—O, ik durf het haast niet zeggen.... fluisterde Renée.
En zij boog zich naar zijn oor, alsof zij zich schaamde over het geluid van haar stem, en zij vertelde hem een van die kloosterhistories, die soms in gemeene liedjes bezongen werden.
En hij had een te grooten voorraad van dergelijke anecdotes, om met den mond vol tanden te blijven zitten. Hij neuriede allerlei gemeene liedjes.
En zoo geraakten zij langzamerhand in een eigenaardigen toestand van welbehagen, gewiegd door al die zinnelijke ideeën die zij oprakelden, geprikkeld door begeerten die niet onder woorden te brengen waren.
Het rijtuig reed zachtjes voort, zij keerden naar huis met een heerlijk gevoel van moeheid, meer afgemat dan na een aan de liefde gewijden nacht. Zij hadden de zonde gepleegd, evenals twee jongens die het pad opgaan zonder liefje, en zich tevreden stellen met hun wederzijdsche herinneringen.
Een nog grooter vertrouwelijkheid bestond er tusschen vader en zoon. Saccard had begrepen dat een groot geldman het niet buiten de vrouwen kan stellen, en dat hij van tijd tot tijd een dwaasheid voor ze moet doen. Hij was lomp in de liefde, hij hield meer van geld; maar zijn programma eischte nu eenmaal, dat hij verschillende slaapkamers bezocht, bankbiljetten op sommige schoorsteenen met kwistige hand neerlei, nu en dan de een of andere beroemdheid onder de lichte meisjes als een verguld uithangbord voor zijn speculaties gebruikte.
Toen Maxime zijn leertijd volbracht had, ontmoetten zij elkander bij dezelfde dames, en dat vonden zij grappig. Zij waren soms wel elkanders medeminnaars.
Het gebeurde wel, dat Maxime, als hij met een luidruchtig troepje in Maison-d’Or dineerde, de stem van Saccard in de naaste kamer hoorde.
—Kijk, pa is hiernaast! riep hij met een grimas, die hij van de toenmaals gevierde tooneelspelers had afgekeken.
Hij klopte aan de deur van het kabinet, nieuwsgierig om te zien welke verovering zijn vader nu weer gemaakt had.
—Zoo, ben jij het, zei deze aangenaam verrast. Kom binnen. Jelui maakt een lawaai dat men zijn eigen woorden niet verstaan kan. Wie zijn daar toch allemaal?
—Wel, Laure d’Aurigny, Sylvia, de Kreeft, en nog twee anderen, geloof ik. ’t Is om te proesten van ’t lachen: ze steken haar vingers in de schotels en gooien ons handenvol sla naar het hoofd. Mijn jas zit vol olie.
De vader lachte, vond dat heel komiek.
—Die jeugd, die jeugd, mompelde hij. Dan doen wij anders, niet, poesje? Wij hebben heel kalmpjes gegeten en we gaan een dutje doen.
En hij streek de vrouw die naast hem zat onder de kin, hij kirde met zijn zuidelijk neusgeluid, wat een zonderlinge liefdemuziek te weeg bracht.
—Die oude sijs!.... riep de vrouw uit. Bonjour, Maxime. Of ik van je houd hè, om met zoo’n ouden schelm als je vader is, te gaan soupeeren.... Ik zie je niet meer. Kom overmorgen ochtend vroeg.... Neen, heusch, ik heb je iets te zeggen.
Saccard verorberde intusschen met smaak een portie ijs of een paar vruchten. Hij drukte een kus op den schouder der vrouw en zei op zijn innemendsten toon:
—Zeg, kinderen, als ik jelui hinder, ga ik zoolang weg.... Je moet maar schellen als ik terug kan komen.
Dan nam hij de dame mee, of nam soms met haar deel aan het rumoer van de aangrenzende kamer. Maxime en hij deelden dezelfde schouders; hun handen ontmoetten elkander om dezelfde tailles. Zij riepen elkander op de sofa’s, vertelden elkaar hardop wat de vrouwen hun in vertrouwen in het oor gefluisterd hadden. En zij dreven de vertrouwelijkheid zoover, dat zij samenspanden om de blondine of brunette, die een van hen had uitverkoren, uit het gezelschap te ontvoeren.
