Op een vroegen Octobermorgen lag een roeiboot aan het eenzame strand tusschen Nieuwpoort en Duinkerken, niet ver van een „slag” in het duin, een laag punt tusschen de zandheuvels, waar een karrespoor het pad aanwees, dat de bevolking van het schamele duindorp, dat achter de hooge toppen verscholen lag, volgde, om de kust te bereiken. Het was vloed en het vaartuig lag in de eerste strandgolven. Blijkbaar behoorde het bij een krapschuit, die aan gene zijde van de witte lijn der branding voor anker lag. In de verte kon men de masten en de witte zeilen van een grooter schip onderscheiden.
Op het strand stonden twee mannen, gekleed in het grove grein der Hollandsche schippers. Dat zij echter geen vreedzame visschers waren, die daar de wacht hielden bij hun boot, bewees hunne uitrusting. Beiden waren zij voorzien van korte vuurroeren en aan hun gordel hing een houwer naast het matrozenmes in lederen scheede. Zij staarden met onrustige blikken naar den duinkant, naar de plaats, waar het zandspoor zich tusschen de zandheuvels verloor en wisselden van tijd tot tijd een ongeduldig woord.
Uit de verte, meer naar het Zuiden, klonk nu en dan boven het geluid van de branding een doffe knal. Er werd naar het scheen gevochten in het duin. De schoten kwamen nader. De beide mannen wisselden een blik en er kwam een onrustige trek op hunne verweerde gezichten.
—„Zou dat tegen de onzen zijn?” zeide de jongste.
—„’t Is te ver!” meende de ander. „Er wordt daarginds gevochten. Wat ’t zijn kan, weet ik niet. Wie is er zeker van zijn leven in ’t land, nu de vermaledijde Spanjool er huist? Maar ik wou met dat al, dat ze terugkwamen. Tamme Abels weet toch wel, dat wij den vloed niet mogen verspelen!”
—„Misschien heeft hij onverwachts buit gevonden!”
—„Buit? In dat visschersnest in de duinen? ’t Zal mooi zijn, als hij wat victualie meebrengt. En dat moet toch, want aan boord is ’t geen vetpot. En de François geeft niets af.”
—„Die zal ’t zelf ook niet breed hebben. Heb maar geduld, oude brompot. Als we weer een Antwerpschen koopvaarder aanhouden, dan...”
—„Als! als!” viel de oudere zeeman in. „Als Tamme niet gauw komt, zal hij geen koopvaarders meer aanhouden, maar door een hennepen venster moeten kijken in plaats van naar schepen in den mastkorf. Die schoten komen al dichter. Straks zullen we nog moeten vechten om de boot.”
—„Maar de „Vrouw Geertruyd”?”
—„De „Vrouw Geertruyd” moet afhouden als de eb begint. Maar hoor, ze komen er aan.”
Er klonk een verward geschreeuw van den kant van den slag, en een oogenblik later verscheen een troep gewapende mannen in de opening tusschen de duinen. Een paar van hen droegen een vat aan een draagboom, anderen waren beladen met bossen gedroogde visch en ronde brooden. Een jonge kerel, die de aanvoerder scheen te zijn, gaf een kort bevel en liep toen vooruit naar de boot.
—„Een goede vangst, Tamme?” vroeg de oudste van de beide wachters.
De aangesprokene haalde de schouders op. ’t Was een nog jonge man, met een echten Frieschen kop. Een lang, bleek gezicht, met forsche, vierkante onderkaak, een harden mond met dunne lippen, waarboven de knevel nauwelijks te voorschijn kwam. De helle blauwe oogen hadden een koude, dreigende uitdrukking. Op het stugge, blonde haar droeg hij een muts van robbevel.
—„Niets dan drinkwater en brood en visch!” zei hij stug. „’t Is een arm, Paapsch nest!”
—„De mannen zijn op zee!”
—„Ja, de booten zijn uit. Als ze morgen terug komen, zullen ze ’t nest leeg vinden.”
—„Den brand er in gestoken?”
Tamme Abels haalde onverschillig de schouders op en wees naar het duin. Een rookwolk verhief zich boven de gele toppen en men rook de scherpe lucht van brandend stroo.
—„Werd er op jelui geschoten?” vroeg de ander.
—„Neen, er wordt gevochten in ’t duin. Spanjolen denkelijk met een troep Geuzen. Dat zei ten minste een oud wijf in ’t dorp. ’t Komt dichterbij!”
—„Kunnen we niet een handje helpen?”
—„Wat gaat ’t ons aan? Er is niets bij te verdienen.”
Ondertusschen waren de levensmiddelen en het watervat in de boot geborgen. Een paar rolhouten werden onder de sloep gelegd en de mannen begonnen haar vlot te maken.
Over het water klonk een doffe dreun en een witte rookwolk hing een oogenblik over het groote razeil in de verte.
—„De François wordt ongeduldig,” zei Tamme Abels. „Vooruit, mannen!”
Dichtbij, in het duin achter hen, klonken de doffe slagen van busschoten, wegrommelend tusschen de hooge zandheuvels.
Een paar Geuzen grepen naar hunne vuurroeren.
—„Laat staan!” gebood de jonge schipper barsch. „Maakt de boot vlot. Wij moeten op de „Vrouw Geertruyd” zijn, voor die kerels aan ’t strand komen.”
