Toen Jacob het gebroken steenen kruis bereikte, was het reeds laat in den middag. Het was den geheelen dag een egaal beloken lucht geweest, een zacht grijze lentedag, en de schemering viel spoedig in. Jacob had zich gehaast en hij maakte zich reeds ongerust, toen hij niemand zag. Plotseling echter rezen uit een droge sloot twee donkere gedaanten op, in wie hij de Welle en Daniël Tistz herkende.
—„Goed, dat ge er zijt, jonker,” zei de laatste, terwijl hij hem met ruwe hartelijkheid op den schouder klopte. „De Welle begon reeds ongerust te worden en wilde u met alle geweld gaan zoeken. Ik zei hem, dat hij zijn hoofd in den strop stak, want hij is te Poperingen bekend als de bonte hond, maar als het lang had geduurd, was hij niet te houden geweest.”
—„Zijt ge geslaagd, jonker? Vertel op!” zei de Welle, wiens gezicht bleek en vertrokken was van angst.
Jacob gaf haastig maar nauwkeurig verslag van zijn ervaringen.
—„Dus de schout heeft den brief van Titelman,” zei de strooper zegevierend, „en niemand weet, dat wij zijn bode hebben geknipt! En er gaan maar twaalf dienaars mede! Dat is kinderspel! Moed, de Welle, wij zullen Mieke verlossen!”
—„Maar die mannen zijn welgewapend!” meende Jacob.
—„Ik geef niet om hun hellebaarden en houwers,” spotte Daniël. „Die Jurriaan Jaspersz! Ik zie zijn domme tronie al voor mij, als wij den wagen aanhouden. Met hem heb ik ook nog een oude rekening te vereffenen. Wacht maar!”
En Daniël liet zijn zwaren eiken stok door de lucht suizen en neerkomen op een denkbeeldigen rug en dat was de rug van Jurriaan Jaspersz, den eersten schoutendienaar van Poperingen.
—„Daar in dien greppel hebben wij uw kleederen, jonker,” zeide de Welle; „trek nu spoedig die verwenschte pij uit. Wij houden de wacht.”
Jacob verwisselde van kleederen en Daniël nam de pij en den gordel van den monnik over den arm. Bij een diepe kolk gekomen, een weinig ter zijde van den weg, nam de strooper een paar zware keien op, die hij blijkbaar met opzet klaar had gelegd, wikkelde die in de pij met het brevier en den rozenkrans van den Dominicaan, maakte alles stevig met den gordel vast, en liet toen, na zorgvuldig naar alle kanten om zich heen te hebben gezien, het pak in het donkere water zinken.
—„Wat doet ge?” vraagde Jacob verwonderd. „De kleederen zijn immers het eigendom van den monnik?”
—„Hij zal ze wel niet meer van noode hebben,” zeide de strooper met een woesten lach, terwijl hij naar de grooter wordende waterkringen keek.
Jacob hoorde het, maar hij durfde thans niet vragen naar het lot van den Dominicaan.
Zij verlieten nu den weg en liepen langs smalle landwegen, eerst door de hoptuinen, toen door de bouwlanden, en bereikten eindelijk de strook broekheide, die zich langs den boschrand uitstrekte. De Welle en Daniël, die beiden het landschap kenden, aarzelden geen oogenblik, welk pad zij hadden te kiezen.
Bij het drassige broekveld gekomen, dat hier en daar door breede slooten en geulen werd doorsneden, haalde Daniël uit het hooge heidekruid drie lange polsstokken te voorschijn, die daar zorgvuldig waren verborgen. De stokken waren aan het boveneind van een stalen punt voorzien, en vormden zoo een halve piek, een geducht wapen, dat later in den vrijheidsoorlog beroemd zou worden.
—„Vooruit nu!” gebood de Welle. „Jonker, loop achter mij en pas op! ’t Is hier gevaarlijke grond. Daniël, gij sluit de rij en kijk goed uit uw oogen.”
Snel ging het over den drassigen grond voorwaarts. Het water borrelde soms op uit den veenachtigen bodem, en er waren plekken, waar men, blijkbaar met opzet, van graszoden en takkenbossen „stappen” had gemaakt, die een rustpunt boden aan den voet. Een vreemdeling, die het oord niet kende, zou nimmer door het verraderlijke moeras den weg hebben gevonden. Breede en diepe slooten moesten worden overgesprongen, maar de donkere boschrand kwam al nader.
Eindelijk was het bosch bereikt. Langs slingerpaden en door kreupelhout leidde Daniël Tistz, die hier in zijn element was, zijn beide metgezellen tot diep in het hout. Eensklaps hoorde Jacob verwonderd op. Een gedempt gezang trof zijn oor, psalmgezang.
—„Ja, jonker,” zeide Daniël, die zijne verwondering bemerkte. „We zijn hier bij een van onze schuilhoeken, waar ik een troepje Geuskens verborgen houd, die ’t te Waterloo en te Oosterweel zijn ontkomen. ’t Is een veilig plekje, en als de Welle nog boschwachter was, zou ik ’t hem nooit hebben verklapt.”
Nog een wending van het pad en men stond voor een breed water. Slechts een geoefend springer kon er met een pols over komen. Het psalmgezang klonk duidelijker en ros licht schemerde hier en daar tusschen het jonge lentegroen door.
Daniël liet een zacht en eigenaardig gefluit hooren.
—„Zijt gij daar, Daniël?” vroeg een schorre stem.
—„Ja,” zei de strooper. „Ik breng goed volk! Laat den boom zakken.”
Het ritselde in de blaren en een lange boomstam, die aan een touw kon worden op en neer gehaald, viel over de sloot heen. Daniël liep behendig en snel over de smalle brug, die van boven slechts een weinig was afgeplat. Jacob volgde hem en hoewel de boom zwiepte onder zijn voet, bereikte hij toch veilig den overkant, waar ook de Welle zich weldra bij hem voegde.
