IX.

Ja, de moedige, maar onberaden poging om Doornik te helpen en Valenciennes te ontzetten, was jammerlijk mislukt. Tal van vluchtelingen, die aan de ruiters van Noircarmes ontkomen waren, en die den guren winternacht in allerlei schuilhoeken hadden doorgebracht, kwamen de volgende dagen ongehinderd Antwerpen binnen, en ze bevestigden de tijding, die Jean Denijs had gebracht. ’t Was een verpletterende nederlaag geweest, dat gevecht bij Lannoy. Een verrassing, even sluw beraamd als stout uitgevoerd door den dapperen en bekwamen Noircarmes, die van zijn krijgsmanskunst zoo wèl gebruik had weten te maken tegen zijn ongeoefende tegenstanders. De overval was volkomen geweest: het geheele Geuzenlegertje was vernietigd en de troepen der Landvoogdes hadden nagenoeg geen verliezen geleden.

Van Jean Denijs, die zich in het huis van Thoulouse schuil hield, om er van zijn hoofdwonde te genezen, vernamen de bondgenooten nog nadere bijzonderheden. Zij vernamen van hem ook den dood van Gheleijn de Keijzer, die in het gevecht bij Watrelos was gebleven. De gewezen monnik had niet lang genoegen gehad van zijn pas verworven vrijheid. Jean Denijs verhaalde, hoe hij het vuurroer, waarmee men hem had willen uitrusten, minachtend had afgewezen; hoe hij, met een langen handboog gewapend, als een echte Vlaamsche schutter met zijne pijlen verscheidene van van Rossinghem’s volk had neergelegd, en hoe hij eindelijk met een „goedendag” als wapen, tegen de opdringende knechten had standgehouden, en, vechtende tot het laatste, was gevallen.

Zou de dood dier martelaren worden gewroken? Jacob Martens vroeg het met koortsig ongeduld. Hij brandde van verlangen om ten strijde te trekken tegen de troepen der Regeering, die het land verdrukte. „Nu of nooit!” dacht hij en dat dachten duizenden met hem. Brederode, de kloeke, voortvarende Brederode, scheen het hoofd der beweging. Hij was de man van het oogenblik, op wien aller oogen waren gevestigd, het hoofd der partij van actie, die dreef tot onmiddellijk handelen, tot krachtig doortasten.

En Oranje, de zwijgende, bedachtzame schaakspeler, die nimmer een haastigen, onberaden zet op het politieke schaakbord deed, wachtte af!

Nu of nooit! Handelen moest men, of alles was verloren! Namen de geruchten, dat de Koning met een geducht leger herwaarts zou komen, niet steeds vaster vorm aan? Wist men niet met zekerheid, dat die troepen zouden worden aangevoerd door Philips’ besten veldheer, den geweldigen hertog van Alva? Mocht men wachten, tot de Kerk van Christus, tot de Nederlandsche vrijheid zou worden vertrapt onder de ijzeren zool der Spaansche huurbenden?

Nu of nooit! En het Consistorie der Gereformeerde kerken, te Antwerpen vergaderd, benoemde hun held en hun voorvechter tot opperbevelhebber. Brederode benoemde Philips van Marnix van St. Aldegonde tot penningmeester der beweging. Het geld der Gereformeerden vloeide toe, want men verwachtte veel van de onderneming. Openlijk werden in Antwerpen troepen geworven op Brederode’s last. Antony van Bombergen, de vermetele aanvoerder, die onder Condé had gediend, maakte zich meester van ’s Hertogenbosch en trotseerde er de Regeering. Maastricht dreigde afvallig te worden: het was reeds wederspannig.

En het was nu geen geheim meer, dat de Geuzen het oog hadden geslagen op Zeeland. Dààr wilden zij zich nestelen, om de Spaansche vloot,—want men verwachtte de troepen des Konings over zee—den doortocht te betwisten. Als Alva kwam, dan zou hij, naar men meende, het geheele land onder de wapenen vinden.

Zoo dacht men, en steeds zag men op Oranje. Maar ondanks het aandringen der bondgenooten, ondanks het morren van het volk, bleef Oranje wachten. Ja, het scheen zelfs, dat hij zich tegen Brederode keerde. Hadden de aangeworven troepen, die zich in de dorpen bij Antwerpen hadden gelegerd, niet den last gekregen van den Prins, als Markgraaf van Antwerpen, om zich aanstonds te verwijderen, onder bedreiging van geweld, indien zij niet gehoorzaamden? Aarzelend waren zij afgetrokken, de Geuzenbenden, om zich bij Brederode te voegen, sommigen te scheep, anderen over Gorcum, en wrokkend zagen de Antwerpsche Gereformeerden naar den zwijgenden staatsman, die hunne verwachtingen zoo teleurstelde.

Toch,—men wist het wel, er was toch nog krijgsvolk te Antwerpen gebleven en er werden er nog steeds geworven. Zou er dan toch nog hoop zijn?

Met een gelaat, gloeiend van geestdrift, trad Jan Blois van Treslong op een middag in het laatst van Februari de „sale” binnen in het huis van Thoulouse, waar de hoofden der Antwerpsche beweging vergaderd waren. De heer des huizes, met Jacob Martens als zijn secretaris, leidde de bijeenkomst. Men zag er eenige der Antwerpsche predikanten, den Heer van Walencourt, een uitgeweken Huguenoot, Mr. Gillis le Clercq, Jean Denijs en de Heeren van der Aa, Waroux, Escaubecque en Villers, de laatsten allen hoplieden onder Brederode.

—„Eindelijk, Thoulouse! eindelijk, heeren!” riep de vurige jonge edelman, terwijl hij zijn vriend een gezegeld stuk overreikte. „De bode van Mr. Pieter Haeck is zooeven aangekomen. De baljuw wil ons helpen en hij heeft veel invloed op Walcheren. Zijn wij eerst meester van het eiland, dan lachen wij met Mevrouw van Parma en hare tachtig vendels!”

Thoulouse opende den brief van den gewezen Middelburgschen baljuw en las dien voor. Inderdaad bevatte het schrijven het bericht, dat Meester Pieter Haeck hun voorstel aannam: De bondgenooten zouden met de troepen, die zij nog te hunner beschikking hadden, de Schelde afvaren en een aanslag op Walcheren wagen, Haeck, die zich in Zeeland ophield, om daar de bevolking te bewerken, zou zich op de rivier bij hen voegen, en door zijn invloed en dien zijner familie zou hij de voornaamste steden weten te bewegen, zich voor de Geuzen te verklaren. „En”—zoo werd er geheimzinnig gefluisterd—„de Prins van Oranje keurde de onderneming goed. Was niet een zijner officieren, de Heer van Boxtel, naar Zeeland geweest, om te verhinderen, dat de steden eene bezetting der regeering zouden innemen? En had de gouverneur van Zeeburg, de wakkere Roeland van Ghistelle, niet geweigerd, een vendel voetknechten in de sterkte toe te laten, zonder bijzonderen last van Oranje, in wiens handen hij den eed had afgelegd?”

Men was vol geestdrift, vol hoop. Met gejuich werd het schrijven van Pieter Haeck ontvangen. Nu zou men dan toch eindelijk kunnen overgaan tot de groote onderneming, waarvan zoo lang was gesproken, die zoo zorgvuldig was voorbereid. Met kracht, zoo besloot men, zou men de werving voortzetten. Men had geld, men had geschut en wapens; men wist over welke schepen men kon beschikken. Drie groote vaartuigen lagen aan het Vlaamsche hoofd gereed.

Den 2den Maart 1567, tegen den noen, stond het Antwerpsche volk met nieuwsgierigheid een bende krijgsvolk aan te staren, die op de Meere werden gemonsterd. ’t Waren drie vendels voetknechten, goed gewapend met speren en haakbussen, maar ’t waren geen stadssoldaten, dat was duidelijk. Van uniformen wist men in die dagen nog niet veel; de lederen kolders, de stalen borstharnassen en stormkappen werden door de soldaten van alle partijen gedragen, maar de officieren en manschappen hadden groene en witte sjerpen en veldteekens, en de hoplieden met hunne luitenants, die daar het bevel voerden, waren voor de Antwerpenaars goede bekenden: dat waren de Geuzenvendels!

Een oogenblik, en daar roffelden de trommen, daar werden de vaandels ontplooid, witte banen met een bloedrood St. Andrieskruis, daar klonken de commando’s en in goede orde marcheerden de drie vendels door de stad en naar het Vlaamsche hoofd, onder het luid gejuich der Calvinistische burgerij.

En de Antwerpsche magistraat liet het geschieden, en de stadhouder verzette zich niet. Wat zouden zij doen? De toekomst was donker,—en twaalf à veertien duizend Calvinisten, door de gebeurtenissen der laatste dagen geprikkeld, waren dààr, gereed tot den opstand, zoo men de Geuzentroepen bemoeilijkte.

