XII.

West-Vlaanderen sluimert rustig in den stillen zomernacht.

De eindelooze korenvelden golven en ruischen zacht in den nachtwind, de boomgaarden van Dixmuiden wiegen hunne met jong fruit beladen takken, de hopvelden van Poperingen geuren en zwaaien als groetend met hunne lange slingers. De dorpen slapen in het starrelicht, een donkere boomgroep, midden tusschen de velden, wijst de ligging aan van een eenzame hofstede en ver in het Westen, breed langs den duinrand, liggen de zwarte schaduwen der bosschen.

Een kalm, welvarend landschap in ruste! Alleen het geblaf van een werfhond verstoort nu en dan de groote stilte.

Dan wordt de donkere nachthemel in het Westen eensklaps verlicht door een vreemden rossen gloed, dat rosse wordt vlammend rood en vuurtongen lekken door de duisternis. Tegelijk klinkt een schel, dun klokgelui met kort, haastig geklep over de velden, nog eenige oogenblikken en twee, drie kerktorens antwoorden met jammerend noodgelui en van Hondecoeter naar Killem en Oostcappel, van Winnezeele en Oudezeele naar Reynighelst, Lokeren en Kemmele, tot Dracoultre in het Fransche toe kleppen en beieren de klokken en waarschuwen de Roomsche landlieden, maar vooral de geestelijken en kloosterlingen, die niet geborgen zijn binnen de veilige wallen der steden, lijf en goed te bergen in haastige vlucht.

De Wilde Geuzen komen!

In de bosschen en moerassen van West-Vlaanderen hebben zij een veilige schuilplaats gevonden, de vluchtelingen van Austruweel en Watrelos, de Gereformeerden uit Valenciennes en Doornik, die de beulen van Noircarmes ontkomen zijn, allen, die vreezen voor hun vrijheid of hun leven, nu de Regeering heeft gezegevierd en bittere wraak neemt op de overwonnen Geuzen voor de doorgestane angsten. Ze leven er in de open lucht of in inderhaast opgeslagen schuren en loodsen van hetgeen hunne geestverwanten in geheel Vlaanderen en Brabant hun heimelijk doen toekomen, of wat zij de Roomsche bevolking afpersen door vrees of door geweld. Zij hebben hun predikanten en onderhouden zoo goed mogelijk het godsdienstig leven, waaraan zij gehecht zijn. Maar door het ongeregelde, avontuurlijke leven, dat zij leiden, verwilderen zij maar al te ras. Van vervolgden worden zij bloedige vervolgers, de schrik en de vloek van de streek, waar zij huizen.

En het zijn niet alleen vluchtelingen en vervolgden, die zich ophouden in hunne geheime en moeilijk toegankelijke schuilhoeken. Zooals elke groote beweging, heeft ook deze haar zelfkant. Tal van landloopers en vaganten, waaraan de 16e eeuw zoo rijk is, hebben zich onder allerlei voorwendsels bij hen aangesloten en men heeft de vreemde elementen niet altijd kunnen weren. En al spoedig wilde men het niet meer. Naarmate de strooptochten stouter werden, de daden bloediger, werd ook de tegenstand heviger. Er werden door Egmond en Bakkerzeele soldaten gezonden, om de woeste benden, als ’t mogelijk was, uit te roeien en weldra was elk stoutmoedig man, die de wapenen kon voeren, hun welkom, zonder dat men naar zijn verleden of belijdenis vraagde.

De Wilde Geuzen komen!

’t Is een stroop- en plundertocht, zooals ze dien telkens ondernemen, want hun aantal groeit steeds aan, geregelden arbeid hebben zij niet en hetgeen hunne vrienden hun doen toekomen, of wat zij de Roomsche bevolking in de nabijheid hunner schuilplaatsen weten af te dwingen, is dikwijls ontoereikend. Dan moeten de verder gelegen dorpen, vooral de kloosters en geestelijke gestichten, het ontgelden. Ze worden zonder genade geplunderd en in brand gestoken en dikwijls worden de kloosterlingen mishandeld en vermoord. Want een woeste haat tegen de Roomsche geestelijkheid vooral bezielt hen en menig onschuldige moet boeten voor Noircarmes’ wreedheid te Valenciennes.

