XIX.

Eerwaarde Vader in Gode, lieve ende veelbeminde.

Wij hebben jegenwoordelijcken ontvangen sekere brieffen van onzen Hre den Coninck, bij dewelke Z. Mt ons overscrijft, dat, gemerckt die alteratien daer-jnne zijne landen van herwaerts over gevallen zijn, die redene wel vereyscht, dat boven alle mogelijcke remedie ende order, die Z Mt in meyningen is daerinne te stellen zonder yet te sparen, men toevlucht neme aen onzen lieven Heere God ende sijne hulpe ende assistentie aenroepe. Lastende daeromme, dat wij secretelijcken souden doen bidden in alle kercken, cloisters ende anderssins, ten einde dat ons Heere God door Sijne goedertierenheyt ende bermhertichheyt die sake zulcx dirigeeren ende voirderen wille, dat die rebelle, ketters ende heretijcke gestrafft, ende die goetwillige in peyse ende ruste gestelt mogen worden, ende het heylich catholycsche geloove der Roemscher kerken geconserveert, zoe ’t zelve tot nu toe is geweest ende Z Mt sulcx boven alle zaken ter werelt begerende is, daervan wij u wel hebben verwittigen bij desen, u versueckende, in naem ende van wegen sijner Vorst. Mt wel ernstlycken, dat ghy, volgende sijne goede begeerte ende intentie, alle behoorlijcke order stellen willet, dat jn alle cloisteren, godtshuyzen, conventen ende kercken van uwen bisdomme secretelijcken oft openbaerlijcken, zoe ghij voor ’t beste aenzien zult, alomme demoedige bedingen, abstinencie, aelmoezenen, suffragien ende andere duechdelijcke ende verdienstelijcke werken, onzen Heere God aengenaem wesende, gedaen worden, ende oick processiën doen gaen mitten heyl. hooghweerdigen sacramenten, tzij in den bijvanck van huere cloisteren, godshuysen, conventen ende kercken, secretelijcken of oepenbaerlijcken alsvoiren, mit alle behoorlijcke innicheit, devotie ende solempniteit, opdat Sijne Godlicheit gelieve ons te bewaren tegens die macht, aenslagen ende invasien van de voirs. rebelle, ketters ende heretijcke, ende door sijne godlijcke gratie der Co. Mt ende sijn crijchsvolck goede prosperiteit, voirspoet ende victorie tegens deselve te verleenen, alles tot Sijner godlijcker eeren ende tot conservatie van onzen heyl. cath. geloeve der Roemscher kercken ende gantze confusie van de voors. rebelle ketters ende heretijcke.

Zoo schreef Alva den 11den Augustus 1572, namens zijn koninklijken meester, aan den aartsbisschop van Utrecht en de bisschoppen van Middelburg, Haarlem, Leeuwarden, Groningen, Deventer en Roermond en het moet den ijzeren hertog, den geduchten legeraanvoerder wel hard gevallen zijn, te erkennen, dat de „rebellen, ketters ende herelycken” in die weinige maanden zulk een macht ontwikkeld hadden, dat het gezag van den Koning van Spanje in zijne erflanden wankelde, dat de opstand op het punt was te slagen.

Het scheen, dat de plannen van Oranje ditmaal zouden gelukken. Met een leger van 13000 voetknechten en 3000 ruiters was hij bij Duisburg in de eerste dagen van Juli den Rijn overgetrokken en had hij zich gelegerd in de oude voogdij van Gelder. Venlo en Roermond werden na korten tegenstand genomen en ondanks een dreigbrief van den Keizer, die hem en de zijnen beval, de wapens neer te leggen, rukte hij voort naar Bergen, waar zijn broeder Lodewijk door de troepen van Alva belegerd werd. Zonder ergens tegenstand te ontmoeten, drong hij in Brabant door. Herenthals, Tienen en Diest openden onmiddellijk vrijwillig hunne poorten en Mechelen werd bezet. In het Noorden hadden de Spanjaarden geheel Holland moeten ontruimen en alleen Amsterdam was den Koning getrouw gebleven en uit de Vlaamsche steden, zelfs uit Brussel, bereikten Alva verontrustende berichten. En nu zou ook de zoo lang verwachte hulp uit Frankrijk komen, waar de Huguenoten aan invloed schenen te winnen. De admiraal de Coligny zou aan het hoofd van tien à twaalf duizend haakschutters zijne geloofsgenooten te hulp komen en Bergen helpen ontzetten. Het Noorden in volslagen opstand, het Zuiden bedreigd door de troepen van Oranje en Coligny,—de zaak der Spaansche tirannie stond hachelijk.

Sedert de laatste dagen van Juli diende Jacob Martens in het leger van den Prins, dat hij door Brabant heen gemakkelijk had kunnen bereiken. Den 19en Juli waren de Staten van Holland te Dordrecht bijeengekomen, Marnix van St. Aldegonde was er verschenen als vertegenwoordiger van Oranje en de Staten hadden den Prins als stadhouder des Konings erkend en beloofd, hem tegen Alva en de Spaansche troepen te ondersteunen. Zooals reeds vroeger werd opgemerkt, hadden zij echter aangedrongen op het intrekken van de commissiën ter zee, omdat de handel des lands te veel schade leed door de rooverijen der Watergeuzen. Marnix voldeed, namens den Prins, aan dit verzoek, en sedert hielden de kapers op, een wettige krijgsmacht te zijn. Vele ballingen keerden naar hunne haardsteden terug, anderen gingen met hunne schepen naar Zeeland, om de Zeeuwen bij te staan in hun strijd tegen de Spanjaarden en zij hielpen mede die eerste Nederlandsche marine vormen, die zich tot het jaar 1576 zoo duchtig in de Zeeuwsche wateren heeft geweerd. Weer anderen namen dienst bij de vendels die hunne aanvoerders, thans als hoplieden van den Prins, aanwierven om den strijd te land voort te zetten. De Watergeuzen verdwenen van de wateren der Noordzee. Zij zouden eerlang hunne opvolgers vinden in de Duinkerker kapers.

Den 22sten Juli was Lumey in de vergadering verschenen en had een commissie overgelegd van den Prins, waarbij hij werd aangesteld als gouverneur van Holland. Hij verklaarde zich bereid die post te aanvaarden en zich naar de daarbij gevoegde instructies te zullen gedragen. Waarschijnlijk was Marnix van beide stukken de overbrenger geweest. Lumey werd daarop door de Staten als de vertegenwoordiger van den Prins, als ’s Konings stadhouder erkend en voerde een korte poos het bewind in het Zuiden van Holland, ook als bevelhebber der aanwezige troepen, gelijk Sonoy in het Noorden.1

Jacob Martens wenschte echter niet onder Lumey te dienen. Met een aanbevelingsbrief van Aldegonde vertrok hij naar het leger van den Prins en werd aangesteld als cadet bij diens lijfwacht. Hij deelde in de algemeene verwachting, dat de bevrijding van de Nederlanden aanstaande was en hij hoopte Vlaanderen en zijn geboortestad Gent, die hij als vluchteling en balling had moeten verlaten, met het zegevierend leger van Oranje en Coligny binnen te trekken, om ze van het juk der Spanjaarden te verlossen. Mochten de heftigste Gereformeerden, mocht zelfs Aldegonde Oranje lauwheid verwijten op het stuk van den godsdienst, hij begreep, wat de Prins bedoelde. Vrijheid van geweten, het recht, om God te dienen naar de inspraak van zijn hart, die zouden ieder gewaarborgd zijn, als Oranje triomfeerde. Dan zou de Kerk van Christus in Vlaanderen, waar de geloovigen zich nu in vreeze voor hun leven schuilhielden, krachtig opbloeien en het Woord Gods zou vrij uit mogen worden verkondigd.