De mannen schoven de boot vooruit, tot in de eerste strandgolven, en sprongen binnen boord, zoodra zij vlot was.
—„Aan de riemen!” zei Tamme Abels, terwijl hij onrustig naar het strand keek.
In de opening tusschen het duin verschenen twee gestalten. Ze liepen ijlings in de richting van de boot en wenkten. Een flauw geroep drong tot de bemanning door.
—„Wacht een oogenblik, Tamme,” zei de oudere man, die de wacht had gehouden bij de boot en die de eenige scheen te zijn, die den jongen schipper durfde tegenspreken, „’t zijn misschien Geuzen; er moeten er veel huizen, hier aan de kust.”
De bleek-blauwe oogen van den aanvoerder flikkerden onheilspellend, maar de mannen in de boot schenen hun makker gelijk te geven. Zij hingen op de riemen en het vaartuig danste op en neer in de eerste strandgolven.
De beide vluchtelingen hadden het strand bereikt. Ze liepen het water in en waadden naar de boot. Tegelijk verschenen op de duinen hier en daar gedaanten en men zag de ijzeren stormhoeden en kurassen flikkeren in het zonlicht. Een troep gewapenden drong door den slag en marcheerde snel naar het strand.
—„’t Zijn Spanjolen!” riep de stuurman.
Een paar der Geuzen namen hunne handbussen op en bliezen op de lont.
—„Laat dat!” gromde Tamme. „We kunnen de boot niet laten afsnijden. Aan de riemen, mannen!”
Maar de vluchtelingen hadden de boot bereikt en werden haastig binnen boord geholpen. De Geuzen vielen aan de riemen en het vaartuig stoof door het water. Achter hen klonk luid geschreeuw en een bevelende stem riep hun iets toe, maar de woorden waren door het geraas der branding onverstaanbaar.
Een doffe knal dreunde achter hen. Een paar musketkogels snorden over hunne hoofden. Een paar van de jongeren bukten het hoofd, maar de twee vluchtelingen, die amechtig op een roerbank waren neergezonken, keken op en tuurden scherp naar de kust.
—„Jelui hebt kruit geroken!” zei Tamme Abels goedkeurend.
De Fries sprak het Strand-Hollandsch, de gewone taal der zeevarenden, met een eigenaardig accent. Toch konden de twee geredden hem verstaan.
—„Wij zijn Geuzen van ’t leger van Brederode,” zei de jongste van de beiden. „De troepen van Alva hebben onze laatste benden in ’t duin overvallen. Zonder jelui waren we in hun handen gevallen.”
Weer klonken geweerschoten van het strand, maar de boot, die thans danste in de branding, bood een te onzeker mikpunt voor de lompe vuurwapens. Toch sloeg een kogel in den achtersteven.
—„Dat moeten die nieuwe musketten zijn, die Ducdalf uit Italië hier heeft ingevoerd,” zei de oude stuurman. „Onze handbussen dragen zoo ver niet.”
Een aantal Spaansche soldaten stond thans aan ’t strand en keek naar de boot en de beide schepen. Een paar van hen waren met hunne wapenen bezig en Tamme Abels, die hen met zijn scherpe zeemansoogen monsterde, zeide dat het busschieters waren, die hunne musketten laadden.
—„Ze houden ons voor koopvaarders,” zei hij grimmig. „Wacht, tot we op de „Vrouw Geertruyd” zijn!”
De boot schoot door de geul en roeide op de krapschuit toe. Weldra was de lading binnen boord en de boot op het dek vastgesjord. De krapschuit was een van die handelsvaartuigen, die gebruikt werden voor de kustvaart en op de Hollandsche en Zeeuwsche stroomen. Zij voerde twee masten, een grooten en een kleinen, en had een hoogen achtersteven, hoewel zij verder tamelijk laag op het water lag.
Thans was het vreedzame koopvaardijscheepje echter voor den oorlog uitgerust en het zag er grimmig genoeg uit. Op de voorplecht stond een lang stuk geschut, een culverijn, op een affuit van zware balken. Een kist, gevuld met kogels, ijzeren maar ook steenen, stond er naast, en de achterzijde bood ruimte voor een zestal baskamers, want het stuk werd van achteren geladen, door de baskamer, die de lading bevatte, in de daartoe bestemde opening te laten zakken en die dan met ijzeren wiggen en zware beugels te bevestigen. Langs de verschansing waren rekken aangebracht, waarin korte pieken, enterbijlen en houwers hingen. In een rek bij den mast stonden een twaalftal knevelspeten—knotsen of lange knuppels, voorzien van een vinnige stalen punt1—en in een tweede een rij handbussen. Door middel van boevennetten,—sterke netten van taai touw—die thans langs de verschansing lagen geschoren, maar in tijd van nood daarboven konden worden uitgespannen, kon men in het gevecht eene entering voorkomen, maar de grimmige bemanning, bestaande uit een dertigtal gewapende zeelieden, was zeker meer den aanval dan de verdediging gewoon! ’t Was wonder, dat het kleine schip zooveel mannen kon bergen. Verscheidenen waren verminkt of hadden litteekens, enkelen droegen reeds de zilveren halve maan op de muts, met het veelzeggende opschrift: „Liever Turksch dan Paapsch!”