Zij waren goede bekenden op Mabille. Zij kwamen daar na een fijn dineetje gearmd binnen, drentelden den tuin rond, groetten de vrouwen en voegden ze in het voorbijgaan een woordje toe. Zij lachten luidkeels, steeds gearmd, en kwamen elkaar desnoods te hulp bij al te heftige woordenwisselingen. De vader, die heel sterk op dat punt was, bepleitte met succès de liefdesbetrekkingen van zijn zoon. Soms gingen zij zitten en dronken met een troepje van die meisjes. Dan namen zij weer plaats aan een ander tafeltje, of hervatten hun wandeling. En tot middernacht zag men ze, altijd kameraadschappelijk gearmd, de vrouwen achterna loopen, langs de gele lanen, onder het helle schijnsel van de gasvlammen.
Als zij thuiskwamen, brachten zij van buiten, in hun kleeren, iets van de lichte meisjes mee, die zij zoo pas verlaten hadden. Hun slappe houding, enkele gewaagde uitdrukkingen, of gemeene gebaren, brachten een verdachte slaapkamerlucht in de vertrekken van de rue de Rivoli. De weeke, slappe handdruk dien de vader met den zoon wisselde, zei reeds genoeg waar zij vandaan kwamen. In die lucht ademde Renée haar grillen, haar zinnelijk verlangen in. Zij schertste zenuwachtig met hen.
—Waar komen jelui toch vandaan? zei zij. Je ruikt naar tabak en naar muskus.... Daar krijg ik bepaald weer hoofdpijn van.
En de vreemde geur maakte haar werkelijk van streek. Van dien geur was deze zonderlinge huiselijke haard aanhoudend doortrokken.
Intusschen vatte Maxime een werkelijken hartstocht voor de kleine Sylvia op. Hij verveelde zijn stiefmoeder maanden lang met dat meisje. Renée kende haar weldra op een prikje, van haar voetzolen tot haar kruin. Zij had een blauwachtig vlekje op haar heup; er was niets bekoorlijkers dan haar knieën; haar schouders hadden de eigenaardigheid dat er alleen op den linker een kuiltje zat.
Maxime vond er een boosaardig genoegen in zijn stiefmoeder op hun rijtoertjes te vergasten op de beschrijving van de volmaaktheden zijner maîtresse.
Op zekeren avond moesten de rijtuigen van Renée en Sylvia, bij den terugrit uit het Bosch, door een opstopping naast elkander stilhouden in de Champs-Elyséés.
De beide vrouwen keken elkander nieuwsgierig aan, terwijl Maxime, zich verkneukelende over deze kritieke ontmoeting, in zijn vuistje lachte.
Toen de kales weer doorreed, en zijn stiefmoeder een somber stilzwijgen bewaarde, dacht hij dat zij ontstemd was, hij hield zich al voorbereid op een van die moederlijke terechtwijzingen, een van die vreemde sermoenen, waarmee zij soms nog haar verveling verdreef.
—Ken je soms den juwelier van die dame? vroeg zij hem eensklaps, juist toen zij op de place de la Concorde kwamen.
—Helaas ja, antwoordde hij glimlachend; ik moet hem nog tienduizend francs betalen.... waarom vroeg je me dat?
—Zoo maar.
Toen, na een nieuwe stilte:
—Ze had een mooien armband om, ik bedoel dien aan haar linkerhand.... Ik had hem wel eens van nabij willen zien.
Zij kwamen thuis. Zij sprak er niet meer over. Maar den volgenden morgen, toen Maxime en zijn vader samen uit zouden gaan, nam zij den jongen man ter zijde en ietwat verlegen, met een lief lachje, dat vergeving scheen te vragen, fluisterde zij hem iets toe.