—„Zijt gij dat, Peerke?” zei Daniël.
—„Ja,” klonk de schorre stem uit het duister. „Maar wie is de derde man?”
—„Goed volk, als ik u zei, een officier uit het leger van Oosterweel,” antwoordde de strooper ongeduldig. „Kom voor den dag en licht ons bij, want ’t is hier zoo donker als de hel.”
Een rosse lichtgloed viel op het pad en een donkere gedaante, die een stallantaarn met een smeerkaars droeg, kwam nader.
—„Hier is de ingang van het pad,” zei de schorre stem. „Ik zal jelui voorgaan.”
Ze gingen een smal pad in, dat als een tunnel in het hooge struikgewas scheen uitgehouwen. Spookachtig viel het roode licht van de lantaarn op het jonge lentegroen, dat hen aan alle kanten omringde. Het gedempte psalmgezang klonk duidelijker.
—„Is er van avond preeke?” vraagde Daniël.
—„Ja, Jan Machielsz, de manke predikant, heeft de broeders en zusters voor van avond samengeroepen. Wat je hoort, is het voorgezang. De preeke zal wel zoo aanstonds beginnen.”
Een donker gevaarte doemde voor hen op uit de duisternis. Een schuur, naar het scheen. Een mat licht drong door een paar kleine ramen, met verweerde ruitjes.
Ze traden zachtjes de schuur binnen.
’t Was een eigenaardig tafereel, dat ze daar aanschouwden, bij het licht van een paar lantaarns en baklampen, die hier en daar waren opgehangen.
Een dertigtal mannen en vrouwen zaten of stonden in dat gedeelte van de wijde ruimte, dat het best was verlicht. Voor hen, in een soort spreekgestoelte, niet zonder vernuft getimmerd van een groote ton, stond een kleine, in het zwart gekleede man. Hij hield een opgeslagen bijbel in de hand, en las den tekst voor, op het oogenblik, dat de drie mannen binnentraden. Het was Deuteronomium 7 : 5.
—„Maar also sult ghi hun doen:”—zoo klonk het somber door de half verlichte ruimte—„hare altaers sult ghi afwerpen ende hare opgerichte beelden verbreecken ende hare bosschen sult ghi afhouwen ende hare gesnedene beelden met vyer verbranden.”
Toen volde de preek: een wilde, hartstochtelijke toespraak. ’t Was geen verkondiging van het Evangelie, ook geen woord van vertroosting tot deze ballingen, vermoeiden en bitter bedroefden van ziele. ’t Was een woord van toorn en van wrake. De verstrooide Geuzen werden vergeleken bij Israël, het volk Gods, dolende in de woestijn, de Roomschen bij de Kanaänieten, vijanden van God en zijn volk, die het plicht was te bestrijden, te verdelgen als het kon.
En Jacob zag, hoe de forsche gezichten van de ademloos luisterende mannen zich vertrokken tot een wreeden grijns, hoe zij de vuisten balden of krampachtig den greep van hun lang kruismes omklemden, als zij den spreker in zijn schilderingen van hun nood en hun lijden volgden of luisterden naar zijn aanhitsend, wraakademend woord.
’t Was een vreemde, wilde groep, die daar stond geschaard om den ruwen kansel, in het spookachtige, rosse licht der walmende olielampen. Zoo moest eens, in den tijd der Richteren, het volk van Israël zich bij het roode licht der toortsen hebben verdrongen om een of anderen wilden woestijnprofeet, die hen aanporde tot opstand tegen hunne verdrukkers.
De stem van den prediker zweeg. Hij had een psalm opgegeven, den 79sten psalm, het 2de vers. Sommige der aanwezigen drongen naar de lampen met hunne boeken, maar de meesten kenden het lied van buiten: een der klaagliederen der verstrooide Gereformeerden dier dagen:
Ach, hoe lang sult Gij noch, o Heer geprezen,
Op ons also vergramt en verstoort wezen?
Hoe lang zal noch Uwen toorn sijn ontsteecken
Als een vyer, ’t welck men met kracht siet uitbreecken?
Stort Uwen toorne swaer
Over ’t volck, dat voorwaer
U niet wil kennen, Heere!
De koninckrijcken ’t saem,
Sla Heer, die uwen Naem
Niet aenroepen met eere.
Onder het psalmgezang bemerkte Jacob, dat, niet ver van den prediker, aan een van de ruw behouwen stijlen, die het dak schraagden, een menschelijke gestalte was vastgebonden. Naderbij gekomen, zag hij, dat het de monnik was, dien de Welle en Daniël dien morgen hadden gevangen genomen. Hij stond daar, met gesloten oogen, het hoofd leunend tegen den paal. Blijkbaar was hij daar vastgebonden, om hem te dwingen, in dien toestand de godsdienstoefening bij te wonen.
Het psalmgezang hield op en de prediker nam weer het woord. Thans was het een bittere aanklacht van de Inquisitie en haar aanhangers, wien hij een bloedig einde en een vreeselijk oordeel voorspelde. Soms scheen het, of hij zich opzettelijk tot de gebonden gestalte van den monnik richtte, en dan volgden aller oogen zijn blik en richtten zich vol haat en bloeddorst op het bleeke gezicht van den gevangene. Het was Jacob, of er een spottende glimlach zweefde op de dunne lippen van den Dominicaan, maar bij het onzekere, flikkerende licht kon hij zich gemakkelijk vergissen.
De godsdienstoefening was eindelijk afgeloopen. Zoo hunne binnenkomst die niet had doen staken, zij waren toch niet onopgemerkt gebleven. De oudsten der aanwezigen traden met den predikant op hen toe, en vraagden naar hun wedervaren. Weldra was het gesprek levendig en algemeen. Dat men zou trachten de gevangenen te bevrijden stond vast; ’t was maar de vraag, hoe dit zou geschieden. Er waren er, die aan Jacob het bevel over de onderneming wilden opdragen, omdat hij een officiersrang had bekleed in het leger van Thoulouse, maar deze was zoo wijs, voor de eer te bedanken. Een onderneming als deze moest aan een man van meer ervaring worden opgedragen. Eindelijk werd besloten, dat Pieter de Welle de aanvoerder zou zijn.