Maar, om met het Wilhelmus te spreken,

Maar de Heer van hierboven,

Die alle ding regeert,

Die men altijd moet loven,

En heeft het niet begeerd!

Het was in Gods ondoorgrondelijken raad besloten, dat het Zuiden voor de Reformatie verloren zou gaan en dat het Noorden niet door vreemde hulp en niet nu, maar eerst na bange worsteling vrij zou worden van tirannie en geloofsdwang.

Reeds was Mechelen door het leger van den Prins bezet, toen hem de tijding bereikte van wat er in den nacht van den 24sten Augustus, den beruchten Bartholomeusnacht, te Parijs was voorgevallen: de moord, gepleegd op Coligny en de argelooze Huguenoten, gevolgd door de bloedige vervolging der Protestanten in alle Fransche steden. Catharina de Medici en de Guises hadden gezegevierd, de Fransche politiek was plotseling veranderd van koers en hulp van die zijde was niet meer te verwachten.

En op die hulp van Coligny en zijne vendels, op de medewerking der Fransche Regeering in den strijd tegen Spanje, was het plan van den Prins gebouwd. De veldtocht van 1572 kan als mislukt worden beschouwd, evenals die van 1568. De verrassing van Oudenaerden, den 7den September, was het laatste succes. De Duitsche hulptroepen eischten hunne soldij en de hulpmiddelen van Oranje waren bijna uitgeput. Hij waagde nog een laatste poging om Bergen te ontzetten, maar in het gevecht bij Jemappes werden zijne troepen door de beroemde Spaansche musketiers verslagen en twee dagen later ontkwam hijzelf ternauwernood aan een koenen nachtelijken overval door Romero, aan het hoofd van 600 Spanjaarden.

Geld en levensmiddelen ontbraken, het leger was gedemoraliseerd, de onderneming moest worden opgegeven. De Prins trok af naar Mechelen en van daar naar den Rijn, dien hij bij Orsoy overstak. Hij dankte er de Duitsche huurtroepen af en behield voorloopig slechts 6 Waalsche vendels en 1200 ruiters in zijn dienst. Met die kleine legermacht trok hij door de Graafschap naar Zutfen, waar hij de Walen in bezetting liet en toen naar Kampen, om van daar naar Enkhuizen over te steken. In Holland en Zeeland, zoo schreef hij aan zijn broeder, Jan van Nassau, wilde hij den verderen kans en Gods beschikking met hem verbeiden, en zich tot het laatste handhaven, vast besloten er anders zijn graf te vinden.

Een week na den aftocht van den Prins gaf Lodewijk van Nassau Bergen aan de Spanjaarden over. Alva, die zijne troepen noodig had om zijn veldtocht tegen het Noorden te ondernemen en de oproerige gewesten tot onderwerping te dwingen, stond Lodewijk eervolle en voordeelige voorwaarden toe, die inderdaad, wat Lodewijk en zijne troepen betreft, stipt werden nagekomen. Aan de bezetting werd vrije aftocht met krijgseer toegestaan en den jongen graaf van Nassau, die ziek was en in een draagstoel de stad verliet, werd door den hertog en zijn zoon met Spaansche hoffelijkheid uitgeleide gedaan.

En thans had Alva de handen ruim. Hij beschikte over een krachtig en wel geoefend leger, waarvan de kern werd gevormd door de Spaansche vendels, die hij had medegebracht, maar dat versterkt was door Waalsche en Duitsche huurtroepen. Van Frankrijk was niets meer te vreezen. De Prins kon geen legermacht van eenige beteekenis meer tegen hem in ’t veld brengen. ’t Gold nu enkel, de afvallige steden, met hun geringe bezetting tot onderwerping te brengen en dan zou de opstand bedwongen zijn. Alva kende den invloed maar al te wel, van wat men in later tijd, ook in onze dagen de „terreur” zou noemen. Door schrik en ontzetting, door enkele steden zwaar te straffen, rekende hij er op, het verzet der andere zonder strijd te breken.

Mechelen was het eerst aan de beurt. Het zou tot een voorbeeld worden gesteld. Drie dagen lang werd de stad door de Spanjaarden uitgemoord en geplunderd, ondanks de tusschenkomst van den bisschop van Atrecht. „Oorlogsnoodzakelijkheid” zou Alva in onze dagen hebben gezegd. Het middel was afdoende, want alle steden in de Zuidelijke Nederlanden haastten zich hunne onderwerping aan te bieden en ze werden in genade aangenomen.

Toen rukte het leger, onder aanvoering van Alva en den hertog van Medina Coeli—die eigenlijk als zijn opvolger was gezonden, maar die nimmer eenig gezag heeft uitgeoefend—over Maastricht en Emmerik op naar Nijmegen, waar voorloopig het hoofdkwartier werd gevestigd. Aan Alva’s zoon, Don Fadrique de Toledo, werd nu het opperbevel toevertrouwd, om het Noorden te bedwingen.

Hij begon met Zutfen, waar de door den Prins achtergelaten bezetting een korten tijd tegenstand bood en dat daardoor het lot van Mechelen deelde. Ook ditmaal werd het doel aanvankelijk bereikt. De steden in Gelderland, Overijsel en Utrecht onderwierpen zich en werden gespaard.

En nu rukte de voorhoede van het Spaansche leger onder Romero Holland binnen. Naarden, de kleine, zwakke vesting, had zijne poorten geopend voor de gevluchte bezettingen van Kampen en Amersfoort.

Nog den 22sten November was Bossu met honderd man voor het stadje verschenen, maar de burgerij had geweigerd hem binnen te laten. Misschien rekende men er op hulp van Sonoy.

Thans, bij de nadering der Spanjaarden, zag men te laat in, aan welk gevaar men zich had blootgesteld en men trachtte den storm nog te bezweren. Twee afgevaardigden uit de vroedschap begaven zich naar het hoofdkwartier van don Fadrique te Amersfoort, om er de onderwerping der stad aan te bieden, maar ze werden niet tot den bevelhebber toegelaten. Den volgenden morgen zouden ze te Bussum het antwoord vernemen. Dit bericht bracht schepen Gerrit Pieter Aertz de bedrukte burgerij. Burgemeester Marten Laurensz, zijn metgezel, die maar al te goed begreep, wat die ontvangst beteekende, keerde niet naar Naarden terug, maar redde zich door de vlucht.