En daarom klinkt het noodgeklep der dorpsklokken over de velden, waarschuwend al wie hun wrake te vreezen heeft.

De Wilde Geuzen komen!

Ze zijn hun tocht begonnen met het overvallen van de hoeve van een rijken, Roomschen boer, die meende hen te kunnen trotseeren. Ze hebben het huis geplunderd en in brand gestoken, het vee door de vrouwen en jongens laten wegdrijven naar hunne schuilhoeken en den huisman en zijn van angst sidderend gezin, onder woeste spotternij het veld in gejaagd, „om hulp te gaan zoeken bij zijne Santen”, zooals zij hem najouwen. Thans gaat het verder, dieper landwaarts in. Reeds hebben ze, weinige weken te voren, de dorpen Herzeele en Houtkerke overvallen en er de kerken verwoest en in brand gestoken. Thans geldt het Oostcappel.

De Wilde Geuzen komen!

Snel rukken zij voort bij het licht van enkele toortsen en pekkransen, want in hun onverwachten overval, hun snelle bewegingen schuilt hun kracht. Een gedeelte, de kern van den troep, bewaart een soort ruwe, militaire marschorde. Zij hebben aanvoerders, die zij erkennen en gehoorzamen en zijn onderworpen aan een zekere krijgstucht. Dat zijn de vluchtelingen uit het Geuzenleger en de Gereformeerden, uitgewekenen uit de door de troepen der Regeering verwoeste steden.

Maar met hen mede, in den tros van den troep, trekken een aantal havelooze en verwilderde gestalten, die doen wat goed is in hun oogen en wier bandeloosheid de beter gezinden niet kunnen bedwingen of misschien maar al te gemakkelijk verontschuldigen. Allen zijn gewapend, maar ieder heeft zich van een wapen voorzien, zoo goed hij kon. De vluchtelingen uit het Geuzenleger hebben hunne hand- en haakbussen, hunne pieken en rapieren, de jagers en boschwachters hunne armborsten en kodden, maar anderen dragen rechtgesmede zeisen, hooi- en mestvorken, zware knuppels met ijzeren pinnen, bijlen en messen, dorschvlegels—het vreedzaam gerei van den landbouw wordt tot moordwapen in de handen der wanhopende, verwilderde benden.

Achter hen volgt een wagen, met een paar kloeke Vlaamsche paarden bespannen. Die zal straks dienen om den buit mee te voeren, den mondvoorraad, waaraan de ballingen behoefte hebben, ook de gewonden, indien er tegenstand mocht worden geboden. Thans dient hij tot vervoer van een, dien niets kon weerhouden om aan den strooptocht deel te nemen, maar wiens zwak lichaam den snellen marsch der Geuzen niet kon volgen.

’t Is Jan Machielsz, de kreupele predikant.

Sinds hij predikte in ’t Spaansche Dal bij Poperingen is er veel met hem gebeurd. Van Bakkerzeele, Egmont’s stadhouder, had gedaan wat hij kon, om de deelnemers aan den stouten aanslag in den hollen weg naar Poperingen in handen te krijgen, en de Geuzen, die zich in hun schuilhoek niet veilig achtten, hadden zich naar alle richtingen verstrooid. Verscheidenen waren uitgeweken naar Engeland en hun broeders in de visschersdorpen langs de kust hadden hen gaarne de behulpzame hand geboden om te vluchten. Ook Jan Machielsz was door een Duinkerker visscher in Engeland aan wal gezet. Hij had er kennis gemaakt met andere ballingen, die veilig waren in het vreemde land en er hun God konden dienen naar hun geweten, maar die toch terug hunkerden naar het schoone, bloeiende Vlaanderen, naar hunne vrienden en magen, die zij er hadden moeten achterlaten. En er waren geestdrijvers onder, die gaarne luisterden naar de gloeiende woorden van den kreupelen prediker, voor hen de taal van een vast en krachtig geloof. „Zou de arm des Heeren verkort zijn?” „Was het niet in de hand van den Heer der heirscharen, verlossing te geven door de hand van velen of weinigen?” „Had niet Gideon met een handvol volks het leger der Midianieten verslagen?” Zoo sprak Jan Machielsz, en zijne hoorders, mannen met bleeke, vastberaden gezichten, stemden er mee in. Zoo God vóór hen was, wie zou tegen hen zijn? En zij hadden zich heimelijk gewapend, een vijftigtal slechts en in twee visschersbooten waren zij de zee overgestoken en, in West-Vlaanderen geland, waren zij moedig voortgetrokken, zonder bepaald plan, met de vage bedoeling, Gods volk te verlossen uit de hand der Philistijnen en de ware Kerke te stichten op de puinhoopen der valsche, in de stellige verwachting, dat de Heere met hen zou strijden en hen door een wonder van Zijn machtige hand de zege zou doen behalen.

