Vader Anselmus was een te verstandig man en een te goed menschenkenner, om zijn „gast” aanstonds over zijne „kettersche gevoelens” te onderhouden.
Nauwelijks had Jacob zich dien eersten morgen niet zonder weerzin in het kloostergewaad gekleed, of een leekebroeder verscheen in zijn cel, om hem te zeggen, dat de prior hem wenschte te spreken.
Jacob moest wel gehoorzamen: hij zag zeer tegen dat onderhoud op, want hij vreesde, zijn godsdienstige gevoelens te moeten verdedigen tegen den statigen kloostergeleerde, voor wien hij, als een natuurlijk gevolg van zijp opvoeding en de gewoonte van jaren, een heimelijk ontzag had. Doch het onderhoud viel hem bijzonder mede. De prior sprak met geen enkel woord over het gevreesde onderwerp, doch deelde hem eenvoudig mede, dat hij op zich genomen had de studiën van zijn gast te leiden, tot deze weer naar de Leuvensche School zou kunnen terugkeeren. Hij wees Jacob de Grieksche en Romeinsche schrijvers aan, die hij had te bestudeeren en spoorde hem aan tot vlijtigen arbeid; de tijd moest in het klooster niet in ledigheid worden gesleten. De vroegdiensten behoefde hij niet bij te wonen, maar de prior rekende er op, dat Jacob bij de mis en den vesperdienst niet zou ontbreken.
Het werd gezegd op een kalmen toon van gezag, die geen tegenspraak toeliet. Toen Jacob een enkele toespeling waagde op het hem opgedrongen kloosterkleed, antwoordde de prior, dat het een eere was, het kleed van den Heiligen Dominicus te mogen dragen, en dat het zeker niet te veel verlangd was, dat jonker Martens, in ruil voor de gastvrijheid, die hij genoot, zich schikte naar de regelen van het huis, dat hem een schuilplaats bood. Met een enkele handbeweging werd hij daarop ontslagen.
Met zeer gemengde aandoeningen keerde Jacob naar zijn eigen cel terug, die uitzag op den ruimen kloosterhof. Hij had zich dat onderhoud heel anders gedacht. Hij had gemeend, zich te moeten verdedigen, zijn geloof te moeten handhaven tegen den fellen aanval van een geleerden priester der Roomsche Kerk, even bekwaam in de godgeleerdheid als in de dialectiek, hij had er op gerekend, dat hij zou moeten protesteeren tegen gewetensdwang, hij had zich bijna een aanstaanden martelaar gewaand,—en niets van dat alles was geschied. Hij had eenvoudig een taak gekregen, als een gewoon scholier. Hij had zich in den geest gewapend tot een hevigen strijd,—en hij had geen tegenstander gevonden. Op zijn overspanning volgde natuurlijk een toestand van matheid en moedeloosheid,—en dat was het juist, wat Vader Anselmus had verwacht en gewenscht.
Jacob zette zich aan zijn taak en trachtte in de verzen van Virgilius de gedachten, die hem kwelden, te vergeten. Hij had er aan gedacht, te weigeren om de viering der mis bij te wonen, maar na zijn nederlaag zonder strijd—de zwaarste beproeving voor een karakter als het zijne—ontbrak hem daar thans de veerkracht toe. Toen de kloosterklok het teeken gaf, nam hij zijn plaats in, achter in de rij, die zich opstelde in de breede kruisgang en ging hij mee ter kapel. Wel knielde hij niet neder, toen de officieerende broeder den monstrans ophief, om de hostie ter vereering aan de geloovigen te toonen, maar het scheen, dat niemand daar op lette.
De dag kroop voorbij. De prior had zijn maatregelen goed genomen en zijne bevelen werden stipt uitgevoerd. Noch in den refter, de eetzaal van het klooster, waar de monniken zwijgend aten, terwijl één hunner voorlas uit een kerkvader, noch in het recreatie-uur, dat in den kloosterhof werd doorgebracht, wijdde iemand eenige bijzondere aandacht aan den jongen gast. Men behandelde hem beleefd en vriendelijk, maar juist, alsof hij al jaren in het klooster had doorgebracht.
Eindelijk sloeg het uur van den vesper. Moe van den ingespannen arbeid, was Jacob thans blijde, dat hij naar de schoone kloosterkapel kon gaan. Hij troostte zich met de gedachte, dat de psalmen Davids, die straks door de monniken zouden worden aangeheven, toch dezelfde liederen waren, als de kloeke psalmen van Datheen, die hij ter „groene preek” uit den mond der Vlaamsche landlieden had gehoord. En toen de broeders psalm 138 aanhieven, luisterde hij aandachtig en weldra stemde hij mede in:
„Si sumpsero pinnas meas diluculo et habitavero in extremis maris,”
„Etenim illuc manus tua deducet me, et tenebit me dextera tua.”
„Et dixi: forsitan tenebrae conculbalunt me, et nox illuminatio mea in deliciis meis.”
„Quia tenebrae non obscurabuntur a te”...1
„De duisternis is voor U niet donker,” klonk het na in Jacobs ziel. God sprak tot hem door Zijn Woord, want het wàs toch Zijn Woord, dat hem daar uit het Latijnsch kerkgezang tegenklonk. Hij gevoelde zich getroost en bemoedigd: God was ook in het klooster, Zijn rechterhand zou hem houden, op Zijn tijd zou het alles goed worden.
De dagen verliepen en werden tot weken en nog altijd was Jacob in het Dominicaner klooster.
Hij studeerde er vlijtig onder de leiding van den prior, die zich een streng, maar uitstekend leermeester toonde. Bezoeken ontving hij niet. Wel kreeg hij brieven: soms een enkel stroef woord van zijn moeder, maar daarentegen lange en hartelijke brieven van Klaartje, soms in deftig Fransch, soms in wat onbeholpen Vlaamsch. Clara schreef hem over zijn vader, die thans dikwijls door de Regeering werd geraadpleegd over de zaken des lands, over Madeleine, die een uitnoodiging had aangenomen van hare bloedverwanten te Brussel, omdat zij zich in Gent niet veilig achtte voor de vileynighe Geuzen, zooals zij zeide. Madeleine had met veel opgewondenheid geschreven over de feesten, die zij had bijgewoond,—want ook de treurige toestand des lands kon den Brusselschen adel niet tot ernst stemmen—en, zoo liet het zusje er niet zonder onrust op volgen, zij schreef zoo herhaaldelijk over Thierry de St. Foy, die bij meer dan een gelegenheid haar cavalier was geweest.