Den volgenden dag verschenen zeven afgevaardigden der stad voor Romero, die tot Bussum was voortgerukt. Zij moesten den Spaanschen aanvoerder tot voor de poort volgen, om er diens antwoord te vernemen. Men bood er hem de sleutels van de stad aan en hij beloofde op handslag den rector Lambertus Hortensius en een van diens mede-afgezanten een genadige behandeling en behoud van lijf en goed. De onnoozele burgerij meende, dat die belofte ook haar gold en zag zich jammerlijk bedrogen. ’t Is onnoodig, hier nogmaals te verhalen, wat er dien dag gebeurde. De moord te Naarden is een maar al te bekend feit in onze geschiedenis.

Weer hadden de Spanjaarden een schrikkelijk voorbeeld gesteld, om de andere Hollandsche steden te toonen, wat hun wachtte, indien zij het waagden zich te verzetten.

Van Naarden rukte don Fadrique op naar Amsterdam, de eenige stad in Holland, die Spaanschgezind was gebleven, en van daar naar Haarlem. De Geuzen trachtten op den smallen dijk naar Sparendam, waar zij een schans hadden opgeworpen, de voorhoede van het Spaansche leger tegen te houden, maar na een gevecht van drie dagen werd die schans veroverd en nu lag de weg naar Haarlem open.

Haarlem werd als de zwakste der Hollandsche steden beschouwd en don Fadrique had er op gerekend, dat hij zich gemakkelijk van de vesting zou meester maken. Het beleg, dat in het begin van December begon, zou echter acht maanden duren en Haarlems verdediging zou een roemrijke bladzijde vullen in de geschiedenis van den vrijheidsoorlog. Zelfs de ridderlijke Spanjaard de Mendoça, die zoowel krijgsman als geschiedschrijver was, brengt hulde aan den moed der burgerij. „Die moed,” zoo zegt hij, „kwam niet slechts bij de verdediging hunner wallen uit; hij toonde zich evenzeer met de grootste kracht en stoutheid bij al de uitvallen, die zij gedurende heel den tijd van ’t beleg deden. Hij openbaarde zich ook onder alle inwoners, die met hardnekkigen trots de wapens voerden; terwijl Haarlems broederschappen of zoogenaamde gilden, van de muren der stad de grootste schade aan ons volk toebrachten. Het moge als een les strekken voor ieder veldoverste en krijgsman, zijn vijand om welke reden dan ook niet te minachten, voor men hem bestreden heeft.”

Jacob Martens had den Prins op zijn tocht van Gelderland naar Holland vergezeld. Van Enkhuizen was de Prins naar Haarlem getrokken, waar hij de Staten van Holland bijeenriep. Er waren daar veel bedrukte harten, want,—het was half November—men had reeds de tijding vernomen van de nadering der Spanjaarden en men wist niet, welke maatregelen Oranje dacht te nemen voor de beveiliging en verdediging des lands. De Prins trachtte de bedrukten moed in te spreken en hij wees hun op zijn onderhandelingen met Koningin Elisabeth van Engeland. Verder wekte hij de Staten op, gelden te verzamelen voor het aanwerven van troepen, terwijl hij hun beloofde, het zijne te doen om het bedreigde Noorden te helpen. En dit was geen ijdele belofte. Over een veldleger van voldoende sterkte om de Spanjaarden te bestrijden, kon hij niet meer beschikken, maar nog had hij in Holland troepen, die in zijne soldij stonden. De overste Lazarus Muller lag te Leiden met zes vendels Duitsche knechten en ook Lumey beschikte over een kleine macht Walen en Duitschers, terwijl Sonoy de steden aan de Zuiderzee en Waterland bezet hield. Kon men de bedreigde Hollandsche steden van sterke garnizoenen en een voldoenden voorraad levensmiddelen voorzien, dan konden zij het nog lang tegen den vijand uithouden, en als de onderhandelingen slaagden, kon er binnen weinig weken hulp uit Engeland komen.

Van Haarlem begaf zich de Prins over Leiden naar Delft, waar hij zich voorloopig zou vestigen. Hij nam er onmiddellijk maatregelen om het bedreigde Haarlem te helpen, terwijl ondertusschen hopman Wigbolt Ripperda met zijne Duitschers de stad bezette. Hij vond er de vier vendels, die Lazarus Muller er als bezetting had gelaten.

Jacob Martens ontving een commissie als vaandrig bij een van de vier cornetten Waalsche ruiters, die tot de troepenmacht behoorden, waarover Lumey beschikte en hij vertrok naar Gouda, waar die mannen in bezetting lagen. Hij vond er Pieter de Welle terug als sergeant bij de batterij van zes veldstukken, waaruit Lumey’s artillerie bestond. Hij bracht zijn vroegeren admiraal de orders van den Prins over voor den voorgenomen veldtocht. De voorbereidselen moesten spoedig en doortastend worden gemaakt, want men moest Haarlem trachten te bereiken, voor de vijand de stad geheel insloot. Toch moest alles zooveel mogelijk in het geheim geschieden, opdat het plan door de „glippers” niet aan de Spanjaarden zou worden verraden.

En zoo rukte in den namiddag van den 12den December 1572 een kleine legermacht van 15 vendels Duitsche landsknechten met zes stukken veldgeschut en 100 wagens proviand en munitie van Delft op naar het Noorden om het bedreigde Haarlem te helpen. Te Leiden zou de overste Lazarus Muller zich met zes vendels Duitschers bij den troep aansluiten: Lumey zelf zou het kleine leger aanvoeren. Hij bleef echter met de vier kornetten ruiters, die deel zouden nemen aan den tocht, nog te Delft. Hij kon met zijn cavallerie het voetvolk, dat met den langen wagentrein slechts langzaam vooruit kwam, gemakkelijk inhalen. Te Leiden zou hij zich aan het hoofd stellen van de vereenigde krijgsmacht.

Lumey verkeerde in een slechte luim. Zijn wreveligheid, lichtgeraaktheid en koppige eigenzinnigheid waren in de laatste maanden nog toegenomen, sedert hij meer en meer gevoelde, dat zijn aanzien bij den Prins, de Staten en het volk was gedaald. De inneming van den Briel en de gebeurtenissen, die daar onmiddellijk op waren gevolgd, hadden den Luikschen avonturier een kortstondige glorie geschonken en hem een plaats doen innemen, die hem eigenlijk niet toekwam. Hij had in den nazomer van datzelfde jaar een mislukte poging gedaan om Amsterdam te nemen, en die mislukking zijner plannen werd aan zijn gebrek aan krijgsbeleid geweten. Wegens zijn woeste wreedheid, ook wegens den moord op de Gorcumsche geestelijken, was er een aanklacht tegen hem ingediend bij het Hof van Holland en hij was genoodzaakt geweest zich zoo goed mogelijk te verdedigen, terwijl ook zijn losbandig gedrag te Brielle een smet op zijn karakter had geworpen. Thans liet hij de regeling van den langen trein over aan de officieren van zijn staf, waaronder zich ook Jacob Martens bevond, en dezen sloofden zich af, om zooveel mogelijk orde te scheppen in den chaos.