Met de witzijden sjerp—een geschenk der Vrouwe van Thoulouse—over het gepolijst stalen borstharnas, den breedgeranden hoed met witte pluimen op het hoofd en den degen op zijde, trad Jacob Martens, die als cadet in het onmiddellijk gevolg van Thoulouse den tocht zou meemaken, met een aantal der jonge Geuzenedelen aan het hoofd van den stoet. De borst sloeg hem hoog en fier, bij de gedachte, dat hij thans een krijgsman was, dat hij ging strijden voor de schoone zaak der vrijheid, die hij diende; dat hij zijn volk en de verdrukte Kerke Christi ging bevrijden van het zware juk der Inquisitie. Want dat de goede zaak zou zegepralen, nu, oogenblikkelijk,—daaraan twijfelde hij geen oogenblik. Hij bewonderde Brederode, maar voor Thoulouse had hij een blinde vereering; hij was zeker van den goeden uitslag, omdat Jan van Marnix aan het hoofd stond der stoute onderneming. De geestdrift der aanvoerders had allen aangestoken: daar gingen zij heen, de redders en bevrijders des volks.

En onwillekeurig bekroop hem de gedachte: als Madeleine hem nu eens kon zien, niet meer den jongen, baardeloozen scholier van Leuven, maar den krijgsman, den vertrouwde van Thoulouse en Treslong! O, als de overwinning was behaald, en het dankbare volk ook hem dankte als een van zijn bevrijders, dan zou hij zijn jonge lauweren aan haar voeten leggen,—en dan zouden ook hààr immers de oogen open gaan, en zij zou zien hoe schoon en edel de zaak was, die hij diende; moest toch de fiere Vlaamsche jonkvrouw niet meer sympathie hebben voor geloofsvrijheid en volksvrijheid, dan voor priesterdwang en tirannie?

En, zijn schoonen droom voortspinnende, stapte Jacob voort onder de witte banier met het roode kruis, door de straten van Antwerpen en naar het Vlaamsche hoofd, waar de drie kagen lagen, die de kleine strijdmacht zouden opnemen en die hen met vroolijk wapperende wimpels schenen te begroeten. Nauwelijks was men de poort uit, nauwelijks waren de schepen in het gezicht, of een daverend hoezee klonk over de breede kade, en het Geuzen-marschlied werd aangeheven, door pastoor Arent Dircksz Vos te de Lier met omwerking van een oud drinklied vervaardigd:

Slaet opten trommele, van dirredomdeyne,

Slaet opten trommele, van dirredomdoes!

Slaet opten trommele van dirredomdeyne:

„Vive le Geus!” is nu de loes!

De Spaensche inquisitie, voor God malitie,

De Spaensche inquisitie, als draeckbloet fel,

De Spaensche inquisitie gevoelt punitie,

De Spaensche inquisitie ontvalt haar spel!

Het kreupelrijm, in weinige weken zoo populair geworden, en dat zijn vervaardiger weldra op het schavot zou brengen, werd juichend meegezongen door het volk, dat met de marcheerende vendels medeliep.

Vive le Geus! wilt Christelijck leven,

Vive le Geus, houdt fraeyen moed,

Vive le Geus, God hoede u voor sneven,

Vive le Geus, edel Christenbloed!

De kagen, die aan de kade lagen vastgemeerd, waren bereikt. Juichend wees het volk naar de metalen stukken, die aan de voor- en achtersteven waren vastgesjord.

De inscheping had in goede orde plaats. Het eerste schip stond onder bevel van Thoulouse zelf. Treslong, Gillis de Clercq en Jacob Martens waren bij hem aan boord. Jean Denijs en de Heer de Walencourt commandeerden de beide andere vaartuigen.

De touwen werden losgemaakt; het eene schip na het andere stak van wal, de zeilen werden geheschen en onder een luid „Vive le Geus!”, dat aan den wal even geestdriftig werd herhaald, zakten de vaartuigen de Schelde af.

Het was een schoon gezicht, de breede rivier voor Antwerpen, met de tallooze vaartuigen, groot en klein, die er door elkander kruisten, van de kolossale, buikige kraken en galjooten, die uit Spaansche en Portugeesche havens de kostbare waren uit het Oosten aanbrachten, tot de armelijke pramen van de visschers en strandjutters. Men zag er de vlaggen en wimpels van alle natiën, want Antwerpen was de groote stapelplaats van den goederenhandel, het hart der rijke Nederlanden.

Tegen den mast geleund, genoot Jacob Martens van het mooie riviergezicht, dat door een bleek Maartsch zonnetje werd beschenen. De vlakke, lage oevers gleden aan zijn blik voorbij, soms lange streken van moeras- en veengrond, waar duizenden watervogels krijschend en fladderend rondzwierven, soms de wijde velden van Vlaanderen en Brabant, die zich uitstrekten in eindelooze verte. Vroolijk klonken de liederen van het bootsvolk en de soldaten, terwijl de laatsten op het dek en in het ruim ijverig bezig waren met het nazien en in orde brengen hunner wapenen. De jonge edelen liepen op het dek heen en weder; voor de meesten was het hun eerste krijgstocht, en zij stapten vol gewicht rond in hun blinkende wapenrusting en lieten hun degens kletteren, trotsch als zij waren, dat zij deel mochten nemen aan een zoo belangrijke onderneming. Treslong was onder hen een van de vroolijksten en luidruchtigsten.

Alleen Jan van Thoulouse stond alleen bij den roerganger. Hij tuurde naar een grooten, zwarten boeier, met een donkerbruin zeil, die op eenigen afstand de kleine vloot volgde. Jacob voegde zich bij hem.

—„Ziet gij dien boeier daar?” vraagde de jonge aanvoerder.

Jacob wierp een blik op het zwarte vaartuig en keek zijn ouderen vriend aan.

—„Dat is een spion van de Brusselaars,” zei Thoulouse. „Van Antwerpen af heeft hij al in ons zog gevaren. ’t Is een snelle zeiler, dat kunt ge aan zijn bouw wel zien, en toch komt hij deze logge kagen niet vóór. Ge kunt er op aan: Mevrouw van Parma laat ons in het oog houden en die boeier zal haar spoedig bericht brengen van het al of niet slagen van onze onderneming.”

—„Waarom boort gij hem niet in den grond?” vraagde Jacob, vol strijdlust.

—„Hij zou het gemakkelijk ontzeilen. Daarenboven, waartoe zouden wij ons ophouden, om jacht te maken op zoo’n ellendige schuit. Die van Brussel mogen weten, wat wij in het schild voeren. Want wij kunnen niet meer terug, Martens. Het is voor ons overwinnen of sterven. Als onze onderneming mislukt, zijn wij verloren, want men zal ons te Brussel nooit vergeven.”

—„O, maar als wij de Zeeuwsche steden bezet hebben, dan beheerschen wij den mond van de Schelde,” meende Jacob, in de kracht van zijn jeugdig zelfvertrouwen, „en als Brederode ons dan van de landzijde steunt, zullen wij met Mevrouwe van Parma een gunstig verding kunnen maken.”

—„Zeker, als wij slagen. Als die Meester Pieter Haeck niet te veel heeft beloofd. Treslong rekent op hem en vertrouwt hem blindelings en—anderen doen dit ook. Hij is zeker een trouw aanhanger der goede zaak, en is zijn invloed te Middelburg en te Vlissingen zoo groot, dat hij er een ommekeer in den stand van zaken kan teweeg brengen, dan heeft onze onderneming een schoone kans, zooals ge zegt. Indien niet...”

Hij zweeg een oogenblik en keek peinzend naar de grauw-blauwe golven van de Schelde.

—„Ik vreeze geen eerlijken krijgsmansdood,” zei hij zacht, „maar mijn arme vrouw!”

—„Kom, Thoulouse,” zei Jacob trouwhartig, „wat stemt u zoo somber vandaag? Gij, onze aanvoerder en de ziel van onze onderneming! Ge hebt alle plannen zoo wèl ontworpen, zoo nauwkeurig overwogen en zoo stout uitgevoerd. Laat ge nu den moed zinken, nu we op het punt zijn te slagen?”

—„Ik zou het niet wagen, het aan iemand anders te bekennen, maar ik weet, dat ik u vertrouwen kan. Begrijpt ge niet, dat juist nu, nu de teerling is geworpen, nu alles is voorbereid en de strijd zal beginnen, dat ik juist nu soms een bange vrees in mij voel opkomen? Wat, als ik eens gedwaald had? Als ik al die jonge edelen, mijne vrienden, al die dappere mannen in den dood leidde? De Heere God weet, dat ik niet mijne eere zoek, dat ik Zijn wil heb trachten te verstaan,—maar wat, als ik mij eens bedrogen had?”

—„Onmogelijk! Onze zaak is Gods zaak!” riep Jacob vol geestdrift.

—„Dat is zij! En ook te vallen voor Gods zaak is eene eere!” antwoordde Thoulouse. „Vrees niet, Jacob Martens! Als ik nu kleinmoedig ben,—in ’t gevecht zult ge mij geen lafaard noemen! Laat ons Treslong opzoeken.”

Jacob volgde den jongen aanvoerder naar de voorplecht. De ernstige woorden van Thoulouse hadden indruk op hem gemaakt. Met al den geestdrift en den moed der jeugd had hij zich bij de onderneming aangesloten.

„O, de uitslag was zeker! Mr. Pieter Haeck zou wonderen doen in Zeeland! En dan Brederode met zijne hulptroepen en de Duitsche benden, die door Lodewijk van Nassau heetten geworven! En de steun van Condé en zijne Huguenoten!”