Hij scheen verrast en ging met een ondeugend lachje de deur uit. ’s Avonds bracht hij Sylvia’s armband mee, waarom zijn stiefmoeder hem dringend verzocht had.
—Daar is het ding, zei hij. Voor u zou men uit stelen gaan, mamaatje.
—Ze heeft toch niet gezien dat je het wegnam? vroeg Renée, die het kleinnood met begeerigheid bekeek.
—Ik geloof het niet.... Zij heeft hem gisteren aangehad, dus vandaag zal ze hem zeker niet dragen.
De jonge vrouw was intusschen voor het raam gaan staan. Zij had den armband omgedaan. Zij hield haar pols een beetje omhoog, draaide hem langzaam om, en herhaalde vol verrukking:
—Beeldig, beeldig mooi.... Alleen de smaragden bevallen me niet erg.
Op dit oogenblik trad Saccard binnen, en terwijl zij daar nog stond, met opgeheven arm, in het volle licht van het venster:
—Wat is dat, riep hij verwonderd uit, de armband van Sylvia?
—Ken je hem? zei zij, meer verlegen dan hij, niet meer wetende wat ze met haar arm moest doen.
Hij was al van zijn verbazing bekomen; hij dreigde zijn zoon met den vinger, en zei:
—Die snaak heeft altijd verboden vruchten in zijn zak!.... Op een goeien dag brengt hij ons nog den arm van de dame met den armband mee.
—’t Is mijn schuld niet, antwoordde Maxime met de lafhartigheid van een gluiper. Renée wou hem eens zien.
—Zoo! was alles wat de man zei.
En hij bekeek het kleinood ook eens, en maakte dezelfde opmerking als zijn vrouw:
—Hij is beeldig mooi.
Toen ging hij kalmpjes heen, en Renée beknorde Maxime dat hij haar verraden had. Maar hij verzekerde dat zijn vader daar niets om gaf. Toen gaf zij hem den armband terug en zei:
—Je moet bij den juwelier aangaan en er net zoo een voor me bestellen, maar je moet er saffieren in plaats van smaragden in laten zetten.
Het was Saccard onmogelijk iemand of iets lang om zich heen te hebben, zonder dat de wensch bij hem opkwam dien persoon of dat voorwerp te verkoopen, of tenminste tot zijn voordeel aan te wenden. Zijn zoon was nog geen twintig jaar of hij dacht er al over om partij van hem te trekken. Het kon niet missen of een knappe jongen, neef van een minister en zoon van een grooten financier, zou gemakkelijk een positie krijgen. Hij was wel wat jong, maar men kon al vast een vrouw en een huwelijksgift voor hem zoeken, om dan het huwelijk op de lange baan te schuiven, of te bespoedigen, al naar den toestand zijner financiën.
Hij was erg fortuinlijk. In een raad van toezicht waarvan hij ook deel uitmaakte, vond hij een grooten knappen man, mijnheer de Mareuil, dien hij binnen twee dagen in zijn macht had.
Mijnheer de Mareuil was een gewezen raffinadeur uit Havre; hij heette eigenlijk Bonnet. Nadat hij een groot fortuin bijeengegaard had, huwde hij een adellijk meisje, ook schatrijk, dat een domoor met een knap uiterlijk zocht. Bonnet kreeg vergunning den naam zijner vrouw te voeren, wat voor hem een eerste voldoening van zijn hoogmoed was; maar zijn huwelijk had een dwazen eerzucht in hem opgewekt, hij streefde er naar Hélène’s adellijke afkomst te betalen, door het innemen van een hooge politieke positie.