De troepen vorderden langzaam, want de wegen waren slecht. De koude was dat jaar vroeg ingevallen en een felle vorst had de Zuiderzee en de Haarlemmermeer binnen weinige dagen in groote ijsvlakten herschapen,—gelijk de Geuzenschepen, aan de monding van het Y in het ijs beklemd, bijna tot hun schade hadden ondervonden. Daarop was een sterke dooi gevolgd, die de Hollandsche kleiwegen bijna onbegaanbaar had gemaakt, terwijl men voor de expeditie op harde wegen had gerekend. De wielen der kanonnen en die der wagens zonken weg in het slijk en met moeite trokken de sterke paarden, door de zweepslagen hunner scheldende en vloekende voerlieden aangedreven, den zwaren last voort.

Het was guur en nevelig winterweder. Een ijskoude wind gierde over de Hollandsche weiden en de donkere wolken met vuilgele randen dreigden met sneeuw.

In zijn mantel gewikkeld reed Jacob Martens langs de veldstukken, die de rij der proviandkarren vooraf gingen. Hij herkende de Welle, die de teugels van het vierspan van het voorste stuk van den onbekwamen voerman had overgenomen en zijn best deed, het kanon vooruit te krijgen, en hij reed stapvoets naast hem voort.

—„’t Doet mijn hart goed, dat wij eindelijk weer eens samen tegen de Spanjolen oprukken, jonker,” zeide de oude boschwachter, toen hij de rukkende, steigerende dieren tot kalmte had gebracht en zij weder geregeld voortstapten. „Maar,”—liet hij er op gedempten toon op volgen,—„ik verwacht niet veel goeds van dezen tocht. Ik vrees, dat wij met bebloede koppen thuiskomen, jonker!”

—„Houd op met je voorspellingen, man,” zei Jacob knorrig. „’t Weer en die vermaledijde papperige wegen zijn al genoeg, om iemand somber te stemmen. Wij hebben een flinke legermacht: een en twintig vendels, met die van overste Muller er bij. En de Spanjolen verwachten ons niet. Wij moeten Haarlem bereiken en binnen trekken, vóór zij ’t ons kunnen verhinderen.”

—„Dat is het juist, jonker,” vervolgde de Welle hoofdschuddend, „de „Bremers”—zoo noemden de Hollanders de Duitsche landsknechten—de Bremers zijn niet te vertrouwen.”

—„Hopman van Trier en hopman Kellenaar zijn geen lafaards of verraders,” viel Jacob driftig uit.

—„Battist van Trier en Hans Kellenaar zijn brave en dappere officieren,” antwoordde de Welle schouderophalend, „maar zij kunnen niet instaan voor hun volk. De Bremers zijn slecht betaald in den laatsten tijd, jonker, en zij morren en monkelen onder elkander, dat het slecht vechten is voor een verloren zaak, als ’t hun soldheeren nog aan geld ontbreekt bovendien. En dan dit ellendige weer! Een Duitscher, jonker, vecht het best, wanneer hij vol is en hoopt op een goede plundering na het gevecht. En zij weten, dat er vóór Haarlem geen andere buit te behalen is, dan harde klappen! Wij hooren soms meer in onze kwartieren, jonker, dan de officieren. Hoe het mogelijk is, weet ik niet, maar de Bremers hebben kondschap uit het leger van Ducdalf en zij weten, dat de Spanjolen al voor de stad liggen. Ze volgen nog hun hoplieden en hun vendel uit gewoonte, maar bij den eersten tegenslag gaan zij aan ’t muiten.”

De Welle zweeg een oogenblik en wijdde schijnbaar al zijn aandacht aan zijn vierspan. Toen vervolgde hij op zachter toon:

—„Dit is mijn laatste tocht, jonker!”

—„Kom, de Welle, wat een sombere gedachten!”

—„Ik weet het, jonker Jacob, en het is goed zoo! Ik weet het, alsof ik het in de Schrift had gelezen. Ik zal vallen op dezen tocht. Mieke en hare moeder roepen mij...”

De oude boschwachter zweeg een oogenblik. Toen ging hij voort:

—„Ik ben een groot zondaar! God Almachtig moge zich erbarmen over mijn arme ziel. Zoo ik niet voor eeuwig van Zijn aangezicht verstooten word, dan zal het door Zijne genade zijn en om Christus’ wille! Dat ik tegen de Spanjolen en de glippers gevochten heb, bezwaart mijn geweten niet. Maar ik heb bloedschuld op mijn ziel tegenover de papen. Ik weet, dat de Prins het heeft verboden, hun molest aan te doen en dat gij, jonker en Mijn Heer van Dorp het altijd hebt afgekeurd, als wij hen vingen en naar den Briel brachten, zooals de admiraal bevolen had. Maar wie weet, wat ge zoudt gedaan hebben, als het uw dochter, uw Mieke was geweest, die daar was gevallen in den hollen weg bij Poperingen. En ik geloofde Jan Machielsz als hij leerde, dat de papen als Amalek waren en dat men ze moest slaan met de scherpte des zwaards, en dat hij die ze spaarde een lauwe was en ongehoorzaam als Saul. En dat staat toch in de Schrift en de papen zijn zeker de vijanden der religie en van het ware Israël Gods. Maar er staat óók in de Schrift: „Mij is de wrake! Ik zal het vergelden, zegt de Heere.” Ik ben maar een arm, onwetend man. God moge mij al mijn zonden vergeven!”

„Vaarwel, jonker Jacob, want ik weet, dat dit de laatste keer is, dat ik zóó met u spreken zal. De jonker weet het, ik heb het mij wel eens verweten, dat ik u toen heb meegenomen ter groene preeke. Dat was ’t begin van alles, wat de jonker geleden heeft en hij heeft er door verloren wat hem lief was. Maar de jonker heeft er de waarheid in Christus door gevonden. Dat weet ik! En als ik buiten mijn wil tegen den jonker iets heb misdreven, laat hij het mij dan vergeven! En als hij ongedeerd uit dezen strijd komt, laat hij dan nog eens denken aan den ouden de Welle, die hem heeft leeren visschen en met den armborst schieten en paardrijden en die hem nooit heeft verlaten in ’t gevecht.”

Jacob boog zich over den hals van zijn paard en reikte den ouden Geus de hand.

—„Ik heb je niets te vergeven, de Welle,” zei hij geroerd. „Het is zooals je zegt: Door jou toedoen heb ik de waarheid in Christus leeren kennen en daar dank ik je voor. Ik zou niets ongedaan willen maken, al kon ik het. ’t Zal zeker een heet gevecht worden voor Haarlem en wij zijn beiden in Gods hand. Wij zullen elkander terug vinden, oude vriend, in de stad—of als het zijn mag in den hemel.”

De Welle vatte teugels en zweep in zijn linker en drukte krachtig de hem geboden hand van zijn jonker.