Zoodra de boot was vastgesjord, keek Tamme Abels naar het strand, waar de Spaansche soldaten nog steeds joelend en dreigend bijeenstonden.
—„Klaar bij het stuk!” commandeerde hij.
Een paar zijner makkers plaatsten zich met handspaken bij het stuk, en richtten het volgens de aanwijzingen van den schipper, die zelf van den stuurman een brandende lont aan den korten ijzeren lontstok had overgenomen.
—„Lager! nog lager!” beval hij. „Zóó is het goed!”
Een witte rookwolk, een daverende knal, een schok, die het scheepje deed steigeren, en de zware kogel snorde over de hoofden der Spanjaarden, die naar alle kanten uiteen stoven en haastig naar de duinen weken.
Een luid „hoezee” klonk op het Geuzenschip.
—„Toch nog te hoog!” gromde Tamme Abels spijtig. „Aan het spil, mannen!”
Het anker werd gelicht en het roer gewend. De Geuzen hielden zich bezig met het zetten van de zeilen en de „Vrouw Geertruyd” voer lustig over de schuimende golven van de Noordzee, in de richting, aangegeven door het groote razeil, dat mede zeil had gemaakt.
—„Wat is dat voor een schip?” vraagde Jacob den stuurman.
—„Onze maat, de „bonne Fortune”, een Fransche kaper uit Rotseel,” zeide de oude man. „Wij hebben „admiraliteit gemaakt”, om langs de Zeeuwsche kust op koopvaarders jacht te maken.”
—„En jelui?”
—„Wij zijn Friesche kapers en Geuzen. Ook ballingen, als de jonker en zijn vriend. We haten Ducdalf, zijn Spanjolen en de Inquisitie. We zijn uit ons land verdreven en nu leven we van den roof. Er zijn meer schepen van ons slag in de vaart.”
—„En die Franschman? Frankrijk is toch niet in oorlog met Spanje.”
De stuurman lachte grimmig.
—„Alsof de Fransche Huguenoten zich daarom bekommerden!” zei hij. „Die van Rotseel rusten schepen uit en randen den Spanjaard aan, waar zij kunnen. De Spanjolen en de papen zijn vijanden van allen, die van de religie zijn.”
—„En jelui zijn van de Gereformeerde religie?”
—„Laat de jonker maar eens naar den mastkorf kijken!” lachte Tamme Abels, die naderbij was gekomen.
Jacob keek naar boven en zag, hoog aan den grooten mast, een vreemdsoortig voorwerp bevestigd, dat hij met eenige moeite als een hostiekast herkende, blijkbaar van het altaar van een geplunderde Roomsche kerk afkomstig.
—„Als wij papen vangen,” zei de schipper, „laten we hen hier op het dek de mis lezen, vóór we ze de voeten spoelen. Ik zeg maar: als zij hun god Melis hoog vereeren, Tamme Abels vereert hem nog veel hooger! Hij hangt hem in den mast!”
De Geuzen, die in de nabijheid waren, lachten luide en ook de Welle knikte goedkeurend. Ruwe bespotting van wat den tegenstander heilig was, was voor hen allen een zeer gewone zaak. Wanneer een edelman en een geleerde als Marnix in zijn „Bieenkorf” de Roomsche leeringen en ceremoniën door het slijk sleurde, wat kon men dan van het onbeschaafde volk verwachten?
’t Was een avontuurlijk leven, dat de stoute gasten, de bemanning van de kleine krapschuit, voerden. ’t Waren eigenlijk niet anders dan zeeroovers, die rondzwervende Geuzen, en dat wisten zij zelve zeer goed. Maar zij schaamden er zich volstrekt niet voor. ’t Was een beroep als een ander. Van den ouden stuurman, die gaarne praatte, als hij er tijd en gelegenheid voor had, vernam Jacob, dat langs de kusten van de Noordzee, zoowel in Engeland en Schotland als in de Duitsche landen, Denemarken en Noorwegen, zee- en strandroof bij de kustbewoners als volkomen geoorloofd gold, en, tusschen het visschers- en zeevaardersbedrijf door, algemeen werd uitgeoefend. De denkbeelden uit den ouden Heidentijd waren nog lang niet uitgeroeid. De bewoners van de kust en van de eilanden leefden van de zee. Wat die hun bracht, was hun buit. Op zee gold geen wet en geen recht, dan het recht van den sterkste. Een Terschellinger vertelde, hoe hij en zijne dorpsgenooten de koopvaarders in donkere, stormachtige nachten deden stranden, doordat ze een koe, met den kop aan de voorpooten gebonden en een lantaarn tusschen de hoorns, over het duin joegen, zoodat de zeelieden, die het dansende schijnsel zagen, meenden, dat het het toplicht van een schip was, dat daar een veilige ligplaats, had gevonden. ’t Verhaal werd luid toegejuicht. Strooptochten te land, tegen kerken en kloosters, als er gelegenheid toe was, maar ook tegen weerlooze visschersdorpen langs de Hollandsche kusten, die werden geplunderd en gebrandschat, waren voor deze zeewolven een gewoon bedrijf. Hun hand was tegen allen en de hand van allen was tegen hen, en hun aanvoerder, de jonge Tamme Abels, met zijn hoekigen Frieschen kop en zijn koude, staalblauwe oogen, ging hun in woestheid en wreedheid voor.
