168 ’t Is opmerkelijk, dat het woord „hulde” hier nog in de oude, middeleeuwsche beteekenis voorkomt van: welwillendheid, gunst, genade. ↑
169 Nl. de zes andere van de boot. ↑
171 „Scampan” of „ciampan” (zie boven blz. 86): inlandsch schuitje. ↑
172 Stukken, waaruit met steenen kogels geschoten kon worden. Te land en voor grootere schepen was dit soort geschut al in onbruik geraakt, maar voor bewapening van kleine vaartuigen is er nog in den loop van de 17de eeuw sprake van. ↑
175 Een en twintig balen gedubbeld zijden garen. Van „fijn getweernd linnen” is bijv. in de Staten-vertaling herhaaldelijk sprake, als in ’t boek Exodus aanwijzingen voor het maken van den Tabernakel worden gegeven. Tegenwoordig meest „twijnen”.—Een „kanasser” of „kanaster” is een mat of korf van gevlochten biezen, zooals nog gebruikt wordt voor emballage van tabak, suiker en thee. ↑
178 T.w. de in vlammen staande jonk. ↑
179 Een aardige „volksetymologie” van schipper Bontekoe voor: „korte metten”. Hij heeft er elders meer van die kracht. ↑
180 Versta: voor het anker afzwaaide. ↑
181 In ’t midden van het water; versta: halfweg, in open zee. ↑
182 Spuigaten, de gaten waardoor het opgepompte water uit het schip wordt verwijderd. ↑
183 Dreven meer af dan wij (met laveeren en opkruisen) konden winnen.—„Overstuur zijn” en zich of anderen „overstuur maken” behoort mede tot de zeemansuitdrukkingen, die in onze dagelijksche omgangstaal zijn overgegaan. ↑
184 „Verdubbelen”: met een betimmering het schip van binnen onder de waterlijn versterken. ↑
186 Over het leggen van een „wang” zie boven blz. 27. ↑
187 Nl. de sloep, waaraan men werkte. ↑
189 D.w.z. twee glazen lang, dus een uur. ↑
190 Aan boord was het etmaal verdeeld in vier wachten, elk van omstreeks zes uur:
de eerste- of morgenwacht, van het vroegschaften tot den middag;
de tweede- of dagwacht, van den middag (tweede schaften) tot ’t vallen van ’t donker (in noordelijke en tropische zeeën tot zoolang de schipper het gelast);
de eerste nachtwacht of voormiddernachtwacht, van het afloopen der dagwacht tot middernacht;
de tweede nachtwacht of hondenwacht, van middernacht tot den morgen.
Later werden zes wachten elk van vier uur ingevoerd. Het tellen en afroepen der „glazen” begon met elke wacht opnieuw. Het „glas” was oorspronkelijk de zandlooper, die achter op de campagne stond en elk half uur gekeerd werd. Tegenwoordig worden de glazen afgeluid. ↑
191 „Teysing” niet voor Taischöng, d. i. Formosa, doch een punt op den vasten wal; vgl. de volgende blz. ↑
192 Sloten zich boord aan boord aaneen. ↑
193 „Napeuren”: achterna gaan; vgl. boven blz. 69, noot 3. ↑
194 „Opgijen”; vgl. boven blz. 44. ↑
195 T.w. de ankertros.—„Catsje” is Kiatsu, op 22° 53′ N.br. ↑
198 Vermoedelijk doordat hij er een pijpje gesmookt had. „Toeback drincken” was alleen boven op het verdek geoorloofd. ↑
199 Een verdrag gesloten had. ↑
201 „Roopaert”: affuit van een kanon.—„Bas”: zie blz. 92. ↑
202 Dat zal een stichtelijke Paaschpreek geweest zijn, die in de ijzers werd voorbereid!—Wij lezen anno 1671: „Het is de eenighe taek van de predicanten en krankbezoekers de kerken-dienst waer te nemen. De raet doet hen in achting houden en niet bestraffen in ’t bijzijn van het volck, ten waer de misgreep grovelijck waer.”—Dat Bontekoe op 15 Februari zijn eersten stuurman en nu weer den dominee in de boeien laat zetten, bewijst dat hij met dat al een streng heer kon zijn. ↑
204 In ’t nauw brengen; insluiten en overvallen. ↑
205 Zie boven blz. 43, noot 3. ↑