Zij hadden een paar kerken en kloosters verwoest en in de asch gelegd, toen zij door een vendel van Egmont’s krijgsvolk werden overvallen en verstrooid. Zij, die den dood door het staal of den strop waren ontkomen, waren Jan Machielsz gevolgd naar de ontoegankelijke schuilhoeken in het Zuid-Westen, waar de Wilde Geuzen huisden. De kreupele prediker was er met blijdschap ontvangen, want zijne prediking was naar het hart der wilde gezellen en de man, die eens de martelares een woord van troost en bemoediging had toegeroepen, werd meer en meer de starre dweper, die niet meer wist van het Evangelie der liefde, maar wiens hartstochtelijke predikaties, meestal aan woorden uit het Oude Testament ontleend, aanhitsten tot wraak en verdelging, tot wreede vervolging van priesters en kloosterlingen en tot verwoesting van alle kerken en kloosters in den omtrek.

De besten onder de Boschgeuzen beschouwden hun strijd als de laatste, wanhopige worsteling tegen de zegevierende Regeering, van wie zij geen genade hadden te hopen. Maar de groote meerderheid, weldra aan het avontuurlijke leven gewend, had smaak gekregen in den guerilla-oorlog, dien zij tot nog toe vrijwel straffeloos hadden kunnen voeren en dachten niet aan de toekomst.

Aan het hoofd van de geregeld voortmarcheerende kern van den troep schreed Pieter de Welle met Jacob Martens. Zij waren gedwongen geweest een toevlucht bij de Wilde Geuzen te zoeken, wachtende op den volksopstand, waarop sommigen in die dagen nog hoopten. Spoedig waren zij als aanvoerders bekend, voor zoover de tuchtelooze bende geneigd was, aan eenig gezag te gehoorzamen. De oude boschwachter trok gaarne op aan het hoofd van zijn woeste gezellen. Sinds den dood van zijn dochter behoorde hij tot de ijverige aanhangers van Jan Machielsz. Hij haatte de „papen”, en het „verbannen der Amalekieten”, waartoe de kreupele predikant aanspoorde, scheen den verbitterden man een godgevallig werk. En zoo de door de ballingen gepleegde wreedheden Jacob al tegen de borst stuitten, het ruwe krijgsleven der laatste maanden, de doorgestane ellende en de geheele toon en denkwijze van de omgeving, waarin hij leefde, maakten, dat hij zich spoedig aan de onvermijdelijke gruwelen van den guerilla-krijg begon te gewennen. Dat hij streed voor en met de Geuzen, bij wie hij een schuilplaats had gezocht en gevonden, sprak, naar hij meende, vanzelf. En dikwijls genoeg hadden de ballingen zich te verweren tegen de troepen van den stadhouder, die hun den terugtocht naar hunne schuilplaatsen zochten af te snijden en hun den behaalden buit afhandig wilden maken.