’t Was een vrij goed gedeelte van den weg geweest, een met puin hard gemaakt pad, dat langs een heerenhuizinge liep, en zoo hadden zij hun gesprek zonder stoornis ten einde kunnen brengen. Thans hield de harde weg op en een lage kleiweg lag vóór hen, zoodat de Welle alle aandacht noodig had voor zijn paarden. Ook Jacob Martens reed weder terug langs de lange colonne marcheerende voetknechten en de zwaar beladen karren. Hij moest zorgen, dat de juiste afstand tusschen de verschillende afdeelingen bewaard bleef op den moeilijken tocht. Hij dacht na over hetgeen de Welle hem had gezegd omtrent de slechte stemming der Duitsche vendels en hij besloot er met de oudere officieren van Lumey over te spreken. Wellicht waren de vendels van Lazarus Muller beter te vertrouwen, want de krijgstucht werd onder diens mannen streng gehandhaafd.

In den avond bereikte men Leiden. De troepen en het convooi trokken de stad niet binnen, maar vonden hun kwartieren in de omliggende dorpen. Lumey had met zijne Walen de stad bereikt en er zijn intrek genomen bij een der regenten. Men had na een korte rust voort moeten marcheeren, om Haarlem tegen den vroegen morgen te bereiken en de Spanjaarden te verrassen, maar Lumey wilde zijn goed kwartier in Leiden niet prijs geven en hij had er daarenboven iets te verrichten, dat geheel strookte met zijn aard.

Om te verhinderen, dat het plan aan den vijand verraden werd, liet hij alle wegen en paden, die van Leiden naar het Noorden voerden, bezetten door piketten van zijne Waalsche ruiters, die hij indertijd zelf had aangeworven en die hem trouw waren. Het Haarlemmermeer was een wijde ijsvlakte, vol wakken en gaten, waar geen glipper zich op zou durven wagen.

In den vroegen morgen voegde hij zich te Lisse bij het leger, tegelijk met de vendels van Muller, en al spoedig verspreidde zich onder de officieren en de troepen het gerucht, dat er te Leiden weder een priester was geëxecuteerd. Lumey had den eerwaarden Cornelis Musius, den biechtvader van het St. Aagtenklooster te Delft, een zeventigjarig grijsaard, doen oplichten en naar Leiden brengen, onder de valsche beschuldiging, dat hij heulde met den vijand. Na een schijnverhoor was de vrome en geleerde priester er gemarteld en opgehangen2, vóór het bevel van Oranje, om hem onmiddellijk in vrijheid te stellen, was aangekomen.

Terwijl Lumey op het kerkhof te Lisse, bij het licht van eenige pekkransen en lantaarns zijn officieren raadpleegde, ontstond er plotseling eenig rumoer. Een jonge boer drong door de soldaten, die hem wilden tegenhouden en wierp zich voor den bevelhebber op de knieën, terwijl hij luidkeels zich beklaagde en om recht schreeuwde.

Driftig over de onverwachte stoornis wendde Lumey zich om en vestigde zijn felle zwarte oogen op den jammerenden dorpeling, in de hoop, dat deze hem de een of andere tijding bracht, die hem van nut kon zijn. Hij kon echter den tongval van den boer niet verstaan en wenkte een van de Hollandsche officieren, om diens woorden te vertolken.

En nu kwam Harm Harmsen, visscher en landbouwer, en stoutmoediger dan zijn dorpsgenooten, die den moedwil van het krijgsvolk stilzwijgend en onderworpen hadden verdragen, met een stroom van klachten. De soldeniers hadden zijn huisgerijf stuk geslagen, de twee koeien en zijn hoenders geroofd en geslacht en hem en zijne vrouw mishandeld. Hij wilde recht, schadeloosstelling en bestraffing der roovers.

Zoodra Lumey begrepen had, wat de boer wilde, keerde hij zich met een ongeduldig schouderophalen af. Voor zulke klachten was hij doof! Toen de boer aanhield, fronste hij de wenkbrauwen en greep in zijn langen baard en de officieren stieten den man ruw terug en wenkten de soldaten, dat zij hem van het kerkhof moesten drijven. Er lag een zeker medelijden en ruwe goedhartigheid aan deze schijnbare hardheid ten grondslag, want zij kenden Lumey: was de boer nog een oogenblik langer gebleven, dan had hij hem zeker laten ophangen.

Buiten den kring van het rosse toortslicht stond Harm Harmsen en kookte van machtelooze woede. Daar stonden zij, de vreemde soldeniers, die hem hadden beroofd en mishandeld en die harige, zwarte duivel, die hem geen recht had willen verschaffen, was hun opperhoofd. Wat raakte hem, Harm Harmsen, de strijd om de vrijheid, de zaak van den Koning en van den Prins. Hij wilde rustig leven op zijn kleine boerderij en visschen in zijn schuit op de Meer en hij wilde niet bestolen worden. Hij had om recht gevraagd en zij hadden hem weggestooten en hem met slagen en schoppen weggedreven. Hij had de oranje-sjerpen en de veldteekens om de armen der soldeniers wel herkend. Het waren de knechten van de Geuzen. En zij waren sterk en zij hadden hunne wapens en hij was alleen, zonder ander wapen dan zijn visschersmes. Hij was er vlug genoeg mee, als ’t op bekkesnijen met zijns gelijken aankwam,—maar op hen kon hij zich niet wreken. En toen flitste hem een gedachte door het brein. Kòn hij zich niet wreken? Die daar gingen naar Haarlem, dat door den Spanjool werd belegerd, om de stad te ontzetten. Zooveel had hij wel uit de woorden der soldeniers begrepen. Harm Harmsen hield niet van den Spanjool. Hij haatte de soldaten van beide partijen. Maar deze hier hadden hem bestolen en geslagen en die daarginds zouden hem misschien met goede Philipsdaalders zijn verlies vergoeden, als hij hen waarschuwde, dat de Geuzen hen op ’t lijf kwamen vallen...

Harm Harmsen verliet het kerkplein en begaf zich naar zijn huis, dat niet ver van den oever lag. Hij kwam er uit met zijn schaatsen en een langen polsstok. Alle wegen, die van Lisse naar Sassenheim en verder leidden, waren door de ruiters bezet, dat wist hij wel.

Maar de Meer...?

Hij wist, dat het ijs door den sterken dooi hoogst gevaarlijk was, vol wakken en zwakke plaatsen. ’t Was levensgevaarlijk er zich op te wagen en hij zou den grooten plas ook nooit durven oversteken naar Haarlem. Maar hij kon dicht langs den oever rijden, waar hij het ijs kende en hij nam zijn polsstok mede. Zakte hij door het ijs of reed hij in een wak, dan zou die zijn redding zijn. En hij behoefde slechts door te rijden naar Bennebroek. Dan kon hij over de slooten en de weilanden het Spaansche kamp bereiken, dat onder Overveen lag.

Het pad door de dichte rietbosschen, dat hij blindelings kon vinden, was spoedig bereikt. Daar lag de Meer voor hem, althans hij wist, dat die daar moest zijn, want hij had zijn schuit gevonden, die hij voor weinige dagen op den oever had getrokken. Vlak voor hem zag hij even het natte ijs, grauw wit in het flauwe schemerlicht. Er begonnen enkele sneeuwvlokken te vallen. De tocht over het wrakke ijs was gevaarlijk, levensgevaarlijk! Harm Harmsen wierp een blik achter zich. Hij zag het licht der pektoortsen in het dorp over het riet heen, hij hoorde het gerucht van stemmen, het knarsen van de wielen, het kletteren van wapenen. Wraakzucht en begeerigheid wonnen het: hij bond zich de schaatsen aan.

