The Project Gutenberg eBook of Journael ofte gedenckwaerdige beschrijvinghe van de Oost-Indische Reyse van Willem Ysbrantsz. Bontekoe

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Journael ofte gedenckwaerdige beschrijvinghe van de Oost-Indische Reyse van Willem Ysbrantsz. Bontekoe

Author: Willem Ysbrantsz. Bontekoe

Editor: G. J. Hoogewerff

Release date: January 1, 2017 [eBook #53857]
Most recently updated: October 23, 2024

Language: Dutch

Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
Gutenberg.

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK JOURNAEL OFTE GEDENCKWAERDIGE BESCHRIJVINGHE VAN DE OOST-INDISCHE REYSE VAN WILLEM YSBRANTSZ. BONTEKOE ***

HERDRUKKEN VAN DE MAATSCHAPPIJ
DER NEDERLANDSCHE LETTERKUNDE

No. 1
JOURNAEL OFTE GEDENCKWAERDIGE
BESCHRIJVINGHE VAN DE OOST-INDISCHE REIJSE
VAN WILLEM YSBRANTSZ. BONTEKOE
UTRECHT
A. OOSTHOEK
1915

Oorspronkelijke titelpagina.

JOURNAEL OFTE GEDENCKWAERDIGE
BESCHRIJVINGHE VAN DE
OOST-INDISCHE REIJSE VAN
WILLEM YSBRANTSZ. BONTEKOE
UTRECHT
A. OOSTHOEK
1915

INLEIDING.

Voor den schrijver van deze Inleiding is de nieuwe uitgave van het Journael van Willem Ysbrantsz. Bontekoe het teruggrijpen tot een voorliefde van voorheen, die hij zich nimmer zal ontveinzen dat een voorliefde gebleven is.

Wat hij met den herdruk van het eenmaal zoo populaire boekje vooral hoopt te bereiken is dit: dat ook de gansche Nederlandsche Natie zich tot die oude voorliefde zal terugwenden.

Dat een boek, hetwelk door het voorgeslacht met ingenomenheid en bewondering werd gelezen—niet om zijn schoonen vorm, maar om zijn kloeken inhoud—blijvend in vergetelheid kon geraken, zou niet anders dan een zeer slecht teeken wezen voor ons tegenwoordige menschen. Het mag dan ook niet aangenomen worden.

Zeer zeker zijn de merkwaardige lotgevallen van den manhaften Bontekoe in Nederland feitelijk nooit of nimmer vergeten; waardoor anders is de man en is zijn reis spreekwoordelijk geworden en gebleven? Dit boekje wil daarom niet anders dan de herinnering aan man en reis levendig houden. Terecht toch mag het „Journael ofte de Gedenckwaerdige Beschrijvinghe” als een soort nationaal-goed worden beschouwd.

Wanneer ons in het einde der 17de eeuw de inhoud van de scheepskist van een kajuitsjongen wordt medegedeeld,—bevattende mede eenig goed, dat door de bemanning van zijn schip voor hem werd achtergelaten, op de onbewoonde kust waar hij zijns ondanks bleef,—dan wordt daar mèt het Nieuwe Testament ook de reis van Willem Ysbrantsz. Bontekoe vermeld1.

Heeft Bontekoe zijn verhaal voor ouden van dagen geschreven of voor jongen? Hij heeft het zeer zeker niet geschreven, opdat het gelezen d. i. gedrukt zou worden. Het dagboek is opgesteld in de eigenaardige trouwhartige taal van den zeeman, behelst de mededeeling van zijn lotgevallen zonder opsmuk hoegenaamd, en is daardoor boeiend voor iedereen.

Zijn de daden van Bontekoe, gelijk die van een veroveraar der Zilvervloot, „groot” geweest? Was hij een zeeheld?—In zijn daden ligt niets buitengewoons. Wat hij ondernam was het bedrijf van den gewonen Oostindievaarder. Wat hem overkwam, had een ander evengoed kunnen overkomen. En tòch is hij een held om de wijze waarop hij het bedrijf uitoefende en om de wijze waarop hij zich door de moeilijkheden heensloeg. Schipper op zijn bodem, „naast God” zoo het heet, en vol vertrouwen, dat hij met Gods hulp alles te boven kan komen;—om er zich berustend in te schikken als geen middelen en niets mag baten; tot het bitter einde toe. Zoo is menige zeeman een held. Ook nu nog.

Dat is niet alleen moed, niet alleen volharding, taaiheid, maar ook trouw en standvastigheid. Trouw aan een opdracht, trouw aan een taak, trouw aan zich zelf; maar ook trouw aan den Allerhoogste, die het immers leiden zal naar Zijn raad. Geloof maar, op het land, met beide de voeten op de veilige moederaarde, wordt vaak genoeg met het Eeuwige gespot en gespeeld, doch niet in een storm op de woedende zee: daar wordt ook de meest oppervlakkige zich zelf wel indachtig.—Heeft men wel eens opgemerkt, dat bij dreigend gevaar aan boord wèl bij de passagiers (de menschen van het land) maar nooit bij de echte zeelui een paniek voorkomt? De laatsten zijn gewend de verschrikking, ook de verschrikking van den dood, onder de oogen te zien.