Terwijl eenige vrouwen werden uitgezonden om voor de nieuwaangekomenen brood, spek en bier te halen, trad de predikant op Jacob Martens toe.
—„Ik geloof, dat ik u nog eenmaal heb ontmoet, jonker,” zeide hij, Jacob scherp aanziende.
Inderdaad had Jacob reeds geruimen tijd den indruk, dat hij het bleeke gelaat van den kreupele en zijn donkere dweperoogen meer had gezien.
—„Ik weet het!” riep hij plotseling. „Gij, waart er bij, toen verleden jaar de Doopersche werd verdronken.”
Jan Machielsz knikte.
—„’t Is nu een jaar geleden, dat de arme Aegte Jansdochter den martelaarsdood stierf om hare goede belijdenis. Wèl was zij, evenals ik in die dagen, bevangen in Doopersche dolingen, doch ik geloove vastelijk, dat de Heer hare ziele in genade zal hebben aangenomen.”
—„Ja,” ging de kreupele voort op Jacobs vragenden blik, „ik was toen nog onkundig van de waarachtige, gezuiverde religie, van de zuivere leer, zooals die ons uit Genève is verkondigd door den godzaligen Calvinus en zijn leerling Beza. Ik was als een Apollos, de Schrift kennende, maar die niet verstaande, maar de Eerwaarde Dathenus was voor mij als Aquila en Priscilla en hij leide mij den weg Gods bescheidenlijker uit. Sinds werd ik door het Consistorie toegelaten als leeraar der Kerke in de verstrooiing en ik trek rond van schuilhoek tot schuilhoek, om de schaapkens Christi het Woord Gods te brengen en ook, als het zijn moet, met hen het zwaard te trekken en hen te leiden in den strijd tegen de onbesnedenen van harte, de Papisten en hun aanhang.”
Jacob keek naar het bleeke, strakke gelaat en de donkere oogen, die gloeiden van somber vuur, en hij begreep, hoe deze prediker in de woestijn, door het lijden en de vervolging verbitterd, er toe kwam om, liever dan de troost des Evangelies, de wrake Gods te prediken.
Ondertusschen hadden de vrouwen op een paar op vaatjes gelegde planken een eenvoudig avondmaal gereed gezet. Jacob maakte zich gereed om met den predikant, de Welle en de oudsten der kleine kolonie aan te zitten, toen zijn oog op den monnik viel, die met zijn blikken de spijzen verslond.
—„De man heeft honger! Heeft hij niets te eten gehad sinds van morgen?” vraagde hij.
—„Wij hebben ’t hier zelf niet te breed! Wij hebben geen brood en bier voor zulk ongedierte!” zei een der Geuzen norsch.
—„De Papist is het vasten gewoon!” spotte een ander.
—„Hij zal gauw geen honger of dorst meer hebben. Ik denk, dat Daniël hem heeft bewaard voor het nagerecht!” meende een ander.
—„Daniël zal geen weerlooze moorden!” zeide Jacob. „Geef den monnik te eten, mannen! Uit barmhartigheid!”
—„Een weerlooze moorden? Barmhartigheid met dien Philistijn?”
Het was de kreupele predikant, die gesproken had. Zijn kleine, tengere gestalte scheen te groeien, nu hij opstond en met fonkelende oogen de hand uitstrekte naar den Dominicaan.
—„Barmhartigheid met een bloedhond van de Inquisitie? Met een dienaar van Titelman?” ging hij voort met snijdende stem. „Weet gij, wat gij zegt, jonker?”
„Is niet de schoolmeester Geleijn de Muler, van Oudenaarde, geworgd en verbrand, omdat hij den bijbel las?”
„Is niet Thomas Calberg, van Doornik, levend verbrand, omdat hij uit een verboden boek een paar godvruchtige liedekens had overgeschreven?”
„Is niet Wouter Kapel, van Dixmuyden, een godvreezend man en weldoener der armen, wegens ketterije verbrand?”
„En is niet Robert Ogier met zijn vrouw en zijne twee zonen te Rijssel verbrand, omdat zij niet ter misse gingen, maar in hun huis den Heere God baden en zijn Woord lazen?”
„Dat hebben de bloedige Titelman en de zijnen gedaan! En gij spreekt van mededoogen en barmhartigheid met dezen vijand van Gods volk? Zie toe, dat het u niet ga als Saul, den zoon van Kis, die Agag, den Amalekiet, spaarde, toen hij hem moest verbannen van voor het aangezicht des Heeren!”
—„Ook onze Heere Christus bad voor zijn moordenaren!” zeide Jacob onverschrokken.
Hij begreep den haat en de verbittering dier mannen; soms voelde hij die zelf smeulen in zijn borst. Hij wist, dat Jan Machielsz de waarheid had gesproken. Maar hij wilde strijden tegen die onheilige wraakzucht en doen als zijn bijbel hem leerde. Zonder verlof te vragen nam hij een kroes bier en bracht dien aan de lippen van den monnik. De man dronk gretig.
Er ging een gemompel van afkeuring op onder de Geuzen en men hoorde hier en daar de opmerking maken, „dat Daniël er nu maar een eind aan moest maken.”
—„Daniël!” riep Jacob, „wat wilt gij met hem doen?”
—„Hem houden, jonker, tot wij weten, hoe ’t met Mieke gaat. Kunnen wij haar verlossen, dan—zullen wij zien. Maar valt zij in Titelman’s klauwen,—wat zij haar doen, dat zal ik met dezen paap doen, zoo waarachtig helpe mij God!”