En als Jacob zulk een brief had ontvangen, dan liep hij met een bleek gezicht en saamgeknepen lippen zijn cel op en neer en dan kwam er van het werken weinig. Hij had Madeleine afgestaan, hij had zichzelf en zijn jonge liefde verloochend, zeker, zeker!—en toch was er op den bodem van zijn hart nog een heimelijke hoop, dat hij het offer niet zou behoeven te brengen, dat ook voor Madeleine nog eens het licht der waarheid zou opgaan en dan...
Dan was het weer over de onrust der tijden, dat Klaartje schreef: wel wat verward, want het goede kind kon de verschillende partijen niet wel uit elkander houden. Zij klaagde maar over de „quellagiën ende de errueren”, de troebelen en de twisten, die den vrede van haar jong leven waren komen verstoren en die haar haar broeder en haar vriendin hadden ontroofd. Toch vernam Jacob van haar, dat op last van Egmond een aantal van de hoofden der beeldstormers waren gevat, en dat zij weldra zouden worden terechtgesteld.
Maar ook op andere wijze drongen de geruchten over den toestand des lands binnen de gewijde kloostermuren, want de broeders, de Predikheeren of Witheeren, zooals zij onder het volk werden genoemd, leidden geen afgetrokken en beschouwend kloosterleven, maar bewogen zich, volgens den eisch van den stichter hunner orde, in de wereld „tot verdediging des geloofs en ter bestrijding der ketterij”. Uit hun midden werden zelfs veelal de inquisiteurs gekozen en zoo de Gentsche Dominicanen niet als zoodanig optraden, dan was dit slechts, omdat hun prior van alle bloedige geloofsvervolging afkeerig was. Maar in het „recreatie-uur” werd de geschiedenis van den dag besproken, soms juist, soms overdreven voorgesteld, en dikwijls gaven de loopende geruchten aanleiding tot een levendigen woordentwist, want onder de monniken waren er zonen des lands, die, al waren ze de Kerk getrouw, toch het vertrappen van de vrijheden van hun vaderland met leede oogen zagen.
Onder de monniken was er één, die reeds dikwijls Jacobs aandacht had getrokken. Broeder Bernardus, zoo heette hij, was een lang en mager man, van ongeveer veertig jaren. Hij had een geel-bleek gezicht, met scherpe trekken en groote, donkere oogen, die soms dof en peinzend voor zich uit staarden en dan weer konden flikkeren van een vreemd vuur, wanneer de monnik in het recreatie-uur met groote stappen den kloostertuin doorkruiste.
—„Broeder Bernardus is weer bezeten!” fluisterden dan de novicen en de jongere convers-broeders spottend, en Jacob had opgemerkt, dat de oudere monniken den bleeken man dikwijls met onrust of wantrouwen nastaarden.
’t Had zijn aandacht getrokken, dat de donkere oogen van broeder Bernardus dikwijls lang en strak op hem gericht waren. In den refter of de kapittelzaal was die vreemde, starende blik soms hinderlijk. Slechts wanneer een der andere broeders dit opmerkte, wendde de monnik de oogen schielijk af en keek weder ootmoedig voor zich.
Op zekeren dag, toen zij toevallig in een der lanen van den kloostertuin alleen waren, trad broeder Bernardus haastig op Jacob toe, en vroeg hem snel en gejaagd, of hij het groote nieuws reeds had vernomen. De „Martinisten” waren met de „Calvinischen” overeengekomen, den Koning drie millioen gulden te bieden als hij vrijheid van godsdienst wilde verleenen. Men geloofde echter niet, dat het ernst was met dat aanbod en te Brussel hield men het er voor, dat de ingezamelde gelden moesten dienen om krijgsvolk tegen den Koning te werven. De Landvoogdes had soldaten in Duitschland geworven, om de oproerige beweging te beteugelen. Brederode versterkte Vianen en dreigde met openlijk verzet. Elk oogenblik kon de algemeene opstand uitbarsten.
Toen de zonderlinge man dit in korte, afgebroken zinnen gezegd had, legde hij met een veelbeteekenend gebaar de vingers op de lippen en verwijderde zich haastig.
Jacob zag hem verwonderd na. Wat beteekende die mededeeling? Was deze broeder Bernardus een vriend of een vijand? Kon het zijn, dat hij, de Dominicaner monnik, de zaak der Geuzen was toegedaan? Of wilde men hem in een val lokken, door zijn vertrouwen te winnen? Hij besloot op zijn hoede te zijn, en, zoo mogelijk, den monnik tot verdere mededeelingen uit te lokken, zonder zich bloot te geven.
Het was op zekeren Decembermorgen, een mooien, stillen winterdag. De monniken kwamen uit de kapel, in hun gewonen statigen optocht, om in de kruisgang te scheiden en aan hun gewonen arbeid te gaan. Ook Jacob maakte zich gereed, zijn studeercel en zijn Virgilius weder op te zoeken, toen een conversbroeder op hem toetrad, en hem zeide, dat de prior hem op den belfroot wenschte te spreken. Verwonderd volgde Jacob, den man naar den klokketoren, den „belfroot”, zooals de kloosterlingen hem noemden. Wat kon Vader Anselmus hem juist daar te zeggen hebben?
De prior leunde tegen de lage borstwering van den omgang van den belfroot. Schijnbaar merkte hij de komst van Jacob niet op en staarde, in zijn witte pij gewikkeld, over de stad, die met haar grillig gevormde daken en gevels zich aan zijne voeten uitbreidde.
Het was prachtig, stil weder. Zelfs op den toren voelde men nauwelijks een zuchtje. De hemel was diep blauw en de bleeke Decemberzon scheen vroolijk over de oude Vlaamsche hoofdstad.