Wordt dat in de praktijk tot fataliteit?—Zeelui zijn uiteraard fatalisten, en altoos geweest. Doch het fatalisme van Bontekoe voert niet tot een modern pessimisme en een zuchtend bij de pakken neerzitten, maar tot een bijna blijmoedig vertrouwen in het welslagen, zelfs in uitersten nood. De Voorzienigheid zit ook niet stil! Doe dan wat je kunt om je er door te slaan! Al waar het op aankomt, is dat de gang er in blijft, en daarmee de moed, tot het einde toe. De rest zal zich wel vinden! Het eerste waarvoor een goed zeeman daarom bidden zal, is dan ook: Geef wind Onze Lieve Heer; we hebben zeilen!

Het werkwoord „volhouden” is niet voor niets een der tallooze scheepstermen, die in onze spreektaal zijn overgegaan (—’t geen de klemtoon al leert; in tegenstelling met het oudere „volhárden”—). Eigenlijk zijn alle Hollanders, West-Friezen en Zeeuwen krachtens hun geboorte reeds zeelui, en krachtens hun idioom.

Bijna zou ik lust gevoelen van de zeemanswoorden, die wij zonder het te weten onophoudelijk gebruiken, hier een lijstje te geven, doch het zijn er zoo vele, dat het werk in een beknopte inleiding als deze onbegonnen zou zijn. Zelfs Vader Vondel, om geen mindere onzer oude schrijvers aan te halen, deed er al druk aan mee. In een stuk als „Adam in Ballingschap”, het treurspel aller treurspelen, zal men het allerlaatst scheepstermen verwachten, en toch verklaart Lucifer in het begin van het laatste bedrijf, Asmode toesprekende: „Het gaet naer onzen wensch; wij zijn dien hoeck te boven”,—zooals een schipper, vergenoegd zich in de handen wrijvend, tot zijn stuurman zou zeggen, als het gelukt was voorbij een lastig punt op te tornen. En nog verrassender, als men er zich rekenschap van geeft, klinkt het honderd regels verder Adam zelf aan Eva te hooren toevoegen: „Gij smeet mij overstach”;—alsof hij een pikbroek geweest ware, die zijn betere helft het hartig verwijt toevoegde;—van den zondenval nog wel!

En toch, indien men Vondel gevraagd had, wat er voor gelegenheid in het Paradijs voor die twee geweest mocht zijn, om schuitje te varen en zulke „vaktermen” op te doen, hij zou met verwondering het antwoord zijn schuldig gebleven. Want stellig gebruikte hij de uitdrukkingen geheel onwilkeurig, zonder er zich iets maritiems bij te denken. En nu er precies 250 jaar verstreken zijn, sedert „Adam in Ballingschap” verscheen, staat het met de Nederlandsche Taal minstens nog net eender en wij achten haar—Vondels taal en de onze—er des te kernachtiger om.

Zooals reeds werd gezegd, was de reis van Bontekoe de tocht van den gewonen „Oostindie-vaerder”, geen bijzondere zending, geen ontdekkingsreis, of iets dergelijks. Wat aan Bontekoe overkwam, had eigenlijk aan iederen schipper evengoed kunnen overkomen; alleen niet iedere schipper zou er zich zóó doorheen hebben geslagen,—en zijn wedervaren zóó hebben neergeschreven. Niet alleen immers door het verbijsterende der lotgevallen, maar vooral ook door de wijze, waarop ze verhaald worden, is deze op zich zelf gewone reis buitengewoon geworden en beroemd.

Reisbeschrijvingen uit de 17de eeuw, als volksboeken uitgegeven, meestal in het eigenaardige klein 4o formaat, dat in dezen herdruk ongeveer wordt nagevolgd, zijn er tallooze over. De exemplaren zijn meestal zeldzaam geworden, doch in verschillende onzer groote bibliotheken kan men er vinden. Uiteraard zijn deze verhalen zeer verschillend van waarde en van stijl. Er worden er aangetroffen, die in den pedanten rederijkerstrant zijn opgesteld, tot het eenvoudigweg in onhandige zeemans-bewoordingen neergeschreven dagboek toe. Gelukkig is het eerste een uitzondering en het laatste meer regel!

Terecht wijst Prof. G. Kalff in zijn Geschied. der Nederl. Letterkunde (Dl. V, blz. 11) op het „onmiddellijke, dat dezen reisverhalen eigen is”, en op den „kleinen afstand, die er blijkbaar ligt tusschen indruk en uitdrukking;—niet zelden voelen wij er het leven nog trillen ....”

Inderdaad, zelden zijn deze verhalen dor; want zelfs al wist de ongeoefende hand de pen niet dan stroef te hanteeren, dan toch werd een voorval, dat voor den schrijver een bijzondere waarde had, in pittige taal neergeschreven; net zoo als het uit het hart kwam. Geen wonder dat later zijn lotgevallen onder de verschillende lagen van het volk vlijtige en aandachtige lezers vonden.

Men moet niet vergeten, dat toenmaals de tochten naar die verre, nauwelijks bekende gewesten en werelddeelen nog veel grooter evenementen waren dan voor het tegenwoordig publiek de expedities van Shackleton, Amundsen en Scott! Niet alleen de wonderverhalen over die vreemde landen en volken trokken aan, maar men gevoelde ook zeer wel, hoe met die langdurige en gevaarvolle reizen het algemeen belang en de welvaart van het land gemoeid waren. Dat kan men van onze moderne en gefilmde pool-expedities niet zeggen! Men leefde veel meer dan nu van, maar ook voor de „negotie”. Handel was voor den lande een kwestie van bestaan en de oorlog werd door ieder begrepen als een strijd om dat bestaan. Vandaar de groote en algemeene belangstelling in deze dingen. Dat vechten daarginds, zoo goed als het vechten aan de grenzen, had voor de bevolking heel wat meer te beteekenen dan een Atjeh-oorlog of Lombok-expeditie: Het ging er om!