—„En zoo doe mij God en zoo doe Hij daartoe, als wij allen u niet daarin bijstaan!” zei Jan Machielsz.
—„Goed! Het mag zijn!” zei Jacob, „maar maak den monnik nu los en geef hem eten en drinken. Wij behoeven van de Inquisitie geen wreedheid te leeren.”
Een oogenblik aarzelde de strooper.
—„Je zult je zin hebben, jonker,” zei hij eindelijk. „Je hebt vandaag veel voor Mieke gewaagd en dat vergeet ik niet. Maar wat je om dien vermaledijden paap geeft, begrijp ik niet.”
Door Daniël geholpen, maakte Jacob thans den monnik los van den paal en liet hem op een der ruwe banken nederzitten. Het duurde eenigen tijd, voor de gevangene het gebruik van zijn armen terugkreeg. Toen viel hij aan op het brood en het bier, dat men hem voorzette en at en dronk gulzig, maar zonder een woord van dank. Zoodra hij verzadigd was, leunde hij het hoofd in de handen, en scheen in te slapen. Op de enkele vragen, die men hem deed, gaf hij geen antwoord.
Daniël haalde gemelijk de schouders op. Zijne makkers hadden onder een afkeurend gemompel aangezien, dat de gevangene werd losgemaakt en klaarblijkelijk gaf hij hun in zijn hart gelijk. Om er zich althans van te verzekeren, dat zijn prooi hem niet zou ontsnappen, bond hij hem de voeten weder en bevestigde het touw aan een ijzeren ring in den wand.
Toen alles voor den volgenden dag was bepaald, scheidde men. Het bleek Jacob, dat er, behalve de schuur, waarin zij zich bevonden, nog eenige hutten op het eiland waren, dat de vluchtelingen tot schuilplaats diende. Voor hem en zijne metgezellen werden bossen stroo gebracht, waarvan spoedig een goed nachtleger werd gespreid. Voor men zich ter ruste legde, zag Jacob hoe de Dominicaan weder stevig werd gebonden. Men gaf ook hem echter wat stroo, om op te slapen.
Den volgenden morgen was alles in de kolonie der vluchtelingen druk in de weer.
Na een korte morgengodsdienstoefening gingen allen aan den arbeid. Eenige mannen en vrouwen verlieten het eiland en gingen in verschillende richtingen het bosch in of langs de smalle paden, die door het veen liepen. Zij moesten de vluchtelingen van levensmiddelen voorzien. Jan Machielsz verklaarde Jacob, dat dit op verschillende wijzen geschiedde. Sommigen gingen wild stroopen in het bosch, anderen kregen bij geloofsgenooten giften van veldvruchten, eieren en vleesch, terwijl er ook waren, die zich niet ontzagen, de hoeven der kloosters te plunderen en het vee te rooven.
Een ander deel der mannen hield zich bezig met het in orde brengen van hunne wapenen, die nog dienzelfden avond dienst zouden moeten doen. Sommigen, die vluchtelingen waren van Watrelos en Austruweel, hadden de hunne medegebracht. Men zag tenminste in het kamp eenige korte handbussen en een paar pieken. Er waren leden van de schuttersgilden, die hunne handbogen en armborsten nazagen of pijlen en bouten maakten. De meeste Geuzen waren echter gewapend met recht op den stok gesmede zeisen, een verschrikkelijk wapen in krachtige handen, dat zij thans ijverig slepen en wetten.
Er was zelfs blijkbaar een klein arsenaal aanwezig, want men bood terstond aan, Jacob van wapenen te voorzien. Hij kreeg een zeer goeden degen en een paar pistolen: zware, lompe vuurwapenen met lontsloten, die, als zij eenmaal waren afgeschoten, niet zoo spoedig weer te laden waren, maar die toch in een gevecht van man tegen man nuttig konden zijn. De Welle weigerde elk ander wapen, dan een zware „gepinde kodde”, de met stalen punten bezette knots, waaraan hij gewoon was.
Tegen den middag werd er een korte krijgsraad belegd, waaraan alle weerbare mannen deelnamen. De holle weg in het bosch bij Langem, dezelfde plaats, die door Daniël was aangewezen als geschikt voor een hinderlaag, werd gekozen om het plan ten uitvoer te brengen. Men kon die plek, dwars door de bosschen heen, onopgemerkt bereiken, en als men de gevangenen eenmaal bevrijd had, kon men met alle pogingen tot vervolging spotten, want op de donkere boschpaden, die de Geuzen zoo uitstekend kenden, zou men hen nimmer durven volgen.
Het zou donker zijn, als de huifkar op de bepaalde plaats aankwam en men moest zeker zijn van zijn slag. Daarom zond de Welle een paar jonge lieden met eenige bossen stroo vooruit. Zij moesten droge takken sprokkelen en daarvan, tegen het vallen van den avond aan den kant van den weg een mutsaard maken om en over het stroo. Zóó zou men, op het gewenschte oogenblik, een helder brandend vuur kunnen ontsteken, dat voldoende licht zou verspreiden.
Te vijf uren begaf men zich op weg. Jan Machielsz had allen, die aan den tocht deelnamen, in de schuur, die het middelpunt was der kleine kolonie, verzameld en Gods zegen op de onderneming afgesmeekt. Een traan biggelde langs de gerimpelde wangen van Pieter de Welle, toen de predikant zijn Mieke aan God opdroeg, bij Wien veel verlossing was, en Hem smeekte, de onschuldigen te rukken uit de klauwen van den wreeden Titelman. Ook Daniël had ontroerd het hoofd gebogen.
Niemand lette op den monnik, die nog altijd gebonden in de schuur lag en wiens armen slechts werden losgemaakt, als men hem eten en drinken bracht. Niemand zag, hoe hij met half gesloten oogen loerde naar den biddenden predikant en de forsche, gewapende mannen, die ontroerd naar zijne woorden luisterden.