Als in gedachten verzonken staarde de oude monnik over de huizenzee aan zijn voet, en verder, over de wijde velden van Vlaanderen. Zooals de regel het voorschreef, wachtte Jacob eerbiedig, tot de prior hem zou toespreken.
Plotseling klonk, boven het gegons, dat uit de stad tot hen opsteeg, het schel geklep van een klokje, een schril, jammerend geluid, dat als een wanklank opsteeg in de fijne, zuivere winterlucht. Jacob kende dien klank maar al te wel. Het was hetzelfde klokje, dat hij had gehoord op dien lentemorgen, toen hij de arme Doopersche in de gracht had zien wegzinken, dat hij, zoo jong als hij was, reeds zoo dikwijls had vernomen in die dagen van straffe justitie: het armezondaarsklokje van het Minorietenklooster klepte bij den laatsten gang van een ter dood veroordeelde.
Nu wendde Vader Anselmus zich om en zag den jongen man doordringend aan.
—„Hoor, Jacob Martens,” zei hij ernstig, „ik heb u hier doen komen om te hooren. Daar gaan de onzaligen ter dood, die zich hebben vergrepen aan de heiligheid van Gods huis in deze stad. Twaalf beeldbrekers zullen heden op de Vrijdaegsmarkt worden onthalsd. Dank het Gods genade en de tusschenkomst der Heilige Moedermaagd, dat ook gij, dwaze knaap, daar thans niet moet knielen op het zwarte kleed... Laat ons bidden voor de ziel van die ongelukkigen, of God hun nog in de ure des doods de genade der boetvaardigheid mocht schenken.”
De kralen van den rozenkrans gleden door de vingers van den monnik. Ook Jacob bad, al liet hij het paternoster rusten, dat aan zijn zijde hing. Wie het waren, die daar ter dood gingen,—hij wist het niet. Hadden zij de beelden neergeworpen uit verdoolden geloofsijver of uit baldadige vernielzucht? Hij wist, dat er onder de leiders der beeldbrekers mannen waren van allerlei slag. Waren het martelaars of misdadigers, die daarginds zouden sterven? Hij wist het niet, neen,—maar het waren zondaren, zondaren als hij zelf, die de genade van den Heiland behoefden, ook in deze bittere ure. Jacob bad.
Een dof tromgeroffel klonk uit de verte. De Magistraat had blijkbaar voorzorgen genomen en het schavot door gewapenden doen omringen. Het roeren van de trom was het teeken, dat de veroordeelden de plaats der terechtstelling hadden bereikt. Het klokje zweeg.
Toen klonk er van de Vrijdaegsmarkt een dof rumoer, dat aangroeide als het rollen van een verre branding en dat plotseling ophield, als met een kermenden zucht.
De executie was afgeloopen.
De prior wenkte den bleeken Jacob hem te volgen. Zij daalden de trappen van den belfroot af en bereikten weldra de cel van Vader Anselmus. De oude man wenkte zijn jongen metgezel zich neer te zetten op een der houten schabellen, terwijl hijzelf plaats nam op den eenvoudigen stoel, met hoogen, rechten rug, waarop zijn kloosterrang hem recht gaf. Toen zeide hij met goedheid:
—„En nu, mijn zoon, wensch ik eindelijk van u te vernemen, wat er u toe gebracht heeft, zoo jammerlijk af te dolen van de Kerk, onze Heilige Moeder. Wat heeft er u toch toe bewogen, u, den zoon van vrome ouders, het gezelschap te zoeken dier jammerlijke dwaalgeesten, die zich de luyden van de nieuwe religie noemen, om zóó dwaas uwe hope prijs te geven voor dit leven en voor de eeuwigheid?”
Jacob sidderde van inwendige ontroering. Hij had tegen dit onderhoud opgezien. Hoe zou hij, de onwetende, onervaren jongeling, den strijd aanbinden met den grijzen priester, den godgeleerde, voor wiens uitspraken zelfs eerwaardige geestelijken zich bogen? Daarbij, bij een karakter als het zijne, was zijne pas verworven geloofsovertuiging meer een zaak des harten dan het gevolg van diep nadenken en van ernstige studie. Jacob voelde dat onwillekeurig, al had hij het niet onder woorden kunnen brengen—maar hij kon den kamp niet ontwijken, en met een stil gebed om kracht aanvaardde hij dien.
—„Als de Kerk onze moeder is, Eerwaarde Vader,” zeide hij vast maar bescheiden, „dan is zij toch voor deze arme landen een stiefmoeder. Als zij oordeelt, dat die van de nieuwe religie dolen, dan dolen zij toch te goeder trouwe, uit liefde tot Gods waarheid en om hunner zielen zaligheid. Laat de kerk dezulken van dwaling overtuigen, als zij daartoe bij machte is, maar hen niet straffen als misdadigers.”
De prior schudde nadenkend het grijze hoofd.
—„Ik zou kunnen antwoorden, mijn zoon,” zeide hij zachtmoedig, „dat de ketters vervolgd en gestraft worden volgens de plakkaten van Zijne Keizerlijke Majesteit, vernieuwd en verscherpt door onzen Heere, den Koning van Spanje, maar het zou een ijdele uitvlucht zijn. Het is waar, er zijn er onder de dienaars der Kerk velen, die meenen, dat men het euvel der ketterije moet uitbranden door strenge justitie, in plaats van het te heelen met zachtmoedigheid, en gij weet, dat ik het niet met hen houde... Maar gij, wellieve zoon, die zegt, dat die van de nieuwe leer te goeder trouw dolen, waarom strekt gij uwe Christelijke liefde niet uit tot die priesters, die als herders der kudde den wolf zien komen, den wolf der ketterije, door Satan gezonden om de schapen der kudde te verderven, en die nu, ook ter goeder trouw, de met ketterije besmetten overgeven tot verderving des vleesches, opdat de geheele kudde niet verloren ga?”
—„De priesters onze herders, die met liefde waken voor de kudde!”