Bontekoe is allerminst stroef in zijn vorm. Hij bezit de natuurlijke gave, de dingen die hij beleeft op een pakkende manier neer te schrijven als hij op de maandenlange reis—die ook veel dagen van mooi en kalm weer had—rustig in zijn kajuit zich neerzette om zijn journaal uit te werken. Een kenmerk, dat ons vooral voor dezen verdienstelijken auteur inneemt, is wel dit: dat hij zich zijn verdienste nergens bewust blijkt. Hij schrijft maar voor het vaderland weg; doch schrijft voortreffelijk!—D. w. z. zijn stijl is allerminst wat men van proza sprekende „fraai” en „gevormd” pleegt te noemen, maar hij vertelt goed. En dat is een eigenschap, die wij Nederlanders druk bezig zijn te verliezen. Het is nog onlangs van bevoegde zijde uitgesproken: „een algemeen als goed erkend Hollandsch boek boeit zelden meer”.

Sommige der oude reisbeschrijvingen dragen het kenmerk door den uitgever te zijn bij- en omgewerkt, men kan zeggen „persklaar” te zijn gemaakt; doch met Bontekoe is dit niet het geval, hij had genoeg aan eigen kracht. Zoo is zijn dagboek een der meest aantrekkelijke voorbeelden geworden van het onopgesmukt, trouwhartig zeemans-verhaal, in den trant dien wij boven beproefden te kenschetsen, en almee een van de vroegste voorbeelden, als men bedenkt, dat de Nederlanders eerst kort voor 1600 vasten voet in Indië gekregen hadden en dat de Oost-Indische Compagnie pas in 1602 was opgericht. Wel opmerkelijk is het, uit een journaal als dat van Bontekoe weer eens te zien, hoe wij in 15 jaar ons gezag en onze relaties in de Oost reeds hadden uitgebreid. En van een leien dakje was dat toch alles behalve gegaan!—

Zéér opmerkelijk is het bijv., dat Bontekoe na volbrenging van zijn rampspoedige, vermaard geworden heenreis te Batavia aankwam, toen die „stad” nog geen half jaar geleden door Jan Pietersz. Coen op de puinhoopen van het veroverde Jacatra gesticht was. (Men zie hierover nader den tekst.) De passage met de ontvangst bij den Gouverneur-Generaal behoort tot de meest wetenswaardige gedeelten van het journaal.

Willem IJsbrantsz. Bontekoe, die in het jaar onzes Heeren 1618, den 28sten December voor schipper met het schip genaamd „Nieu-Hoorn” van Tessel uitvoer, op zijn eerste reis naar Oost-Indië (zooals uit een plaats van ’t journaal zelf blijkt),—was in 1587 te Hoorn geboren. Zijn naam is een van die kenmerkende „van’s” die naar het uithangteeken of naar den gevelsteen van het huis, waar de familie woonde, zijn gegeven. Verder weten wij van hem alleen, dat hij twee broeders had Pieter en Jacob IJsbrantsz. Bontekoe, die beiden ook als schipper in dienst van de O. I. C. stonden. In 1623 waren alle drie de broers in Indië aanwezig en het schip van Pieter kwam onze Bontekoe in de Chineesche wateren toevallig te ontmoeten. Het wederzien wordt ons uiterst laconiek medegedeeld.

Het is niet onmogelijk, dat Bontekoe na zijn „avonturelijcke reyse” nog meer tochten naar de Oost heeft gedaan, doch daarvan is ons niets bekend geworden. In zijn tijd was hij geen vermaard man, vóórdat eerst in 1646 zijn journaal door toedoen en op aandringen van den Hoornschen uitgever Jan Jansz. Deutel het licht zag. Doch mèt dit verschijnen was zijn populariteit dan ook op slag gevestigd, daar binnen verloop van één jaar van zijn „Avonturelijcke Reyse” behalve de oorspronkelijke, dubbele oplaag al drie nadrukken verschenen waren. Uit de opdracht, die Deutel aan de eerste uitgave liet voorafgaan, valt op te maken dat Bontekoe bij het verschijnen nog in leven was en te Hoorn, vermoedelijk in ruste, woonde. Het jaar van zijn overlijden ligt in duister.

Al was Bontekoe aan den vasten wal geen gewichtig personage, aan boord van zijn schip was hij de man: de man waarop het aankwam, de bestuurder op de lange en moeilijke reis. Als gezagvoerder had hij niet alleen de „navigatie” te regelen, maar ook de tucht te handhaven. En dat ging in de 17de eeuw gemeenlijk streng toe!

