VI.

Bij het uitbreken van het oproer, bij het vernemen van het stoutmoedig optreden der beeldstormers was de Landvoogdes eerst radeloos geweest. Zij vreesde het ergste; zij had zelfs uit Brussel willen vluchten en slechts met moeite, bijna met geweld, hadden Oranje, Egmond, Hoorne en Viglius haar kunnen bewegen, van dien stap af te zien. Toen had zij, bevreesd voor den omvang der oproerige beweging, bewilligd in een verdrag, waarbij de plakkaten werden geschorst en de openbare prediking aan die van de Nieuwe Religie werd toegestaan. En inderdaad, wat de Regeering op dat oogenblik door geen geweld van wapenen had kunnen verkrijgen, het werd door dit besluit als met een tooverslag bereikt. De oproerige bewegingen hielden op. De Geuzen legden de wapenen neder en de mannen van Vlaanderen en Brabant keerden tot hun dagelijkschen arbeid terug. Zij wilden niet opstaan tegen hun Landsheer. Zij verlangden slechts vrijheid, om hun God te dienen naar de inspraak van hun geweten, zonder voor zichzelf en voor hun dierbaren te moeten vreezen voor de gehate Inquisitie, voor kerker en schavot.

Wat ook misschien in die dagen van woeling de politieke bijoogmerken mochten zijn van de leiders der beweging, het volk deed niet aan politiek. Het vroeg slechts naar datgene, wat het het naast aan het hart lag,—waarop het een heilig recht had. En in een lange en bange worsteling heeft dat volk bewezen, dat het voor dat recht alles veil had!

Maar toen Margaretha van Parma zag, dat de storm voor het oogenblik was bezworen, herademde zij, en weldra bleek het, dat zij zou doen, wat zij kon, om aan de bepalingen van het haar afgedwongen verdrag te ontkomen. De beeldstormers werden overal met de grootste gestrengheid vervolgd,—dit was te begrijpen—maar ook de bepalingen omtrent de vrije prediking des Woords werden niet nagekomen. Overal, waar men er kans toe zag, werd den Hervormden de voet dwars gezet.

En ondertusschen wapende zich de Landvoogdes om een tweeden opstand met geweld te kunnen onderdrukken. Zij nam troepen in dienst, die onder aanvoering stonden van hare getrouwe aanhangers, en zij schreef aan den Koning, dat hij toch spoedig zou komen om den oproerigen geest der landzaten voorgoed te fnuiken...


Met een bedrukt hart zat Vrouwe Martens in haar bidvertrek.

Zij was in zware zorg. Het was haar spoedig genoeg ter oore gekomen, dat haar zoon zich had bevonden onder de beeldstormers van St. Bavo. De Hoog-baljuw had het den president zelf meegedeeld: zijn spionnen hadden Jacob Martens gezien; zij hadden ook gezien, hoe hij, in gezelschap van den beruchten ketterschen predikant Junius, de hoofdkerk had verlaten. Op de hevige verwijten, die men hem had gedaan, had Jacob geantwoord, dat slechts een begrijpelijke nieuwsgierigheid hem naar buiten had gedreven, dat hij aan de beeldstormerij geen deel had genomen en dat hij die woeste uitspattingen der vernielzucht zeer zeker niet goedkeurde. Zijn ouders hadden hem nauwelijks geloofd in hun angst en hun opgewondenheid,—en voor dien angst was er reden genoeg. Vrouwe Martens wist van haar man, dat de Regeering, een oogenblik onthutst, weldra weer moed had gevat, toen zij zag, dat de beweging geen verdere gevolgen had, en dat zij zich gereed maakte voor een vreeselijke wraakoefening. Zij kon het doen, want het aantal der ontevreden edelen, ontnuchterd en verschrikt door de gevolgen van hun verzet, hadden de zaak der vrijheid verlaten en zich aan hare zijde geschaard. Zelfs Egmond, de stadhouder van Vlaanderen,—een der „drie Heeren”, die het de Landvoogdes soms zoo bang maakten,—stemde in met de plannen voor een geduchte strafoefening en zou eerlang persoonlijk zijn gewest bezoeken, om er de vervolging der schuldigen te leiden.