En Lumey en de zijnen vermoedden niet, dat daarginds door de dichte morgennevels de verachte boer zich heenspoedde naar het Spaansche kamp, om hunne plannen aan den vijand te verraden.

De troepen trokken van Lisse op Sassenheim en van daar op Hillegom aan, thans in marschorde en gereed voor den strijd. Eerst kwamen de vier kornetten Waalsche ruiters, gewapend met speer en langen houwdegen. In hun midden reed Jacob Martens, op zijn post als vaandrig, het Oranje-blanje-bleu vaandel, met de wapenspreuk „Pro Rege, Lege et Grege”, in de rechterhand. De stok van den standaard rustte in een lederen koker, die aan de rechterzijde van den zadel was bevestigd en het dragen vergemakkelijkte. Hij droeg de breede sluiersjerp als teeken van zijn rang over den rechterschouder. Achter de ruiters kwamen de zes veldstukken met hun twee ammunitiewagens en de bedienende manschappen op de wagens en de affuiten of te voet. Daarop volgden twintig vendels Duitsche knechten, onder hunne hoplieden, gewapend met hun lange pieken en met rapieren, met twaalf busschieters met hunne vuurroeren op elk vendel. Dan kwam de eindelooze rij der honderd karren, beladen met mond- en krijgsbehoeften, en een laatste vendel sloot den trein.

Het was guur en mistig weder. De sneeuw, die den vorigen dag had gedreigd, begon in groote vlokken te vallen en maakte het voortgaan op den drassigen weg nog moeilijker.

De trage wintermorgen begon aan te breken, maar de mist bleef hangen, een koude, verkleumende mist, die door de mantels en de gevoerde wambuizen drong en de krijgslieden deed huiveren. Stom en zonder geestdrift, hier en daar vloekend en grommend, trokken de vendels voort.

Voorbij Hillegom boog de weg zich links en het landschap werd houtrijker. De weg liep langs den duinrand. De binnenduinen waren met dicht houtgewas, eiken en beuken, begroeid, en ook langs de rechterzijde van den weg strekte zich een bosch uit van beuken en lage berken.

Een hooge en steile duinwand,—de Welige Berg heette hij in den volksmond, om zijn dicht houtgewas—strekte zich nu uit links van den weg. De boomen waren natuurlijk bladerloos en slechts met eenig dor loof bedekt, maar ze stonden zoo dicht op elkander, dat ze, vooral op een neveligen winterdag, een goede dekking aanboden, aan wie er zich zou willen verschuilen.

Een kleine afdeeling ruiters, die als verkenners een paar honderd ellen vooruit reden, had niets verdachts bemerkt. Het eenzame winterlandschap scheen uitgestorven. De nevel en de sneeuw maakten, dat men alleen de naastbij zijnde voorwerpen kon onderscheiden.

En plotseling, toen de ruiterij en het geschut langs den hoogen duinwand trokken, flikkerde het rood door den mist tusschen het geboomte van het duin en den boschrand. Zware schoten dreunden door de stille winterlucht en een hagelbui van kogels viel neer op de voorhoede van het kleine leger. Paarden en ruiters stortten neder en de spits van den troep was in een oogenblik in verwarring.

Want Harm Harmsen had zijn doel maar al te goed bereikt. Het broze ijs had hem gedragen en hij was met een zucht van verlichting te Bennebroek aan wal gestapt en had zich de schaatsen afgebonden. Hij had nu een grooten voorsprong op het Geuzenlegertje gekregen, maar hij gunde zich geen rust en trok, met zijn polsstok gewapend, over half bevroren slooten en weilanden tot hij het Spaansche kamp bereikte. Ten Zuiden van Haarlem lag Noircarmes met zijne Walen. Toen men hem berichtte, dat er een boer gevangen was genomen, die tijding scheen te willen brengen, liet hij Harm voor zich komen en door een tolk ondervragen. Daarop reed hij spoorslags naar don Fadrique, om hem het bericht te brengen van den voorgenomen aanval, dien men inderdaad niet vermoedde.

Maar don Fadrique de Toledo en Noircarmes waren beter krijgsoversten dan Lumey, die zoo vast op het gelukken zijner verrassing had gerekend, dat hij geen veldontdekkers vooruit had gezonden om het terrein en den weg te verkennen.

Don Fadrique had terstond zevenhonderd van de beroemde Spaansche haakschutters met hunne nieuwerwetsche, zware musketten gezonden, om zich op een geschikte plaats in hinderlaag te leggen en de Geuzen op te houden. Noircarmes rukte hen terstond achterna met een sterke afdeeling voetvolk en eenige ruiters.

De Spaansche officier, die de haakschutters aanvoerde, had zijne maatregelen goed genomen. Hij had zijne manschappen zoo opgesteld, dat zij den weg bestreken, die Lumey’s vendels moesten volgen, terwijl zij, verscholen tusschen het hout, voor de Geuzen onzichtbaar waren. ’t Laden van een musket was niet het werk van een oogenblik, maar de Spaansche veteranen wisten toch een geregeld vuur te onderhouden, dat de aangevallenen in verwarring bracht.

Lumey bevond zich te Hillegom in een boerenhoeve, waar hij zich warmde bij een groot vuur op de haardplaat, toen hij het vuren aan de spits hoorde. Hij liet zich dadelijk het harnas aangespen, dat hij had afgelegd, en rende met de ruiters, die tot zijn lijfwacht behoorden, naar het tooneel van den strijd, terwijl hij de hoplieden der Duitsche vendels, die hij voorbij snelde, toeschreeuwde, met hun mannen de Spaansche scherpschutters uit hunne schuilhoeken te verjagen. Maar zijne bevelen kwamen te laat. De verraste ruiters, waarvan er reeds een aantal gevallen waren, weken terug voor het Spaansche musketvuur, reden de artilleristen overhoop, die vergeefs hunne stukken in batterij trachtten te brengen en brachten verwarring in het eerste vendel der Duitsche voetknechten. En toen gebeurde wat de Welle had voorzien. De „Bremers” wierpen de pieken weg en sloegen op de vlucht, zonder op de bevelen hunner officieren te letten. De voerlieden, die de wagens begeleidden, sneden de strengen der paarden door, sprongen er op en vluchtten er mede, voor zoover hun die niet door de soldaten afhandig werden gemaakt. Weldra ontstond er een wilde paniek en het was de officieren onmogelijk, de vluchtenden te doen stand houden.

Aan het hoofd van zijn lijfwacht en van de weinige ruiters, die hem volgden, vocht Lumey als een razende tegen de Spanjaarden, die nu uit hun dekking te voorschijn kwamen. Twee paarden waren reeds onder hem doodgeschoten. Een zijner lijfwachts gaf hem het zijne. Toen, vreezende, dat hij van de zijnen zou worden gescheiden en gevangen genomen, wendde hij den teugel en vluchtte met de ruiters, die waren overgebleven.