Aan de spits van den troep, dicht achter de Welle en Jacob Martens, liep een der Geuzen, met een stalen armborst en een lang kruismes gewapend, zacht in zichzelf mompelend, alleen. Zijne metgezellen weken bijna allen schuw ter zijde, wanneer zij in zijne nabijheid kwamen. Niemand zou in de magere, gebogen gestalte, met het bleek gelaat, de ingevallen wangen en de groote, strak voor zich uit starende oogen, den vroolijken, luchthartigen Daniël, den koenen wildstrooper, hebben herkend. Na den noodlottigen nacht, toen hij Mieke de Welle had doorschoten, om haar niet levend in de macht van den inquisiteur te laten vallen, was de jonge man geheel veranderd. Uren lang zat hij voor zich uit te staren, steeds voor zich heen woorden prevelend, die niemand verstond. Hij bemoeide zich met niemand en gaf geen antwoord, als men hem iets vroeg. Het eenige, wat hij deed, was het maken van bouten voor zijn kruisboog en het slijpen van zijn lang mes. De overige ballingen hielden hem voor krankzinnig of bezeten door een boozen geest en ontweken hem schuw. Slechts als een strooptocht werd ondernomen, ontwaakte Daniël uit zijn droomtoestand. Dan was hij in de voorste gelederen te vinden en hij vocht met woede en verbittering. Aan de plundering van de hoeven der Roomschgezinden of der geestelijke gestichten nam hij nimmer deel, al had men hem dikwijls met een woesten trek op het gelaat zien staren in de vlammen der brandende gebouwen. Maar wee den priester, wee den monnik vooral, die zich bij het naderen der Geuzen niet had weten te bergen, wanneer hij onder schot van Daniëls kruisboog kwam. Dan werd de stalen kruisboog naar den schouder gebracht, het strakke oog zocht het doel en de nimmer falende bout doorboorde het hoofd van het slachtoffer, altijd op dezelfde plaats, daar, waar hij Mieke had getroffen.

De bende marcheerde snel voorwaarts. De hoeve, die zij in brand hadden gestoken, behoorde aan dien Roomschen boer, die, omdat er geruchten liepen, dat de Regeering aan de buitensporigheden der Boschgeuzen voorgoed een einde zou maken, het had durven wagen, de hem opgelegde schatting van levensmiddelen niet te betalen. Maar het doel van den tocht ligt verder.

En van alle zijden klinkt over de slapende velden het angstig jagend kleppen van de stormklok, waarmede de dorpen elkander waarschuwen.

De Wilde Geuzen komen!

De bewoners der verspreide hoeven en der dorpen, in de nabijheid van de schuilplaatsen der vermetele gasten, zien hen voorbij trekken met verbeten woede of met een glimlach van geheime voldoening, al naar dat ze goed Roomsch zijn, of, zij ’t ook in ’t geheim, tot de vele Gereformeerden behooren. Zij hebben niets te vreezen. Hetzij vrijwillig, hetzij gedwongen, allen betalen op de een of andere wijze schatting aan hunne gevaarlijke buren, en zoo „zitten zij op veylighe waernis” en ze behoeven niet bevreesd te zijn voor plundering of overlast, want de Geuzen weten, dat zij van die schatting moeten leven en komen de gesloten overeenkomst getrouw na. En de West-Vlaamsche boeren koopen zich veiligheid voor leven, hof en have door dien onderstand, in ’t geheim gegeven, uit vrees voor de Regeering.

Daar klinkt van den wagen een schelle stem. ’t Is die van Jan Machielsz. De predikant-aanvoerder wekt zijne mannen op, een lied te zingen, een der psalmen Davids. En allen kennen ze de psalmen van Petrus Dathenus, misschien de vloekpsalmen nog het best, maar ook de strijdzangen, ook de smeekbeden, de liederen van hope en vertrouwen.

Maar thans is ’t een der lievelingspsalmen van den kreupelen prediker in de woestijn, die worden aangeheven. ’t Zijn verzen van psalm 109: Gods toorn wordt afgebeden over den vijand, den verdrukker van Gods volk.

„Hij heeft den vloeck gewenscht alommen,”

klinkt het rauw over de velden,

„Laet dien nu, Heer, over hem kommen;

„Hij begeerde nooit gheenen zegen,

„Dies geef hem dien in gheenen wegen.

„Laet hem met ongeluck en leet

„Als met eenen rock sijn gekleet.

„Gelijck men ’t water pleegt te drincken,

„Wil hem also den vloeck toeschinken;

„So d’ olie de beenen doordringet,

„Laet hem oock so wezen omringet,

„En als met een rieme seer snel,

„Omgegort zijn met vloecken fel.