’t Scheen, dat de schipper begreep, dat zijne gasten van een ander slag waren, dan hij en zijne makkers. De vreemdelingen waren gastvrij ontvangen en hadden hun deel gekregen van den soberen scheepskost,—hard brood, gedroogde visch en bier, maar in den loop van den dag trad Tamme Abels Jacob op zij en stelde hem voor, hem naar den Franschen kaper te laten brengen, waar hij zeker goed ontvangen zou worden. De krapschuit was toch al overbemand; plaats in de slaapkribben was er niet. Op het groote razeil zou dat alles beter gaan.
Jacob en de Welle stemden toe en de krapschuit hield op den Franschman en heesch een sein, dat van het razeil beantwoord werd. Het groote schip loefde op, tot de beide vaartuigen elkander tot op betrekkelijk korten afstand genaderd waren. De boot werd gestreken en bemand, en weldra stonden de beide Vlamingen met Tamme Abels, die hen had willen vergezellen, op het achterdek van den Franschen kaper.
Ze werden er ontvangen door den kapitein, die zich een oogenblik verwonderd toonde, toen Jacob Martens hem in beschaafd Fransch aansprak, maar zich onmiddellijk herstelde en zich hoffelijk bekend maakte als de sieur d’Esprenay, commandant van het goede schip „la bonne Fortune” van La Rochelle, en verklaarde, dat zijne beide gasten hem welkom waren. Toen verontschuldigde hij zich, omdat hij nog iets met Abels te bespreken had. De beide bevelhebbers bedienden zich van het Strand-Friesch, hetzelfde dialect, dat de Friesche Geuzen met de Vlamingen spraken en dat veel overeenkomst vertoonde met het Strand-Engelsch, en, als de algemeene zeemanstaal op de Noordzee en hare kusten, door alle zeelieden verstaan werd. Weldra was het gesprek geëindigd en keerden de Friesche Geuzen naar de krapschuit terug.
De sieur d’Esprenay verzocht zijne beide gasten hem naar zijne kajuit te volgen. Hij bleek een Huguenoot, die, zooals velen van zijn tijd- en geloofsgenooten, aan een oprechte liefde voor de Gereformeerde religie, een bitteren haat tegen de Roomschen en vooral tegen de Spanjaarden paarde. Hij was de jongere zoon van een verarmd, adellijk geslacht en had een kaper uitgerust, om zijn fortuin op zee te beproeven. Een zeeroover was hij niet: de Engelsche koopvaarders, de schepen der oude Duitsche Hanzesteden liet hij ongemoeid. Maar Spanje was in die dagen de eerste zeemogendheid en de Nederlandsche erflanden van Koning Philips waren rijk. De Spaansche en Nederlandsche koopvaarders werden door de kapers van la Rochelle genomen en gerantsoeneerd, al was Spanje niet met Frankrijk in oorlog. De Huguenoten hielden Philips met zijne Spaansche Inquisitie voor hun doodsvijand en lachten om de protesten en bedreigingen van de Regeering te Parijs.
Dit alles vertelde de sieur d’Esprenay aan zijn beide gasten, nadat hij met hoffelijke belangstelling naar het verhaal hunner lotgevallen had geluisterd. Hij was een vurig bewonderaar van den admiraal de Coligny en hij troostte Jacob Martens met de hoop op een bondgenootschap van den Prins van Oranje en de hoofden der Huguenoten, dat in die dagen algemeen werd verwacht. Hij beschouwde den zee-oorlog, dien hij voerde, als een eerlijken krijg tegen den gemeenschappelijken vijand der religie. Tamme Abels en zijne Friesche Geuzen waren in zijne oogen vilains en zeeroovers, maar hij had „admiraliteit met hen gemaakt”, omdat zij de Zeeuwsche en Vlaamsche wateren en kusten goed kenden en hij verwachtte Spaansche en Nederlandsche koopvaarders, die, vóór de winterstormen begonnen, de haven van Antwerpen zouden willen bereiken. Nadat hij vernomen had, dat Jacob Martens bij Austruweel als officier in het leger van Brederode had meegevochten, bood hij hem terstond een plaats als cadet op de „bonne Fortune” aan. De Welle zou als contre-maître deel uitmaken van de bemanning. De zeevaart en den oorlog ter zee zouden mannen van ervaring als zij spoedig leeren, verzekerde de hoffelijke Franschman met een glimlach.
De beide mannen sloegen toe. Waarheen zouden zij anders gaan, ballingen als zij waren? En het zou immers gaan tegen den Spanjool, den onderdrukker van hun land en den vijand der religie?
En nu verontschuldigde zich de sieur d’Esprenay. Hij had zijn plichten als bevelhebber en schipper. Hij noodigde Jacob Martens voor het avondmaal aan zijn tafel. Tot zoolang konden zijne gasten het schip bezichtigen. Den volgenden dag zouden zij hun dienst aanvangen. Met een beleefde buiging nam hij afscheid van hen.
Van de ontvangen vergunning maakten de beide mannen gaarne gebruik. Ze hadden in de haven van Antwerpen de groote handelsschepen zien liggen: Spaansche en Portugeesche kraken en galjassen; Duitsche hulken en korveelen, maar zij hadden zich nimmer op zulk een groot vaartuig bevonden.