Na het gebed begaven zich allen op weg, ook Jan Machielsz, die niet in het kamp had willen blijven. De plaats, waar men zich in hinderlaag zou leggen, was ongeveer twee uren van de kolonie verwijderd. Alle weerbare mannen gingen mede, want voor een aanval op het kamp behoefde men niet te vreezen: er waren geen soldaten in de buurt gelegerd en de afgelegen plek was slechts aan weinigen bekend, en die weinigen—eenvoudige lieden, die in het bosch of het veen woonden—waren vrienden van de vluchtelingen, en zouden hen niet verraden.
De bewaking van het kamp was opgedragen aan Peerke, een stevigen kerel uit Diest, die te Watrelos een kogelwond in het been had gekregen, welke nog niet geheel genezen was. Voor lange tochten was hij ongeschikt en hij moest zich dus met den post van portier tevreden stellen, dien hij al grommende waarnam.
Nu was Peerke een trouw makker, op wien men in alle opzichten kon rekenen, zoolang hij niet in de buurt van een kanne biers was. Jan Machielsz en Daniël wisten dat zeer goed; maar daar er op dat oogenblik op het eiland niets was dan een ton dun bier, die men van een brouwer te Diest had gekregen, meenden zij van dien kant veilig te zijn: aan dat dunne, scherpe vocht zou Peerke zich zeker niet bedrinken. Wat de aanvoerders echter niet wisten, was, dat Peerke van een van de Geuzen, die geholpen had bij de plundering van een klooster, een vaatje zoete malvesye had gekocht, dat hij zorgvuldig in den grond had begraven, met de bedoeling er zich te gelegener tijd eens rustig aan te goed te doen.
Die gelegen tijd scheen Peerke thans gekomen. Het zou uren duren, eer de bende haar schuilhoek weder kon bereiken, en hij had dus den tijd aan zich. De vrouwen waren met haar kinderen in de hutten en hij was met den gevangen monnik alleen in de schuur.
Nu was Peerke op zijn manier een man van geweten en hij wou zich niet bedrinken, vóór hij wist, dat alles veilig was. Toen het geluid van de voetstappen zijner makkers was weggestorven, begon hij den monnik stevig de handen op den rug te binden. Daarop nam hij zijn hellebaard en strompelde het eiland om, om zich te overtuigen, dat er inderdaad geen gevaar dreigde. Toen had hij, naar hij meende, zijn plicht volbracht; hij groef het kostbaar vaatje op en torste het naar de schuur, sloeg de stop uit het spongat en terwijl hij met welgevallen den geur van den wijn opsnoof, verzekerde hij den monnik, dat dit nu een patersvaatje was, dat hij, Peerke, op de gezondheid van den paus en van alle papen zou gaan leegdrinken.
Toen nam hij zijn tinnen kroes, zette zich in een gemakkelijke houding bij de ruw opgemetselde schouw en begon met lange teugen te drinken, terwijl hij van tijd tot tijd ophield, om zijn gevangene mede te deelen, dat het kostelijk smaakte en dat de paters wel wisten, wat goed was.
De monnik zat roerloos, met gesloten oogen, tegen den paal geleund, waar Peerke hem had neergekwakt. Hij gaf geen enkel teeken, dat hij de spotternijen van den Geus verstond.
Maar de krachtige wijn bleek te sterk voor het hoofd van Peerke, die slechts aan het zware, Vlaamsche bier gewend was. Weldra werd hij bijzonder vroolijk; hij begon te zingen: een zonderling mengelmoes van psalmen en luchtige liedjes en hij werd eindelijk zoo welgemutst, dat hij een kroes van den wijn nam en daarmee op den monnik toewaggelde.
—„Ik breng ’t je, paap,” zei hij met dubbelslaande tong. „Jij kunt het ook niet helpen, dat je een papist bent.”
De monnik had even het hoofd omgewend, maar hij bedacht zich en dronk met gretige teugen.
—„Dat smaakt anders dan slootwater, hè?” zei Peerke. „Weet je wat?” ging hij voort, op goedigen dronkemanstoon, „je moet niet teruggaan naar dat vermaledijde klooster. Als je tegen de jongens zegt, dat je geen papist meer wilt zijn, dan zullen ze je losmaken en dan kon je bij ons een goed leven hebben. Dan zal ik een sneege deern voor je opschommelen, en Jan Machielsz zal jelui trouwen. Dat is beter voor een flinken borst.”
De Dominicaan antwoordde niet.
—„Je bent een stuursche compaan,” zei Peerke boos, „en je laat mij maar alleen kallen. Ik krijg weer dorst, maar jij krijgt niets meer, als je niet praten wilt.”
Hij waggelde weer naar zijn vaatje en vulde zijn kroes. Hij werd steeds luidruchtiger en zijn goede luim van zooeven was weldra geheel voorbij. Hij werd twistziek en eischte, dat de monnik met hem mee zou zingen.
—„Komaan, paap,” schreeuwde hij; „dat ’s je voor en als ze je niet meezingt, sla ik je de ribben kapot. Komaan!”
„Wie wil hooren een nieu liet!
„Luystert toe, ik salt u singen,
„Wat daer t’ Antwerpen is gesciet.”
—„Je, je z... zingt niet mee, verdoemde paap? Wacht, ik z... zal je l... leeren!”
Hij stond op, maar struikelde over het vaatje en viel met een slag op den grond. Een paar malen beproefde hij op te staan, maar tevergeefs; zijn schelden werd een onverstaanbaar gemompel en weldra bewees een zwaar gesnork, dat de dronkaard zijn roes uitsliep.
Nu kwam er beweging in de roerlooze gestalte van den monnik. Zijn felle zwarte oogen keken schichtig rond en vlogen toen van den slaper naar het vuur.