En in de verwarring merkten de vluchtenden niet op, dat de vaandrig, die dapper had stand gehouden, niet bij hen was.

De plaats van den vaandrig was bij de lijfwacht van den bevelhebber, en die stond bij de boerderij geschaard, waar de staf te kwader uur zich had opgehouden. Met het Oranje-blanje-bleu-vendel in de vuist had Jacob Martens zich met Lumey aan het hoofd van den troep gesteld en was met hem naar de spits der colonne gerend, om de aanvallende Spanjaarden het hoofd te bieden. Hij vond er een onbeschrijflijke wanorde. De mannen, die het geschut bedienden en die hadden getracht de veldstukken op het terrein naast den weg in batterij te brengen, werden door de terugwijkende ruiters vertrapt of door de kogels der Spanjaarden gedood. Jacob zag het lijk van de Welle, hangend over een der kanonnen, dat in een greppel was gestort. Het voorgevoel van den ouden Geus had hem niet bedrogen. Hij was door een Spaanschen kogel getroffen, toen hij trachtte het stuk te redden, waarvan de bespanning schichtig was geworden. De paarden lagen thans dood voor het onbruikbaar kanon.

Jacob wierp een blik van deernis op zijn trouwen metgezel, maar het was thans de tijd niet om aan de gevallenen te denken. Naast Lumey, die zijn ruiters toeschreeuwde, stand te houden, hield hij het vaandel hoog, onder het moordend vuur der Spaansche haakschutters. En even vóór dat de aanvoerder der Geuzen vluchtte, was zijn paard door een kogel getroffen en was het doodelijk gewonde dier neergestort.

Dit gebeurde op een open plek tusschen het hout, ter zijde van den weg, want daar had Lumey getracht het bosch binnen te dringen, om de haakschutters uit hun verdekte stelling te verjagen. Zoo kwam het, dat geen der vijanden hem had zien vallen. Zij hadden zich anders gehaast, zich meester te maken van het vaandel.

Hij was met het hoofd op een boomwortel terecht gekomen en een poos lang lag hij bewusteloos. Toen hij weer bijkwam, was het gevecht bij den Weligen Berg geëindigd. De Spaansche haakschutters waren uit het bosch en van het hooge duin te voorschijn gekomen en vervolgden de vluchtende Duitschers, die hier en daar nog tegenstand boden. In de verte vernam hij het gejoel van den strijd en van tijd tot tijd klonk nog een enkel schot. Op den weg hoorde hij den galop van een afdeeling ruiterij. De ruiters kwamen van den kant van Bennebroek en Jacob begreep, dat het vijanden waren, die zich haastten om aan de vervolging deel te nemen en het convooi te plunderen.

Zijn linkerbeen lag beklemd onder het doode paard. Met moeite slaagde hij er in zich te bevrijden. Toen hij wilde opstaan, voelde hij, dat zijn been gekneusd was en dat hij slechts met moeite kon voortstrompelen.

Hij wist, dat het einde nabij was. Nog weinige oogenblikken en de Spanjolen zouden het bosch doorzoeken om de gevallenen te plunderen en de gewonden af te maken. Hij zou zich niet overgeven. De krijgsmanseer verbood het. Het was de plicht van den vaandrig vóór alle dingen het vaandel te redden. Kon hij het niet, dan gaf hij het niet over dan met zijn leven.

Hij keek rond naar een plaats, die hem eenige beschutting kon bieden, want zijn been deed hem pijn. De sneeuw viel nu minder dicht, en tegen den middag was de mist opgetrokken. Dicht bij den weg zag hij den bouwval van een kleine kapel, waarschijnlijk in den tijd van den beeldenstorm verwoest, want door de sneeuw glansden de bladeren van donkergroene klimop, waarmee de half ingestorte muren waren begroeid. Eén stuk muur stond nog overeind. Een goede plaats voor den laatsten strijd.

Jacob Martens raapte het vaandel op en op de schacht geleund, strompelde hij naar den bouwval. Hij leunde tegen den muur en liet het gekwetste been op een stuk hardsteen rusten, een brok van den vroegeren drempel van het gebouwtje. Toen sneed hij met zijn ponjaard het vaandel van de schacht en sloeg zich het doek om de schouders. Wie het wilde veroveren, kon het komen nemen, met zijn leven: zoo gebood het de eer van den vaandrig.

’t Zou niet lang meer duren. Er klonken ruwe stemmen in het bosch. De voorhoede van het voetvolk van den Spanjool was nu ook aangekomen en drong langs den weg en door het hout vooruit.

’t Was een vreemd gevoel, daar alleen te wachten op den dood, die komen ging. Jacob voelde geen vrees, alleen een zeker vreemd gevoel van nieuwsgierigheid, hoe het laatste oogenblik zou zijn. Men zegt, dat een drenkeling, in de laatste oogenblikken vóór den dood, zijn geheele leven aan zijn herinnering voorbij ziet gaan. Zoo ging het ook hem in die weinige minuten. Een reeks bonte tooneelen ging aan zijn geestesoog voorbij. Hij zag zich weer bij de Geuzen, op het Fransche kaperschip, bij de Boschgeuzen. Hij doorleefde weer het afscheid van Madeleine en de lange uren in den donkeren kelder. Hij was weer in het ouderlijk huis en hij zag zijn vader en moeder, zijn zuster en Madeleine, die hij allen liefhad en nu... Waar was dat alles heen? En wat scheen het lang geleden! Toen, plotseling, zag hij zich weer aan de havenkade te Gent, en hij zag er de roode kar van den beul en het bleek gelaat der martelaresse met haar stille, lijdende oogen en hij hoorde weer de zware, vermanende stem opklinken uit de omstanders: Syt getrouwe tot in den doet, ende ick sal u geven die crone des levens!

Zoo was het, ja! Getrouw tot in den dood!

Getrouw aan de zaak der vrijheid des lands, getrouw aan de zaak van het Evangelie, gezuiverd van menschenvonden, getrouw aan de goede zaak, door de edelsten en besten gediend, door onverstand geschaad, door dweepzucht en wreedheid bezoedeld,—maar toch de zaak Gods. Die zaak had hij gediend en daarvoor stierf hij. Getrouw tot in den dood!

Nu zou het oogenblik spoedig daar zijn. Bidden? Ja, nog bidden voor hen, die hij liefhad en die wel niet eens zouden weten, hoe en waar hij gevallen was. Een kort gebed: God kende toch zijn hart! En dan een laatste bede voor zich zelf. Jacob Martens beval zijn ziel aan God.

En nu was het gekomen. Ruwe stemmen, luide vloeken in het Spaansch en het Fransch. Twee mannen, met den rooden veldstrik van Spanje om den arm, kwamen op den bouwval toeloopen: een reeds bejaard sergeant van de Spaansche musketiers en een Waalsche voetknecht, gewapend met zijn pertuisane.

Jacob trok den degen en wachtte den aanval af.

De beide mannen bleven een oogenblik als verbijsterd staan. Die bleeke jonge man, met het vaandel over de schouders en de breede oranje sluiersjerp over de borst—wat deed hij in dien ouden bouwval?