De „bonne Fortune” was, als de meeste oorlogsschepen van die dagen, een koopvaarder, uitgerust tot den krijg ter zee. ’t Schip had een grooten mast, met machtige raas en stengen en een veel lageren bezaans- en fokkemast. De achtersteven was zeer hoog uitgebouwd. In het achterschip bevonden zich de versterkte kajuit van den kapitein, de kruitkamer, het wapenmagazijn en het logies voor de officieren.
Midscheeps lag de „bonne Fortune” vrij laag op het water. De voorplecht was weer iets hooger en op het voordek bevond zich eveneens een stevig getimmerte van eiken balken en planken, van schietgaten voorzien en bestemd voor het logies van de onderofficieren en voor de verdediging van het schip.
De „bonne Fortune” voerde achttien stukken, volgens de gewoonte van den tijd van uiteenloopend kaliber. ’t Waren grootendeels korte ijzeren kartouwen en halve kartouwen. Op den voor- en achtersteven bevonden zich een paar koperen draaibassen van kleiner kaliber, Spaansche pattararo’s, vermoedelijk afkomstig van een buitgemaakten, gewapenden koopvaarder. De marsen van den grooten mast waren versterkt en voorzien van zware bussen. Van hieruit kon men, bij een scheepsgevecht, het dek van den vijand met musketvuur en handgranaten bestoken. Langs de verschansing lagen, opgerold en weggestouwd, „de boevenetten”, die werden opgehaald en gespannen, om een entering te voorkomen of af te slaan. In rekken, bij den grooten mast, stonden bussen, van verschillend kaliber en van allerlei soort: van de eenvoudige arquebuse of handbus tot de lange, zware Spaansche haakbus, die toen in gebruik begon te komen, en in het wapenmagazijn bevonden zich korte pieken, enterbijlen en houwers, voor de enteraars.
Uit alles bleek, dat de sieur d’Esprenay een commandant was, die orde en tucht op zijn schip wist te handhaven. De wapenen waren goed onderhouden en blank gepoetst.
De bemanning maakte een flinken indruk, al was zij uit zeer verschillende bestanddeelen samengesteld. Bedaarde, ernstige Normandiërs werkten er naast forsche Bretons en kleine, levendige Picardiërs. ’t Waren weer heel andere mannen, dan de Hollanders en Friezen, die hij voor korten tijd verlaten had, en zij waren beter aan krijgstucht gewend, dan de woeste zeeroovers van Tamme Abels.
Toen de avond begon te vallen, en de lantaarns werden uitgehangen, kwam een hofmeester jonker Martens waarschuwen, dat de kapitein hem wachtte. Een matroos bracht de Welle naar het verblijf der onderofficieren.
De sieur d’Esprenay stelde Jacob aan zijn luitenant voor, die de maaltijden in de kajuit gebruikte. ’t Was een lange, zwijgende Huguenoot, uit La Rochelle, een man met een barsch uiterlijk, maar, zooals de kapitein hem later verzekerde, een dapper man en een uitstekend zeeman. Aan het benedeneind der tafel stond een nog jong man, in ’t zwart, met een platte, vierkant gesneden kraag van wit linnen, dien de commandant met een handbeweging voorstelde als M. le ministre. ’t Was de predikant van het schip, want, evenals de latere Watergeuzen, hadden deze Fransche kapers steeds een geestelijke aan boord.
Men ging aan tafel, nadat de predikant een kort gebed had uitgesproken. De sieur d’Esprenay wilde blijkbaar gaarne meer van zijn gast weten en hij lokte door handige vragen Jacob uit, hem zijne geschiedenis te verhalen. De Franschman was goed op de hoogte omtrent wat er in de laatste jaren in de Nederlanden was voorgevallen. De aanslag op de Zeeuwsche steden zou volgens hem een goed plan zijn geweest, als er een algemeene opstand op had kunnen volgen. Maar de onderneming was niet goed voorbereid. De slag bij Austruweel,—bah! une bêtise! Jammer, bloed te vergieten en de beste krachten op te offeren voor een onderneming, die geen kans had van slagen. Brederode? Een dapper man, maar geen veldheer en nog minder staatsman. De opstand van Valenciennes? Al even ondoordacht en onvoorbereid! Werk van dwepende predikanten en hun aanhang. Toch achtte hij de zaak der Vlaamsche, Brabantsche en Hollandsche Gereformeerden nog niet verloren, zelfs niet sinds de komst van Alva, maar zij moesten zich aansluiten bij de Coligny, bij de Fransche Huguenots, tot een machtige protestantsche partij, die zoowel de Guises als Philips ontzag zou inboezemen en die steun zou ontvangen van Engeland.
Dat was blijkbaar ook de meening van Oranje, want hij onderhandelde met de hoofden der Huguenots.
En Jacob luisterde, en stemde toe en verwachtte, als al zijn tijdgenooten, véél van zulk een verbond. En geen van de beide mannen kon toen gissen, welk lot binnen weinige jaren de Coligny en de zijnen zou wachten, en dat de zaak der vrijheid en der Reformatie ten slotte geen andere voorvechters zou hebben dan de zonen der zwakke Nederlandsche gewesten zelve, en dat die gewesten geen anderen bondgenoot zouden hebben, dan dien van Willem van Oranje,—den Potentaat der Potentaten.