Echter, juist als het op handhaven van orde en tucht aankwam, schoot Bontekoe wel eens te kort en had hij het volk niet altijd geheel in zijn hand. Dit kwam door zijn goedmoedige natuur, die hem er soms toe bracht meer door overreding zich en zijn wil te doen gelden dan door streng commando. Hij was aan boord meer geliefd dan geducht, en dat heeft op zee nu eenmaal zijn bezwaren. Verschillende trekjes uit het journaal bewijzen deze tekortkoming, die echter de schrijver, naief als hij is, nergens tracht te verbergen. En toch was hij bij zijn goedaardigheid iemand van beslisten durf, in gevaar niet alleen, maar ook als hij zich niet ontziet kordaatweg te handelen zelfs vlak tegen het gevoelen van den „koopman” in, die toch de eigenlijke bestuurder was der onderneming en aan boord voor het welslagen der „zaken” even verantwoordelijk als de schipper voor het behoud van zijn bodem. Aan zijn goedmoedigheid en dapper zelfvertrouwen heeft Bontekoe feitelijk dan ook zijn populariteit te danken en zijn spreekwoordelijkheid. Een „reis van Bontekoe” is geen zaak die door allerlei misère op een mislukking uitloopt, maar een die ondanks alle zwarigheden en tegenspoed tot een goed einde wordt gebracht. En Potgieter, toen hij de „Liedjes van Bontekoe” dichtte, gaf daarin allesbehalve den gemoedstoestand weer van een sukkelaar en lafbek, doch veeleer van een man van goedgemutste courage.

Het doel van deze uitgave is, als gezegd, een populair Nederlandsch werk populair te doen blijven. Daarom heb ik mij nóch in deze Inleiding, nóch in de Aanteekeningen op wat men noemt „wetenschappelijk” terrein begeven en ook niet op het terrein van de „Linschoten-Vereeniging”, wier werken—voorbeeldig naar inhoud en naar vorm!—ten behoeve van een meer beperkten kring van lezers verschijnen. Het journaal van Bontekoe, hoezeer ook belangrijk om verschillende berichten die er in voorkomen, en om zijn nauwgezetheid in het algemeen, is historisch en geografisch niet van zoo buitengewoon groote beteekenis, dat het voor een onderneming als de „Linschoten-Vereeniging” (naar wij weten) voor herdruk vooreerst in aanmerking komt.

Van geschiedkundig belang is in het Journaal van Bontekoe in de eerste plaats de passage over den mislukten tocht van de Hollanders om Macao op de Portugeezen te veroveren (in Juni 1622), en voorts het relaas van de daarop volgende stelselmatige rooftochten op de kusten van China, met beschrijving van de hardhandige en laat ons maar zeggen vaak onmenschelijke middelen door de onzen aangewend, om in die zeeën den toestand meester te blijven. Als er bij dit alles een stelregel in toepassing werd gebracht, dan was het die van Maarten van Rossum, want de absolute noodzaak van al dat branden en plunderen kunnen wij thans kwalijk inzien. Maar wij weten ook van elders, dat onze voorouders op zekere dingen nu eenmaal een ruwen kijk hebben gehad. Te beter kunnen wij het daarom begrijpen, dat de gekwelde Chineezen op wraak waren gezind en tot verraad hun toevlucht namen, waarbij de commandeur Christiaan Fransz. met een schipper en opper-koopman het leven lieten en voor ons een bodem verloren ging, die, in brand geraakt, met alle man in de lucht vloog.

Door Bontekoe wordt over al wat er aan de monding der Chincheuw- of Kanton-rivier in November van 1623 is voorgevallen uitvoerig en met van zijn kant begrijpelijke verontwaardiging gesproken, en wat hij over het door hem in de jaren 1622-’25 beleefde verhaalt, is vooral van gewicht, omdat bij Tiele, in zijn vervolg op De Jonge’s „Opkomst van het Nederl. Gezag in O. I.” (2de reeks: Buitenbezittingen) over deze Chineesche expedities geen berichten of documenten worden gevonden2.—Ook tien jaar vroeger was reeds door Cornelis Matelief de Jonge getracht Macao te vermeesteren en aan de rivier de Chincheuw (waar tegenwoordig ook Hongkong ligt) vasten voet te krijgen. In later tijd hadden wij in de stad Kanton zelf een „kantoor”; maar Macao bleef Portugeesch tot op dezen dag.

Het laatste stuk van Bontekoe’s Journaal ten slotte, handelend over de thuisreis met het schip Hollandia, behoort niet tot de minst onderhoudende gedeelten van het boek, dat tevens nog waarde bezit wegens een aantal er in voorkomende „personalia”. Zoo lezen wij over den levensloop van Frederik Houtman verschillende bijzonderheden en is van Willem Cornelisz. Schouten, stadgenoot en vriend van Bontekoe, meermalen sprake. Wij worden aan het slot ingelicht, hoe deze laatste in de Baai van Antongiel, op Madagascar, in het voorjaar van 1625 kwam te overlijden, en vernemen den dood van den commandeur Cornelis Reijersz. (10 April van dat jaar), onder wien Bontekoe aan den tocht naar China had deelgenomen.

Overeenkomstig het uiteengezette doel van deze uitgave, zijn de voetnoten onder de bladzijden sober gesteld; niet geleerd of taalkundig, maar enkel toelichtend. Nochtans mag hierbij niet uit het oog worden verloren, dat journalen als dat van Bontekoe ook in filologisch opzicht van de grootste beteekenis zijn: ten eerste wegens hun woordkeus en verder wegens tal van grammaticale eigenaardigheden. Uit dit soort volksboeken, evenals uit de kluchtspelen, leert men de volkstaal der 17de eeuw, d. i. de echte, levende taal het best kennen. Taalkundigen kunnen een tekst als deze met veel vrucht tot terrein van onderzoek maken.