Hoe gemakkelijk kon Jacob in die vervolging worden betrokken! Ja, wat meer was, hij was schuldig volgens de plakkaten, door zijn omgang met Junius, die zelfs bij de Moderatie buiten de wet was gesteld. Welke gevolgen zou dit alles hebben voor Jacob zelf? En ook voor zijne ouders?

En meer dan dit alles kwelde de vrome Katholieke de angst om het zieleheil van haar kind, haar bittere smart, dat hààr kind, hààr zoon was afgedoold van de immers toch alléén zaligmakende Moederkerk, dat het besmettelijk euvel der ketterij ook hem had aangetast en dat hij voor eeuwig verloren was. Zij had hem lief, op hare wijze, een liefde, die zich nimmer toonde in eenig zacht of liefkoozend woord, die zij immer zorgvuldig verborg, als een zwakheid, die zij zich schaamde, maar toch een echte, sterke liefde, die er niet voor zou hebben geschroomd, om haar eigen zaligheid te verbeuren, als zij er die van haar zoon mee had kunnen koopen. Vele uren had zij doorgebracht op haar bidstoel; tallooze malen gleden de kralen van haar rozenkrans door hare vingeren, als zij de Moedermaagd, haar bijzondere patronesse, smeekte, om haar zoon terug te voeren van zijn doolweg, om hem te redden van de eeuwige pijnen der hel, om hem te behoeden ook voor de gevolgen zijner dwaasheid in de naaste toekomst, voor het zwaard van den beul misschien!

Ook ditmaal was zij weder verzonken geweest in het gebed, maar het had haar geen troost gebracht. Droevig staarde zij naar het Mariabeeld: de Moeder Gods moest toch weten, wat in haar omging, zij, die zelve van zoovele smarten was doorstoken, aan den voet van het Heilige Kruis.

Zij had haar nood geklaagd aan haar biechtvader, den goeden, ouden pastoor der St. Jacobskerk, maar de grijsaard had haar niet veel troost kunnen geven, en haar slechts opgewekt tot vurig gebed en—berusting. En berusting was wel het moeilijkst voor een natuur als die van Vrouwe Martens.

Plotseling staarde zij strak voor zich uit. Een licht rood kleurde haar bleeke wangen. Een gedachte was in haar opgerezen, die redding kon brengen: dat was eene verhooring van haar gebed, eene ingeving van de Heilige Maagd!

Zij zou zich wenden tot den geleerden en vromen prior van het Dominicaner klooster. Vader Anselmus, een man, die gezien was bij hoog en laag, om zijn edel hart en zijn kloek verstand, en van wien slechts de inquisiteur Titelman en zijn aanhangers beweerden dat hij te laks was in zijn ijveren tegen de ketters.

Vrouwe Martens kende den prior. De eerwaardige man, die anders zijn studeercel zelden verliet, had haar en haar echtgenoot enkele malen bezocht, om te spreken over zekere landerijen van het klooster, welke grensden aan een stuk land van den president. Zij had toen een goeden indruk ontvangen van de kalmte en het beleid, waarmede Vader Anselmus de zaken behandelde. Later had hij zijn bezoek herhaald; er was toen ook gesproken—kon het wel anders?—over den toestand des lands, en hoewel de vurige ziel van Vrouwe Martens geen vrede kon hebben met de rustige beschouwingen van den ouden priester, die haar halfheid en lafheid toeschenen, een weifelaar slechts waardig als Hopperus, toch had zij als goede Roomsche een diepen eerbied voor zijn priesterlijk ambt en geestelijke waardigheid. Wellicht gevoelde zij, dat hij de afdwalingen van haar zoon zachter zou beoordeelen dan zij zelve het vermocht.

Snel stond zij op. Na zich als een goede huisvrouw overtuigd te hebben, dat Klaartje en Madeleine, zoowel als hare dienstboden, het haar opgedragen huiswerk inderdaad behoorlijk volbrachten, hing zij haar huik om en verliet het huis. ’t Was stil op straat, een doodsche, leege stilte, na de opgewondenheid van weinige dagen geleden. Het was of Gent, na de woeste oproerkreten en de uitspattingen van den beeldenstorm, verschrikt over eigen roekeloosheid, thans sidderend den slag afwachtte, die dreigde, dreigde—en maar al te spoedig en te onbarmhartig zou treffen.