Den volgenden dag aanvaardde Jacob Martens zijn dienst als officier op de „bonne Fortune” en hij zou weldra gelegenheid hebben, kennis te maken met den bloedigen zeeoorlog der Fransche en Nederlandsche kapers tegen Spanje.
Het weder bleef fraai en de zee was kalm en vlak. Met een lichten bries uit het Noorden stevende het groote razeil, statig voortglijdende over het water, langzaam in de richting van het Kanaal. Men kon den geheelen nacht het toplicht van de krapschuit duidelijk waarnemen, die dichter onder de kust kruiste. Jacob Martens deelde de wacht van den kapitein: hij moest nog aan den dienst op een schip van oorlog wennen.
Toen de dag aanbrak werd een uitkijk geplaatst in het „kraaiennest”, een ton in den top van den grooten mast, om uit te zien naar de koopvaarders, die de kapers verwachtten. Tegen tien uur in den morgen klonk de lang verbeide waarschuwingskreet: een zeil vooruit!
De lange luitenant—de man heette Thierry, maar de matrozen noemden hem „le Goëland”, de Meeuw, om zijn scherp gezicht,—enterde langzaam naar boven, en bleef een poos bij den matroos in den mastkorf. Toen klom hij even bedaard naar beneden, begaf zich naar de campagne en rapporteerde den sieur d’Esprenay, dat vooruit een groot schip tegen den wind laveerde, een kraak, naar haar tuigage te oordeelen, waarschijnlijk een Spanjool.
Met een tevreden grimlach beval de kapitein de krapschuit te seinen en alles klaar te maken voor het gevecht; want de Spaansche koopvaarders waren gewoonlijk gewapend en aan moed ontbrak het hun bemanning niet.
Een luid gejuich ging op onder de matrozen, die bij het achterdek opeengedrongen stonden, om op de bevelen van den commandant te wachten en allen togen aan het werk. Onder toezicht van den luitenant en Jacob Martens werden de stukken losgesjord en geladen, de baskamers werden evenzeer geladen en bij de kanonnen geplaatst, een aantal schutters met handbussen en armborsten begaven zich naar het voorkasteel, anderen bemanden de marsen, terwijl de korte pieken, enterbijlen en houwers werden rondgedeeld. En inmiddels doorkliefde de „bonne Fortune” statig de golven en naderde meer en meer haar prooi.
Langzaam dook de romp van het schip uit de golven op. Er was geen twijfel aan: een Spaansche kraak!
Een kort bevel klonk van de campagne van de „bonne Fortune”. Een kanonschot donderde over de golven. Tegelijk liet de sieur d’Esprenay de koningsvlag met de lelies van Frankrijk waaien, terwijl aan den fokkemast de vlag van den kapitein werd geheschen: drie gulden baren op lazuren veld.
Een oogenblik van spanning: toen een schorre juichkreet van de bemanning van de „bonne Fortune”. Aan den grooten mast van de kraak woei het St. Andrieskruis van Spanje. Maar inmiddels had de Spanjool begrepen, welke gevaarlijke vijand daar naderde. Er was leven en beweging op het dek en in de tuigage.
—„Hij wendt! Hij wil ons ontloopen!” zei de sieur d’Esprenay tot Jacob Martens.
En inderdaad scheen de kraak een poging tot ontvluchting te willen wagen. Hij had den steven gewend en zeil bij zeil bedekte de breede raas. Ook de „bonne Fortune” zette alle zeilen bij, die de masten dragen konden.
—„Hij wil trachten de haven van Duinkerken binnen te loopen,” meende de kaperkapitein. „Maar ’t zal hem niet gelukken!”
Ondertusschen scheen het, alsof de omstandigheden het Spaansche schip gunstig waren. De bries, die de „bonne Fortune” zoo statig over het water deed glijden, verflauwde meer en meer. Er was bijna geen wind. De zeilen hingen slap tegen de masten.
De beweeglijke Franschman liep driftig op zijn campagne heen en weer. De Spanjool was nog niet onder het bereik zijner kanonnen.
De mannen stonden met de brandende lont in de hand bij de stukken en keken vragend naar den luitenant. Deze schudde het hoofd.
—„Te ver!” zei hij kortaf. „Wij moeten fluiten om den wind!”
Eensklaps hield hij de hand boven de oogen.
—„Bravo, les Frisons!” riep hij uit.
De kapitein van de kraak had, in zijn ijver, om den kaper te ontkomen, niet gelet op de kleine krapschuit, die schijnbaar argeloos voortzeilde, dicht onder de kust, zooals een visscher zou doen, die, met zijn vangst aan boord, huiswaarts keerde. Tamme Abels had zijn culverijn met een zeil bedekt en de grootste helft zijner Geuzen last gegeven, zich in het vooronder schuil te houden. Het lichte en vlugge vaartuig was de kraak ongemerkt al meer en meer genaderd. Nu de wind ging liggen, zag men, dat de zeilen werden ingenomen; over het lage gangboord plonsten twee korte riemen aan de loefzijde in het water. De krapschuit veranderde van koers en hield op den Spanjool aan. Tamme Abels wierp het masker af. Zijn mannen waren op de voorplecht bezig met het lange kanon, en de schuit, nu in een galei veranderd, naderde, trots de windstilte, de kraak al meer en meer.
Dit had „le Goëland” gezien en vandaar zijn uitroep.