Hij stak geld in de nieuwe dagbladen, hij kocht groote landgoederen in Nièvre, hij wendde alle bekende middelen aan om zich voor het Wetgevend lichaam candidaat te laten stellen. Tot dusver hadden zijn pogingen schipbreuk geleden, zonder dat hij iets van zijn deftigheid verloor. Hij was het ongeloofelijkste leeghoofd, dat men ooit kon aantreffen. Hij had een statig voorkomen, het bleeke, peinzende gelaat van een groot staatsman, en daar hij op een verwonderlijke manier kon toeluisteren, met nadenkende blikken en een plechtige kalmte op het gelaat, zou men kunnen meenen, dat zijn geest zich diep inspande om het gesprokene op te nemen en te verwerken. Het leed echter geen twijfel of hij dacht nergens aan. Maar hij slaagde er in de menschen in de onzekerheid te brengen of zij met een groot man of met een domoor te doen hadden.
Mijnheer de Mareuil klampte zich aan Saccard vast, als een drenkeling aan een toegestoken plank. Hij wist dat een officiëele candidatuur in Nièvre vrij zon komen en hij hoopte vurig dat de minister hem als candidaat zou aanwijzen; het was zijn laatste troef. Hij gaf zich dan ook blindelings aan den broer van den minister over.
Saccard, die de lucht kreeg van een voordeelig zaakje, bracht hem op het idee van een huwelijk tusschen Maxime en zijn dochter Louise. De ander weidde dadelijk uit over zijn ingenomenheid met dit voorstel, hij meende dat hij het eerst aan dat huwelijk gedacht had, en achtte zich zeer gelukkig in de familie van een minister te komen en Louise aan een jongmensch te geven, die de schitterendste vooruitzichten scheen te hebben.
Louise zou, zei haar vader, een millioen mee ten huwelijk krijgen. Mismaakt, leelijk en alleraardigst, was zij veroordeeld om jong te sterven; een borstkwaal ondermijnde haar, maakte haar opgewonden vroolijk, en gaf haar iets innemends. Ziekelijke meisjes verouderen snel, worden vóór den tijd vrouw. Zij had iets zinnelijk naïefs, zij scheen op elfjarigen leeftijd, in volle puberteit, geboren te zijn.
Als haar vader, die gezonde, domme kolossus, haar aankeek, kon hij niet gelooven dat het zijn dochter was. Haar moeder was bij haar leven ook een groote, sterke vrouw, maar haar nagedachtenis wekte de herinnering aan geruchten op, die een verklaring gaven van de wanstaltigheid van dit kind, van haar gedragingen als een schatrijk zigeunermeisje, haar ondeugende, bekoorlijke leelijkheid.
Men zei dat Hélène de Mareuil in de schandelijkste uitspattingen gestorven was. De zinnelijke lusten hadden aan haar geknaagd als een zweer, zonder dat haar man de vlagen van krankzinnigheid opmerkte van zijn vrouw, die hij in een gesticht had moeten opsluiten.
Uit dien zieken schoot geboren, had Louise dun bloed en mismaakte leden, waren haar hersenen aangedaan en was haar geheugen reeds vol van een bezoedeld leven. Soms kwam er een vage herinnering aan een vroeger bestaan in haar op, door een nevel zag zij zonderlinge tooneelen schemeren, mannen en vrouwen die elkander omhelsden, een geheel drama van vleeschelijke lusten waarin haar kinderlijke nieuwsgierigheid zich vermeide. Het was haar moeder, die in haar sprak. In haar kinderjaren bleef haar die ondeugd bij.
Naarmate zij grooter werd, was er niets dat haar verbaasde, zij herinnerde zich alles, of liever zij wist alles, en zij reikte naar de verboden zaken met een zekerheid van hand, die haar deed gelijken op iemand die na een lange ziekte in zijn woning terug komt en slechts den arm hoeft uit te steken om zich op zijn gemak te zetten en zich thuis te voelen.
Dit zonderlinge meisje, wier kwade neigingen met de zijne strookten, maar dat daarenboven zoo onschuldig in haar onbeschaamdheid scheen, en een pikante mengeling vertoonde van kinderlijkheid en vrijpostigheid in dat tweede leven dat zij als maagd doorleefde met haar wetenschap en schande van een volwassen vrouw, moest Maxime ten slotte behagen en hem veel grappiger toeschijnen dan Sylvia, een woekeraarster in haar hart, dochter van een eerzamen papierfabrikant en eigenlijk vreeselijk burgerlijk.