Zoo spraken de dappere jonge edelen onder elkander, zoo had ook Jacob Martens gesproken. Thans bedacht hij voor het eerst, dat de krijg twee kansen heeft. Een somber voorgevoel maakte zich van hem meester, als hij luisterde naar de schertsende groep op den voorsteven. Hij keek onwillekeurig naar den zwarten boeier, die nog steeds op eerbiedigen afstand de kleine vloot volgde: ’t was hem, of daar een zwarte doodsschaduw aan kwam zweven, die weldra al dien zonnigen jeugdigen overmoed zou komen overdekken.

Tegen den avond veranderde de wind. De lucht begon te betrekken en het werd guur en koud. De schepen moesten laveeren en men vorderde slechts langzaam. De vroolijke luim van het krijgsvolk was reeds lang voorbij. Zij, die een plaatsje konden krijgen in het vooronder, zochten er een schuilplaats voor den guren Noord-Wester. De anderen schoolden op het dek samen en trachtten zich zoo goed mogelijk voor den wind te beschutten. De jonge edelen hadden zich naar de kajuit begeven en vermaakten er zich met drinkkroes en verkeerbord. Thoulouse verliet echter het dek niet en Jacob bleef bij hem; ook Mr. Gillis le Clercq, een man met een verstandig uiterlijk, bleef bij den aanvoerder en onderhield zich met hem op zacht fluisterenden toon.

Het duister was reeds gevallen. Men was nu dicht onder den Zeeuwschen oever en rechts vooruit ontwaarde men een rood licht; waarschijnlijk een vuurbaak.

De schipper naderde Thoulouse en deelde hem met zachte stem iets mede, terwijl hij op het licht wees. Haastig begaf de aanvoerder zich naar de voorplecht, door zijne beide metgezellen gevolgd. De schipper gaf zijn bevelen en weldra heerschte er een zekere bedrijvigheid aan boord. Een lantaarn werd in den mast geheschen, als sein voor de andere schepen en een paar knechten kwamen met een teerton en een vuurpot aansjouwen. Weldra vlamde een warm rood licht op de voorplecht op, en weerspiegelde in het donkere water der Schelde. Het dek was thans vol; allen, officieren en manschappen, drongen naar het rechterboord en keken uit naar den donkeren oever.

Een oogenblik nog—en een donkerroode gloed werd zichtbaar boven de waterlijn. Het vuursein werd van daarginds beantwoord.

—„Ze schijnen daar op ons gewacht te hebben,” merkte een forschgebouwde rotmeester op, die, op zijn hellebaard geleund, naast Jacob Martens stond en opmerkzaam naar het vuursein scheen te turen.

—„De Welle!” riep Jacob verrast.

Na zijne kennismaking met Thoulouse en zijne opneming in den kring der Geuzenedelen had hij den boschwachter een weinig uit het oog verloren. Pieter de Welle had zich van zijn kant bescheiden teruggetrokken, toen hij bemerkte, dat zijn „jonker” de omgeving had gevonden, waarin hij eigenlijk behoorde. Hij had vrienden onder zijne geloofsgenooten te Antwerpen en hij had er rustig den loop der gebeurtenissen afgewacht. Zijne dochter had hij reeds lang te voren in veiligheid gebracht bij hare moei te Poperingen.

Toen de werving van krijgsvolk voor Brederode begon, had hij gaarne het handgeld van hopman van der Aa aangenomen, op voorwaarde, dat hij dienst zou doen bij het vendel, waartoe ook jonker Martens behoorde. De hopman had den kloeken, vastberaden man aanstonds tot rotmeester bevorderd.

Thans keek hij zijn jonker eens van ter zijde aan en maakte een beweging als voor een militair saluut, maar Jacob vatte zijn hand en drukte die hartelijk.

—„Gij ook hier aan boord, de Welle?” zeide hij. „Daar ben ik hartelijk blij om!”

—„Alsof ik je alleen ten oorlog zou laten trekken, jonker,” zei de gewezen boschwachter met ruwe hartelijkheid. „Soms bezwaart het mij, als ik denk, dat je zonder mij nog veilig en rustig op de Vrijdaegsmarkt of op de school te Leuven zoudt zitten. Maar dan denk ik weer: ’t Is zóó Gods bestel geweest, dat ik den jonker moest helpen om de Paepsche dolingen te verlaten en vrede voor zijn ziel te vinden. Dat was zóó door den Heere God verordineerd, jonker! En nu zullen wij gaan vechten voor de verdrukte ware Kerk van Christus, en als wij vallen, zal het in een goede zaak zijn.”

—„Dat zal het, Pieter!” zeide Jacob. „Maar wij zullen nog niet vallen, man! Wij zullen den Koning en de Gouvernante dwingen, om ons vrij exercitie van religie toe te staan—en als het eenmaal zoover is, dan worden wij weer hunne goede en trouwe onderdanen. En mijn vader zal ons vergeven en jij wordt weer boschwachter en ik ga weer naar Leuven—als ik tenminste niet vaandrig word bij een van de benden van ordonnancie, waartoe ik zonderlinge lust gevoel. Maar, over een week of acht zijn wij misschien weer te Gent.”

—„God geve het!” mompelde de Welle, terwijl hij met een vreemden trek op zijn gerimpeld gezicht zijn jeugdigen metgezel aanzag.

—„God geve het!” zeide Jacob ernstig.

Ondertusschen was het roode licht op den oever gedoofd en ook de brandende teerton plofte sissend in de golven der Schelde. Van den Zeeuwschen kant hoorde men het geluid van naderende riemslagen.

—„Zou dat die Zeeuwsche boerenverklikker zijn, dien we aan boord moeten nemen?” vroeg de Welle, die, als de meeste Vlamingen, niet van de Zeeuwen hield.

—„Zeker wel! Hij zou voor Zeeburg aan boord komen,” meende Jacob. „Daar is hij al!”

Een roeiboot schoot uit de duisternis naar voren en werd door den schipper aangeroepen.

Na een korte woordenwisseling kwam de boot langszij; de valreep werd neergelaten, en een kort, dik mannetje stapte op het dek, gewikkeld in een met bont gevoerden en omzoomden mantel. Het ventje beantwoordde met een zekere nederbuigende welwillendheid den groet der omstanders en vroeg toen met veel deftigheid onmiddellijk naar den Heer van Thoulouse te worden geleid. Daar deze hem beleefd aan de valreep had ontvangen, was dit niet meer noodig. Met een genadig knikje wendde de ex-baljuw zich nu tot Marnix en begon op een beschermenden toon te vragen naar zijn plannen, het aantal van zijn manschappen en zijn geschut. De jonge edelen, om hun vriend en aanvoerder geschaard, verbeten hun lachen, toen zij bemerkten, dat Mr. Pieter Haeck zichzelf blijkbaar beschouwde als het hoofd en den leider der gansche onderneming. Het verwaande manneke sprak met gewicht over de aanstaande gebeurtenissen, alsof die alleen afhingen van zijn beleid; hij keurde goed en af, berispte en prees, en maakte het eindelijk zoo bont, dat er onder de groep, die hem omringde, reeds hier en daar een lach of een kwinkslag werd gehoord, zoodat Thoulouse, die den Middelburger niet wilde ontstemmen, hem haastig medenam naar de kajuit.

—„Als die Zeeuwsche haan even goed kan vechten als kraaien, dan belooft dat wat goeds!” bromde de Welle, „maar ik houd niet van dat soort!”

De komst van den baljuw had echter weer wat levendigheid aan boord gebracht. Er werd luid gesproken en gelachen en de soldaten hieven, na een donderend „Vive le Geus!”, dat van de andere schepen luide beantwoord werd, een Geuzenlied aan, dat heenschaterde over de donkere golven der Schelde en de dorpelingen van Zuid-Beveland angstig deed vragen, wat dat ongewoon rumoer te beduiden had.

Tegen middernacht ankerde de kleine vloot niet ver van den oever en de aanvoerders maanden de soldaten aan, de noodige rust te nemen. Te vijf uur werden de ankers gelicht en toen de grauwe Maartsche morgen aanbrak, zag Jacob rechts het breede vaarwater van het Sloe, en recht voor zich uit een zwart gevaarte, dat uitstak boven de modderbanken van den oever. Het was het sterke fort Zeeburg, bij Rammekens, de sleutel van de Schelde.

En nu was het oogenblik gekomen, dat Mr. Pieter Haeck zou toonen, wat zijn invloed vermocht. Woei eenmaal de witte banier met het roode St. Andrieskruis van het sterke Zeeburg, dan was de zaak der vrijheid haast gewonnen.

Hij zelf twijfelde geen oogenblik aan den goeden uitslag van zijne tusschenkomst. Toen de kleine vloot de sterkte zoo dicht mogelijk genaderd was, stapte hij deftig in de boot, die hem met Mr. Gillis le Clercq naar wal zou roeien. Met gespannen aandacht keken de Geuzen, zoo officieren als soldaten, naar de hooge wallen. Elk oogenblik verwachtten zij het afgesproken sein te zien,—het neerhalen van de Koningsvlag—dat hen zou waarschuwen, dat zij konden landen en de sterkte binnenrukken, maar het eerste uur verliep—en er was niets te zien. Vroolijk wapperde het Bourgondische knoestkruis in den straffen Noordwester. Eindelijk, na twee uren, verschenen de beide afgezanten op de houten werf, door een wacht van krijgslieden begeleid. Traag roeide de boot naar het schip terug. Toen zij naderbij kwam, stond het gelaat van Gillis le Clercq ernstig en strak, dat van Mr. Pieter Haeck was rood van gramschap en verlegenheid. Blijkbaar was hun zending mislukt.