Toen slaakten zij een kreet van blijdschap en triomf. Het Geuzenvaandel! Zij zouden het buit maken. En de eer en de belooning zouden voor hen zijn.

De sergeant was de voorste. Hij zwaaide zijn korten hellebaard, het teeken van zijn rang als onderofficier, en riep den Geuzenvaandrig in goed Spaansch toe, dat hij zich zou overgeven. Jacob verstond hem. Hij schudde het hoofd en met den degen in de rechter- en den ponjaard in de linkervuist, wachtte hij den vijand af.

De Spanjool drong op hem in, maar het was of hij geen gebruik wilde maken van het voordeel, dat zijn wapen hem schonk. Hij zag wel, dat zijn tegenstander gewond was en zich moeilijk bewoog en hij spaarde hem. Misschien voelde de veteraan eenig medelijden met zijn jeugdigen tegenstander, misschien wilde hij de eer hebben, een officier der Geuzen levend gevangen te nemen. Hoe dit zij, hij vergenoegde zich met de stooten van Jacob te pareeren, en wachtte op een goede gelegenheid om hem te ontwapenen.

De Waalsche soldenier begreep niets van die edelmoedigheid. Waarom sloeg de Spanjool niet toe? De buit was immers voor het grijpen? Daar naderden reeds andere knechten en ten slotte zou men nog de belooning moeten deelen. Als de Spanjool aarzelde, dan...

Hij velde de lange pertuisane en op het oogenblik, dat Jacob een stoot van den hellebaard met zijn ponjaard pareerde, stiet hij hem de lange, stalen punt onder den linkerarm in het lijf.

Jacob Martens zonk achterover tegen den muur; de degen ontviel aan zijn hand. Het lange ijzer van de piek had hem het hart doorboord. Hij was onmiddellijk dood.

Met een vloek wierp zich de sergeant op den gevallene om zich van het vaandel meester te maken, maar de piekenier trachtte het hem te ontrukken. Andere Waalsche knechten waren naderbij gekomen, en kozen de partij van hun landgenoot tegen den Spaanschen onderofficier en de twist dreigde in een bloedige vechtpartij over te slaan.

Er klonken hoefslagen op den weg. Een officier van Noircarmes, met de roode sjerp over het blinkend kuras, reed nader met een afdeeling ruiterij. Zij waren gekomen, om de veroverde veldstukken in veiligheid te brengen.

De luide stemmen der twistenden trokken de aandacht van den officier en hij reed nader. Het was Thierry de St. Foy.

Met een paar woorden besliste hij het geschil. De twee mannen, die het vaandel hadden veroverd, zouden het samen aan den Spaanschen bevelhebber brengen en de belooning deelen. Toen wierp hij een onverschilligen blik op den doode en een oogenblik was er een spoor van ontroering op zijn bleek, koud gelaat. Hij had Jacob Martens herkend.

Thierry hield nog een oogenblik zijn paard in en staarde op den vriend van zijn jeugd, den dwazen, edelmoedigen Jacob, die alles had opgegeven, om de zaak der verdrukten te dienen, en die nu gevallen was, zonder roem, in een onbeteekenende schermutseling, strijdende voor een verloren zaak. Terwijl hij, Thierry de St. Foy...

—„Hij moet begraven worden!” beval hij kortaf zijn soldeniers.

Toen reed hij langzaam heen.

De Walen hadden er niet veel lust in, een graf te delven in den harden grond, waarvan alleen de bovenste laag ontdooid was. Toch durfden zij het bevel niet ongehoorzaam zijn. Zij maakten zich meester van de wapenrusting van den doode en van alles, wat eenige waarde voor hen had. Toen stieten zij met hunne pieken het wrakke muurwerk omver en bedolven het lijk onder het puin.

’t Was al mooi genoeg voor den Geus, vonden zij.

En Jacob Martens bleef achter in zijn naamloos graf, de Nederlander, die alles had prijsgegeven voor de vrijheid van zijn land en voor de goede zaak: zijn ouders, zijn toekomst, zijn bruid en nu ook zijn leven.

En Thierry de St. Foy reed met de veroverde kanonnen naar het Spaansche kamp en hij kwam er terug als overwinnaar, hij, de Nederlander, die zich aan den vreemdeling had verkocht voor eer en goud, hij, de benijde echtgenoot van de schoone en rijke Madeleine de Bette, van wier schoonheid en... coquetterie heel Brussel sprak, hij, die de wapenen voerde tegen zijn verdrukte landgenooten.

Wie van beiden was de gelukkigste?

De vroege winteravond begon te vallen en de Spanjolen en Walen keerden juichend met hun buit en hun gevangenen naar het kamp terug.

Toen zij weggetrokken waren, slopen de arme boeren uit de omliggende dorpen naderbij, om zich meester te maken van wat er nog van het vernielde convooi was overgebleven. Er waren er, die het hooge duin beklommen, om de aftrekkende troepen na te oogen. Zij konden in de verte de donkere massa onderscheiden van het ten ondergang gedoemde Haarlem, waarop de oude St. Bavo somber en ernstig neerzag, en de vuren der belegeraars te Overveen.

Tegen den avond was het weder helder geworden en het laatste licht van den zonsondergang verlichtte nog even de hooge toppen,—als een belofte van een betere toekomst aan de arme, door den vreemdeling vertreden Nederlanden.


1 Men heeft er den Prins een verwijt van gemaakt, dat hij Lumey, den moordenaar der Gorcumsche priesters, tot zijn vertegenwoordiger benoemde. Evenwel ten onrechte. De aanstelling is niet gedateerd, maar de daarbij gevoegde instructie is van 20 Juni. Toen was Gorcum zelfs nog niet in de handen der Geuzen. ’t Is niet waarschijnlijk, dat Oranje reeds den 22sten Juli bericht had ontvangen, van hetgeen er in den Briel was gebeurd, maar al ware dit wel het geval geweest, dan zou het zeer moeilijk zijn geweest, de aanstelling ongedaan te maken. Lumey stond aan ’t hoofd van een aanzienlijke krijgsmacht; de steden aan de Maas waren in de handen van zijn Watergeuzen. Bij het heftigste en roerigste deel van zijn volgelingen stond hij in hoog aanzien en zeker zou hij zich niet zonder meer van zijn post hebben laten ontzetten. Ernstige verdeeldheid onder de aanhangers van Oranje zou op dat oogenblik noodlottig zijn geweest voor de zaak der vrijheid. In Januari 1573 werd Lumey, na nieuwe daden van wreedheid en verzet, gevangen genomen en van zijne waardigheden vervallen verklaard. Hij bleef in hechtenis, eerst op ’t kasteel van Gouda, toen op het slot Honingen bij Rotterdam, eindelijk op het fort Rammekens in Zeeland. Toen vertrok hij naar Aken. Zijne houding was na 1573 zeer dubbelzinnig. Waarschijnlijk heulde hij met de Spanjaarden. Hij stierf aan de gevolgen van een slecht verzorgde wond, volgens sommigen aan den beet van een dollen hond. 

2 Cornelis Musius is eigenlijk den 10den December te Leiden ter dood gebracht, doch zeer zeker op bevel van Lumey.