Vrouwe Martens had weldra het klooster der Dominicanen of Predikheeren bereikt: een statig gebouw, aan den waterkant van de gekanaliseerde Leye, die hier langs steenen kaden door de stad stroomde. Zij noemde haar naam aan den broeder-portier, en weldra stond zij in de kloosterbibliotheek tegenover den prior.

Zij begon haar verhaal, eerst stroef en kort,—maar de meewarige blik van den grijsaard, die haar lijden begreep, boezemde haar vertrouwen in en maakte haar tong los. Tranen, heete tranen van smart en teleurstelling, vloten de fiere vrouw langs de wangen; zij sidderde voor het eeuwig heil van haar zoon, maar niet minder haast leed zij, onder de krenking van haar trots, wanneer zij dacht aan al wat haar eerzucht van Jacobs toekomst had gedroomd,—droomen, die wel nimmer verwezenlijkt zouden worden. Wat zou het lot zijn van den ketter, den rebel?

De grijze priester had haar zwijgend aangehoord.

Toen zij uitgesproken had, schudde hij droevig het grijze hoofd.

—„Het zijn booze tijden, Vrouwe Martens!” zeide hij, „en ik vreeze zeer, dat nog boozere in aantocht zijn. De afval is groot—en men zal dien nog grooter maken door onverstandige strengheid. Wat men had moeten trekken met koorden der liefde, heeft men willen drijven met den staf van het geweld,—en nu moet men wel voortgaan op dien weg. Wel moeten onze zonden groot zijn voor Gods aangezicht, dat Hij zijne Kerke aldus bezoekt.”

—„Maar de ketters en sectarissen zijn toch vijanden van God en zijn Kerk, Vader,” zei Vrouwe Martens heftig.

—„De ketters zijn de dwalende schapen der Kerk,” zeide de prior kalm. „De goede herder moet ze terugbrengen tot de kudde, en ze niet heendrijven naar de grijpende wolven.”

—„Maar de Inquisitie, Vader...”

—„De Inquisitie is goed bedoeld, maar verkeerd begrepen. Zij moest ten zegen en ter redding zijn, en zij is een vloek geworden voor deze landen. De Inquisitie moest zijn de arts, die de krankheid naspeurt, de wonde peilt om haar te genezen, niet de rechter, die de misdaad zoekt om haar te straffen. Ook gij, dochter, met uw echtgenoot, hebt dwaas en zondig gehandeld tegenover uw zoon.”

Trotsch hief Vrouwe Martens het hoofd op; een scherp antwoord rees haar op de lippen, en al de eerbied, dien het ambt en de leeftijd van den prior haar inboezemden, was noodig om haar te beletten het te uiten. Toch kleurde zij van ergernis.

—„Wat natuurlijker,” ging Vader Anselmus voort, „voor een jong en edelmoedig herte, dan dat het medevoelt met ellendigen en verdrukten. En hoe snel komt de onbedachte jeugd er niet toe, om partij te trekken voor wat haar verdrukt schijnt, zonder te vragen naar de oorzaak van het leed, dat zij wil verzachten. Uw zoon heeft gedwaald, maar ’t is de dwaling van een edel gemoed. En in plaats van hem met liefde te leiden hebt ge hem met harde, bittere woorden bejegend, en hem zóó voortgedreven op zijn weg, voort naar de sectarissen, tot gij zelve vreest, dat hij betrokken zal worden als medeschuldige aan hun heiligschennend werk.”

Jacobs moeder boog bedroefd het hoofd.

—„Maar wij willen hem redden,” ging de prior voort. „Ik geloof met u, dat de regeering de rebellen zwaar zal straffen, en dat wie in de eerste hitte des toorns worden getroffen, voor velen zullen boeten. Maar de „vrijheid” van ons klooster, ons recht van vrijplaats, is nog nimmer aangetast. Spreek met den president, en breng ons uw zoon, voor eenige weken, voor eenige maanden misschien. Men zal den zoon van den president van Vlaanderen, wiens ijver voor de zaak des Konings bekend is, niet al te zeer zoeken, meene ik. Men zal ook deernis hebben met zijne jonge jaren. Hij zal hier veilig zijn, en als hij wil, kan hij de studie der oude Heidensche schrijvers weder opvatten, waarbij ik hem gaarne naar mijne zwakke krachten zal bijstaan.”