„Dit sij ’t loon in allen landen

„Mijner moedwillige vijanden;

„Laet sulcks de kwade tong beërven,

„Die met list soecken mijn verderven.

„Maar Gij, o Heer, in desen noot,

„Help mij om Uws Naams wille groot.”

Het psalmgezang der Geuzen klinkt als dreigend antwoord op het waarschuwend geroep der kerkklokken. Dan verstomt het, want in de schemering van den zomernacht doemen de eerste hoeven van Oostcappel op: het doel van den tocht. De oude toren steekt als een donkere massa af tegen de starre lucht. ’t Is of de kerkklok haastiger, dringender roept en jammert, naarmate de bende het dorp nadert. Maar als de Geuzen de eerste huizen hebben bereikt, zwijgt het noodgelui: de koster, die het touw trok, is met de andere dorpelingen gevlucht.

Naarmate de bende Oostcappel naderde en de bewoners begrepen, dat het onwelkome bezoek hen gold, was het levendig geworden in het stille dorp. Rondom de donkere hoeven bewogen zich dwalende lichten; bij het schijnsel der stallantaarns werd het vee uit de weiden gedreven, om het zoo gauw mogelijk in veiligheid te brengen, en het geloei der runderen vermengde zich met het woedend geblaf der werfhonden, het geroep der drijvers en het angstgeschreeuw van vrouwen en kinderen. De meesten, die wat te verliezen hadden, verlieten huis en have en vluchtten langs de donkere landwegen, noordwaarts op.

Heer Henricus Turck, de oude pastoor van Oostcappel, was uit zijn slaap opgeschrikt door zijn koster, die hem verlof kwam vragen, de noodklok te luiden. De man zelf was door de ontstelde boeren gewekt; hij had in de verte het stormgelui gehoord en begrepen, dat het zaak was, het waarschuwingssein verder door te geven.

Pastoor Turck had de gewenschte vergunning verleend. Toen had hij zich haastig aangekleed en was naar buiten gegaan, om zijn verschrikte parochianen gerust te stellen, terwijl boven hunne hoofden de klok in den ouden, verweerden toren haastig en zenuwachtig klepte. Men moest zich niet noodeloos ongerust maken, men wist niet welk gevaar er dreigde, noch wien het gold. Men moest liever vlijtig zijn rozenkrans bidden en den bijstand inroepen van Sint Servaes, den patroon van het dorp, den heiligen martelaar, wiens beeltenis op het altaarstuk prijkte.

En inmiddels zond hij een rappen boerenknaap naar den torentrans, om te zien, van waar het onheil dreigde.

De verkenner kwam weldra terug met verontrustende berichten. Hij had den brand in de verte gezien en ook de toortsen der benden, die voortrukten in de richting van het dorp. Weldra, eerst flauw nog, maar allengs duidelijker, hoorde men het psalmgezang van den naderenden troep. Nu was er geen twijfel meer mogelijk! Zij waren het, de vermaledijde ketters, de Wilde Geuzen,—en het gold hun dorp, het gold Oostcappel.

En onder luide verwenschingen, gejammer en geweeklaag werd het kostbaarste inderhaast bijeengepakt en op de haastig ingespannen kar geladen, de knapen dreven het vee uit de naastbij liggende weiden den weg op en de verschrikte bevolking vluchtte, om veiligheid te zoeken binnen de sterke wallen van Yperen.

Toen de Geuzen de eerste boerenerven van het dorp bereikten, vonden zij die ledig en verlaten. Zulk eene Vlaamsche hoeve, alleen staande in het wijde land te midden van haar hoog geboomte, was anders een niet te minachten versterking en zeer wel in staat, den aanval van een stroopende bende landloopers te weerstaan. Het steenen woonhuis vormde met de schuren en stallen één geheel, dat de ruime binnenplaats omgaf en dikwijls nog door een gracht of breede sloot was omgeven. Was de brug over die sloot opgehaald, dan was het niet gemakkelijk zich toegang tot de boerderij te verschaffen, vooral als die toegang betwist werd door den boer en zijn stevige knechts. Maar thans dacht niemand aan verzet. In korten tijd hadden de Boschgeuzen zich een geduchten naam weten te verwerven. Het landvolk sidderde voor de woeste, vermetele avonturiers en alleen de geregelde troepen der Regeering, die soms tegen hen werden uitgezonden, waren in staat, hen naar hunne ontoegankelijke schuilhoeken terug te jagen.