Het huwelijk werd lachend vastgesteld, en men besloot de “kwajongens” te laten opgroeien. De twee gezinnen gingen heel vriendschappelijk met elkander om. Mijnheer de Mareuil deed zijn best voor zijn candidatuur. Saccard loerde op zijn prooi. De afspraak luidde, dat Maxime als bruidsgeschenk zijn benoeming tot auditeur bij den staatsraad zou meebrengen.
Intusschen scheen het fortuin van Saccard zijn toppunt bereikt te hebben. Het straalde midden in Parijs als een groot vreugdevuur. Het uur was gekomen, waarop de honden hun aandeel in den buit kregen, en het door toortsen verlichte bosch weerklonk van hun geblaf en van het klappen der zweepen. De losgelaten begeerten vonden eindelijk bevrediging in den onbeschaamden triomf, bij het geraas der ineengestorte wijken en der snel opgekomen fortuinen.
De stad was niets meer dan een groote zwelgpartij van millioenen en van vrouwen. De ondeugd, van bovenaf gekomen, stroomde in de beken, spreidde zich uit in de vijvers, steeg weer omhoog in de fonteinen der tuinen, om neer te vallen op de daken, in een fijnen doordringenden regen. En als men des nachts de bruggen overging, scheen de Seine, midden in de slapende stad, den afval met zich mee te voeren: van de tafels gevallen kruimels, op de sofa’s achtergelaten kanten strikken, in de vigelantes vergeten haartooi, uit de boezems gegleden bankbiljetten, al wat de dierlijkheid der begeerte en de onmiddellijke bevrediging van de aandrift op straat werpen, na het gebroken en bezoedeld te hebben.
Dan, in den koortsachtigen slaap van Parijs, en nog beter dan op die hijgende jacht overdag, voelde men dat alle hoofden op hol waren, dat die stad van niets droomde dan van goud en wellust.
Tot middernacht klonken de violen; dan werden de vensters donker, en daalde de duisternis over de stad.
Het leek een ontzaglijk groote alkoof, waarin met het uitblazen van de laatste kaars ook de laatste schaamte afgelegd werd.
In die diepe duisternis ontwaarde men niets meer dan een groot gereutel van hevigen, afgematten hartstocht, terwijl de Tuileriën, aan den waterkant, hun armen in het donker uitbreidden als tot een ontzaglijke omhelzing.
Saccard had zijn hôtel laten bouwen in het park Monceau, op een terrein dat hij van de stad gestolen had. Hij had daar voor zichzelf op de eerste verdieping een prachtig kabinet laten inrichten, palissanderhout met vergulde ornamenten, met hooge glazen deuren als van een boekenkast, vol dossiers maar met geen enkel boek er in; de brandkast, in een inspringenden hoek van den muur, geleek op een ijzeren alkoof, groot genoeg om tot bed te dienen voor een milliard.
Zijn fortuin groeide daar aan, pronkte er onbeschaamd in. Alles scheen hem mee te loopen. Toen hij de rue de Rivoli verliet, zijn huis op grooter voet inrichte, zijn uitgaven verdubbelde, zei hij tot zijn kennissen dat hij aanzienlijke winsten behaald had. Naar zijn zeggen bracht zijn compagnonschap met de heeren Mignon en Charrier hem ontzaglijke winsten op; zijn speculaties op huizen gingen nog voordeeliger, en het Wijnbouwcrediet was een onuitputtelijke melkkoe.
Hij somde zijn rijkdommen op zoo’n eigenaardige manier op, dat het den toehoorders voor de oogen duizelde. Zijn provençaalsch neusgeluid kwam nog sterker uit: met zijn korte gezegden en zijn zenuwachtige gebaren, stak hij een vuurwerk af, waarin de millioenen als vuurpijlen omhoog stegen, zoodat zelfs de ongeloovigsten verblind werden. Die drukte over zijn rijkdom was voor een groot deel de oorzaak, dat hij den naam van een gelukkig speler had gekregen. In werkelijkheid was er niemand, die een veilig belegd kapitaal van hem kende. Zijn verschillende compagnons, die natuurlijk op de hoogte waren van zijn positie tegenover hen, verklaarden zich zijn kolossaal fortuin door aan te nemen dat hij bijzonder gelukkig was in de andere speculaties, waarvan zij niets afwisten.