Vrouwe Martens slaakte een zucht van verlichting. Dit voorstel bracht inderdaad redding. Zelfs al wilde men Jacob vervolgen om zijn omgang met Junius, en het deel, dat hij, zij het dan als lijdelijk toeschouwer, had genomen aan de beeldstormerij, onder de hoede der Dominicanen zou hij veilig zijn. En wie kon er beter geschikt zijn, om hem van zijne kettersche afdwalingen te genezen, dan een heilig man, als de prior?

Maar haar gelaat betrok weder.

—„Ik vreeze, Eerwaarde Vader,” zeide zij onrustig, „dat mijn zoon zóó is aangetast door het gif der ketterije, dat hij mogelijk niet zal inzien, wat tot zijn heil dient en zal weigeren, zich onder uw hoede te stellen. Dat ik het van mijn kind getuigen moet! Hij is onze gehoorzame zoon in alle dingen, maar in zake van deze rebellie en ketterije hebben wij geen invloed meer op hem, zijn vader, noch ik. Zouden wij dan... met geweld...”

Vader Anselmus schudde afkeurend het hoofd.

—„Geen geweld en geen dwang, dochter, het zou den knaap slechts verbitteren, en daarbij,—nog is alles in gisting, nog hebben die van de Calvinische secte grooten aanhang in de stad,—het ware wellicht niet geraden. Er zijn andere wegen om een jeugdigen dwaas te redden, al is het tegen zijn wil. Luister! Kom morgen met uw zoon naar den vesperdienst in onze kapel. Na den dienst zal een der broeders u tot mij leiden. Ge verlaat het klooster,—en ge laat het mij over met den jonker Martens te spreken. Zoo ge hem misleidt, het is voor zijn welzijn. Een tijd van stille afzondering zal hem heilzaam zijn en met de hulpe van onzen heiligen Patroon geef ik hem u terug als een gehoorzamen zoon en een goed Christen.”

Blijde stemde Vrouwe Martens in met het voorstel van den prior. Met een verlicht hart verliet zij het klooster en zocht, thuisgekomen, aanstonds den president op, met wien zij een langdurig onderhoud had.

Op bevel van zijn vader had Jacob sinds den beeldenstorm de ouderlijke woning niet verlaten. Hij wilde zich in alles, waar hij het kon en mocht, een goeden en gehoorzamen zoon toonen. Het smartte hem, dat hij zijne ouders een groot verdriet moest aandoen, maar mocht hij, ja kòn hij anders? Hij kon haar niet dooden, die diepgevoelde overtuiging, die er leefde in zijn ziel en die het beste was, wat hij bezat. Hij kon evenmin huichelen. Wat kon hij dan anders, dan zwijgen, dulden, en afwachten?

Inmiddels kropen de dagen traag voorbij. Zijn boeken en zijn Liesveldsche Bijbel, dien hij met zijn geuzenpenning zorgvuldig verborgen had gehouden, waren zijn eenige troost. Berichten van zijne vrienden konden hem niet bereiken, want president Martens had strenge bevelen gegeven, dat niemand bij zijn zoon mocht worden toegelaten. Wat hij nog vernam, hetzij door de fluisterende gesprekken der dienstboden, die hij opving, of uit de weinige woorden, die zijne ouders aan tafel wisselden, waren geruchten over de dreigende houding der Regeering, over den toorn des Konings en over de ellende, die de oproerige edelen en hun aanhang over het land brachten. Zijn vader was kortaf en stroef, zijne moeder, als altijd, hard en koud, Madeleine behandelde hem met smalende minachting en wees elke poging tot verzoening af. Alleen zijn zuster trachtte hem te troosten, maar haar troost baatte hem niet veel. De goede Klaartje kon maar niet begrijpen, waarom Jacques opeens zoo koppig en dwars was geworden. Wat konden hem toch die Geuzen schelen, die oproermakers, waarvoor zij bang was en die kettersche predikanten, wier eenige toeleg immers was, de menschen in ’t verderf te storten. Haar biechtvader had het haar verzekerd en haar moeder geloofde het ook. Waarom kon Jacques weer niet zijn als vroeger en ter misse en te biecht gaan? Dan zou alles weer goed zijn en met Madeleine zou het dan ook wel weer in orde komen, want die hield zich maar boos.... En haar mooie, blauwe oogen keken den armen Jacques verwijtend aan.