Loopen kon hij niet, want zijne voeten waren stijf bijeengebonden, maar hij liet zich op zijne zijde vallen, wentelde zich om en om en rolde zoo naar het vuur. Hij koos een plek uit, waar een groote turf geheel was doorgebrand, toen draaide hij zich nogmaals om, met den rug naar den vuurhaard, en, achteruitschuivende, hield hij zonder aarzelen zijn gebonden handen tegen het brandende stuk veen. De reuk van het brandende touw, gepaard met een afschuwelijken stank van het geschroeide vel en vleesch vervulde de schuur. De monnik was vaalbleek; het angstzweet parelde op zijn voorhoofd en hij liet een dof gekreun hooren, maar hij liet niet af, al klemde hij de dunne lippen tusschen de tanden, om het niet uit te brullen van de pijn.
Nog een oogenblik en met inspanning van alle krachten rukte de monnik het half doorgebrande touw los en wikkelde haastig de smeulende einden van zijn polsen. Kreunend bleef hij liggen, terwijl hij de armen langzaam heen en weer bewoog, om den bloedsomloop te herstellen. De rest was gemakkelijk. Het zakmes van Peerke stak in de lederen scheede uit den zak van den wijden broek en was binnen het bereik van de hand van den monnik. In een oogenblik had hij het touw doorgesneden, waarmede zijne voeten waren geboeid. Zijn eerste werk was nu naar de deur der schuur te strompelen, en die te sluiten met den zwaren boom, zoodat hij niet kon worden overvallen. Toen liep hij langzaam heen en weder, tot ook zijn beenen weer hun vroegere kracht en lenigheid hadden terug gekregen en ondertusschen verslond hij gretig het brood en het spek, dat voor het avondeten van zijn bewaker was bestemd, en dronk nog eenige teugen van den krachtigen wijn. Hij doopte een paar lappen in een pot met melk, dien hij vond, en wikkelde die om zijn verschroeide polsen. Toen was hij gereed om te vluchten.
Hij ging naar Peerke en nam het mes, dat hij had laten liggen. Een oogenblik stond hij besluiteloos bij den snorkenden dronkaard. Het mes trilde in zijne hand en een wreede, woeste trek kwam op het bleeke gezicht. Daar viel zijn oog op den kroes, dien de slaper hem goedhartig had toegereikt en het strakke gezicht werd zachter.
—„Libera nos a malo!”1 prevelde de monnik, terwijl hij het mes wegstak.
Hij ging naar de deur, nam den boom weg en tuurde even voorzichtig naar buiten. Toen liep hij vastbesloten het smalle pad af, dat van de schuur naar de gracht voerde. Een paar kinderen, die hij tegenkwam, gingen schreeuwend op de vlucht.
De monnik snelde voort. Achter zich hoorde hij de schelle stemmen der vrouwen en hij begreep, dat hij zich moest haasten. De knuisten dier kloeke Vlaamsche wijven waren niet te verachten en zij waren zeer wel in staat, hem tegen te houden. Hij kwam aan de breede gracht. Zonder te aarzelen sprong hij in het water en met een paar slagen had hij den overkant bereikt. Toen, zonder zich om de scheldwoorden der hem vervolgende vrouwen te bekommeren, sloeg hij den weg in, die de uitgetrokken bende had genomen, wier breed spoor gemakkelijk te volgen was. Zoo kwam hij veilig door het moeras. Hij was doornat en rilde van de koude in de vochtige voorjaarslucht, doch hij draafde verder, steeds het spoor der Geuzen volgende, tot hij in de verte de hooge boomen zag, die langs den karreweg naar Poperingen stonden. Toen sloeg hij rechtsaf en springend en soms wadend door de plassen van den broekigen grond bereikte hij den weg. Eenige oogenblikken rustte hij uit, om op adem te komen en zijn doornatte kleederen zoo goed mogelijk uit te wringen. Toen stapte hij ijlings voort in de richting van de stad.
Intusschen was de bende, onder aanvoering van de Welle en Daniël Tistz op de plaats aangekomen, waar men, volgens afspraak, de gevangenen met hun geleide zou opwachten. De jongens, die vooruitgezonden waren, hadden niets verdachts bespeurd. Zij hadden zich ijverig geweerd: aan beide kanten van den hollen weg hadden zij een mutsaard gemaakt van stroo en droge takken, die in een oogenblik kon worden aangestoken.
De Welle en Daniël begonnen nu hunne mannen hun posten aan te wijzen. Twee handbusschutters werden met smeulende lonten bij de mijten geplaatst, met den last om die, op een bepaald sein, aan te steken. De andere Geuzen, die met bussen, handbogen en armborsten gewapend waren, werden op de hellingen ter weerszijden van den hollen weg verdekt opgesteld, om de hellebaardiers van het escorte in bedwang te houden, terwijl de met pieken en zeisen gewapenden zich in twee partijen verdeelden, en post vatten in de laagte, waar zij zich in greppels en achter boomen verscholen. De bedoeling was om den wagen aan te houden in het laagste gedeelte van den hollen weg, waar de paarden moeite zouden hebben, de zware huifkar door de modder te trekken. Bij het licht der ontstoken houtvuren zou men de bewakers achteruitdringen en ontwapenen. Wie zich verzette, zou worden neergestooten. Dan zou men de gevangenen bevrijden en met hen, langs de welbekende sluipwegen, vluchten naar den schuilhoek der Geuzen, aan den boschrand, waar men voorloopig in veiligheid zou zijn. Dan wilde de Welle met zijn dochter uitwijken naar Engeland en Jacob had besloten, hem te vergezellen.
Een oogenblik was het rumoerig geweest in het bosch, toen de Geuzen hunne posten bezetten, maar weldra was alles stil, want de leiders hadden hun mannen de grootste omzichtigheid aanbevolen. Schildwachten waren uitgezet aan beide zijden van het pad, hoewel men geen verraad te duchten had, en een paar kloeke jongens waren een eind den weg op gezonden, om de nadering van den wagen te berichten.