De geheele bemanning van de „bonne Fortune” was aan de lijzijde van het schip samen gedrongen om naar de bewegingen van het stoutmoedige, kleine vaartuig te zien. Weldra was de kraak binnen het bereik van het lange stuk. Een witte rookwolk—en eenige oogenblikken daarna dreunde een doffe knal over de golven.
—„Te laag!” mompelde de luitenant, die alles scheen te zien.
Men zag een rookwolk aan de lijzij van de kraak opgaan en weer klonken er een paar flauwe slagen.
—„De Don wil vechten, mon capitaine!” zei luitenant Thierry. „Hij voert lichte caronnades. Maar ze worden slecht bediend!”
—„’t Zal hem niet veel baten!” meende de sieur d’Esprenay. „Ha, een goed schot!”
Weer schoot een witte rookwolk van de voorplecht der krapschuit omhoog en nog vóór men den knal van het zware stuk hoorde, zag men den grooten mast van de kraak waggelen, nog een oogenblik en het gevaarte sloeg met zijn wolk van witte zeilen over boord. Het groote schip lag reddeloos.
Een luide juichkreet ging op aan boord van den kaper. De buit kon hun niet meer ontgaan.
—„Wind! Geef wind, Seigneur Dieu!” riep de sieur d’Esprenay stampvoetend. „De Friezen gaan anders met de eer en den buit strijken.”
En inderdaad scheen zijne vrees niet ongegrond. Nog éénmaal klonk de doffe donder van den culverijn over de zee en toen schoot de krapschuit weg in de schaduw van het groote schip, en men hoorde flauw in de verte de slagen der handbussen en het gejoel van den strijd. Tamme Abels en de zijnen hadden de kraak geënterd.
—„Heeft hij gestreken?” vraagde de kapitein.
Luitenant Thierry schudde ontkennend het hoofd en wees naar de kraak. Aan den bezaansmast woei weer de Spaansche koningsvlag. De Spanjaarden wisten, wat hun wachtte en zij zouden zich tot het uiterste verdedigen.
—„Ha, eindelijk wind!” riep de sieur d’Esprenay.
De hemel was niet zoo strak blauw meer. Er vertoonden zich witte koppen aan den horizon. Een donkere streep kroop uit het Noord-Westen over het water en daarachter vertoonden zich witte koppen. De „bonne Fortune” helde licht over onder den druk van de bries.
Het fluitje van den bootsman gilde. De matrozen klommen in het want, om de raas naar den wind te brassen en de „bonne Fortune” schoot als een roofvogel op haar prooi af.
Van de stukken kon geen gebruik worden gemaakt, want op het dek woedde een hevig gevecht en men kon geen vrienden van vijanden onderscheiden, maar de marsen waren bemand en de matrozen van den kaper stonden gereed, om den vijand te enteren.
Toen men naderde, kon men den stand van het gevecht onderscheiden. Hoewel zij verre in de minderheid waren, drongen de Geuzen onversaagd, met bijlen, knevelspeten en messen op de Spanjaarden in, die zich op de achterplecht om hun kapitein hadden geschaard en zich dapper verdedigden. Weldra begonnen nu echter de busschieters uit de marsen van de „bonne Fortune” aan den strijd deel te nemen. „Le Goëland” had een van de patteraro’s op den achtersteven met schroot en gekapt lood doen laden. Hij zelf bediende het stuk en toen de kaper de kraak langs zij schoot, richtte hij het lichte kanon op de donkere groep der Spaansche zeelieden en brandde los. Op zoo korten afstand deed het schroot een verschrikkelijke uitwerking. Vele Spanjaarden vielen en de overigen geraakten in verwarring en zochten hun heil in de achterkajuit. Luid juichend drongen de Friezen vooruit en toen een oogenblik daarna de enterdreggen van de „bonne Fortune” vasthaakten in het want van de kraak en de Fransche kapers als katten over de verschansing klauterden, was de strijd spoedig beslist. De meeste Spanjaarden waren gevallen, de overigen werden ontwapend en gaven zich over. Onder een luid gejuich werd de Spaansche vlag gestreken en de overwinnaars drongen in de kajuiten en in het ruim, om den buit op te nemen.
Na eenigen tijd voegden zich luitenant Thierry, Tamme Abels en Jacob Martens bij den sieur d’Esprenay op het achterdek van de „bonne Fortune” en er werd een soort van officierenraad belegd. De buit was aanzienlijk, want de kraak was geladen met huiden en Spaanschen wijn en men had daarenboven een groote som baar geld gevonden, die bestemd was voor een der handelshuizen te Antwerpen. Indien men het schip naar een Engelsche haven had kunnen opbrengen, zou men de lading tot hoogen prijs hebben kunnen verkoopen. De kaperkapitein en Tamme Abels achtten het avontuur echter te gevaarlijk. Men was te dicht bij Duinkerken en uit die haven konden elk oogenblik gewapende schepen komen opdagen, om de stoute zeeschuimers hun prooi afhandig te maken. Er werd dus besloten, het geld en de gevonden kostbaarheden terstond te verdeelen, de lading zooveel mogelijk te bergen en dan de kraak in brand te steken.
Over de verdeeling van den buit was men het spoedig eens.
Aan de Geuzen van Tamme Abels kwam de eer toe, het vijandelijke schip het eerst te hebben geënterd en de Fransche kapitein was te edelmoedig hun die te betwisten. De zaak was spoedig tot algemeen goedvinden geregeld.