207 Boven blz. 85; over het fort vgl. blz. 87. ↑
208 Dit is niet wel mogelijk: het getal schijnt veel te groot, gezien dat Bontekoe zelf met 206 „eters” uitvoer; misschien hadden de beide schepen samen zooveel volk verloren. ↑
209 In een brief van 11 Mei 1621 had Coen aan de Heeren Bewindhebbers der Compagnie om ontslag gevraagd. Volgens gemeenlijk gangbare berichten vertrok hij van Batavia op 31 Januari 1623, met het schip Dordrecht. Den 19 Sept. 1624 liep hij met vijf schepen in Zeeland binnen. Alleen de peper, welke deze schepen in hadden, werd berekend op 19.000 balen, die voor 45 ton gouds werden verkocht. In het voorjaar van 1627 zeilde Coen opnieuw naar Indië, kwam daar 27 Sept. aan en overleed 20 Sept. 1629. ↑
210 Over deze kolonisatie op Java is nog weinig bekend. ↑
211 Om met ons te spreken. „Verspreken” beteekent in de scheepstaal der 17de eeuw ook „praaien”. ↑
213 Maakten de stukken vaardig. ↑
214 Een „totock” is een door de Chineesche overheid aangesteld commissaris of handelsagent. Het woord heeft thans gemeenlijk een andere beteekenis, zooals bekend is. ↑
215 Op ’s lands vloot werden zij die op wacht slapende gevonden waren, volgens de geldende ordonnantiën, enkel voor den mast geleersd, d.w.z. met een eind touw op den blooten rug gegeeseld. Behalve „leerzen” of „laarzen” kende men ook „britsen”, ’t geen met een dunner touw geschiedde, zonder dat de kleeren werden uitgetrokken. Jongens werden niet gegeeseld, doch ontbloot en met een bos dunne touwtjes of twijgen gekastijd. De Ruyter „condemneerde” eens (in 1664, op ’t schip „de Spieghel”) vier man, „die haer wacht verslapen hadden, om drie weken lang voor het gantsche scheepsvolck stockvis te beucken”!—Van de ra vallen of loopen (ook: van de ra dansen) geschiedde van een tot zes malen: de veroordeelde moest in de groote mars klimmen en vandaar de ra afloopende zich in zee storten, waarna hij weder werd opgehaald.—Kielhalen is als een zwaardere vorm van deze straf te beschouwen, waarbij de „delinquent” onder de kiel van ’t schip door, aan ’t andere uiteinde der ra weder werd opgetrokken. Openlijke insubordinatie en muiterij werd gewoonlijk aldus gestraft, of naar omstandigheden ook strenger. Voor mindere ongehoorzaamheid, evenals voor diefstal, werd na ondergane geeseling van de ree geloopen, doch op het stelen van vivres stond als regel ’t hangen („executie met den koorde”). Wie aan boord het mes trok, „in evelen moede”, werd, na meestal eerst te zijn gekielhaald en geleersd, met een mes door de hand aan den mast gestoken, waarna hij moest blijven staan tot hij het er zelf uittrok. Nog in 1667 werd deze straf op „de Zeven Provinciën” toegepast. Wie „plockhaerde” of dronken was, werd geleersd en in de ijzers gezet. Wie een ander doodde, werd zonder verschooning bij den doode gelegd en met hem levend over boord gezet; in later tijd ook „gearquebuseerd”. Niet zelden ging een lijfstraf met korting der soldij gepaard.—Aldus leeren de artikel-brieven en journalen. ↑
216 Chineesch regeeringspersoon, gouverneur van een district. ↑
218 „Uytrechten”: beslechten. ↑
221 Teyowan of Taiwan is de hoofdplaats van Formosa (vgl. blz. 78). Dit had aldus de aanleiding kunnen worden, dat wij daar reeds in 1623 een factorij vestigden. Nu werd het 1624, zooals men weet. ↑
223 „Ostagiers”: gijzelaars.—In margine staat hierbij de volgende aanteekening: „Manderijns zijn gouverneurs of oversten; dan daer sijn noch manderijns, die onder de opper-manderijn staen van de Provincie: van sulcke schijnen dese drie gheweest te zijn.” De eigenlijke beteekenis van het woord manderijn is: raadsheer, minister. Vgl. Linschoten, Itinerario I, blz. 91, noot. ↑