Het was er uit, voor Jacob er om dacht. Hij vergat, dat hij sprak tot een man, die den eernaam van priester waardig was. Maar hij dacht aan de bekende zedeloosheid, aan de onverschilligheid van zoovele geestelijken en de woorden van Vader Anselmus schenen hem een bespotting.
De grijze monnik fronste het voorhoofd.
—„Arglistig is het hart van den mensch en zwak is zijn kracht,” antwoordde hij ernstig; „ook priesters zijn zondige menschen en dit is een zondige tijd. Maar wie zijt gij, jonge man, die den strijd des levens nog moet beginnen, dat gij anderen oordeelt, die dien strijd hebben gestreden en gevallen zijn? Hun val, hun zonde neemt de wijding niet weg, die zij met het priesterambt ontvingen; God zal hen oordeelen, maar dat ontslaat hen niet van hun plicht om te waken voor de Kerk, die zij dienen. En kunt gij het niet begrijpen, dat de arts naar het mes grijpt of naar het vuur, om het kankergezwel weg te snijden of uit te branden, eer het den kranke bezwijken doet? Zóó dreigt dit rampzalige land te gronde te gaan, door het gif der ketterije en door den oproerigen geest, die rebelleert tegen het wettig gezag. Nog eens, ik houde het niet met diegenen mijner broeders, die door vervolging en straf het kwaad zoeken te keeren,—maar hen begrijpen kan ik wel.”
—„Het gif der ketterije, waarvan Uw Eerwaarde spreekt,” zeide Jacob, die nu ook in vuur begon te raken, „het is toch slechts, dat de armen God wenschen te dienen naar hun geweten en de uitspraken van Zijn Woord; die geest van oproer is slechts de verdediging van hun plechtig bezworen rechten. Als de Koning de plakkaten herroept en de Inquisitie doet ophouden, zal hij geen gehoorzamer onderdanen hebben dan de inwoners van deze landen.”
—„En de „drie heeren” tot zijne meesters,” viel de prior uit, „en een hoop losbandige edelen tot zijn wetgevers. En wat kalt gij, knaap, dat de ketters God zouden dienen naar Zijn Woord? Heeft Hij Zijn Woord niet toebetrouwd aan Zijne Kerk? Is het geen dwaasheid? De ongeleerde, de ambachtsman, van weefstoel of schaafbank weggeloopen, de eerste de beste spinster en naaister, ze zouden zich met hunne uitlegging der Schrift stellen tegenover het gezag der Kerk, tegenover haar eeuwenoude tradities, tegen het gezag der vrome kerkvaders? Gij zelf, dwaze knaap, wat geldt uw kennis, uw inzicht, uw verklaring en uitlegging—zoo noemt ge het immers—van Gods Woord, tegen de leer der Kerk, op dat Woord gegrond, tegen de uitspraken van haar, die Christus’ belofte heeft, onze Moeder en Middelares?”
—„Er is slechts één Middelaar tusschen God en den mensch,—de Mensch Christus Jezus!”
Vast klonk het Schriftwoord uit den mond van den jongen belijder. Hij wist, wat hij waagde. Hij wist, dat hij zich geheel in de macht bevond van dien ouden man, en hij wist ook, hoever die macht reikte, maar de woorden van den prior hadden weer in hem doen ontwaken de overtuiging, die in die dagen krachtig opleefde in de harten van duizenden, die bij hem haast in slaap was gewiegd door den sleur van het kloosterleven, dat de zondaar moet staan tegenover zijn God, alléén met zijn Verlosser en Middelaar, den Heere Jezus Christus, en dat geen mensch, ook niet de vroomste en heiligste, het recht heeft zich te dringen tusschen den mensch en zijn Schepper. Zooals die beiden, de man en de jongeling, daar tegenover elkander stonden, waren ze het beeld van de idee, die zij verdedigden. De oude monnik, steunende op zijn geleerdheid, op de eeuwenoude tradities zijner Kerk, op al den invloed, die eeuwen van onaangevochten heerschappij haar gaven over de geesten, was een waardig vertegenwoordiger van het Catholicisme tegenover dien jongen man, in alle opzichten zijn mindere, maar die deze ééne gedachte had vastgegrepen: geen andere Middelaar, dan Christus alléén. Zoo stond Jacob Martens daar, het beeld van de jonge worstelende kerken der Reformatie: de dwerg, die den strijd had aangebonden tegen den reus, en die onoverwinnelijk was door die ééne Godsgedachte.
De prior begreep, dat hij zich te vroeg met een gemakkelijke overwinning had gevleid, en dat hij had misgetast, toen hij meende, dat hij slechts te doen had met de grillen van een overspannen knaap, die de stilte en de eenzaamheid zouden genezen, terwijl de schok, dien hij meende dat de terechtstelling der beeldstormers den jongen man noodzakelijk moest geven, de zegepraal zou voltooien. Hij zag dat hij zich vergist had, en onwillekeurig liet hij zich vervoeren tot een woordenstrijd.
—„Christus onze Middelaar!” zeide hij langzaam. „Alsof ook de Kerk een anderen kende! Maar wat moet ik denken van uw Christelijken ootmoed, wanneer gij meent tot Hem te kunnen gaan, zonder de genademiddelen, die Hij u aanbiedt in Zijne Kerk? Gij wilt tot Hem gaan? Maken uwe zonden geen scheiding tusschen Hem, den Heilige Gods, en u, den schuldigen zondaar? Durft gij Hem naderen, zooals gij zijt, zonder het sacrament der biecht, zonder ootmoedig de voorbede in te roepen van de Heilige Maagd, de barmhartige Moeder, van de Heiligen, die juichen met de Overwinnende Kerk daarboven, maar nog bidden voor ons, de Strijdende Kerk daar beneden? Maar gij hebt hunne voorbede niet noodig, voorwaar! Gij, jonge dwaas, die u vermeet te oordeelen over de hooge dingen des geloofs, waarover de vrome vaderen der Kerk hebben gepeinsd en geworsteld in den gebede, Hoogmoed, zondige hoogmoed, is uw ketterije, die zich durft beroepen op het Woord van God.”
Een hoog rood bedekte Jacobs bleeke wangen.