Hij maakte grove verteringen; de stroom uit zijn kas vloeide aanhoudend door, zonder dat de bronnen ontdekt konden worden. Het was zuivere waanzin, een razende hartstocht, handen vol goudstukken in het water gesmeten, de brandkast iederen avond tot den laatsten stuiver geledigd om weer op onrustbarende wijze in den nacht gevuld te worden, en nooit grooter geldsommen opleverende dan wanneer Saccard beweerde de sleutels verloren te hebben.
In dat fortuin, met het geloei en de overstroomingen van een winterstorm, werd de bruidschat van Renée geslingerd, meegevoerd en verdronken. De jonge vrouw, die in den eersten tijd nog eenigszins wantrouwend was en haar goederen zelf wou beheeren, had al heel gauw genoeg van de zaken; later voelde zij zich arm tegenover haar man, en onder den last der schulden gebukt, moest zij haar toevlucht bij hem zoeken, geld van hem leenen, zich aan zijn genade overleveren.
Bij iedere nieuwe rekening, die hij betaalde met den glimlach van een man die medelijden heeft met de menschelijke zwakheden, gaf zij zich iets meer aan hem over, vertrouwde zij hem effecten toe of machtigde hem het een of ander te verkoopen.
Toen zij in het park Monceau kwamen wonen, was zij al bijna geheel uitgeplunderd. Hij had zich in de plaats van den Staat gesteld, en betaalde haar de rente van de honderdduizend francs, voortkomende uit haar eigendom in de rue de la Pépinière; bovendien had hij haar overgehaald haar landgoed in Sologne te verkoopen, om het geld in een groote zaak te steken, een uitmuntende belegging, zei hij. Zij had dus nog enkel de terreinen van Charonne over, die zij standvastig weigerde van de hand te doen, om tante Elisabeth geen verdriet te doen. En daar had hij nog een slim plannetje mee beraamd, met behulp van zijn ouden medeplichtige Larsonneau.
Toch bleef zij nog verplichting aan hem houden; hij had wel haar fortuin genomen, maar hij betaalde haar het vijf- of zesvoud der jaarlijksche opbrengst. De rente van de honderdduizend francs, gevoegd bij die van het geld van Sologne, bedroeg ternauwernood negen- of tienduizend francs, juist genoeg om haar linnennaaister en haar schoenmaker mee te betalen. Hij gaf haar of betaalde voor haar vijftien-, ja twintigmaal dat armzalige beetje.
Hij zou acht dagen werken om haar honderd francs te ontstelen, en hij onderhield haar vorstelijk. Zij deelde dan ook in den algemeenen eerbied voor de monumentale brandkast van haar man, zonder de herkomst te doorgronden van dien goudstroom, dien zij zag voorbij stroomen en waarin zij zich elken morgen wierp.
In het park Monceau, was het een razernij, een oogverblindende pracht. De Saccards verdubbelden het aantal hunner rijtuigen en paarden; zij hielden er een leger van bedienden op na, die zij in een donkerblauwe livrei uitdosten, een stopverfkleurige korte broek met zwart en geel gestreept vest, weinig opzichtige kleuren, die de financier opzettelijk gekozen had om hoogst ernstig te schijnen, wat altijd een van zijn liefste droomen was geweest.
Zij spreidden hun weelde aan den voorgevel ten toon en openden de gordijnen, op de dagen dat er groote diners gegeven werden. De windvlaag, die op de eerste verdieping van de rue de Rivoli de deuren had doen slaan, was in het hôtel een ware orkaan geworden, die de binnenmuren dreigde omver te blazen.