Het ging niet aan, de zaak voor het krijgsvolk geheim te houden en het werd dan ook niet beproefd. In korte woorden gaf Mr. Gillis le Clercq aan Thoulouse verslag van den uitslag zijner zending. Kapitein Roeland van Ghistelle zou niemand binnen de veste laten, die hem geen lastbrief kon toonen van den Prins van Oranje.

Pieter Haeck liep stampvoetend van drift het dek op en neder.

—„Hij is omgekocht! De verrader is omgekocht!” schreeuwde hij. „Hij had beloofd, ons het kasteel te leveren! Waarom brengt ge uw geschut niet aan land? Neem de plaats met geweld!”

Thoulouse en de andere edelen haalden de schouders op. Al waren de meesten hunner nog nimmer in werkelijken krijgsdienst geweest, zij leefden in een tijd, toen ieder edelman een krijgsman was en zij wisten te wel, dat met een zoo kleine macht als de hunne een sterkte als Zeeburg aan te vallen een roekelooze dwaasheid zou zijn.

Thoulouse liet de bevelhebbers der beide andere schepen seinen, bij hem aan boord te komen, om met hem, le Clercq, Haeck en de voornaamste edelen krijgsraad te beleggen in de kajuit.

De zwarte boeier, die hen den ganschen nacht gevolgd was, kruiste in het gezicht der vloot op de breede Schelde.

De krijgsraad duurde niet lang. Was de aanslag op Zeeburg mislukt, daarom behoefde toch—zoo meende men—het geheele plan niet te worden opgegeven. Mr. Pieter Haeck drong er op aan, dat men terstond naar Vlissingen zou stevenen. Dààr was hij zeker van zijn zaak. Zijn schoonzoon en zijne vrienden uit Middelburg hadden er voor de Geuzenpartij gewerkt. De regeering der stad was hem genegen, en zijn aanhangers en vrienden zouden hem met open armen ontvangen. En wie Vlissingen en zijn haven in handen had, was meester van Walcheren.

Hoewel de tegenslag, dien men bij Rammekens had ondervonden, hun vertrouwen in den drukken, verwaanden Middelburger niet weinig had geschokt, besloten de aanvoerders der Geuzen toch zijn raad te volgen. Wat zou men al anders doen? De geheele tocht was ondernomen om Walcheren te bezetten, om dààr een vast steunpunt te krijgen. Mislukte dit,—waar moest men dan heen?

Jean Denijs en de Heer van Walencourt keerden naar hunne schepen terug, en een luid „Hoezee!” en „Vive le Geus!” begroette het bevel om het anker te lichten en koers te zetten naar Vlissingen, waarvan men den statigen toren boven de troebele wateren der Westerschelde zag uitsteken.

De schepen liepen de haven binnen met de witte kruisvlag hoog in top. Men had afgesproken, thans stoutmoedig op te treden en geen tijd te verspillen met nuttelooze onderhandeling. De komst van drie groote vaartuigen met gewapenden veroorzaakte geen geringe opschudding onder de koopvaarders, de krapschuiten en de vliebooten, die in de haven lagen. Sommige vaartuigen borgen zich onder de beschutting van de kanonnen der stad; een paar van de vreesachtigste schippers kapten de ankers en liepen de haven uit, terwijl een aantal visschers van hun bommen en buizen nieuwsgierig de beweging der vreemde gasten volgden.

Thoulouse zeilde de haven binnen tot onder de wallen der vesting. Men zou er de manschappen en het geschut ontschepen en moedig toegang eischen. Het was duidelijk, dat men in de stad hunne nadering had bemerkt. De hooge wallen aan de havenzijde waren zwart van de menschen, die uitzagen naar de kleine vloot. „’t Waren zijn vrienden!” beweerde baljuw Haeck; „ze wisten, dat hij in aantocht was en ze waren daar om hem, den teruggekeerden balling, te begroeten.” Hij zwaaide met zijn hoed en deed alles, om de aandacht der starende burgers te trekken.

Ondertusschen stond Pieter de Welle naast Thoulouse en Jacob Martens het gewoel op de wallen gade te slaan. Zijn scherpe jagersoogen merkten alles op; het was duidelijk aan hem te zien, dat hij de algemeene vreugde en opgewondenheid niet deelde. Plotseling keerde hij zich om en keek den druk gesticuleerenden Pieter Haeck aan.

—„Met verlof, Heer baljuw,” zeide hij, „uw vrienden schijnen ons daar warm te willen ontvangen. Ik zie duidelijk, dat ze daar op de wallen met het geschut bezig zijn.”

—„Onmogelijk, man!” zei Mr. Pieter Haeck haastig. „Mijn schoonzoon zou nimmer dulden... Of misschien zijn ’t saluutschoten, die ze willen lossen!” voegde hij er vol hoop bij.

De woorden van den rotmeester waren door Thoulouse, Treslong en eenige der andere edelen verstaan. Allen keken met inspanning naar het bastion, waar een groep mannen ijverig aan den arbeid scheen. Men naderde meer en meer, de omtrekken werden duidelijker—daar flikkerde een dofroode vlam in een wolk van witten rook op het bastion, de doffe donder van den slag dreunde over de haven en een kanonskogel vloog gierend over den kaag heen.

—„Wat is dat?” riep Mr. Pieter Haeck verbijsterd.

—„Een saluutschot van uw schoonzoon denkelijk,” zeide de Welle droogjes.

Nog een oogenblik—en een tweede schot daverde over het water. De kogel sloeg krakend in den romp van het schip en wondde een paar soldaten. Blijkbaar wilde Vlissingen zich verdedigen: de vrienden van den ex-baljuw waren op zijn bezoek niet gesteld, of zij hadden de burgers niet kunnen belezen, hem en zijne medestanders te ontvangen.

Een oogenblik stond Thoulouse besluiteloos. Met strakken blik staarde hij naar de wallen der stad, waarvan hij zoo veel had gehoopt. Terugtrekken? Het plan opgeven? Maar dan—dan was alles vergeefsch geweest; dan was het gedaan met de zaak der vrijheid. En dan was er voor hem en allen die met hem waren geen andere uitkomst dan de ballingschap of het schavot.

—„Wij moeten wenden, Thoulouse,” riep Treslong, toen een derde schot het grootzeil doorboorde, „als zij den mast treffen, is het met ons gedaan. Zie, de Walencourt vlucht!”

Het was zoo! De kaag, door den Huguenoot gecommandeerd, had den steven gewend en de zeilen omgebrast. Alleen het vaartuig van Jean Denijs volgde hen onder klein zeil. Op het bastion was men ijverig bezig met de kartouwen, blijkbaar om, als het noodig was, de stad bij te staan. De schipper trad met een angstig gezicht op den aanvoerder toe en het scheepsvolk stond daar met donkere, dreigende blikken al mompelend bijeen.

Toen gaf Thoulouse met een zucht bevel het roer te wenden. Met gebogen hoofd verliet hij het dek en begaf zich naar de kajuit, terwijl de schipper haastig zijn bevelen gaf.

Van de schepen, die in de haven voor anker lagen, ging een luid en spottend gejuich op, toen men de Geuzen zag aftrekken en de slangen van het bastion bulderden nog eens en zonden hun kogels na, die echter, zonder schade aan te richten, over de schepen heen vlogen.

Juist toen de kaag van Thoulouse de Schelde weer opstevende, schoot een zwarte boeier haar op een paar scheepslengten voorbij. Jacob Martens, die met Treslong bij het roer stond, zag plotseling een jonkman in schippersdracht op de verschansing springen en met zijn muts wuiven.

—„Adieu, Jacques,” klonk het spottend; „hebt ge soms een boodschap voor joffer Madeleine?”

—„Thierry!” riep Jacob, die de spottende, scherpe, stem herkende.

—„’t Is die satansche spion van die van Brussel!” riep Treslong geërgerd. „Hei daar! arquebusiers daar voor op den boeg, aan de lont! Zend dien schreeuwer daar eens een paar kogels toe!”

Een paar soldaten grepen naar hunne haakbussen en bliezen op de lont. Inderdaad werden er een paar schoten op den wegzeilenden boeier gelost, maar ze schenen er niemand te treffen. De bemanning schreeuwde en jouwde en zwaaide uitdagend met de mutsen, en het vlugge vaartuig danste voort over de golven, om aan de regeering te Brussel het welkome nieuws te gaan brengen, dat de aanslag der Geuzen was mislukt en dat Vlissingen den Koning was trouw gebleven.