224 Aan de Vecht, tusschen Loenen en Nieuwersluis, ligt nog een oud kasteeltje Oudaen geheeten. Het Huis Oudaen binnen Utrecht is welbekend. ↑
225 T.w. de Commandeur met de andere afgevaardigden. ↑
227 In het opschrift is de naam van ’t schip van Bontekoe zelf vergeten. ↑
228 Nogmaals een gegeven voor de nauwkeurige dateering onzer vestiging op Formosa; vgl. boven blz. 114. Het vertrek was aanvankelijk voorloopig. ↑
230 Hier schijnt het journaal te zijn bekort: van 20 Nov. 1623 op 20 Febr. 1624. ↑
231 Onhandelbaar, bij het overstag loopen. ↑
232 „Dragende houden”: rechtstreekschen, bestendigen koers houden. ↑
233 Vgl. boven blz. 76.—Hier is weder een bekorting op te merken. ↑
235 Maakten een „slag” of „gang”, bij het laveeren. ↑
236 Afnemende noordwestering. Deze mededeeling slaat op de miswijzing van het kompas; vgl. boven blz. 30. ↑
237 „Voor een schoovers-fock met de blind”, d.w.z.: voor een sterk gereefde fok en voor de blinde (het kleine zeil onder de boegspriet der toenmalige schepen; vgl. boven blz. 51).—Door den hevigen en ongestadigen wind was het niet mogelijk op een vaste kompas-streek koers te houden. ↑
238 T.w.: het seinlicht (als „admiraalschip”), waarnaar de beide andere schepen hun koers hadden te regelen. Vgl. boven blz. 31. ↑
239 „Onder zee schieten”, d. i.: met alle zeilen ingenomen zich op wind en golven laten drijven. Dit geschiedde, als het schip door het al te zware weer niet meer te hanteeren was, of als men bevreesd was tuig te verliezen. ↑
240 Nl.: stijf tegen de raas. ↑
241 Dus te drie uur; vgl. boven blz. 98. ↑
242 Boven het verdek; vgl. boven blz. 24 vg. ↑
244 „Rollen” van een schip: slingeren. ↑
246 Om dit en het volgende te verstaan is een uitlegging noodig: Onder op den bodem of „’t vlack” van het schip liggen dwarsbalken, „liggers” genaamd, en daarover een planken vloer, die nog heden „buikdenning” wordt genoemd en die den bodem van het ruim uitmaakt. De ruimten tusschen de liggers, onder de buikdenning, heeten „wrangen” en daarin monden de ondereinden van de pompen uit.—Omdat peper een kostbare lading was, had men die niet onder in het ruim gestuwd, maar boven een tusschenvloer („genier”), waar de specerij, ook als het schip water maakte, niet door het vocht kon worden aangetast. Op dit genier lagen ook de van hun affuiten genomen kanonnen, die door het slingeren van ’t schip „gaende”, d. i. aan het rollen raakten en met hun „ooren” het plankier stuk stootten. ↑
247 De „vullingen” zijn de losse schotten, die beneden in ’t schip scheef, langs de zijden, tusschen de inhouten of ribben zijn aangebracht, om die tusschenruimten aan te vullen. Toen nu deze „drijvende” werden, was het mogelijk, dat de door het plankier beneden in ’t ruim neerlekkende peper, langs de wanden van het schip, in de wrangen raakte en daar de mondingen van de pompen verstopte. ↑
248 Men verhielp dus het euvel door de pompen eenvoudig uit de wrangen te trekken en op de buikdenning, dus op den bodem van het ruim zelf te plaatsen. De benedeneinden werden in manden gezet, om te beletten, dat de in het ruim omdrijvende peper de mondingen opnieuw zou verstoppen. ↑
249 Boven den wind. „In lij”: onder den wind. ↑
250 „De vleet” is alles wat achter een vaartuig, drijvende, wordt meegetrokken. Thans nog in het bijzonder de naam van het sleepnet dat ter haringvangst gebruikt wordt. ↑
253 Stompen op te richten. De noodmasten worden door Bontekoe hier „stompen” genoemd. ↑