De spelling is naar den eersten druk getrouw gevolgd, waarbij van het eenig mij bekende exemplaar in de Universiteits-Bibliotheek te Leiden een recht dankbaar gebruik werd gemaakt. Deze oorspronkelijke spelling toch is al te kenschetsend om haar op te geven en voor den lezer is zij eerder aantrekkelijk dan bezwaarlijk. Hier zou de verminking te minder gerechtvaardigd zijn geweest, daar niet zelden juist de spelling aanwijzingen geeft, die voor de geschiedenis onzer taal van belang zijn. Zoo bijv. waar de Westfries Bontekoe (of liever zijn Westfriesche zetter) met het onderscheiden van „y” en „ij” een verschil in uitspraak schijnt aan te willen duiden. Door moderniseering zou de tekst kleurloos en onbruikbaar zijn gemaakt.

Hier en daar werd een drukfout verbeterd en de interpunctie moest, terwille van de meerdere duidelijkheid, op vele plaatsen worden gewijzigd. Behalve een nieuwe alinea af en toe, moest vooral de punt-komma meermalen worden ingevoerd, om de al te lange zinnen, die toch één volzin vormen, te breken. Er was geen reden de onbeholpen en soms stellig verkeerd geplaatste leesteekens van het oude volksboek over te nemen, zoomin als de door den zetter al even onregelmatig gestrooide hoofdletters werden behouden; een en ander overeenkomstig de regels welke voor het herdrukken van oude teksten als deze van meest bevoegde zijde zijn vastgesteld. ’t Kan toch kwalijk nut hebben een journaal als dit z.g. diplomatisch te gaan afdrukken! Dan zou men ook de vette en voor velen moeilijk leesbare gothische letter van het origineel weer moeten gaan toepassen. Daar in dat „Duitsche” type, zou dan meteen de kapitaal van de zelfstandige naamwoorden zich weer in zijn element voelen; maar in onzen modernen druk is die alleen leelijk en storend.

Het journaal van den tocht door commandeur Dirk Albertsz. Raven in 1639 naar Spitsbergen gedaan, welk journaal door Deutel en latere uitgevers achter de Reis van Bontekoe geregeld werd afgedrukt, is hier weggelaten. De inhoud daarvan is zeer zeker de aandacht waard, doch staat met de lotgevallen van den Hoornschen schipper in geenerlei verband. De kleinere stukjes, welke hij op de laatste bladzijden van zijn oplagen deed afdrukken (t. w. samenvattingen van andere reisverhalen) zijn evenmin opgenomen. Zij dienden, behalve als bladvulling (juister: „vel-vulling”), enkel om de aandacht van het publiek op vroeger verschenen uitgaven te vestigen en de leesgierigheid te prikkelen. Als zoodanig zijn zij alleen als boekaankondigingen te beschouwen. Het voornaamste en uitvoerigste dezer stukjes is het „Kort Verhael uyt het journael van de personen die op Spitsbergen in het overwinteren ghestorven zijn; anno 1634”. Dit aangrijpend journaal verdient niet in extract maar, te zamen met de twee andere dergelijke verhalen van overwinteringen, in zijn geheel te worden uitgegeven. Mogelijk in deze serie. Hieraan zou dan het journaal van Raven zeer geschikt kunnen worden toegevoegd.

Ik eindig deze inleiding met mijn meest hartelijken dank uit te spreken aan het Bestuur van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde en in het bijzonder aan Prof. Dr. G. Kalff en Dr. G. J. Boekenoogen, leden der Commissie voor Taal- en Letterkunde, voor alle ondervonden steun en medewerking, waardoor mij het voorbereiden van deze uitgave zooveel gemakkelijker werd gemaakt. Voor verschillende aanwijzingen mij verstrekt blijf ik hun hoogst erkentelijk. De herdruk werd op voorstel en op aanraden van Prof. Dr. J. W. Muller het eerst in overweging genomen.

In deze nieuwe uitgave zijn, behalve het portret van Bontekoe, ook alle de platen, zooals zij in het oorspronkelijke journaal voorkomen, op werkelijke grootte afgedrukt; terwijl evenzoo het titelblad van het Leidsche exemplaar, waarvan de tekst aan dezen herdruk ten grondslag is gelegd, hiertegenover in een even getrouwe weergave is afgebeeld.

Een beknopt overzicht van de oude uitgaven, welke van Bontekoe’s „Avonturelijcke Reyse” bekend zijn, wordt achter in dit deeltje gevonden.

G. J. H.

Oorspronkelijke titelpagina van de eerste druk uit 1646.


1 Een Nederl. bron voor den Robinson Crusoë, Onze Eeuw, Oct. 1909. 

2 Voor bronnen aangaande onze koloniale geschiedenis in de jaren 1621-’23 vgl. men ook: Kronijk van het Historisch Genootschap, IX (1853): „Stukken van Jan Pietersz. Coen over den handel in Indië”.—XXVII (1871): „Grondig Verhaal van Amboyna, 1621”, en „Verhaal van eenige oorlogen in Indië, 1622”. 

IOVRNAEL
OFTE
Gedenckwaerdige beschrijvinghe
vande Oost-Indische Reyse van
Willem Ysbrandz. Bontekoe van Hoorn.

Begrijpende veel wonderlijcke en gevaerlijcke saecken hem daer in wedervaren.
Begonnen den 18. December 1618. en vol-eynt den 16. November 1625.

Te Hoorn. Ghedruckt by Isaac Willemsz.
Voor Ian Iansz. Deutel, Boeck-verkooper op ’t Oost in Biestkens Testament / Anno 1646.

TOE-EYGENINGE.