Tot eere der Boschgeuzen zij het gezegd, dat zij zich nergens als gewone roovers gedroegen. Zij waren geen brandstichters en plunderaars, en de buitensporigheden, waaraan de mindere elementen onder hen zich vaak schuldig maakten, werden door de betergezinden zooveel mogelijk belet.

Maar zij waren wanhopigen, vogelvrij verklaarden in hun eigen vaderland. De laatste strijders voor een verloren zaak. Sedert de zegepraal der Regeering durfden hun eigen geestverwanten hen slechts tersluiks eenige hulp verschaffen. En zij moesten leven, de ballingen, die door hun eigen land waren uitgeworpen. En daarom drongen zij de grootste hoeven binnen, om zich meester te maken van de levensmiddelen, die zij er vonden. De ovens werden geplunderd en de zware brooden werden, met zakken meel, kazen, hammen en zijden spek en wat er verder eetbaars gevonden werd, op de kar geladen. De kippen, eenden en ganzen, die men in hunne hokken aantrof, moesten het mede ontgelden. En toen de wagen volgeladen was, zetten de paarden aan, sterke vuisten hielpen de raderen in beweging brengen, en door het grootste gedeelte der bende begeleid, verdween de kar in het halfduister van den zomernacht, onder het gejoel der Geuzen, die juichten om den goed gelukten strooptocht.

Maar een ander deel was achtergebleven. Dat waren de dwepers, wien het niet te doen was om den buit, de verbitterden, die eigen leed en dat van de vermoorde broederen te Valenciennes en elders, wilden wreken op de Roomsche geestelijkheid, op de kerken en kloosters. En zij gaven er weinig om, of hun wraak ook de onschuldigen trof.

Nu drongen zij, weer luide hun vloekpsalmen aanheffend, door de verlaten dorpsstraat, naar de oude dorpskerk. Daar moesten de beelden neergerukt en vertrapt, daar moest de „broodgod”, zooals zij schimpend de hostie noemden, bevuild en besmeurd gestrooid op de trappen van het gehavende altaar. En de roode haan moest kraaien op het dak!

Wat heeft Heer Henricus Turck, die met zijn parochianen was gevlucht, bewogen om terug te keeren? Voelde de oude man zich een onwaardig herder, een onwaardig priester, omdat hij het heiligdom, dat aan zijne zorgen was toevertrouwd, zonder weerstand aan de ruwe gasten overliet? Wilde hij het Allerheiligste, de hostie, voor hem het lichaam zijns Heeren, redden en bewaren voor ontwijding? Dit laatste is wel het waarschijnlijkste. Pastoor Turck was althans teruggekeerd, door de groote deur onder den toren, die de koster bij zijn vlucht verzuimd had te sluiten, was hij de kerk binnengetreden, en toen de Geuzen er binnen drongen, zagen zij bij het flauwe licht der altaarkaarsen den grijsaard, die juist den monstrans uit den tabernakel had genomen.

Een wild geroep van „slaat dood den paap! slaat dood den baälspriester!” ging uit de bende op.

Bij het roode licht der fakkels ziet pastoor Turck wilde gestalten naar het altaar dringen, hij hoort bedreigingen en scheldwoorden, wapens flikkeren in het licht der gewijde kaarsen.

Begreep de oude man, dat hij in doodsgevaar verkeerde? Meende hij de woeste bende te kunnen bedwingen, door hen voor te houden wat voor hem het Allerheiligste was? Hoe het zij, hij bleef staan op de bovenste trap van het altaar en hield de aanstormende Geuzen den met beide handen hoog opgeheven monstrans voor.