Jacob stond met de Welle en Daniël Tistz dicht bij een der mutsaarden. Het was reeds zeer donker, want de lucht was nog steeds betrokken. Men zag maan noch sterren heenschemeren door het jonge lentegroen der boomen. ’t Was stil in het bosch. Men hoorde niets dan dat eigenaardig murmelen van den wind in de boomtoppen, de eigen stem der wouden, die de stilte nog schijnt te vermeerderen. Het naargeestig krassen van een boschuil klonk uit de takken boven hun hoofd.
—„Een kwaad voorteeken,” mompelde hij; „als ik nog een papist was, zou ik een kruis slaan.”
—„Wees stil, ongeluksprofeet!” beet hem de Welle toe, die zenuwachtiger werd, naarmate het oogenblik naderde, waarop men den wagen kon verwachten, en die ongeduldig heen en weer liep. Ook Jacob had moeite rustig te blijven; telkens meende hij eenig gerucht te hooren op den weg, het kraken der raderen of het klappen van de zweep en dan betastte hij zenuwachtig de kolf van zijn pistolen. De angst van de Welle en de gedachte aan het lot, dat de arme Mieke te wachten stond, als het opzet mislukte, misten ook op hem hunne uitwerking niet.
Het was nu zeer donker. Hier en daar zag men een vurig punt: de smeulende lont van een busschieter. Jacob kon de gestalte van Daniël, die toch vlak naast hem stond, nauwelijks onderscheiden.
Plotseling boog de strooper zich voorover en luisterde aandachtig. Zijn geoefend oor had iets vernomen, dat Jacob was ontgaan. Een oogenblik later hoorde men haastige voetstappen.
—„Hier!” riep de Welle.
Een gedaante dook uit de duisternis op; ’t was een van de jongens, die als spionnen waren uitgezonden. Hijgend vertelde de knaap, dat de wagen er aankwam.
—„Zijn er soldaten bij, jongen?” vraagde de Welle.
—„Veel!” verzekerde de knaap, „wel vijftig!”
—„Onmogelijk!” zei Daniël ongeloovig. „Je hebt ze niet kunnen tellen, Tist. ’t Is te donker!”
Neen, geteld had de knaap ze niet. Maar hij was den wagen tegemoet geloopen tot buiten het dorp, waar geen boomen stonden en daar was het zoo donker niet. Hij was zeker, dat er een groot aantal soldaten, vijftig of zestig wel, bij de kar waren.
—„De jongen is gek,” meende de strooper. „Waar zou de schout van Poperingen opeens zooveel soldaten vandaan halen?”
—„Je hebt je toch niet vergist, jonker?” vraagde de Welle met een licht trillende stem.
—„Zeker niet,” antwoordde Jacob. „Die schoutendienaar sprak van een twaalftal hellebaardiers. Meer waren er niet!”
—„Ik begrijp het niet,” zei de oude boschwachter heesch. „Als die jongen gelijk heeft...”
Hij voltooide zijn zin niet en ook de beide anderen zeiden niets. Zij wisten, wat hij bedoelde: hun geheele bende was slechts een twintigtal mannen sterk.
Maar nu hoorde men flauw in de verte de klets van de zweep van den voerman. Een zacht fluiten, dat hier en daar herhaald werd, gaf aan de in hinderlaag liggende Geuzen het teeken, om zich gereed te houden.
Het kraken van de wielen van de huifkar, het klotsen van zware voetstappen, het kletteren van wapenen, eerst flauw, dan duidelijker en duidelijker aankomend door het donkere bosch. Op den weg een flikkerend licht, op en neer dansend, zwaaiend en schokkend: de lantaarn van de kar, die aan den disselboom opgehangen, den weg voor het tweespan verlichtte.
Het beslissend oogenblik was daar.
In ademlooze spanning zag Jacob het zwaaiende licht nader en nader komen, en, terwijl hij staarde, meende hij op de hellingen boven zich een onverklaarbaar gedruisch te hooren, het kraken van takken, het ritselen van dorre blaren. Een paar nachtvogels vlogen krijschend op.
Hij had geen tijd, om zich rekenschap te geven van die geheimzinnige geluiden, want de wagen had nu het laagste punt van den weg bereikt en de pooten der paarden klotsten in het modderige water. De Welle bracht den koehoorn, die aan een koord om zijn hals hing, aan den mond en het holle geluid klonk door het bosch. Een rood vlammetje verscheen aan den kant, waar de mutsaard stond. Het droge stroo vatte vuur; roode en gele vlammen lekten naar boven en een rossige gloed verlichtte de donkere stammen en wierp zijn schijnsel op den wagen en de mannen, die hem begeleidden.
—„Vive le Geus!” klonk het uit twintig schorre kelen en een troep mannen, met pieken en omgesmede zeisen gewapend, sprong van achter de boomen te voorschijn en versperde den weg.
Maar wat was dat?
Een zware losbranding op de helling boven hen, donderend voortrollend door de boschlanen, nog een—en nog een! Roode vuurtongen, uitschietende uit de duisternis—en een paar van de schutters der Geuzen, die, door den gloed der opvlammende houtmijten beschenen, een voortreffelijk mikpunt aanboden, zonken ineen. Op den weg klonk een luid commando en de verbijsterde aanvoerders zagen een half vendel soldaten, die zich in goede orde met gevelde pieken om den wagen schaarden.
—„Vive le Roy! Slaet dood de Geuzen!” klonk het uitdagend.
Het toeval was den monnik gunstig geweest. Hij had niet alleen den wagen met zijn escorte kunnen ophouden, maar hij had ook een half vendel van het voetvolk van Egmond ontmoet, dat zich van Rijssel naar zijne kwartieren in Zeeuwsch-Vlaanderen begaf. Toen de jonge luitenant, die den troep commandeerde, hoorde wat er gaande was, had hij niet alleen terstond aangeboden, den wagen met de gevangenen veilig naar Rousselaere te geleiden, maar hij had zelfs een plan gemaakt, om de Geuzen in hun eigen strik te vangen, en hun een geduchten slag toe te brengen.