—„Spreek zoo niet, Eerwaarde Vader!” riep hij bijna smeekend. „Tracht niet, mij mijn Heiland te ontnemen, dien ik zoo pas heb gevonden. O, een zondaar ben ik,—maar Hij heeft gezegd: „Wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen,”—en ik ben tot Hem gegaan en Hij heeft mij niet verworpen. Ik voel het, ik weet het. O, de Kerk heeft de Heilige Maagd, en de Heiligen, en den priester geschoven tusschen den zondaar en zijn Verlosser, en nu was Hij zoo ver, zóó ver, dat wij Hem hadden vergeten. Maar Hij is barmhartig geweest, en Hij heeft zich opnieuw aan Zijn volk gegeven, in de gesuyverde religie, ons gepredikt door de mannen Gods uit Genève.”
De prior stond op van zijn zetel. Met gefronste wenkbrauwen wees hij gebiedend naar de deur.
—„Ga naar uwe cel, verstokte en hoogmoedige knaap,” zei hij met van bedwongen toorn trillende stem. „Lang hebben wij u met zachtmoedigheid gedragen, maar onze goedheid is aan u verspild. Gij zijt geen verdoolde, maar een, die moedwillig het harte verhardt. Zoo mogen dan de geloofsrechters uitmaken, hoe men met een als gij zijt te handelen heeft...”
Het was Vader Anselmus geen ernst met zijne bedreiging en in een oogenblik van kalm nadenken zou hij die niet hebben uitgesproken. Maar—hij was vertoornd en teleurgesteld. Hij moest zichzelven bekennen, dat hij had gedwaald. Dat was niet de taal van een, die in jeugdigen overmoed, in opgewondenheid of uit zucht tot avonturen zich had aangesloten bij de vijanden der Kerk. Jacob had gesproken met al het vuur zijner overtuiging—en de prior had hem begrepen. Dàt was de taal der „ketterij”, die niet wilde buigen voor eenig gezag, ook niet voor dat der Kerke, dat den ouden man het hoogste was.
Ondertusschen had hij een groote fout gemaakt. Hij had in Jacob gewekt, wat dreigde in te sluimeren,—en juist op dat oogenblik had hij dien jongen, vurigen geest tot verzet geprikkeld door zijne bedreiging. De jonge man had zich zonder morren geschikt in zijn gedwongen verblijf in het klooster: het was de wil en de wensch zijner ouders en hij was hun, volgens Gods Woord en volgens de stem van zijn geweten, gehoorzaamheid verschuldigd. Maar nu, nu dreigde hem zelf de Inquisitie, de gehate geloofsdwang. Nu zou men hem met geweld willen dwingen, zijn overtuiging prijs te geven. Nu zou hem de keuze worden gelaten, zijn Heer en Heiland te verloochenen, of het overige van zijn leven door te brengen in een kloostergevangenis, als althans ook hem het zwaard van den beul van Gent niet wachtte, daarginds op de Vrijdaegsmarkt. En hij was in het net. Hoe zou hij aan de macht van den prior kunnen ontsnappen?
Hij bracht den geheelen dag in de eenzaamheid door. De prior deed hem niet ontbieden voor de gewone lessen en toen het klokje luidde voor den maaltijd in den refter, verscheen de sub-prior met een conversbroeder, die in een houten nap het eenvoudig kloostermaal droeg. De monnik deelde hem mede, dat hij, volgens den wensch van den eerwaarden prior, den tijd zijner „poenitentie” in de eenzaamheid zou doorbrengen. Alleen de gewone diensten in de kapel zou hij bijwonen.
Jacob ging dien avond naar den vesper,—maar hij zat er niet neder als gedurende de laatste weken, half gedachteloos, half meegedragen door den statigen eeredienst. De zoon der Reformatie was in hem voorgoed ontwaakt. O, de vormen waren schoon, zinrijk zelfs in vele opzichten, maar het was er mee gegaan als met alle vormen, die niet langer de noodzakelijke uitdrukking zijn van een krachtig geestelijk leven: ze waren dood en ze gaven den dood. Neen, nimmer zou zijn ziel weer in slaap worden gesust door de uiterlijke plechtigheden van Rome!
Na afloop van den dienst keerde hij terug naar zijn cel. Licht mochten de kloosterbroeders niet hebben en hij kon dus niet lezen of studeeren. Hij was dan ook trouwens den geheelen dag met zijne boeken bezig geweest, om zoo mogelijk de pijnigende gedachten te verdrijven, die hem geen rust lieten. Thans was hij moede naar lichaam en ziel. Na een kort gebed, wierp hij zich op zijn harde matras en trachtte te slapen.
Maar hoe moe hij ook was, hij kon den slaap niet vatten. Een vreemde onrust maakte zich van hem meester. Hij wentelde zich om en om, maar de slaap wilde niet komen. Zijn hoofd gloeide koortsachtig. Alles, wat hij in dat voor hem zoo gewichtige jaar had gezien en ondervonden, drong zich als een bonte, driftig voortjagende stoet van beelden aan zijne verbeelding op.
Het was doodstil in het klooster. Alles was in diepe rust. Buiten gierde de Noordwesten wind, want het was ruw en onstuimig weder. In de paneelen der zware deur tikte een houtwormpje. Jacob dwong zich, te luisteren naar het eentonig geluid, om zoo afleiding te zoeken van de gedachten en herinneringen, die hem kwelden, maar het baatte hem niet.
Plotseling schrikte hij op. Hij had duidelijk het slot van de deur zijner cel hooren knarsen. Langzaam en voorzichtig werd die geopend.
Jacob vloog overeind. Verwarde gedachten van een nachtelijke oplichting, van vreemde kloostergeschiedenissen, die hij vroeger wel eens had gehoord, schoten bliksemsnel door zijn brein. Maar slechts één enkele witte gedaante sloop de cel binnen.
—„Schrik niet!” fluisterde een heesche stem. „Ik ben het: broeder Bernardus.”