Niet weinig was Jacob verwonderd, toen zijne moeder hem, op zachter toon dan gewoonlijk, verzocht haar te vergezellen naar den vesperdienst in de kapel van het klooster der Predikheeren. Die kapel was nog ongeschonden. Was het toeval? Hadden de hooge kloostermuren haar beschermd, of was de gunst, waarin de Predikheeren zich bij het volk mochten verheugen, hun in deze woelige dagen te stade gekomen? Hoe het zij, de kapel was niet door de beeldstormers bezocht en het klooster had geen last geleden. Het kon niemand verwonderen, dat Vrouwe Martens, nu haar parochiekerk, de oude St. Jacobus, was vernield en ontwijd, den dienst ging bijwonen in de stille kapel.

Jacob was terstond bereid; hij was verheugd over dit bewijs van toenadering. Zelfs al meende zijne moeder, dat hij, door haar te vergezellen, tegen zijn overtuiging handelde en dat hij reeds begon te wankelen, dan mocht hij toch haar wensch niet weerstreven. Hij nam zijn bonnet en den korten Spaanschen mantel, die toen reeds door aanzienlijke jongelieden werden gedragen, en hij maakte zich gereed zijne moeder naar het Dominicanerklooster te vergezellen.

Toen hij zijn kamer verliet, en de breede trap afdaalde naar het voorhuis, ontmoette hij de beide meisjes. Madeleine wierp hem een vreemden, spottenden blik toe, terwijl zij coquet met een medaille van Onze Lieve Vrouwe van Halle speelde, die aan een snoer van gouddraad om haar hals hing. Klaartje echter viel haar broeder onstuimig om den hals, en kuste hem, met tranen in de oogen.

Juist wilde hij haar vragen, wat toch haar tranen en haar hartstochtelijke teederheid beteekenden, toen de gebiedende stem zijner moeder in het voorhuis klonk. Met een kus en een schertsend woord maakte hij zich los uit de armen zijner zuster, en na een hoffelijken groet aan joffer de Bette, snelde hij ijlings naar beneden.

De avond was reeds gevallen, toen moeder en zoon het klooster bereikten. De groote poort, die anders des morgens en des avonds open stond, om de geloovigen, die dat mochten verlangen, de gelegenheid te geven de mis of de vesper in de kloosterkapel bij te wonen, was thans, met het oog op de onrustige tijden, gesloten. Ook het kloosterklokje klepte niet: de klokken der kerken en kapellen van Gent, die anders zoo vroolijk jubelend konden beieren bij mis of vesperdienst, zwegen nu over de ontwijde bedehuizen en de kapel der Dominicanen stemde in met den algemeenen rouw der Kerk. Mogelijk wenschte men ook wel de aandacht van het nog altijd oproerige gemeen niet op het klooster te vestigen.

De ijzeren klopper dreunde op de eikenhouten deuren; het gebaarde gelaat van den broeder portier verscheen een oogenblik voor het getraliede luikje; toen ging de poort open en Vrouwe Martens trad met haar zoon binnen.

Een tweede binnenpoort, eveneens van zwaar eikenhout, met ijzeren bouten en klinknagels beslagen, gaf toegang tot het „claustrum”, het eigenlijk gezegde klooster, afgesloten van de woelige wereld daarbuiten. Zij bevonden zich nu in de groote kruisgang, die heenleidde naar de verschillende gedeelten van het reusachtig gebouw. De dienst zou spoedig beginnen. Van alle kanten verschenen de spookachtige gedaanten der monniken, in hunne witte pijen, met de kappen diep over de oogen getrokken en de handen gevouwen onder het zwarte scapulier, om zich op te stellen in het claustrum voor den gang ter kapel.

Vrouwe Martens en Jacob gingen den zwijgenden stoet voorbij en betraden de kloosterkerk. Een jonge monnik, geknield bij de deur, bood hun het wijwater aan en met een donkeren blik zag de moeder, dat haar zoon de heilige gave met een lichte handbeweging afwees.