De monnik had goed geluisterd. Hij kende het plan, want men had het in zijn bijzijn besproken, en niemand had er aan gedacht, zich in acht te nemen voor den hulpeloozen gevangene. De schoutendienaars uit Poperingen kenden de plek, door den Dominicaner beschreven, en de luitenant had de zes arquebusiers, die zich bij zijn troep bevonden, de helling doen beklimmen, zoodat zij op het beslissende oogenblik met hun vuurroeren de aanvallers in den rug konden bestoken.
Eén oogenblik stond de Welle het tooneel beneden hem met verwilderden blik aan te staren. Hij werd door het volle licht van een der mutsaards beschenen en een kogel snorde hem langs het hoofd, uit een der Spaansche vuurroeren. Maar de gevangenen in den wagen konden hem daar ook zien en herkennen. Een schreeuw klonk van de kar, de huik van een der ineengedoken gestalten viel af en Mieke stond rechtop, met uitgestrekte armen, naast den voerman.
—„Vader!” gilde zij; „vader! hulp!”...
Het meisje maakte een beweging, als wilde zij van de kar springen, maar een donkere gedaante kwam achter uit den wagen te voorschijn, een lange, magere arm werd om haar heen geslagen, en dwong haar terug op haar bank. Een bleek, vertrokken gezicht keek hoonlachend op naar de Geuzen.
—„Hel en verdoemenis! De monnik!” siste Daniël. „Wacht, Judas!”
Met een ruk had hij den armborst aan den schouder, de pees klonk, en met een bout in de keel tuimelde de monnik achterover. Niemand dan de schutterkoning van Poperingen had, bij dit onzekere licht, het schot kunnen wagen, zonder gevaar te loopen het jonge meisje te treffen.
Maar de hulpschreeuw van zijn dochter had de Welle gewekt uit zijn verbijstering, die hem een oogenblik had doen weifelen, toen hij zich zoo onverwachts geplaatst zag tegenover een zoo geduchte overmacht.
—„Vive le Geus! Slaet dood!” schreeuwde hij, en door Jacob en Daniël gevolgd, sprong hij in den hollen weg, om zich aan het hoofd der zijnen te stellen.
En nu volgde er een verwoed gevecht. De soldaten namen den wagen in hun midden en maakten met gevelde speren front tegen de aanvallers, terwijl de Geuzen hen van twee kanten bestookten, en door verwoede aanvallen trachtten door hunne gelederen heen te breken.
Het woeste geschreeuw der vechtende mannen, het wapengekletter, soms overstemd door den doffen knal van een pistool of een bus, het gegil en geschrei der gevangen vrouwen en het kermen der gekwetsten, vervulden het bosch met een woest rumoer.
Zonder orde, maar met woeste dapperheid, drongen de Geuzen telkens weder op en trachtten den wagen te bereiken, maar telkens werden zij teruggeslagen, terwijl de musketiers, op de hellingen geposteerd, hunne vuurwapenen weder hadden geladen en door eene onverwachte losbranding een paar der aanvallers buiten gevecht stelden.
De strijd in den hollen weg was kort maar hevig, en de uitslag kon niet twijfelachtig zijn. De Geuzen werden teruggedrongen; een achttal hunner was dood of gewond.
Daar zonk de Welle, die in de voorste rij met den moed der wanhoop had gevochten en met zijn gepinde kodde reeds drie soldaten had neergeveld, door een kogel getroffen, neer. Op het gezicht van den val van hun aanvoerder, ontzonk den Geuzen de moed. Zij deinsden achteruit.
—„De gewonden, mannen! Neemt de gewonden mee!” riep Jacob Martens, die begreep, dat de aanslag mislukt was.
Een paar zeisdragers volgden hem, en, met hunne wapens zwaaiende, maakten zij een oogenblik ruim baan. De Welle en nog twee anderen werden haastig opgenomen en weggedragen. Toen vluchtten de Geuzen en waren weldra buiten het schijnsel der vlammen en in het donkere bosch, waar zij alle paden kenden en waar de soldaten hen niet durfden volgen.
Allen waren gevlucht, behalve Daniël. Even buiten den lichtkring, half verborgen achter een beukenstam, stond de strooper en staarde naar de huifkar, waar een paar der stadshellebaardiers zich thans bezig hielden met het lijk van den monnik, die tusschen de verschrikte gevangenen was neergezegen. Op de voorste bank zat Mieke. Toen zij de Welle had zien vallen, had zij een gil gegeven. Thans keek zij met strakke, wanhopige blikken naar het donkere geboomte, waarin zij hem had zien wegdragen.
Een siddering ging door het lichaam van den strooper.
Wild keek hij om zich heen. Achter zich hoorde hij de stemmen der aftrekkende Geuzen, die hem toeriepen te vluchten. Vóór zich zag hij de huifkar, waar thans de soldaten zich om verdrongen, die zoo goed mogelijk hun gewonde makkers verzorgden, en het doodsbleeke meisje, dat hij en zijn makkers aan haar lot moesten overlaten—Mieke in de handen van Titelman!
Vaster omklemde Daniël zijn gespannen armborst, er kwam een woeste blik in zijn starende oogen en hij klemde de lippen op elkander.
—„Nooit!” steunde hij. „Dan liever...”
Hij bracht den kruisboog aan den schouder.
—„Mieke!” schreeuwde hij. Het meisje zag om.
Het staal van den armborst klonk. Met een flauwen kreet, dwars door het hoofd geschoten, zonk Mieke achterover.
Een paar soldaten, die den schreeuw hadden gehoord, drongen het bosch in, maar zij hoorden slechts een akeligen lach uit het donkere geboomte opklinken.