Achtbare, Erentfeste, Wijse, seer Voorsienige Heeren, de Heeren BEWINT-HEBBERS van de OOST-INDISCHE Compagnie ter Camere van HOORN1.

MYNE HEEREN.

Plato heeft (volghens ’t ghetuygenisse Ciceronis in sijn Officiis, Cap. 6.) heel suyverlijck geschreven, dat de mensch niet alleen voor sich selfs gheboren is, maer dat het Vaderlandt, Ouders en Vrunden yder een deel rechts tot hem heeft. Welcke spreucke soo klaer door de Nature bekrachtight wordt, dat yder (soo hij maer gheen monster of misdracht is) in sich selfs daer van de waerheydt kan bespeuren: want wie voelt niet in sich een onwederstandelijcke drift en treck tot sijn Vaderlandt, Ouders en Vrunden, ’t welck hem op ’t krachtighste openbaert, als laster, smaet, hoon of lijden over deselfde wordt uytgestort; soo dat onse geldt, onse goedt, jae, ons eyghen leven ons soo lief niet en is als de eere en het welvaren van een der selfder. ’t Welck door veel exemplen tot allen tijden klaerlijck heeft ghebleecken. Want wat sijnder al middelen aenghewent, om de eere des Vaderlandts te bevorderen en te bewaren, en de geboortplaetse door een soete gheheugenisse van dappere daden naemkundigh te maecken, tot het welcke de beschrijvinghe der selver daden gheen kleyne behulpmiddel is: overmidts alle loffelijcke en gedenckwaerdighe wercken, die door yemandt worden uytgherecht, souden door de tijdt van geen geloof, of t’ eenemael uyt de gedachtenisse der menschen uytgewischt worden, soo die door ’t beschrijven niet en wierden bewaert en verbreydt. Om gheen oude en langhvoorledene gheschiedenissen op te halen, wat souden wy en onse nakomelinghen doch voor ontwijffelijcke waerheydt konnen weten, hoe wonderlijck dat Godt dese Landen en Steden, jae besondere inwoonders gheholpen en gereddet heeft uyt de verdruckende handen haerder vyanden, indien hetselfde niet en was beschreven door de vlijt van eenighe aenmerckende verstanden.—’t Is dan niet eene van de minste waerteyckenen van danckbaerheydt en plichtsquijtingh aen sijn gheboortplaetse, de wonderlijcke ende loffelijcke wercken en bejegeningen, die sijne medeburgheren ghedaen of ontmoet zijn, door ’t beschrijven sorghvuldigh de nakomelingen nae te laten. Ick dan (die van jonghs af ben genegen gheweest om op te speuren, te lesen en te verstaen de gheschiedenissen, die door onse Hoornsche inboorlinghen waren uytgherecht, of die haer of de hare zijn wedervaren) hebbe niet konnen naelaten (om oock niet te vervallen inde faute van ondanckbaerheydt tegens mijn geboortplaets) eenige der selfder (de memorie waerdigh zijnde) aen te teeckenen, om die de vergetelheydt als ontroovende, by gelegentheydt in ’t licht te geven.

Onder anderen is mij, die al eenighe jaren daer mede besich ben gheweest, oock ter handt gekomen de beschrijvinge van dese gedenckweerdighe Oost-Indische Reyse van Willem Ysbrandtsz. Bontekoe, dewelcke by hem de vergetelheydt al scheen opgeoffert te wesen, maer ick die doorlesende, bevondtse waerdigh te zijn, dat sy by ons en onse naekomelingen in eeuwighe gedachtenisse behoorde te blijven. Ick versocht daerom aen hem die te mogen laten drucken, tot het welcke hy niet wel gesint was, eensdeels omdat het bynae als vergeten en door de tijdt oudt gheworden waer, anderdeels omdat hy die niet met sulcken stijl en hadde beschreven, bequaem, nae sijn meninghe, om gedruckt te mogen worden. Eyndelijck, nae veel vriendelijcke versoeckinghe en aenmaninghe van eenighe sijnder goede vrienden, bewillighde hy het selfde. Welcke beschrijvinghe ick met eenighe figuren verciert hebbende, datelijcken onder de parsse bracht. En dewijle dat men in alle saecken een yder het sijne behoort te gheven, kond’ ik niet anders oordelen, als dat het billick was, dat ick uwe E. E. dit selfde opdroegh en toe-eygende, door dien dat dese Reyse meest onder uwe E. E. bewint en opsicht is gheschiedt, waer over (indien daer uyt eenige geheugenisse tot eere van onse Vaderlijcke Stadt op de nakomelinghen sal overblijven) voor vast te stellen is, dat uwe E. E. daer van, naest Godt, een groot deel toebehoort, zijnde maer als een thiende van ’t gene op uwe E. E. acker ghewossen is. Versoecke daerom eerbiedelijck uwe E. E. ghelieve dese mijne moeyte en opdracht met een gunstigh oogh te ontmoeten, meer siende met den coningh Artaxarxes (die van een huysman een dronck waters ontfingh) op het herte als op de gave.

’t Welck doende, sult my hooghelijck verplichten om altijdt te blijven dien ick ben

Uwe E. E. Dienst-schuldigen

JAN JANZ. DEUTEL.