254 Tegenwoordig Port St. Louis, ten Z. van de Baai van Antongiel. ↑
255 Vgl. het Noorsch-Deensche „alligevel”: alevenwel. ↑
257 Branding op eenige ondiepten. ↑
258 „Schadeloos”: met schade, averij. Een in de scheepstaal gewoon woord. ↑
259 De spuigaten, waardoor het water uit ’t schip wordt verwijderd. ↑
261 Gerief, wat wij behoefden. ↑
263 Die dus voor den grooten mast pasklaar werd gemaakt. ↑
265 Stelden ons geheele loopende want daaruit samen (touw slaande). ↑
267 In latere drukken is toegevoegd: „’t Was een goet man”.—Prof. G. Kalff (Gesch. d. Nederl. Letterk. V, blz. 3) merkt naar aanleiding van deze woorden met bewondering op: „Hoe treft ons door hartelijken eenvoud dat uitzoeken van den besten boom; hoe sober is dat trouwhartig slot!” ↑
269 „Vroom”: flink, van goed gedrag. ↑
270 Versta: wij bemerkten, dat wij (met het herstelde tuig) achter nog niet zooveel zeil voerden, dat wij bekwaam waren om door den wind over, d. i. over stag te loopen. ↑
271 „Het laten deurstaan”: een koers vervolgen; vgl. boven blz. 30, regel 9. ↑
272 Aan ons voorbij schoot.—„Vernemen”: bemerken. ↑
273 „Schovers-seylen”: dicht gereefde zeilen. Vgl. blz. 121: „schovers-fock”. ↑
274 Kaap Agulhas; oostelijk van Kaap de Goede Hoop. ↑
275 „Stijf schip”: zwaar geladen, vast op ’t water. ↑
277 De Kaap te boven; dus voorbij, omgezeild. Vgl. ook de voorgaande blz. ↑
279 D. i.: brachten (met een boot) een anker uit op eenigen afstand van het schip, waardoor dit, door met het spil het ankertouw te winden en in te korten, dichter onder den wal kon worden getrokken. ↑
280 „Verpreyen”, elders ook „verspreken”: praaien. ↑
281 Over het „in compagnie varen” van meerdere schepen vgl. hiervoor. ↑
282 Versta: een zandlooper. De bedenktijd was dus een half uur. Vgl. boven blz. 98. ↑
283 „Branden”: losbranden, vuur geven. Het werkwoord „vuyren” of „vyeren” beteekent in de 17de eeuw nooit „schieten”, doch „met lichten seinen geven”. ↑
284 Stukken van gemiddelde zwaarte. ↑
285 „Boegseeren”: een schip, dat ’t zij door windstilte, ’t zij bij gebrek aan ruimte geen zeil kan maken, met behulp van een roeiboot in open vaarwater brengen. In dit geval was het boegseeren noodig, omdat men lag onder de hooge klippen, in de luwte van het land. ↑
286 Buien, rukwinden.—Vgl. over de uitreis blz. 28. ↑
287 Over het „opgijen” der zeilen vgl. boven blz. 44.—„Vrookost” blz. 28. ↑
288 De „groente” is de plantaardige aanwas, die zich (met weekdieren) onder aan de houten schepen vasthechtte en ze „vuil” maakte. ↑
290 Bedoeld schijnt Ouessant, schoon dit wat noordelijker ligt. ↑
291 Terre Neuve, Terra Nova: New Foundland. ↑
293 Kinsale, havenstad op de kust van Ierland, enkele uren ten Z.W. van Cork; thans vervallen. ↑
295 „Convoyers” zijn schepen van oorlog, die gewoon waren de koopvaarders tot voorbij de Spaansche kusten te vergezellen en op de thuisreis weder in te wachten, om hen zoo noodig te beschermen en te geleiden. ↑
296 „Onbeniert”: onhandelbaar bij het laveeren. Vgl. boven blz. 139. ↑
298 Beschadigd, met averij. Vgl. boven blz. 127, noot 2. ↑
299 Uit dezen zin en den volgenden is merkbaar, dat wij niet met den stijl van Bontekoe, doch met dien van Jan Jansz. Deutel te maken hebben! Vgl. „Toe-eygeninghe” en „Voor-reden”. Echter strekt het den uitgever tot eer Bontekoe te hebben bewogen deze berichten aangaande het schip Middelburgh aan het journael toe te voegen, dat zoodoende een historisch slot bekwam. ↑
300 Ziet op de ontdekking van de Straat le Maire; vgl. boven blz. 17. ↑