Te midden dier vorstelijke vertrekken, langs de vergulde trapleuningen, op de dikke wollen tapijten, in dat tooverpaleis van een parvenu, bleef de geur van Mobille hangen, dansten de wiegelende heupen de in de mode zijnde quadrilles, waarde de tijdgeest rond met zijn dommen, dwazen lach, zijn onleschbaren dorst en zijn eeuwigen honger.
Het was het verdachte huis van het wereldsch vermaak, van het onbeschaamde vermaak, dat de vensters wijd open zet om de voorbijgangers in te wijden in de geheimen der slaapkamer.
Man en vrouw leefden er vrij, onder de oogen van hun dienstboden. Zij hadden het huis met elkaar gedeeld, zij kampeerden er, alsof het hun eigen huis niet was, alsof zij na een drukke, afmattende reis in een prachtig hôtel waren aangeland, waar zij zich even den tijd gegund hadden om hun koffers uit te pakken, ten einde zoo gauw mogelijk de genoegens van een nieuwe stad te kunnen najagen. Zij hielden er hun nachtverblijf; zij bleven alleen thuis voor de groote diners, onophoudelijk door Parijs zwervende, soms voor een uurtje thuiskomende, zooals men in een logement tusschen twee uitstapjes even komt uitrusten.
Renée voelde er zich onrustiger, droomeriger; haar zijden rokken gleden over de dikke tapijten, langs het satijn der causeuses, met het sissend geluid van slangen; zij voelde zich geprikkeld door die dwaze verguldsels om haar heen, door die hooge, ledige plafonds, waaronder na de feestavonden niets overbleef dan het dartel gelach van de jongelui en de mooiklinkende woorden van de oude schelmen; om die weelde aan te vullen, om die schitterende pracht te bewonen, verlangde zij naar een buitengewoon vermaak, dat haar nieuwsgierigheid te vergeefs zocht in alle hoekjes van het hôtel, in het kleine zonkleurige salon, in de serre met haar weelderigen plantengroei.
Saccard daarentegen zag zijn droomen bijna vervuld; hij ontving de groote geldmannen, mijnheer Toutin-Laroche, mijnheer de Lauwerens; hij ontving ook de groote staatslieden, baron Gouraud, den afgevaardigde Haffner; zijn broer, de minister, was zelfs twee- of driemaal bij hem aan huis geweest om door zijn aanwezigheid zijn positie hechter te maken.
Toch had hij, even goed als zijn vrouw, een zenuwachtige, onrustige bezorgdheid, die zijn lach deed klinken als het gerinkel van gebroken vensterglas. Hij kreeg iets zoo gejaagds, zoo overspannens, dat zijn kennissen van hem zeiden: “Die drommelsche Saccard! hij verdient te veel geld, hij wordt nog gek!”
In 1860 had hij een ridderorde gekregen, naar aanleiding van een geheimzinnigen dienst dien hij den prefect had bewezen, door zijn naam te leenen voor een dame bij een verkooping van terreinen.
Het was omstreeks den tijd van hun verhuizing naar het park Monceau, dat er een gebeurtenis plaats greep in Renée’s leven, die een onuitwischbaren indruk bij haar achterliet. Tot dusver had de minister weerstand geboden aan de smeekingen zijner schoonzuster, die van begeerte brandde om tot de hofbals uitgenoodigd te worden.
Eindelijk zwichtte hij, in de meening dat het fortuin van zijn broer nu stevig genoeg gegrondvest was. Een maand lang kon Renée er niet van slapen. De groote avond kwam; zij zat te beven in het rijtuig, dat haar naar de Tuileriën bracht.
Haar toilet was een wonder van bevalligheid en oorspronkelijkheid; zij had het zelf in een slapeloozen nacht bedacht, en drie mannen van Worms waren het onder haar oogen bij haar thuis komen maken. Het was een eenvoudige robe van wit gaas, maar gegarneerd met een menigte uitgeschulpte en met zwart fluweel geboorde strookjes. De tuniek van zwart fluweel was aan den hals vierkant uitgesneden, heel laag op den boezem, die omsloten werd door dunne kant, nauwelijks een vinger hoog. Geen enkele bloem, geen enkel lint, om haar polsen gladde armbanden en op haar hoofd een smalle diadeem van goud, die haar als een stralenkrans omgaf.
