een droge, benauwde kuch zijn borst.
Tegen den avond ontwaakte hij uit zijn dommeling en sprak bij tusschenpoozen.
„Wat een kort geluk, Céline, wat een korte liefde, nog geen twee maanden.”
Zij fluisterde hem toe:
„En toch is die liefde sterker dan de dood.”
Wijd opende hij zijn oogen.
„Ja, je hebt gelijk, een eeuwigheid is niet te lang om elkander zoo te beminnen. Niet vaarwel, tot wederzien!”
Toen hij haar weer zag schreien.
„Onze hoop sterft niet.... wees gerust! Je bent mijn laatste zonnestraal, mijn laatste—misschien mijn eenig geluk geweest dat ik niet verdiende. Laten wij ons vastklampen aan de hoop op wedervinden....”
En na eenige oogenblikken:
„Ik dank je voor alles, Céline.... alles heb ik je te danken zelfs die hoop!.... Je hebt mij beter gemaakt dan ik was... je gaf mij nieuw leven.... zooveel goeds was in mij gestorven.... je hebt het weer opgewekt... weer doen bloeien... ik dank je.... ik dank je....”
Hij kuste haar handen lang en innig.
„Groet je.... onze moeder en ons beider zusters.... je moet naar Holland gaan en.... laat mijn herinnering toch geen beletsel zijn voor je geluk.”
„O neen.... neen! Je blijft mijn man, mijn bruidegom in eeuwigheid. Laat mij dien troost, Rudolf!”
Hij zweeg, altijd haar handen in de zijne gedrukt.
„Ik wil leven voor zieken en ongelukkigen tot het oogenblik dat ik zelf....”
„Beloof niets, vrouw. Wij hebben het aan ons zelf gezien, hoe weinig men meester is van zijn toekomstige gevoelens en gedachten. Zelfs in het gezicht van den dood!”
Twee maanden nadat Céline Samarang verlaten had met geen ander gevoel in haar hart, dan dat zij alweer een nieuwe betrekking ging aanvaarden, naar zij hoopte haar laatste, kwam zij bij haar vriendin mevrouw Van Velden terug in zware rouwkleeren, een schaduw van haar vroeger zelf, een gebogen, geknakte, doodsbedroefde weduwe.
„Arme, arme Line,” zeide Elise, nadat zij elkander lang sprakeloos hadden omhelsd, „wie had zoo iets kunnen denken? Als ik dat geweten had!”
„Ach, Lise, ik ben je zoo dankbaar, zoo innig dankbaar, je hebt mij zoo’n kostbare herinnering gegeven, mijn leven verwijd, mijn hart opengezet. O, wat ben ik veranderd en als je wist hoe lief mij zelfs mijn smart geworden is, daar ik ze aan hem dank! Hoe ze mijn kostbaarste schat blijft.”
„Niemand zal ’t gelooven,” snikte Lise, „zelfs mijn man niet,” dacht zij, „en toch kan ik er goed inkomen,” voegde zij er hardop bij.
„Ja jij, maar ook niemand anders, daarom zal ik mijn verdriet ook niemand vertoonen, ik zal het verbergen, zooveel ik kan.”
„Naar Holland gaan! Hij verlangde het, al valt het mij hard zijn graf te verlaten, maar hij is altijd om mij, ik voel het! Daar zal ik rust hebben, daar zal ik vrij aan hem kunnen denken, terwijl hier....”
Om de zoogenaamde kletstafel in de societeit werd er ook gesproken over den dood van Telwerda, over de promotie, daardoor ontstaan en een die het wist, vertelde:
„Verbeeld je, hij is getrouwd in extremis met een meisje dat hij nooit gezien had, om zijn pensioen niet weg te werpen.”
„Wanneer?”
„Een week of zes, zeven geleden.”
„Nu, die heeft dan ook geboft, zoo gauw pensioen verdiend!”
„En vrij passage naar Europa.”
„Zoo vlug, dat kunnen wij niet in dit lamlendig land! Sapada, sopie sama pait!”2