De monnik haalde van onder zijn pij een hoornen lantaarn, waarin een smeerkaarsje een dof licht verspreidde, en zette die op een stapel boeken. Jacob zag zijn bezoeker ontsteld aan; het was den monniken en conversen streng verboden na het luiden van den Angelus elkanders cel te betreden. Wat kwam de vreemde man bij hem zoeken?
—„Er is geen tijd te verliezen, jonker Martens,” zeide de monnik haastig. „Ik kom van Pieter de Welle.”
—„Van Pieter de Welle?” herhaalde Jacob ongeloovig.
—„Ja! Ge gelooft mij niet? Goed; hij gaf mij een waarspreuk: „Denk aan het dasvarken van Gentbrugge.” Ge zoudt het begrijpen, zeide hij. En, hier is zijn kruismes.”
Jacob nam het mes aan en bekeek het bij het flauwe licht van de lantaarn. Hij herkende het wapen. Dikwijls had hij er als jongen mee gespeeld en gewenscht het te bezitten. Zou deze monnik inderdaad door de Welle zijn gezonden? De koddebeier kon in de handen der justitie zijn gevallen en dit kon een strik zijn, dien men hem spande. Maar de waarspreuk dan, die niemand dan hij kon begrijpen, juist om zijn zonderlingen inhoud.
—„En wat zoudt ge mij van Pieter de Welle te zeggen hebben?” vraagde hij.
Zijn toon klonk nog steeds ongeloovig. De monnik bemerkte het. De man was blijkbaar zenuwachtig en opgewonden, maar hij had een doel, dat hij wilde bereiken.
—„Zie hier, jonker,” zei hij en hield den verbaasden Jacob een paar dunne boekjes voor, die hij onder zijn pij te voorschijn haalde. Het waren een paar van die streng verboden pamfletten, die in die dagen ook te Gent, maar vooral te Antwerpen in menigte werden gedrukt. Het bezit van die boekjes was op zich zelf reeds een misdrijf, waarop volgens de plakkaten de doodstraf stond. Voor een Dominicaner monnik was het zeker een ongehoord waagstuk, zulke verboden boeken in het klooster te brengen.
—„Hoor, jonker Martens,” ging broeder Bernardus voort, gejaagd, maar toch met iets vastberadens in stem en houding, „ik waag mijn vrijheid en mijn leven, om u te dienen, maar ik heb het de Welle beloofd en mijn woord wil ik houden. Geloof mij of geloof mij niet, zooals ge wilt. Maar ik zeg u, dat men u nimmer zal laten gaan, om vrij en ongehinderd God te dienen volgens uw geweten en te strijden voor de vrijheid van dit arme land. Als gij standvastig blijft, zal men u in het klooster houden,—en de Welle meent, dat gij liever een slag zoudt slaan voor de vrijheid. Er worden groote dingen voorbereid...”
—„Maar wat wilt ge dan?” vraagde Jacob verbijsterd.
—„Vluchten! Ik vlucht mede. Ik heb genoeg van de pij! Ik had het eer moeten doen, maar ik durfde niet. Nu wantrouwen ze mij en laten mij niet meer buiten de clausuur. Maar ge moet een besluit nemen—terstond! De Welle wacht met een roeiboot aan de waterpoort in den hof.”
Onthutst zag Jacob zijn vreemden bezoeker aan.
Vluchten uit het klooster? Met dezen man? En waarheen? En dan terstond te moeten besluiten? Jacob was geen lafaard, maar toch ging er een koude rilling door zijn leden, nu hij zich zag gesteld voor een besluit, waarvan zóóveel afhing. Zenuwachtig stond hij op.
—„Dat kan immers niet,” zei hij gejaagd. „De hofpoort en de waterpoort zijn beide gesloten.”
—„Het kan wel! Zie daar,”—en de monnik haalde een paar zonderling gevormde haken van onder zijn pij te voorschijn. „Met deze haken kan ik de sloten openmaken. ’t Heeft heel wat moeite gekost! Eerst was stelen van de kaarsen in de kapel. Toen een afdruk maken van de sleutels, die altijd in de cel van den sub-prior hangen. Toen naar dien afdruk deze haken smeden in de keuken; ik moest den broeder-keukenmeester wijsmaken, dat het kraphaken waren voor het groote crucifix in het claustrum, dat dreigde te vallen, en hij geloofde mij, de oude suffer. Maar thans is alles gereed!”
—„Maar hoe hebt ge de Welle kunnen spreken, als ge het klooster niet hebt kunnen verlaten?” vroeg Jacob, nog altijd wantrouwend.
—„Hij gaf mij het mes reeds weken geleden. Maar ik durfde u niet vertrouwen. Ge hadt mij kunnen verraden, als het den prior gelukt was u terug te winnen voor de Kerk. O, het heeft weinig gescheeld! Ik heb u gadegeslagen! Maar thans zijt ge gered. Anselmus heeft gespeeld en verloren. Kom mede,—het is haast tijd! Anders ga ik alleen en gij blijft gevangen, misschien voorgoed.”
—„Maar hoe weet ge, dat de Welle op ons wacht?”
—„Hij gaf mij een teeken. Aan de overzijde van de Leye woont een vrouw, die tot de Calvinischen behoort, en uit haar zoldervenster waaide heden een witte doek. Dat is het afgesproken sein. Hij zal van middernacht tot één uur op ons wachten. Maar nu genoeg van uw wantrouwen. Ga of blijf.”
—„Ik ga met u! Ik wil het wagen!” zei Jacob met gesmoorde stem.
—„Goed! Snel dan; er is geen tijd te verliezen! Hier, neem het kruismes, als wij ons moeten verdedigen. Want wij moeten slagen, voor u en voor mij!”
En zijn lantaarn opnemende, die hij weder onder zijn pij verborg, wenkte Bernardus Jacob hem te volgen.
—„Doe uw schoenen uit!” fluisterde de monnik.
Jacob gehoorzaamde en zonder gedruisch gleden de twee witte gedaanten door de donkere kloostergangen en daalden de steenen trappen af. Jacob zou in het duister nimmer den weg gevonden hebben, maar broeder Bernardus, die vele jaren in het klooster had doorgebracht, aarzelde geen oogenblik.