In het middenschip der kapel gekomen, in de ruimte, voor de geloovigen buiten het klooster bestemd, knielde Vrouwe Martens neder, terwijl Jacob bleef staan in de schaduw van een der zware pilaren, waar hij den dienst onopgemerkt kon bijwonen. Een oogenblik nog, en de witte stoet der monniken, door hun prior voorafgegaan, schuifelde de kapel binnen. De monniken en conversen namen hun plaatsen in, het hamertje van den prior gaf het teeken, allen stonden op en de krachtige mannenstemmen hieven een „Gloria in excelsis!” aan.

Met ongeduld wachtte Jacob in de schaduw van zijn pilaar op het einde van den dienst. Als meer jonge menschen, die zich pas een eigen overtuiging verworven hebben, was hij geneigd tot eenzijdigheid en overdrijving. Hij vergeleek den vormendienst der zingende monniken met de eenvoudige verkondiging van het Woord Gods onder den blauwen hemel, het Latijnsche kerklied met het goed-ronde Vlaamsch der Datheensche psalmen, het versierde altaar met de flikkerende kaarsen bij het zonlicht, dartelend door het jonge gebladerte ter „groene preek”,—en met minachting wendde hij zich af van de oude religie en hare vormen, die zijne Gereformeerde vrienden hem hadden leeren minachten als „Paepsche mommerijen”. Hij had op dat oogenblik geen oog voor de schoone mystiek van den Roomschen eeredienst; hij vergat, dat ook die vormen eens nieuw waren geweest, dat ook zij eens uitdrukking waren geweest van het geloof eener strijdende gemeente en dat die vormen op zichzelf niet verwerpelijk waren, als de inhoud maar aanwezig was: waarachtig geloof en verootmoediging des harten;—hij zag er slechts de symbolen in van een godsdienst, die niet troostte, maar vervolgde, die wilde heerschen in stede van te dienen, en dien hij, en duizenden met hem, hadden leeren haten en verachten.

De dienst was geëindigd. De witte gedaanten der monniken verdwenen door de deur der kapel, maar nog altijd lag Vrouwe Martens, in gebed verzonken, naar het scheen, op haar knielbank. Jacob wachtte, tegen zijn pilaar geleund, geduldig, tot zijne moeder gereed zou zijn met hare devotie. Op dat oogenblik trad een monnik de kapel binnen; hij ging op de geknielde vrouw toe en scheen haar iets in te fluisteren.

Vrouwe Martens stond op.

—„De Eerwaarde prior wenscht mij te spreken, Jacob,” zeide zij, weer op zachter toon dan gewoonlijk. „Wacht hier op mij. Uw verblijf in het huis Gods zij gezegend!”

Verbeeldde hij het zich, of was het een vreemde, schuwe blik, waarmede zijne anders zoo fiere en strenge moeder hem aanzag?

Jacob zette zich neer en wachtte. Droomerig staarde hij naar de gele vlammetjes der waskaarsen, naar het matte schijnsel van de eeuwige lamp voor het altaar. Het was doodstil in de kapel. De dikke kloostermuren lieten geen geluid van buiten doordringen en het klooster zelf scheen uitgestorven. Zonder dat hij het wist of wilde, vielen zijn oogen toe.

Hij ontwaakte met een lichten schrik en een gevoel, alsof hij niet langer alleen was. Een oogenblik moest hij zich bezinnen, waar hij zich bevond. Hij zag om zich heen. De broeder-sacristijn was bezig, om, geholpen door twee convers-broeders, de kaarsen te dooven en de kapel weder in orde te brengen.

Naast hem stond een lange gestalte, in de witte pij der orde. Het gelaat was verborgen in de wijde kap, maar aan het gouden kruis op de borst herkende Jacob den prior.

—„Is mijne moeder gereed?” vroeg hij verward.

—„Uwe vrouw moeder is reeds lang vertrokken,” zeide de prior bedaard en ernstig. „Wees gerust, een vertrouwd man heeft haar begeleid.”

—„En ik, die haar moest vergezellen? Zij zal meenen, dat ik zonder haar ben heengegaan!” zeide Jacob. „Vergeef mij, Vader,” vervolgde hij haastig. „Mijne moeder heeft u misschien verzocht met mij te spreken. Een andermaal gaarne, maar thans moet ik terstond naar huis. Mijne moeder mag niet denken..”

—„Uw moeder weet, dat ge hier zijt, jonker,” viel hem de prior in de rede. „Het is op haar verlangen, dat ik u heb opgezocht. Het is haar wensch en ook die van uw vader, dat ge eenigen tijd hier bij ons zoudt vertoeven, als onze gast.”