En ondertusschen had er op het dek van de kraak een droevig tooneel plaats. De gevangen genomen Spaansche matrozen stonden bleek en zwijgend op het achterdek bijeen, bewaakt door gewapende kapers en Geuzen, die de overwonnen vijanden met ruwen spot hoonden. De gevangenen wisten trouwens wat hun te wachten stond. ’t Was een ruwe tijd en volgens het oorlogsrecht op zee was er geen genade voor den overwonnen vijand, wanneer hij niet door een rantsoen zijn leven kon koopen. Eerst werden de gewonde Spanjaarden onder luid gelach en verwenschingen over boord geworpen en toen begon het laatste bedrijf van het bloedig drama. Een lange plank werd aangesleept en over de verschansing gestoken, zoodat het langste eind buiten boord stak, en de gevangenen werden één voor één genoodzaakt die noodlottige brug te betreden. Nog voor het einde was bereikt, wipte de plank en het slachtoffer stortte in het water, onder luid gejuich van zijn beulen. Sommige Spanjaarden gingen kalm en moedig den dood tegemoet, anderen smeekten om genade en moesten met de punt van de enterpieken en bootshaken de plank opgedreven worden. Sommigen hadden hun rozenkrans voor den dag gehaald en wachtten biddend tot de beurt aan hen zou komen, en dezen werden door de Geuzen hoonend naar de hostiekast in den mast van de krapschuit gewezen, waar immers hun God woonde. Weldra waren de Spanjaarden in de golven verdwenen. Men had hun „de voeten gespoeld”.
Een paar ongelukkigen, die zwemmen konden, hielden zich boven water en trachtten zelfs tegen het lage boord van de „bonne Fortune” op te klauteren, maar met pieken en handspaken werden zij terug gestooten en zonder medelijden zag men hen worstelen met den dood, tot zij uitgeput wegzonken in het woelige water.
Een jong Spaansch matroos, bijna nog een knaap, rukte zich los, toen de beurt aan hem kwam. Met een sprong was hij op de verschansing van de kraak en van daar in het want van de „bonne Fortune”. Vóór de hem vervolgende kapers hem konden grijpen, had hij het achterdek bereikt en liet zich neervallen voor de voeten van den Franschen edelman, wiens voeten hij omklemde.
—„Misericordia! Per l’amor de Dios!” gilde hij in doodsangst.
Maar een paar der Fransche matrozen, met Pieter de Welle aan het hoofd, waren hem nagerend en sleurden hem overeind.
De kaperkapitein haalde de schouders op. Jacob Martens deed een stap vooruit en sloeg onwillekeurig de hand aan den degen.
—„De Welle!” riep hij dreigend. „Laat den jongen, of...”
—„Mieke was ook nog jong!” beet de oude Geus hem onbarmhartig toe. „Voort met den Spanjool!”
De luitenant greep Jacob bij den arm.
—„Laat dat, jonker!” zei hij met gedempte stem. „De mannen zijn in hun recht en zouden u niet gehoorzamen.”
En onder luid gejuich werd het gillende en worstelende slachtoffer voortgesleurd naar de noodlottige plank.
Bleek en vol afschuw wendde Jacob zich af. Hij had mede de kraak geënterd en in het gevecht had hij zich dapper geweerd, maar deze koelbloedige moord, gepleegd op weerlooze gevangenen en gewonden, deed hem huiveren. De sieur d’Esprenay merkte het op.
—„Geen prettig gezicht, jonker Martens,” zei hij luchtig. „Maar wat wilt gij? ’t Is zóó het gebruik en het recht van de zee! En dan,—heden zij, morgen wij! Als wij in de handen van de Spanjolen waren gevallen, zouden ze ons ook niet hebben gespaard! Den strop of het water! Of in het gunstigste geval, roeien op de Spaansche galeien, met de zweep van den opzichter op onze bloote ruggen! Dat is erger dan de dood! Maar dat is het leven van den zeeman! Wij en zij, wij weten wat ons te wachten staat, als wij de zwaksten zijn. ’t Is een ruw leven,—maar ge zult er wel aan wennen.”
Luitenant Thierry en Tamme Abels kwamen rapporteeren, dat het schip was geplunderd en de buit verdeeld en zoo goed mogelijk geborgen. De kaperkapitein knikte goedkeurend. De Friezen en een paar matrozen van de „bonne Fortune” gingen met brandende lonten en oud geteerd touwwerk aan boord van de kraak. Weldra steeg uit het ruim een dunne rookzuil op. Ondertusschen had de bemanning van den kaper de enterdreggen losgemaakt. Toen allen weer aan boord waren, werd terstond afgehouden en zeil gemaakt. De beide schepen zetten koers naar het Zuid-Westen, om een der naastbij liggende Engelsche havens te bereiken, waar zij hun buit van de hand konden doen. Weldra sloegen de vlammen uit het ontredderde Spaansche schip. Als een reusachtige vuurbaak dreef het, bij het vallen van den vroegen herfstavond, op de woelige zee en de koningsschepen uit Duinkerken konden, als zij lust hadden, komen zien naar het werk der koene kapers, die bij tientallen de Noordzee en hare kusten onveilig maakten en die weldra den gevreesden naam van de Watergeuzen zouden dragen.