Dat was zijn doodvonnis. Een gehuil van woede ging op uit de dweepzieke bende. „Slaat dood den paap!” klonk het opnieuw. Een der Geuzen, die met een vuurroer gewapend was, vloog de trappen van het altaar op en sloeg met de kolf van het zware wapen den grijsaard neder, zoodat hij naar beneden tuimelde. Hij slaakte een kreet van pijn en ontzetting. Hij had de patena laten vallen, en de hostiën rolden over den grond en werden met voeten getreden, terwijl de grijsaard jammerend ineenkromp, onder de slagen en stooten, die hem meedoogenloos werden toegebracht.

Jacob Martens was met de Geuzen mede geloopen naar de kerk, omdat hij zich niet van de Welle wilde scheiden. Hij was er echter niet binnen gegaan. Hij wist, wat de mannen er gingen doen, en hij wist ook, dat hij het niet verhinderen kon, al zeide zijn beter gevoel hem, dat die daden van geweld, die brandstichting en vernieling van beelden, af te keuren waren en de goede zaak niet dienden.

Daar hoorde hij den noodkreet van den ouden priester. Wat was dat? Weer mishandeling? Weer moorden misschien. Jacob Martens snelde de kerk binnen, den degen in de vuist. De mishandeling van weerloozen zou hij beletten!

Aan den voet van het altaar zag hij bij het onzekere licht der walmende toortsen een verwarde menschenmassa. Hij zag wapens blinken in opgeheven vuisten. Door het woest gelach en geschreeuw der Geuzen klonk een oogenblik nog een luid gejammer, dat weldra overging in een kermend steunen.

Hij wilde op de groep toeijlen, maar een ijzeren hand greep hem bij den arm en hield hem tegen.

—„Halt, jonker! Ge kunt dat niet keeren!” gromde de Welle, die, op zijn kodde geleund, het tooneel had gadegeslagen en die nu uit de schaduw van het kerkportaal naar voren trad.

—„Wat moet dat, de Welle?” hijgde Jacob.

—„Ze geven den paap de rest. Wat deed hij ook in de kerk?” antwoordde de ander onverschillig.

—„Weer een moord op een onnoozele! Laat mij los, de Welle!” En Jacob wilde zich losrukken, maar de oude boschwachter hield hem stevig vast.

—„’t Is te laat, jonker! De paap is al stil! Mieke was ook onnoozel en de godzalige Guido de Bray en zoovele broeders in Valencijn waren ook geen roffianen of kwaaddoeners. Kom mede, naar buiten, jonker. Ze steken de kerk aan.”

Zoo was het. Het altaardoek brandde reeds, en aan den voet der altaartrappen lag, wonderlijk klein in het roode licht, het lijk van Heer Henricus Turck, in zijn zwarten toog. Eenige van de Geuzen stapelden de houten banken op tot een reuzenmutsaard, terwijl anderen met bossen stroo en rijshout kwamen aanzeulen, die zij in de naburige boerderijen hadden gevonden. De toortsen van oud geteerd touw werden in het stroo geworpen en weldra sloegen de vlammen uit de ramen.1

En terwijl de verschrikte dorpelingen uit de verte den brand hunner kerk stonden aan te zien, klonk over de stille velden het psalmgezang der aftrekkende Geuzen:

Dit sij de loon in allen landen

Mijner moedwillige vianden;

Laet sulcks de kwade tong beërven,

Die met list soecken mijn verderven.

Maar Gij, o Heer, in desen noot,

Help mij om Uws naems wille groot.


1 In de jaren 1567 en 1568 werden door de Boschgeuzen in West-Vlaanderen de kerken verwoest te Herzeele, Houtkerken, Hondschoten, Killem, Oost-cappel, Winnezeele, Oudezeelen, Reynighelst, Lokeren, Kemmele en Dracoultre.

De namen der door hen in die jaren vermoorde dorpsgeestelijken zijn: Henricus Turck, pastoor van Oostcappel, Martinus Necrosius, pastoor van Hondschoten, Franciscus de la Fosse, pastoor van Rexspoede, Antonius van den Clyte, pastoor van Ruebrouck, Petrus Famelast, pastoor van Richebourg (Wynckius, Histoire des Gueux-des-Bois).