Het had niet veel gescheeld, of Mr. Pieter Haeck, wiens verwaandheid al zoo’n gevoeligen schok had gekregen, was door de verbitterde soldaten eenvoudig buiten boord gezet, om, zooals zij zeiden, naar Walcheren te zwemmen, en er, met behulp van zijn schoonzoon, het eiland te veroveren. Treslong en een paar der andere edelen wisten hen echter tot rede te brengen. Nog heette alles niet verloren. Met het opkomen van den vloed zou men het Sloe instevenen en een poging wagen, om zich in Arnemuiden te nestelen. Wel was die stad van veel minder belang dan Vlissingen, maar als men ten minste maar ergens vasten voet had gekregen, dan kon men den loop der gebeurtenissen afwachten. Men seinde de beide andere schepen, maar deze zagen de seinen niet, of wilden ze niet zien. Men zag ze, langs den oever van Zuid-Beveland koersend, de Schelde weder opvaren. De kaag van Thoulouse slechts zeilde het Sloe op.

Den volgenden dag liet een groot, sterk bemand kaagschip het anker vallen voor het dorpje Austruweel, ongeveer een uur van Antwerpen verwijderd. Het was het vaartuig van Thoulouse. Ook voor Arnemuiden had men het hoofd gestooten en diep ontmoedigd keerde men terug. Nu de onderneming was mislukt, wist men niet waarheen zich te wenden. Waar zou men vluchten voor de wraak der Regeering? De edelen zouden wellicht een wijkplaats hebben kunnen vinden,—voor een tijd althans—op hunne landgoederen, of bij Brederode te Vianen, maar Thoulouse, Treslong en al hun metgezellen wilden hunne krijgsmakkers niet in den steek laten. Zoo werd dan koers gezet naar Antwerpen. Dààr was nog redding mogelijk. Als Antwerpen met zijn acht duizend Calvinisten hun partij koos, als Vlaanderen en Brabant te wapen vlogen, dan kon nog alles zich ten goede wenden. Een visscher beloofde voor een ruime belooning de andere schepen op te zoeken, en hun het bevel van Thoulouse mede te deelen, hem zoo spoedig mogelijk te volgen.

De boeren van Austruweel zagen met schrik, hoe de krijgslieden zich ontscheepten en het zich in hunne hoeven gemakkelijk maakten. De meesten schikten zich zorgeloos in de omstandigheden: wat er van dit alles worden moest, wisten zij niet. Daar moesten de heeren voor zorgen. En Thoulouse met zijn kleinen staf wachtte angstig op tijding uit Antwerpen, waarheen men terstond vertrouwde personen op kondschap had uitgezonden.

In den ochtend van den volgenden dag zag Jacob Martens, wiens plicht het was, de wachten te inspecteeren, van de zijde van Antwerpen een der stadsschepen naderen. De vlag met het wapen der stad wapperde aan den mast en bewees, dat er aanzienlijke personen aan boord waren. Het schip legde aan, een paar personen gingen in de boot en weldra stapten een viertal heeren aan land, vergezeld van een der stadsboden. Het waren een edelman uit het huis van Oranje, de Heer van Austruweel, benevens twee leden van de vroedschap in hunne met bont gevoerde tabberds, die zich aanstonds aan Jacob bekend maakten, als een gezantschap van de Antwerpsche Magistraat, en verzochten voor de aanvoerders van het hier gelegerde krijgsvolk te worden geleid. Toen zij bij Thoulouse waren gebracht, nam de zendbode van Oranje een grooten, verzegelden brief van den stadsbode over en overhandigde dien aan den aanvoerder, die hem, door zijn vrienden omringd, ontving. Thoulouse las het schrijven en verbleekte.

—„Zeg aan den Markgraaf en de Magistraat,” zeide hij, „dat wij hunne bevelen zullen gehoorzamen.”

Toen de afgezanten vertrokken waren en allen hem vragend aankeken, reikte hij den brief aan Treslong over.

—„Oranje laat ons los!” zeide hij met doffe stem. „God helpe ons en onze mannen, die wij in den dood hebben gevoerd. Lees den brief voor, Jan!”

—„Wij Willem, door de genade Gods Prins van Oranje, Graaf van Nassau, enz.,” zoo las Treslong voor in het Fransch, „en wij Anthonie van Lalaing, Graaf van Hoogstraten, en wij, Burgemeesters, Schepenen en Raad der Stad Antwerpen, geven te kennen, dat, dewijl ons ter oore gekomen is, hoe verscheidene soldaten en oorlogslieden in den omtrek dezer stad, in het dorp Austruweel, zijn vergaderd, in strijd met de bevelen van wege Zijne Majesteit in deze stad uitgevaardigd, wij hebben bevolen en bevelen bij dezen uitdrukkelijk, hun van onzentwege te verklaren en te gelasten, dat zij binnen twee of drie uren, na kennisgeving dezes, van de plaats moeten vertrekken, waar zij zich thans ophouden en zich te wachten van in de omliggende dorpen te vergaderen of volk te werven op straffe van ’s Konings ongenade; en in geval van weigering of tegenkanting, hun te verklaren, dat wij, in het belang des Konings en van deze stad, genoodzaakt zullen zijn, geweld tegen hen te gebruiken.”

Men zag elkander aan. Na dezen brief was er van Antwerpen niets meer te hopen.

Er werd haastig krijgsraad belegd en men besloot in schijn aan het bevel te gehoorzamen, maar posten achter te laten, om de bemanning der beide andere schepen te waarschuwen, die elk oogenblik konden verschijnen. Was men weer bijeen, dan zou men nader beraadslagen.

De trommels roffelden en weldra was het kleine legertje marschvaardig. Het verliet Austruweel en rukte westwaarts op. Voor de nacht echter was gevallen, had men reeds bericht, dat de twee andere schepen in ’t zicht waren, en men keerde terug naar Austruweel om hen af te wachten. De bemanning kwam aan land, en Thoulouse vernam van Denijs en de Walencourt, dat men tevergeefs had beproefd bij Baarslag op Zuid-Beveland te landen. De bewoners der omliggende dorpen hadden zich met de wapens verzet.

Den volgenden dag kwam er weder een boodschapper van den Antwerpschen Magistraat, met den last, onmiddellijk te vertrekken, en de Geuzen, thans vereenigd, en een klein, maar welgewapend legertje vormende, rukten op in de richting van Merxem en Deurne.

Het scheen werkelijk een oogenblik, of de kansen keerden. Het volk van Vlaanderen en Brabant, dat met verontwaardiging de slachting bij Watrelos en Lannoy had vernomen, dat met spanning den strijd gadesloeg van hunne broederen te Valenciennes, werd met blijde hoop vervuld, toen een leger in hun midden verscheen, onder aanvoering van edellieden, die zij kenden en vereerden. Van alle kanten kwamen recruten aanstroomen, die door Thoulouse en Treslong gretig werden ontvangen. Weldra was het legertje vijftien- à zestienhonderd man sterk. Velen kwamen gewapend en voor de anderen vond men wapenen in de landhuizen en de kasteelen, die men plunderde. Op dezelfde wijze voorzag men zich van mondbehoeften.

Zoo het aantal der Geuzen nu was toegenomen, het gehalte was er niet op verbeterd. Allen, die zich wilden laten aanwerven, werden aangenomen, en daaronder waren er, die zich blijmoedig wilden offeren voor de zaak der vrijheid en de Kerke van Christus, maar er waren ook vele boeven en avonturiers, die zich bij de legerbenden aansloten, met de bedoeling om te rooven en te plunderen en te leven op den boer. Weldra konden de aanvoerders de krijgstucht niet meer handhaven onder de woeste bende. Overal waar zij doortrokken, werden de kerken geplunderd en de beelden verbrijzeld; de geestelijken werden mishandeld. De soldaten plunderden hunne huizen en persten hun geld af. De krijgstocht, zoo moedig begonnen, leek een rooftocht. Toch hield Thoulouse vol. Er kwamen geruchten van hulpbenden uit Duitschland, door graaf Lodewijk van Nassau geworven. De Duitsche vorsten, heette het, wilden helpen. Weer sloeg men het oog op Antwerpen en op Oranje. En toen de aanvoerders hoorden, dat de Landvoogdes troepen tegen hen zou zenden, besloten zij terug te keeren naar Austruweel. Dààr konden zij een sterke positie vinden. De rivier zou hun den rug dekken, een groot moeras beveiligde hun rechtervleugel en men zou ijlings aarden versterkingen opwerpen. Zoo zou men den vijand in ontzag houden, tot de beloofde Duitsche vendels er waren,—en, als het er op aan kwam,—zoo hoopte men heimelijk—zouden de Antwerpsche Gereformeerden toch zeker hunne broeders bijspringen.

En zoo was het Geuzenlegertje den 11den Maart weder te Austruweel gelegerd, en weldra werkte men ijverig aan de aarden wallen, die het kamp tegen een overval van de Regeeringstroepen zouden moeten beschermen.