Toen zij in de salons was en haar man haar verlaten had om met baron Gouraud te spreken, voelde zij zich een oogenblik verlegen. De spiegels echter toonden haar hoe bevallig zij er uitzag en stelden haar spoedig gerust; langzamerhand raakte zij gewend aan de warme atmosfeer, het gefluister van stemmen, de mengeling van zwarte jassen en blanke schouders.
Daar verscheen de keizer. Hij schreed langzaam door het salon, aan den arm van een dikken, kleinen generaal, die hijgde alsof hij aan een moeielijke spijsvertering leed.
De schouders schaarden zich in twee rijen, terwijl de zwarte jassen onwillekeurig bescheidenlijk een stapje achteruit weken. Renée werd naar het einde der rij gedrongen, dicht bij de tweede deur, waarheen de keizer juist zijn moeielijken, wankelenden gang richtte. Zij zag hem zoo, van de eene deur naar de andere, op haar toekomen.
Hij droeg een zwarten rok met het roode lint van het grootkruis. Renée, die de ontroering weer te machtig werd, onderscheidde niet goed wat zij zag; die bloedige vlek scheen haar toe de geheele borst van den vorst te bespatten. Zij vond hem klein, met te korte beenen en een waggelenden gang; maar zij was verrukt, en in haar oog leek hij mooi, met zijn bleeke gelaatskleur, zijn zware oogleden, die over zijn doffe oogen neerhingen. Onder zijn snor opende zijn mond zich slap; alleen zijn beenige neus kwam uit in dat nietszeggende gelaat.
De keizer en de oude generaal gingen stapje voor stapje verder; zij schenen elkander te steunen, met een flauw glimlachje. Zij keken naar de buigende dames, en hun blikken gleden links en rechts in de keurslijven. De generaal boog zich naar zijn meester over, fluisterde hem een woordje toe, drukte hem den arm als een vroolijke kameraad. En de keizer, slap en bleek, nog matter dan gewoonlijk, kwam steeds nader met zijn slependen tred.
Zij waren in het midden van het salon, toen Renée voelde dat hun blikken op haar rustten. De oogen van den generaal werden rond, terwijl de keizer, zijn oogleden half opslaande, een rooden gloed kreeg in de grijze, troebele oogen.
Renée raakte van haar stuk, boog het hoofd en zag niets meer dan de rozen van het tapijt. Maar zij volgde hun schaduw, zij begreep dat zij een paar seconden voor haar stil bleven staan. En zij meende den keizer, dien dubbelzinnige droomer, te hooren fluisteren, terwijl hij haar aankeek, weggedoken in haar mousselinen, met fluweel gestreepte japon:
—Zie eens, generaal, een bloempje om te plukken, een geheimzinnige, wit en zwart gestreepte anjelier.
En de generaal antwoordde op lompen toon:
—Sire, die anjelier zou verduiveld goed in ons knoopsgat staan.
Renée hief het hoofd op. De verschijning was verdwenen, een stroom van menschen versperde de deur. Sedert dien avond kwam zij dikwijls op de Tuileriën, zij genoot zelfs de eer dat Zijne Majesteit haar hardop een complimentje maakte, en dat zij eenigszins zijn vriendin werd; maar zij herinnerde zich altijd den langzamen, loomen tred van den vorst midden door het salon, tusschen de twee rijen van schouders; en wanneer zij wat nieuwe vreugd in het aangroeiend fortuin van haar man vond, zag zij den keizer weer langs de gebogen halzen gaan, naar haar toekomen, haar vergelijkende bij een anjelier, die de oude generaal hem aanried in zijn knoopsgat te steken. Dat was voor haar het beduidendste moment van haar leven.