Thans waren zij beneden, in het achterhuis, waar zich de keuken, de bakkerij en de toegangen tot de ruime kelders bevonden. Plotseling bleef Bernardus staan: hij had een deur hooren kraken. Haastig duwde hij Jacob in den donkeren hoek van een uitbouwsel der verwulfde gang.
Een donkere gedaante schreed langzaam op hen toe. Wie kon het zijn? Waren zij niet de eenige vluchtelingen? Of was het een spion? Had men iets van Bernardus’ plannen vermoed? Jacobs hart bonsde.
De gestalte kwam nader en nader. Hij moest hen zien in hunne witte pijen, als hij voorbijsloop.
Broeder Bernardus aarzelde niet. Haastig ontdeed hij zich van het lange kloostergewaad, en toen de gedaante vlak bij hen was, wierp hij haar met een snelle beweging zijner lange armen de pij over het hoofd. Men hoorde een gesmoorden uitroep, het rinkelen van brekend aardewerk, maar voor de man zich te weer kon stellen, had de monnik met een kracht en behendigheid, die men niet bij hem zou hebben vermoed, den nachtelijken zwerver achterover op den grond geworpen. Haastig wond hij den gordel van sterk touw, dien hij had gereed gehouden, om de pij, die hoofd en hals van zijn slachtoffer bedekte, en knoopte het koord stevig vast.
—„Uw gordel los! Bind hem de voeten!” beet hij Jacob toe.
Deze gehoorzaamde werktuiglijk. Hij greep de beenen van den spartelenden man en bond die aan de enkels stevig vast. De gevangene kreunde dof, maar lag nu onbeweeglijk stil.
Bernardus greep zijn lantaarn en lichtte bij. Een gebroken kruik lag op den grond en de sterke reuk van bier drong in hun neus.
—„Een leekebroeder, die uit zijn cel is geslopen, om bier uit den kelder te stelen,” mompelde de monnik. „Spoedig vooruit! Als iemand het breken van de kruik heeft gehoord, zijn wij verloren!”
Zij snelden naar de achterpoort. Jacob wierp nog een blik achteruit, naar den betrapten kloosterdief.
—„Zou hij niet stikken, onder die pij?” vroeg hij.
—„Geen nood! Hij heeft zijn handen vrij! Als niemand het breken van die verwenschte kruik heeft gehoord, kan hij zich wel loswringen. Maar voor ’t oogenblik is hij onschadelijk. Voort, hij moet ons zien noch hooren!”
Zij waren bij de gesloten tuindeur. De grendels en bouten waren spoedig weggeschoven. Bernardus haalde een zijner haken voor den dag en het bleek, dat hij een handige smid was. Het slot ging zonder moeite open.
—„Ik had het goed gesmeerd—met olie uit de heilige lamp van het altaar,” fluisterde hij. „Naar de waterpoort!”
Zij snelden den kloosterhof door. Het weder, dien morgen zoo schoon en stil, was tegen den avond omgeslagen. Er woei een gure wind en zwart-grijze wolkgevaarten dreven in ijlende vaart langs den hemel, waar van tijd tot tijd de maan even doorbrak. Men kon het klotsen van de golven van de Leye duidelijk hooren.
Achter hen bleef alles stil. De gebonden conversbroeder had zich nog niet bevrijd, of wellicht dreef de angst voor eigen veiligheid hem, om zich stil te houden.
Nu waren zij aan de waterpoort. Broeder Bernardus had zijn lantaarn uitgeblazen en weggeworpen, opdat het licht hen niet zou verraden. Hij klappertandde van de koude, want de nacht was guur en hij miste zijn warme pij. Zenuwachtig haalde hij zijn tweeden haak te voorschijn en boog zich over het slot, maar zijn handen beefden en hij kon het sleutelgat niet vinden.
—„Beproef gij het!” fluisterde hij met heesche stem.
Jacob nam den haak. Juist brak de maan voor een oogenblik door de wolken en zonder moeite stak hij het ijzer in de kleine, donkere opening. Hij drukte en wrong, maar het slot week niet.
—„Het gaat niet!” fluisterde hij. Hij was niet minder zenuwachtig dan zijn metgezel. Wat, als zij de poort niet open konden krijgen? Wat, als de monnik zich vergist had? Als de boot met de Welle er niet was, en zij, al was de deur open, radeloos zouden staan voor de donkere golven van de Leye?
Broeder Bernardus veegde zich het angstzweet van het voorhoofd.
—„Het moet gaan!” hijgde hij. „Op zijde! Laat mij bij de deur!”
Hij greep den haak met zijn lenige, gespierde vingers en drukte voorzichtig. De veer van het slot gaf niet mede. Buiten schuurde iets tegen het paalwerk van de breede stoep, die uitgebouwd was in de rivier.
—„De boot!” steunde Bernardus, angstig omziende. „Het moet! Hier, uw scapulier!”
Hij rukte Jacob het korte scapulier van de schouders en wikkelde het om het einde van den haak. Voorzichtig stak hij dien nogmaals in het sleutelgat en drukte met kracht. Het slot gaf mede.
Met een zucht van verlichting opende de monnik de deur en keek naar buiten. Aan de stoep lag een roeiboot. Een man stond er in en hield haar met een bootshaak tegen het paalwerk.
—„Is de jonker bij u?” vraagde een gesmoorde stem. Jacob herademde: het was de stem van Pieter de Welle.
—„Ja!” juichte broeder Bernardus, terwijl hij Jacob meetrok.
—„Schreeuw zoo niet, gek! Goddank, jonker, dat ik je weerzie!” zei de Welle heftig. „Doe die vervloekte witte pij uit! Hier zijn kleeren.”
Hij wierp een bundel op de stoep. Jacob ontdeed zich haastig van zijn kloostergewaad en broeder Bernardus, opgewonden van blijdschap over het aanvankelijk slagen van het plan, wierp het kleed met een forschen zwaai over den hoogen kloostermuur, waar het aan een der ijzeren punten bleef hangen.
—„’t Wordt waar, wat de devote Anna Byns, de Antwerpsche bagijn, in haar refereyn heeft gezegd,” zei hij uitgelaten:
„De monnicken hangen hun cappen opten tune
„En gaen als ruters den cost bejaghen.”