Het was de avond van den 12den Maart, en Jacob Martens, thans tot vaandrig bevorderd, en getooid met sluiersjerp en degen, de teekens van zijn rang, vergezelde Thoulouse naar de versterkingen. Het kamp der Geuzen leverde een eigenaardig schouwspel op: een gedeelte der troepen was in het dorp en de nabijgelegen hoeven ingekwartierd, maar het grootste gedeelte was gekampeerd om groote vuren, die men in de dorpsstraat had aangestoken, en die gevoed werden met het hout van afgebroken schuttingen, schuren en stallen. Allerlei eigenaardige tooneelen zag men bij den rossen gloed der vlammen. De soldaten, in allerlei wapenrusting, zonder uniform, maar allen met het wit-en-roode veldteeken der Geuzen om den arm, brachten hunne wapenen in orde of zaten in schilderachtige groepen bij elkander. Men kon hier goed waarnemen, uit welke verschillende elementen het legertje was samengesteld. Hier zag men eenige Gereformeerden uit Antwerpen, echte „precisen”, zooals men ze in het Noorden noemde, die zich stichtten met een psalm van Dathenus; daar waren het een paar avonturiers uit het Luiksche, die zich vermaakten met bierkroes en verkeerbord, terwijl zij met onverschillige of spottende blikken de zingende ketters gadesloegen; wat verder waren een paar verdachte gestalten in de donkere schaduw van een muur bezig met het verdeelen van kleederen en huisraad, een buit, dien zij waarschijnlijk den een of anderen armen boer hadden afhandig gemaakt; elders zag men de strenge, donkere koppen van eenige Huguenoten, met aandacht luisterend naar het Woord Gods, dat een hunner bij het licht van het vuur hun voorlas. Voor de dorpssmidse verdrong zich een bonte menigte: daar smeedde en hardde men speerpunten en klonk ze aan lange stokken, om er de pas geworven manschappen mede te wapenen. Men zag er tierende en scheldende vrouwen, die er twistten met de lachende soldaten, om kippen of spek, die men haar ontstolen had. Het was een tooneel vol leven en bedrijvigheid, schilderachtig verlicht door de hoog opvlammende houtvuren.

Buiten het dorp gekomen, richtten de beide jonge mannen zich naar de aarden verschansingen, waaraan nog ijverig werd gewerkt bij het licht van een paar teertonnen en toortsen van oud geteerd touw. Thoulouse inspecteerde het werk, terwijl hij hier en daar een bevel of een terechtwijzing gaf. Hij keek naar de stelling van de vier ijzeren veldstukjes, welke de geheele artillerie van het Geuzenlegertje uitmaakten, en hij wees Jacob aan, hoe zij den breeden landweg bestreken.

—„Gij zult met de helft van uw vendel hier na middernacht de wacht betrekken, Jacques,” zeide hij; „ik weet, dat ik mij op u kan verlaten. Zorg er voor, dat uwe schildwachten waakzaam zijn.”

—„Ik zal mijn best doen, Thoulouse,” antwoordde Jacob, verheugd over het bewijs van vertrouwen, hem geschonken; „de dagen beginnen al mooi te lengen en het is helder weer. Het zal spoedig dag worden.”

—„Ja, het zal spoedig dag worden!” zei Thoulouse peinzend. Jacob zag hem vragend aan.

—„Het zal nu spoedig blijken, wat wij zijn, Jacques,” ging de jonge aanvoerder voort; „men zal ons redders des volks noemen, of oproermakers en rebellen tegen den Koning, al naar dat de uitslag is van onzen strijd. Gods wegen zijn niet onze wegen. De aanslag op Zeeland mislukte, maar als de vendels uit Duitschland ons intijds bereiken,—als wij, vereenigd met die van binnen, Antwerpen kunnen bezetten, dan zou het een zegen zijn, dat ons eerste plan mislukte. Dan zal heel Vlaanderen en Brabant en het Markgraafschap opstaan en de Regeering zal moeten bukken. Maar zal dat het einde zijn?”

—„Zie, Jacques,” zoo ging hij voort; „het zal nu in elk geval tot een treffen komen. Onze vrienden te Brussel melden ons, dat er troepen tegen ons worden gezonden en wij zullen hier stand houden. Mocht ik vallen in den strijd en mocht gij ontkomen, breng dan, zoo gij kunt, dit medaillon aan mijne vrouw te Antwerpen, en zeg haar, dat ik ben gestorven als een goed Christen, mijn hope alleen stellende in de verdienste van mijn Heer en Heiland, en met mijn liefde voor haar in het harte.”

—„Waarom toch die sombere gedachten, Thoulouse?” vraagde Jacob. „Waarom zoudt gij juist vallen? Denk er liever aan, hoe trotsch en blijde de Vrouwe van Thoulouse u zal ontvangen, als gij terugkomt als de redder des lands en der verdrukte Kerke.”

—„Zoo God wil, vriend!” zei de aanvoerder. „Ge weet, reeds bij het begin van onzen tocht had ik een somber voorgevoel. Misschien hebt gij gelijk,—maar neem het medaillon en beloof mij, dat gij doen zult, wat ik van u vraag, indien het in uw macht staat.”

Jacob nam het medaillon met een stillen handdruk en de beide jonge mannen keerden naar het dorp terug. Jacob zocht zijn kwartier op, om nog eenige uren te slapen, voor hij de wacht moest betrekken.

Te middernacht werd hij gewekt door Pieter de Welle, die het halve vendel piekeniers reeds had doen aantreden, en door de nu stille dorpsstraat, langs de smeulende vuren, waarom de soldaten in allerlei houdingen lagen te ronken, marcheerde men naar de halfvoltooide aardwerken. Na van zijn luitenant, die de wacht had, vernomen te hebben, dat er zich niets verdachts had voorgedaan, maakte de jonge vaandrig zich tot zijn wacht gereed. Het halve vendel, dat hij had afgelost, was spoedig in de duisternis verdwenen. De soldaten, grootendeels recruten, waren blijde, dat zij hunne warme kwartieren konden opzoeken. Jacob luisterde een oogenblik naar de zich verwijderende voetstappen en begon toen zijne schildwachten uit te zetten, terwijl zijne andere manschappen zich legerden achter den half voltooiden aarden wal. De jonge vaandrig beklom met de Welle het ravelijn, waar de vier veldslangen in batterij stonden, en staarde naar het stille landschap, dat zich daar zoo vredig uitstrekte in het maanlicht. Achter hem lag het dorp en het kamp, hier en daar grillig verlicht door den rossen gloed der houtvuren, terwijl de duizenderlei geluiden, die er uit opstegen, zich met het bruisen van de Schelde vereenigden tot een dof gerucht. Vóór hem was alles schaduw en stilte. Slechts het dof gehuil van een werfhond klonk uit de verte over de eenzame vlakte, en—van tijd tot tijd—het eentonig geroep der schildwachten, die, volgens het consigne, elkander aanspoorden tot waakzaamheid. De woorden van Thoulouse hadden een diepen indruk op hem gemaakt. Wat zouden de eerste dagen hem brengen? Zou hij hier sneuvelen in een onbeduidende schermutseling, een rebel tegen het gezag van zijn wettigen landsheer, of zou zijn naam weldra met eere genoemd worden onder de bevrijders zijns volks? Hij dacht aan de tooneelen van ruw geweld, van brooddronken vernielzucht, die hij in de laatste dagen had bijgewoond, en die de Geuzenaanvoerders niet hadden kunnen, en soms ook niet hadden willen verhinderen. O, de zaak, die hij diende, was de zaak des Heeren, de zaak der vervolgden en verdrukten daarginds; onder die ruwe soldaten waren zeker ook mannen Gods, eenvoudige burgers en landlieden, die alles hadden verlaten, om die heilige zaak te dienen en er voor te sterven, als het zijn moest. Maar dat waren zij niet allen. Waarom werd die schoone, heilige zaak al aanstonds bevlekt door zooveel, dat onrein en onheilig was? Waarom duldden Thoulouse en Treslong die woeste plunderaars, dien lichtzinnigen hoop avonturiers, in hunne gelederen? Was het niet beter, te strijden met een Gideonsbende van vrome, ernstige mannen,—om te overwinnen of onder te gaan, als het Gods wil was, dan zóó het schoone, reine ideaal der vrijheid te bezoedelen?

De stem van Pieter de Welle wekte hem uit zijne mijmering.

—„Zou het nu eindelijk waar zijn, jonker, dat de Duitsche vendels in aantocht zijn?” vraagde de rotmeester. „Ze spreken er over in het kamp en ze zeggen, dat het zeker is. De jonker woont als officier den krijgsraad bij en heeft allicht meer gehoord, dan wij, arme drommels.”

Jacob kon hem niets stelligs mededeelen. Er liepen geruchten, dat Lodewijk van Nassau en Nicolaas de Hames met troepen in aantocht waren, maar zelfs de officieren wisten niets met zekerheid. De Welle trok een bedenkelijk gezicht.

—„Ik zou met mijn domme verstand zeggen, dat de adellijke heeren, die ons aanvoeren, wel beter hunne plannen hadden mogen maken, vóór zij begonnen!” mompelde hij.

Jacob kon hem geen ongelijk geven. Inderdaad getuigde de geheele onderneming meer van moed en geestdrift, dan van krijgsbeleid, meer van een rekenen op mogelijke kansen, dan van een weloverlegd plan.

—„Ik mag lijden, dat de vendels bijtijds komen,” ging de Welle voort, „want zie, jonker, die kerels daarginds zijn tegen geregelde troepen niet veel waard. Als die van Brussel verstandig zijn, en goede soldaten tegen ons uitzenden, vóór wij versterking hebben gekregen, dan loopt het mis.”

—„Wij vechten voor Gods zaak en voor Zijn Woord, de Welle!” zeide Jacob.