Verschrikt staarde Jacob den monnik aan. Hij begon te begrijpen. Het was hem een oogenblik of de steenen vloer der kapel onder hem wegzonk. Men wilde hem in het klooster gevangen houden.

Hij herstelde zich en wierp een snellen blik naar de deur der kapel.

—„Ik kan uw gastvrijheid niet aannemen, Eerwaarde Vader,” zei hij met een stem, waaraan hij tevergeefs trachtte de noodige vastheid te geven. „Ik moet gaan.”

Hij deed een stap naar de deur. Was het toeval, dat de beide gespierde leekebroeders zich daar thans bevonden? Ze waren ijverig bezig met hun arbeid en schenen niet op hem te letten, maar hij kon de deur niet bereiken, zonder hen voorbij te gaan.

Vader Anselmus leide hem de hand op den schouder.

—„Als onze geëerde gast,” herhaalde hij, langzaam en met nadruk. „Ik vertrouw, dat het zóó zal zijn, jonker, en niet als een ongehoorzame zoon, die zich de tucht ontwassen waant.”

—„Als een ongehoorzame zoon,” mompelde Jacob, terwijl hij den prior met een bleek en ontsteld gelaat aanstaarde.

—„Uw ouders wenschen u te behoeden voor de gevolgen van uw dwaas en onvoorzichtig gedrag in de laatste maanden,” zeide Vader Anselmus met gedempte stem, terwijl hij den jongen man doordringend aanzag. „Het was hun uitdrukkelijke wensch, dat wij u onder onze hoede zouden nemen. „Eert uw vader en uwe moeder” is een gebod, dat, naar ik meen, ook nog onder de nieuwe religie in eere wordt gehouden.”

Jacob boog het hoofd. Een stroom van aandoeningen en verwarde gedachten overstelpte hem.

—„Onze broeder-gastmeester zal u uw kamer wijzen,” zei de prior kalm en beslist. Toen ging hij voort, met meer hartelijkheid, dan Jacob van den strengen man had verwacht:

—„Wees niet zoo bedroefd en ontsteld, mijn zoon. Wij meenen het wel met u. Gij kunt bij ons uwe studiën voortzetten. Ik zelf zal uw leermeester zijn, en ge kunt hier rustig toeven, tot het onweer, dat dit ongelukkige land bedreigt, zal zijn afgedreven.”

De prior gaf den broeder-sacristijn een wenk. Deze verwijderde zich en kwam weldra terug met een anderen monnik, den broeder-gastmeester, wien Vader Anselmus met een kort woord de zorg voor zijn gast opdroeg.

Met een stommen groet volgde Jacob zijn gids, die hem voorging naar een der cellen, die voor logeerkamers waren ingericht. Hoffelijk doch kloek wees hij het aanbod van den monnik af, die hem aanbood zijn avondeten voor ditmaal naar zijne cel te doen brengen.

Zijn gemoed was vol. Hij, Jacob Martens, de zoon van den president van Vlaanderen, in een kloostergevangenis! En daar listig heen gelokt door zijne moeder! O, nu begreep hij haar afscheidswoord!

Zijne verbittering belette hem, over de handelwijze zijner ouders billijk te oordeelen. Hij kon er op dat oogenblik niet aan denken, dat er liefde kon schuilen in hunne zorg, om de gevaren, die hij niet kende of niet telde, af te wenden van zijn hoofd. Al wat een jong en vurig gemoed moet voelen, als het zich ziet gedwongen te buigen voor harden dwang, als het zich moet schikken in het onvermijdelijke, kookte en bruiste in zijn binnenste en deed zijn hart kloppen en zijn oogen branden. Hij trachtte te bidden, maar het was te onstuimig daarbinnen. Hij kon zijne gedachten niet verzamelen, zijne ziel niet verheffen tot den Heer.

Eindelijk wierp hij zich, bedroefd en afgemat, op het eenvoudige bed, maar het duurde lang, eer hij den slaap kon vatten. Eerst tegen den morgen viel hij in een onrustige sluimering. Toen hij wakker werd, waren zijn bovenkleederen, die hij had afgelegd, verdwenen. In hunne plaats vond hij een witte pij van de Dominicaner-orde met het korte scapulier der novicen.