1 Er wordt aan herinnerd, dat het bestuur der O. I. C. berustte bij zes kamers, t. w. die van Amsterdam (waar ½ van het maatschappelijk kapitaal gevestigd was), Zeeland, Rotterdam, Delft, Enkhuizen en Hoorn.—De aanhef met een citaat uit de „klassijken”, is naar de gewoonte en naar den smaak van dien tijd, toen ook de gemeene man zich gaarne door zulke geleerdheid liet imponeeren,—mits die niet verder ging dan het eerste begin. De Edel Erentfeste Heeren krijgen er hier bovendien nog een fraai slot bij! 

VOOR-REDEN AEN DEN LESER.

Gunstighe Leser, wy sien door ervarentheydt, dat, gelijck alle menschen eenderhande kost niet even wel smaeckt, oock alle boecken een yder niet even aengenaem zijn: d’ een heeft vermaeck in dese, en d’ ander in die stoffe te lesen; elck heeft sijn besondere neygingh. En gelijck de onderscheyde oeffeningh onghelijcke boecken ter wereldt brenght, soo vinden sy oock altijdt haer ghelijcksinnige lesers. Ghy dan, die vermaeck schept in ’t lesen van gedenckweerdige reysen en wonderlijcke gheschiedenissen (’t welck onder alle wel een van de soetste tijdt-kortinghen is) leest dese naevolgende beschrijvinghe van W. Y. Bontekoe. ’k Vertrouwe, dat ghy uw tijdt niet qualijck sult besteet achten. ’t Is juyst stoffe nae uw’ lust. Want hebt ghy u oyt vermaeckt of verwondert in ’t lesen van de reysen van Linschoten, Heemskerck, Olivier, Spilbergen, Schouten en andere, dese geschiedenis sal u geen minder vernoeghen geven, overmidts die in sich begrijpt veel verwonderenswaerdige saecken1. ’t En zijn geen beuselen noch droomen Luciani of Pantagorae2, noch geen fabuleuse verhalinghen van monsters, vreemde maecksels van menschen, als een-voetige, een-oogighe en sulcke die sonder hooft de oogen en mondt in de borst hadden, en anders, waermede onse voor-ouderen (door eenige licht-geloovige schrijvers) verleydt zijnde tot verwonderinge wierden gebracht3. Noch dese beschrijvinghe is niet van hooren segghen (ghelijck men seydt), neen, maer komt uyt selfs-ondervindinghe, verhalende wat wonderen dat Godt aen den autheur self, als oock aen dieghene die by hem waren, bewesen heeft. Want wie en sal sich niet op het hoochste verwonderen, wanneer hy leest, hoe dat een mensch (daer het dickwils soo haest mede ghedaen is) door soo veel ghevaer en teghenspoedt, jae soodanighe waerin het hopen nae eenighe uytkomste scheen te zijn als wanhopen, door des Heeren genade is ter behouder plaets ghebracht. Doch alsoo ick vertrouwe den leser meer lust te hebben nae het verhael self, als langher van my met reden opghehouden te worden, wil daerom hiermede afbreecken, alleen dit noch segghende: Dat soo den leser in de stijl of maniere van segghen yets vindt, dat soo niet en is als de volmaecktheydt wel soude vereysschen, bidde daerin den autheur te verschoonen, want sijn oogh-wit in ’t beschrijven van dese sijne reys is meer op waerheydt als op cierelijckheydt van segghen geweest.

Hier mede vaert wel.


1 Jan Huygen van Linschoten deed zijn vermaarde reis naar Indië in Portugeeschen dienst in 1583–’92. Zijn „Itinerario, voyage ofte schipvaert”, welke in 1596 voor ’t eerst in druk verscheen, werd door Prof. Dr. H. Kern in de werken der Linschoten-vereeniging opnieuw uitgegeven (2 dln., ’s-Gravenhage 1910).—De tocht van Jacob van Heemskerck en Willem Barentsz., om een weg naar Indië „benoorden om” te zoeken, is door de overwintering op Nova Zembla (1596–’97) bekend genoeg geworden. Het merkwaardige verhaal, dat Gerrit de Veer van deze onderneming en van de twee tochten, die er aan voorafgingen, opstelde, zag het licht onder den titel: „Waerachtige Beschrijvinghe van drie seylagiën ter werelt noyt soo vreemt gehoort” (t’ Amsterdam, Ao. 1598).—Olivier van Noort is de eerste Nederlander, die de aarde omzeilde. 12 Aug. 1598 passeerde hij met zijn vier schepen Straat Magellaen en kwam in 1601 in het vaderland terug. („Wonderlicke Voyagie bij de Hollanders ghedaen”, enz. Rotterdam 1602.)—Joris van Spilbergen volbracht zijn beide tochten, nadat een eerste mislukt was, in de jaren 1601–’04 en 1614–’17. Zijn tweede expeditie, met zes schepen, is de tweede reis der Nederlanders om de wereld. Beide reisbeschrijvingen zijn voor de eerste maal te zamen uitgegeven onder den titel: „Oost- en West-Indische Spieghel der Nieuwe Navigatiën”, te Leiden 1619.—Willem Cornelisz. Schouten was de derde Hollander, die met Jacob le Maire in 1615–’17 de wereld omzeilde. Over hem is in het journaal van Bontekoe nog nader sprake. 

2 Lucianus, Grieksch prozaschrijver uit de 2de eeuw n. Chr., gaf aan zijn satirische tweegesprekken den titel „Droomen”. Met Pantagoras is de wijsgeer Pythagoras bedoeld; niet de echte wel te verstaan, maar de verdichte, om wiens persoon zich in de middeleeuwen tal van fabeltjes hadden gevormd. 