—„Voorzeker, jonker! Maar de Heere God beproeft ook Zijn volk, als het zijn moet. Hij overwint soms met zwakke middelen,—maar dan waren het Zijn middelen. En als er nu niet een Simson opstaat, om ons te verlossen van de Filistijnen... Zie, jonker, ik heb bij St. Quentin gevochten en ik weet, wat de oorlog is en ik zeg u, dat de kerels daarginds bij den eersten aanstorm van een paar vendels landsknechten als een kudde schapen uiteen zouden stuiven. En nu, jonker, nog een woordje. Ik voel mij soms bezwaard, dat ik u hielp vluchten uit het klooster. Ge zoudt er veilig zijn geweest. Ik dacht toen, dat onze heeren beter wisten, wat ze eigenlijk wilden, en het is mij soms, als zou ik uw dood op mijn geweten hebben, als ge kwaamt te vallen. Vergeef mij dat, jonker!”

Er kwam een vreemde trek op het gerimpelde gezicht van den ouden boschwachter. Zijne lippen trilden. Jacob vatte zijn hand.

—„Ik heb je niets te vergeven, de Welle,” zei hij trouwhartig. „Ik dank je, voor wat je gedaan hebt. Liever val ik in een eerlijken strijd, dan dat ik zien moet, hoe dit arme volk wordt gemarteld en verdrukt, terwijl ik een leven van gemak en genot zou leiden. Waarom is mijn leven meer waard dan het jouwe, en dat van zoovelen onzer makkers, die óók alles verlaten hebben voor de goede zaak? Nog eens, ik dank je voor wat je voor mij gedaan hebt, de Welle, en, moet ik vallen, breng dan mijne groeten aan mijne ouders, aan mijne lieve zuster, en—en aan joffer de Bette, en zeg hun, dat ik gedaan heb wat ik moest, maar dat ik ze allen heb liefgehad tot mijn laatste oogenblik. En voor het overige,—wij zijn in Gods hand!”

—„Amen, jonker,” zeide de Welle ernstig, „zóó is het goed. En nu, de nacht is nog lang en ’t zal morgen een vermoeiende dag zijn. Ik ben aan het waken gewoon. Als de jonker nu eens een paar uur ging rusten? Als er iets voorvalt, zal ik u terstond roepen.”

Jacob liet zich overhalen. Hij vond een beschut plekje achter een paar schanskorven, wikkelde zich in zijn mantel en sliep weldra rustig in. Hij droomde, dat hij in den hof van het ouderlijk huis was. Hij zocht er Madeleine en Klaartje, die zich verstopt hadden; hij hoorde het zacht gelach der meisjes, die zich achter de hooge palmstruiken verscholen hadden. Hij wilde er heen snellen, maar een hand greep hem bij den schouder. Hij zag om, het was Thierry de St. Foy, die hem grijnzend vastgreep. Hij worstelde om los te komen, maar de ander hield hem vast en schudde hem,—en hij werd wakker.

—„Jonker! jonker!” riep de stem van de Welle, die hem wakker schudde. „Kom, er is onraad!”

Jacob vloog overeind en volgde den rotmeester op het ravelijn. De dag begon aan te breken, maar de dichte morgennevels bedekten het lage land. De Welle snoof de frissche lucht krachtig op, terwijl zijn scherpe oogen naar het Noord-Oosten tuurden, als wilden zij den mist doordringen.

—„Ruikt ge niets, jonker?” vraagde hij.

Een vreemde, flauwe lucht, als van geschroeid vet, kwam op het scherpe Noordenwindje tot hen. Jacob kende dien reuk. ’t Was die van smeulende lonten. Het kon niet uit het kamp komen, dat beneden den wind lag. Daarginds naderden soldaten. Maar waren het vrienden of vijanden? Zie, nu werd ook een der schildwachten, een oud-gediende, die bij St. Quentin en Grevelingen had gevochten, opmerkzaam en keek vragend naar den vaandrig en den rotmeester op.

—„Als ge ’t goedvindt, jonker,” zeide de Welle, „zal ik een paar man nemen, en op verkenning uitgaan.”

Jacob stemde toe; de Welle koos een paar mannen uit en verdween met hen in den nevel, terwijl een korporaal naar het dorp werd gezonden, om Thoulouse te waarschuwen. De jonge vaandrig bleef op de verschansing en trachtte den nevel met zijne blikken te doorboren. Weldra vernam hij het onbestemd gerucht van de nadering van een groote menschenmassa, maar hij kon nog niets onderscheiden.

Na een groot half uur kwamen de verkenners terug. Er naderde inderdaad een groote troepenafdeeling, zoo berichtten zij; ’t waren verscheidene vendels, zoowel landsknechten als arquebusiers en ze hadden ook geschut bij zich, maar of het vrienden of vijanden waren konden ze niet zeggen. De vendels marcheerden met opgerolde vaandels. Alleen een der soldaten, een burger van Antwerpen, die zich het verst vooruit had gewaagd, wist te vertellen, dat het Duitsche voetknechten waren, en dat hij Heer Nicolaas de Hames, dien hij dikwijls te Antwerpen had gezien, duidelijk had herkend.

Er waren inmiddels soldaten uit het dorp komen toeloopen en terstond verspreidde zich de tijding door het kamp: „Het waren de Duitsche hulptroepen, die daar naderden; men had ze herkend.”

En nu bleek het duidelijk, hoe weinig krijgstucht er heerschte onder dien bijeengeraapten troep krijgsvolk. Tevergeefs roffelden de trommen en gaven de hoplieden hunne bevelen. Slechts de vendels, die te Antwerpen waren geworven, schaarden zich om hunne vanen; de overigen snelden naar de borstwering, en onder luid gejoel en met een luidruchtig „Vive le Geus!” werden de vermeende bondgenooten afgewacht.

Jacob stond naast Thoulouse op het ravelijn. Het aangezicht van den aanvoerder gloeide van spanning en blijde hoop. Toch gaf hij bevel aan zijne officieren, om hunne soldaten tot hun plicht te roepen. Maar het was hem aan te zien, dat hij overtuigd was, dat de Antwerpenaar goed had gezien. Dààr kwamen de Duitschers: alles zou nog goed komen!

En nu trokken de morgennevels op en men kon de naderende vendels onderscheiden, die daar zwijgend aanrukten met opgerolde vanen. De punten der pieken flikkerden in de Maartsche morgenzon. Zij kwamen nader en nader, onder het luid gejubel der Geuzen. Ze waren al op een musketschots afstand. Voorop marcheerde een vendel piekeniers, met stalen stormhoeden en blinkende borstkurassen. „Ha! vive le Geus! dàt waren de dappere Duitsche landsknechten!”

Een luid commando klonk, het vendel verdeelde zich, zwenkte links en rechts en door de opening in de gelederen kwamen in den looppas andere soldaten, met roode wapenrokken en roode pluimen op de breedgerande hoeden. Ze waren gewapend met haakbussen, zware lontgeweren, die bij het schot op een vork of haak werden gelegd. Op het gezicht van die mannen veranderde het gelaat van Thoulouse. Dat was verraad! Dat waren de arquebusiers van de lijfwacht der Landvoogdes. Hij wilde een bevel geven,—maar reeds hadden de schutters zich in twee gelederen geschaard, reeds vielen de lompe vuurwapenen op de ijzeren haken,—één oogenblik nog en een daverend salvo klonk en een hagelbui van kogels sloeg onder de verschrikte Geuzen.

En tegelijk ontplooiden zich de vaandels en ze vertoonden het Spaansche knoestkruis; de arquebusiers weken en in gesloten gelederen rukten de piekeniers voorwaarts, onder het veldgeschrei der Regeeringstroepen: „Vive le Roy! Slaet dood! Slaet dood!”

Het was Heer Philip de Lannoy, Heer van Beavoir, met zijne troepen, door de Landvoogdes gezonden, om den opstand te dempen.

Er heerschte een onbeschrijfelijke verwarring onder de Geuzen. De meesten vluchten naar het dorp terug en slechts weinigen schaarden zich om Thoulouse, om de verschansingen, zoo mogelijk, nog te verdedigen. Dit bleek echter alras ondoenlijk. De vijand had thans zijn volle macht kunnen ontwikkelen en tastte nu van drie zijden het kamp aan. Het dappere, maar kleine troepje dreigde te worden afgesneden. Pieter de Welle, die zijn vaandrig niet had willen verlaten, zag het gevaar, waarin de Geuzenaanvoerder met zijn getrouwen verkeerde. Weinige schreden van hem af stonden de veldstukken, die door de kanonniers verlaten waren, zonder dat er een schot was gelost. Een nog smeulende lontstok lag naast de geladen kanonnen. De Welle greep de lont op en een oogenblik later donderden de vier schoten over de vlakte. De stukken waren niet gericht en de losbranding deed den vijand weinig schade, maar de aanvallers werden een oogenblik in hun vaart gestuit en Thoulouse slaagde er in, met de zijnen het dorp te bereiken. Hij vond er zijn eigen vendel, dat zich op een boerenerf zoo goed mogelijk had verschanst, en hij, Jacob Martens en een edelman uit het geslacht der van Boetzelaers stelden zich aan het hoofd van deze dappere mannen, om zich tot het uiterste te verdedigen.