—„Vooruit, en dan—vive le Geus!”
—„Houd u stil en kom in de boot!” zei de Welle, „ge zijt de poort nog niet uit.”
Jacob had zich intusschen in een grove greinen pij gestoken, zooals de boeren en visschers die des winters droegen. De Welle reikte hem een wollen muts toe. De beide mannen stapten in de boot en de koddebeier begon voorzichtig te roeien, terwijl hij zooveel mogelijk in de schaduw van den walkant bleef. Maar zijn voorzichtigheid was noodeloos: straatverlichting was er in die dagen nog niet en de nachtwachts van den Hoog-baljuw vonden het weder veel te guur, om langs de kade van de Leye te dwalen en zaten zeker warm en wel in het wachthuis.
Zij roeiden een eind voort, tot zij bij een kleine scheepstimmerwerf kwamen. Hier legde de Welle de boot vast. De drie mannen stapten aan wal en klommen zonder moeite het lage houten hek over, dat de werf van den openbaren weg scheidde.
—„Waarheen nu?” vroeg Bernardus.
—„Wij moeten voor poortopenen de stad uit,” zei de Welle. „De rakkers van den Baljuw zullen morgen met den vroegste de geheele stad afzoeken naar den jonker. Wij moeten de poort uit!”
—„Kan dat?” vroeg Bernardus.
—„We gaan naar ’t Pieterseliepoortje,” zei de Welle. „Aegt Jansdochter wacht ons, jonker. Ze zal ons ’t poortje uitlaten, en dan over de velden naar Antwerpen.”
—„Naar Antwerpen?” vraagde Jacob.
—„Ja! Dat is nu de stad voor die van de ware religie!” zei de Welle. „De Papisten noemen ze ’t Vlaamsche Genève. Daar zal de dans beginnen, jonker, en we zullen de papisten met de Inquisitie het land uitdansen. Maar nu vooruit, we hebben geen tijd te verliezen.”
—„Laat ons over de Markt gaan,” verzocht Jacob.
Pieter de Welle knikte en de mannen liepen vlug door de nauwe, donkere straten, tot zij de Vrijdaegsmarkt bereikten. Daar stonden zij even stil. Jacob Martens staarde naar zijn ouderlijk huis, waarvan hij den gevel flauw kon onderscheiden. Dààr sliepen zijne ouders, zijn lieve Klaartje; daar had hij een blijde jeugd doorgebracht; daar was hij gelukkig geweest in de liefde van Madeleine—en nu, hij ging dat alles achterlaten. Hij nam afscheid—voorgoed. Eén oogenblik kwam de gedachte bij hem op, of hij niet te hoog een prijs betaalde voor zijne overtuiging. Bliksemsnel trok de verzoeking door zijn geest: hij behoefde zijn makkers slechts vaarwel te zeggen en den klopper te laten vallen. De zijnen zouden verwonderd en vertoornd zijn, als zij hem zoo onverwachts terugzagen, maar als hij zich onderwierp aan den wil zijner ouders, ja, al was het maar in schijn, als hij voor het uiterlijk maar een goede Roomsche was, dan zou alles wèl zijn. Zijn vader had invloed genoeg om het verleden te doen vergeten. En hij zou alles terug ontvangen: de liefde der zijnen, zijn eervolle plaats in zijn omgeving, als jonker Martens, den zoon van den president van Vlaanderen, de minne van de fiere Madeleine de Bette...
De strijd was kort en hevig. Toen, na een laatsten blik, wendde Jacob zich af.
—„Wie vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig,” klonk het in zijn ziel, „ja, Heere God,—maar o het is zoo hard!”
Zwijgend ging het drietal verder, tot zij het Petercelle-poortje bereikten. Het portiershuis stond daar, met gesloten luiken. Alles scheen in diepe rust, doch toen Pieter de Welle zachtjes driemaal tegen het vensterluik tikte, stond Aegt Jansdochter geheel gekleed voor hen.
—„Is de jonker er bij?” vraagde zij. „Ja? St. Aegte zij geprezen, jonker, dat je uit dat klooster zijt geraakt. Mijn jonker een Witheer? Dat nooit, al breek ik mijn eed als portierster en waag ik er mijn post en mogelijk mijn hals bij!”
—„Maar dat mag ik niet toelaten!” riep Jacob Martens ontsteld. „Pieter, we kunnen misschien elders...”
—„Ze heeft gezworen op Paapsche reliquieën,” zei de Welle norsch, „en dien eed kan zij breken. Voort, jonker, onze hals is in gevaar, meer dan die van Aegte. Wie zal haar verraden?”
De portierster trok Jacob naar zich toe en drukte hem een moederlijken kus op het voorhoofd.
—„Dan moeten de president en de Hoog-baljuw maar niet aan mijn voedsterkind raken,” zei het kloeke wijf hartelijk. „Wees gerust, jonker, pater Adriaan, mijn biechtvader, is de kwaadste niet. Voor een pond waskaarsen krijg ik absolutie.”
Jacob wilde nog iets zeggen, maar Aegte opende snel en voorzichtig de poortdeur en Pieter de Welle vatte hem bij den arm en drong hem naar buiten. Achter hen werd het poortje voorzichtig gesloten.
Toen de grauwe, kille Decembermorgen aanbrak, waren de drie vluchtelingen reeds ver van Gent, op hun weg naar Antwerpen. De grijze toren van St. Bavo scheen hen over de velden na te staren.
1 In onze Bijbelvertaling psalm 139: 9–13.
„Nam ik vleugelen des dageraads, woonde ik aan het uiterste der zee, ook dáár zou Uwe hand mij geleiden en Uwe rechterhand zou mij houden. Indien ik zeide: de duisternis zal mij immers bedekken, dan is de nacht een licht om mij. (Roomsche vertaling: zoo zal toch ook de nacht mij tot een licht zijn in mijne geneugten). Ook verduistert de duisternis voor u niet.... (Roomsche vertaling). „Want voor u is de duisternis niet donker.” ↑