3 Niet alleen in den loop der 17de eeuw, maar ook vroeger en later, waren de verzonnen reisbeschrijvingen, waarin van de meest onmogelijke wonderwezens sprake was, druk in omloop. Het genre begint in onze letterkunde al met „Sinte Brandaen”, en vooral de reis van Mandevyl bracht het tot groote populariteit. Daarop wordt hier dan ook gezinspeeld, blijkens de opsomming der gedrochten. Voor en na was het steeds de pseudo-ontdekking van het z.g. Zuidland, waarop de wonderverhalen zich gaarne baseerden, hetzij met hetzij zonder een utopistische strekking. De geest van Bontekoe’s oprecht verhaal verzet zich inderdaad tegen dit boerenbedrog en tegen de prikkelliteratuur, die ook toen al bestond. 

SONNET.

Op de beschrijvinghe van de ghedenckweerdighe
OOST-INDISCHE REYSE
VAN DEN VERMAERDEN SCHIPPER
WILLEM YSBRANTSZ. BONTEKOE.

Wanneer men somtijdts hoort verhalen wonder saecken,

Elck luystert met opmerck en ’t klinckt ons vreemt in ’t oor,

Doch twijffelingh verselt dickwils het goedt gehoor

Door dien des waerheydts glants gespaert werdt veel te vaecken;

Maer hier is d’ eygen man, die selfs dit boeck gaet maecken,

En wat hem is gebeurt stelt hy hier klaerlijck voor,

Hoe Godt hem heeft bewaert, hoe hy sijn schip verloor,

Verbrande, vloogh omhoogh, door ’t kruydt, met yslijck kraken.

Koopt, siet en leest dit boeck, wat p’rijckel, tegenspoed

Dees schipper op sijn reys soo dickwils is ontmoet,

Eer hy sijn Vaderlandt met lief mochte aenschouwen,

Hoe hy als Elias ghespijst is en gevoedt,

Hoe wonderbaer dat Godt op ’t onvoorsienst behoedt,

Sijn goedigheydt bewijst al die op hem betrouwen,

Laet dit u spiegel zijn die d’Oceaen moet bouwen.

I. B. BERCKHOUT.1

De waerheydt boven.


1 „D’oceaan bouwen”; vgl. de uitdrukking „zee bouwen”.—De profeet Elia werd op bevel van God in de woestijn door raven gevoed (1 Kon. 17: 2–6).

De schrijver van dit klinkdicht behoorde tot een Hoornsche zeemansfamilie en is vermoedelijk een bloedverwant van den schipper Evert Cornelisz. Berckhout van Hoorn, wiens bodem „de Omval” in de dagen van Bontekoe door den beruchten zeeroover Claes Compaen van Oostsanen bij de Kaapverdische eilanden werd buit gemaakt. 

KLINCK-DICHT.

Op de wonderlijcke Reyse van W. Y. B.

Nieusgierigh volck, dat stof soeckt tot verwonderingh,

Waer toe te rugh gesien wat in voorleden jaren

Wtheemschen is gebeurt of vreemts is wedervaren!

Ziet hier hoe Bontekoe beschrijft hoe zonderlingh

Dat Godt hem heeft bewaert en in zijn hoede nam,

Toen ’t scheen of ’t water haer1 al t’ zamen zoud’ vernielen;

Hoe wonderlijck, toen ’t schip met meer als hondert zielen

Door ’t vuur aen stucken sprongh, hy ’t ongeval ontquam.

Hoe dat hy, met de boot, geberght wordt; hoe sy swerven

Alleen op Godts gena en ’s levens noodtdruft derven;

Hoe Godts almogentheydt de visschen uyt de zee

Doet springhen in de boot, en vogels in haer handen

Doet vliegen; hoe dat sy by moordenaren landen

En hoe, nae veel gevaer, hy komt op Hoorens-Reê.

A. P.


1 Hen. 

Op ’t Journael van W. Y. BONTEKOE.

Hoe sonderlingh de Heer de menschen kan bewaren

In ’t uyterste gevaer des levens over al,

Blijckt middagh-klaer aen ’t geen dat Bontekoe weervaren

En andren is, soo u dit boeck vertoonen sal.

Komt hier die wonder-vreemd’ histoorjen soeckt te lesen;

Leest dit Journael, ’t magh wel geplaetst by d’ andre wesen.

I. F. S.

Op de beschrijvinghe van W. Y. BONTEKOE.

Wat voordeel geeftet aen ’t gemeen,

Dat yemandt heeft veel ramps geleen,

Dat hy door allerley ghevaer

Heeft langh gesuckelt hier en daer,

En wonderlijck door Godts bestier

Geredt uyt water, moordt en vyer,

De doodt ontworstelt voor een tydt,

En noch in rust sijn jaren slijt;

Soo niet de pen tot meerder nut,

Noch vande druck-konst onderstut,

Dit aen de Werelt bracht in ’t licht;

’t Welck yder met vermaecken sticht,

Waer uyt oock de nakomelingh

Mach weten sulck een wonder-dingh,

En leeren, dat des Heeren handt

Is krachtigh boven ’t aerdtsch verstandt.

I. W. P.

Dits ’t beelt van Bonte-koe dien Godt, op syne vaert

Tot elckx verwonderingh, heeft wonderlijk bewaert;

Mits hij de Doodt ontgingh, self midden inde Doodt;

In ’t water, Vuer in Moordt in Dorst en Hongersnoodt.

ggd.