Van een geregelden tegenstand was trouwens geen sprake meer. De Geuzen waren wel sterker in getal, dan hun aanvallers, maar zij waren overvallen en terstond in verwarring gebracht. Hier en daar hadden zij zich verschanst in de woningen en schuren van het dorp en zij boden een verwoeden tegenstand, want zij wisten, dat zij vochten voor hun leven! De soldaten van Lannoy hadden in last, geen kwartier te geven, en zij gehoorzaamden trouw aan dat bevel. De vluchtende Geuzen werden zonder genade neergehouwen of doorstoken.

Thoulouse had een aantal busschieters post doen vatten voor de vensters der boerenwoning en door hun vuur wisten zij een poos lang de piekeniers op een afstand te houden, die dekking moesten zoeken in de naburige huizen, maar nu verschenen de Brusselsche arquebusiers, en de zware kogels hunner haakbussen sloegen door deuren en vensterluiken en doodden of verwondden de schutters der Geuzen. De piekeniers rukten voorwaarts met gevelde speren, het vendel van Marnix deed een uitval en op het erf voor de hoeve ontstond een moorddadig gevecht.

Van uit het dakvenster der hoeve wierp Thoulouse een wanhopigen blik naar Antwerpen, waarvan de torens, ja zelfs de hooge muren nog door den rook waren te onderscheiden. Zou er geen ontzet komen opdagen? Men moest er het schieten gehoord hebben; men moest er weten, dat hij en de zijnen werden vermoord. Zouden de Gereformeerden van Antwerpen hunne broeders laten slachten? Hoorde hij niet het roffelen der trommen van de dappere Antwerpsche schutterij?

Helaas, de hooge muren daarginds bleven doodsch en stom.

Weinig wist Thoulouse, dat op datzelfde oogenblik een groote menigte zich verdrong voor de Roode poort, luide eischende, dat men die zou openen, opdat zij hunne strijdende broeders te hulp mochten snellen. Dat zijn jonge vrouw, met bleeke wangen en roodbekreten oogen de burgers smeekte, om toch haar man niet te laten vermoorden door de bloeddorstige soldaten der Regeering, maar dat Oranje en Hoogstraten, gehoorzamende aan een harde en pijnlijke noodzakelijkheid, met gevaar van hun eigen leven het woedende volk in bedwang hielden, en zóó Antwerpen bewaarden voor het lot, dat weldra Valenciennes zou treffen.

Nog had de ure der bevrijding niet geslagen. Hij en de zijnen moesten worden opgeofferd: het kon niet anders.

Een verdacht geknetter deed zich hooren en een scherpe rook vulde het vertrek. Een musketier had een brandende lont op het droge rieten dak geslingerd. Het huis stond in brand.

In het voorhuis vond Thoulouse Jacob Martens, den Heer van Boetzelaer en de soldaten, die de hoeve bezet hielden. Zelfs de gewonden hadden zich hierheen weten te sleepen.

—„Wij moeten er ons doorheen slaan, kameraden!” zei de Geuzenaanvoerder met vaste stem. „God zij onze zielen genadig! Vaarwel, van Boetzelaer! vaarwel, Jacques! Als gij ’t ontkomt, denk aan uw belofte!”

Een krachtige handdruk tot afscheid en de versperringen werden weggenomen, de deur ging open en met den degen in de vuist wierpen zich de Geuzen op de tierende soldaten.

Het was een kort, wanhopig gevecht tegen een verpletterende overmacht, maar toch hielden de Geuzen zich dapper tot het laatste. De Heer van Boetzelaer viel aanstonds, een speer had hem onder den stalen ringkraag in de keel getroffen. Ook Jacob was gewond, maar hij voelde het niet. Hij wist niet, wat hij deed, of waar hij zich bevond. Werktuiglijk verdedigde hij zich tegen de opdringende soldeniers en weerde stooten af en hieuw en stiet naar de vertrokken gezichten, die hij voor zich zag,—terwijl er in zijn bewustzijn een vreemd gevoel van verwondering was, dat hij het was, hij, Jacob Martens, die daar vocht voor zijn leven. Als in een benauwden droom zag hij voor een oogenblik het bleeke gelaat van Thoulouse, die, zonder helm en met gebroken zwaard tegen een schuur stond geleund. Hij hoorde hem roepen, dat hij Jan van Marnix was, dat hij rantsoen bood, toen hoonend gelach, woedend geschreeuw,—en hij zag het bleeke gelaat niet meer.

De val van Thoulouse had voor een oogenblik de aandacht der soldeniers afgeleid, en allen waren naar de schuur gesneld, waar,—zooals een tijdgenoot vermeldt—het lichaam van den edelman letterlijk in stukken gehouwen werd. Jacob Martens stond een oogenblik, duizelig van het bloedverlies, tegen den boom van een kar geleund. Een der aanvallers, een luitenant van het voetvolk van Egmond, dien hij in het gevecht een lichte wonde had toegebracht, had hem niet uit het oog verloren, en drong met zijn „halven piek” op hem in. Jacob weerde den stoot af en deed half werktuiglijk een uitval met zijn degen, maar hij gleed uit op den van bloed doorweekten grond en viel. In een oogenblik was zijn tegenstander op hem toegesprongen. Hij drukte hem neer met zijn plompen voet en zette zijn slachtoffer de punt van de korte speer op de keel.

—„Bid een Vader ons, jonge Geus!” riep de kerel zegevierend.

Een donkere gedaante drong door den rook van de brandende hoeve. Het was Pieter de Welle. Zijn hellebaard had hij bij het begin van het gevecht gebroken, maar hij had een ander wapen opgeraapt, een „gepinde kodde”, een knots, van stalen punten voorzien, een vreeselijk wapen in een krachtige hand. Eer de landsknecht den doodelijken stoot kon toebrengen, suisde de kodde door de lucht en kwam pletterend neer op den ijzeren stormhoed en de man zakte levenloos ineen.

—„Kom gauw, jonker,” riep de Welle, terwijl hij den half bewusteloozen vaandrig op de been hielp; „alles is uit! wij moeten zien, dat wij wegkomen!”

—„Thoulouse! En onze mannen! Ik kan niet...” stamelde Jacob.

—„De Heer van Marnix is dood en onze mannen ook! Wij moeten aan ons zelf denken!” drong de Welle. „Kom, jonker!”

Half werktuiglijk volgde Jacob den gewezen boschwachter, die ook nu weer toonde, dat hij een uitstekende gids was. Hij had het terrein blijkbaar nauwkeurig opgenomen en kende den weg. Tusschen brandende huizen en schuren door, over den grond kruipend, waar de dichte rook het soms onmogelijk maakte om rechtop te gaan, bracht hij Jacob buiten het dorp. Voortsluipend achter een dichte beukenhaag, waarvan het verdorde loof hen ook nu in dit seizoen voor de blikken van den vijand verborg, bereikten zij den oever van de Schelde en gleden in het hooge riet. Daar lag een oude roeiboot, behendig in het riet verborgen.

—„Die heb ik gisterenavond een eind stroomopwaarts gevonden,” zeide de Welle. „Ik heb ze hier in veiligheid gebracht, want de zaken stonden mij niet aan en ik wist niet, of zoo’n boot mij niet eens te pas kon komen. Ga in de schuit liggen, jonker, en houd u stil! Vooreerst zijn wij hier veilig!”

Achter hen ging Austruweel in vlammen op. Daar klonk het gejuich en getier der soldaten en het noodgeschrei der Geuzen, die door hunne vijanden op de punten der speren in de brandende huizen en schuren werden gedreven. Een aantal vluchtelingen bereikten hoogerop de rivier en sprongen in het water, om naar de overzijde te zwemmen, maar de arquebusiers, die hen vervolgden, laadden hunne haakbussen, en, luid schreeuwende dat zij op de eendenjacht gingen, schoten zij op de zwemmers. Verscheidenen hunner werden getroffen, anderen werden door den sterken stroom meegesleept en verdronken. Slechts een enkele bereikte den anderen oever.

De Welle begreep, dat de soldaten, zoodra zij hun bloedig werk in het dorp hadden verricht, het riet zouden doorzoeken. Hij had echter een wel overlegd plan. De rivier maakte even vóór Austruweel een bocht en hij had opgemerkt, dat de stroom met kracht tegen den rechter oever liep, waar hij zich thans bevond. Voorzichtig trad hij uit het riet te voorschijn en wierp een stuk hout in het water. Het gebeurde, zooals hij het had verwacht: het hout werd door den stroom gegrepen en meegevoerd naar het midden der rivier.

Hij maakte nu snel de boot los, strekte zich naast Jacob op den bodem uit en liet het vaartuig met den stroom afdrijven. De boot volgde denzelfden weg als het stuk hout. Wel losten eenige soldaten hunne haakbussen en liepen al schreeuwend en dreigend een eind den oever langs, maar de Welle wachtte zich wel, overeind te komen, vóór hij wist, dat de trefkans van de schoten der lompe vuurwapenen op een bewegend doel al zeer gering was. Toen nam hij de riemen op, en, met een bezorgden blik op zijn jonker, die, uitgeput door bloedverlies, bewusteloos in de boot lag, roeide hij naar den Vlaamschen oever, zonder zich te storen aan de matte kogels, die naast en achter de boot het water hoog deden opspatten.