De duidelijke, brandende begeerte die in Renée’s hart was opgekomen, in de bedwelmende geuren van de serre, terwijl Maxime en Louise lachten op een causeuse van het kleine gele salon, scheen uit haar geheugen gewischt als een benauwde droom, die niets meer dan een lichte huivering achterlaat.
Den ganschen nacht had de jonge vrouw den bitteren smaak van de tanghinia op haar lippen geproefd; terwijl zij het branden van dat vergiftige blad voelde, leek het haar toe alsof een vurige mond zich op den haren plaatste, haar een verterende liefde inblies. Daarop liet die mond haar los, en haar droom loste zich op in donkere golven die over haar heen rolden.
Tegen den morgen viel zij in slaap. Toen zij ontwaakte, dacht zij dat zij ziek was. Zij liet de gordijnen dichtschuiven, klaagde tegen haar dokter over onpasselijkheid en hoofdpijnen, weigerde twee dagen lang uit te gaan. En daar zij de bezoeken te druk vond, sloot zij haar deur. Maxime kwam tevergeefs aankloppen. Hij sliep niet in huis, om vrijer over zijn kamers te kunnen beschikken; hij leidde overigens het afwisselendste leven ter wereld; hij logeerde in de nieuwe huizen van zijn vader, koos de verdieping die hem het best aanstond, verhuisde iedere maand, dikwijls uit grilligheid, een enkele maal om plaats te maken voor de werkelijke huurders. In gezelschap van de een of andere maîtresse betrok hij de nieuwgebouwde huizen, om er gemakkelijker huurders voor te krijgen.
Aan de luimen van zijn stiefmoeder gewoon geraakt, veinsde hij erg met haar begaan te zijn, en kwam viermaal per dag naar boven om naar haar toestand te vernemen, met een wanhopig gezicht, alleen om haar te plagen. Den derden dag vond hij haar in het kleine salon, blozend en lachend, kalm en rustig.
—Wel, heb je je goed geamuseerd met Céleste? vroeg hij haar, met een zinspeling op haar langdurig samenzijn met haar kamenier.
—Ja, antwoordde zij, het is een onbetaalbaar meisje. Zij heeft altijd ijskoude handen, zij lei ze op mijn voorhoofd en dat bracht mijn pijn wat tot bedaren.
—Maar dan is dat meisje een geneesmiddel! riep de jonge man uit. Als ik ooit het ongeluk mocht hebben verliefd te worden, wil je ze zeker wel aan me uitleenen, niet waar? Dan kan ze allebei haar handen op mijn hart leggen.
Zij schertsten, en deden hun gewone rijtoertje naar het Bosch. Een paar weken gingen voorbij. Renée had zich hartstochtelijker dan ooit aan het leven van bezoeken en danspartijen overgegeven; haar hoofd scheen weer op hol, zij klaagde niet meer over verzadiging en walging.
Alleen zou men gezegd hebben, dat zij zich in het geheim aan iets bezondigd had, waarover zij niet sprak, maar dat zij bekende door een duidelijker aan den dag gelegde minachting voor zichzelve en een gewaagder verdorvenheid in haar groote damesgrillen.
Op een avond bekende zij Maxime dat zij dolgraag naar een bal zou gaan, dat Blanche Muller, een gevierde tooneelspeelster, aan de tooneelprinsessen en de voornaamste dames der demi-monde gaf.
Die bekentenis verraste den jongen man en bracht hem, die toch niet over-scrupuleus was, in geen geringe verlegenheid. Hij hield een zedepreek tegen zijn stiefmoeder: heusch, dat was geen gepaste plaats voor haar, zij zou er trouwens niets grappigs zien, bovendien zou het opspraak verwekken als zij herkend werd. Op al die goede redenen antwoordde zij met saamgevouwen handen, smeekend en glimlachend:
—Kom, Maxiempje lief, wees nu eens aardig. Ik wil.... Ik zal een donkere domino aandoen, we zullen maar even door de salons wandelen.
Maxime, die ten slotte altijd toegaf en zijn stiefmoeder op de beruchtste plaatsen van Parijs zou gebracht hebben, als zij er maar op zinspeelde, stemde er eindelijk in toe haar naar het bal van Blanche Muller te geleiden. Zij klapte in de handen als een kind dat een ontspanning krijgt, waarop het niet gerekend had.
—Dat vind ik lief, zei zij. ’t Is morgen, niet waar? Kom me vroeg afhalen. Ik wil die dames zien binnenkomen. Je moet me haar namen noemen; wat zullen we een pret hebben....
Zij dacht even na, en ging toen voort:
—Neen, kom niet. Je moet me met een vigelante opwachten, op den boulevard Malesherbes. Ik zal den tuin door komen.
Die geheimzinnigheid zou een bekoring te meer aan haar uitstapje geven, ’t was niets dan een verfijning van genot, want al was zij te middernacht de voordeur uitgegaan, dan zou haar man haar niet eens uit het raam nagekeken hebben.
Nadat zij Céleste op het hart had gedrukt op haar te wachten, ging Renée den volgenden avond, met een heerlijk gevoel van vrees, door de duisternis van het park Monceau. Saccard had gebruik gemaakt van zijn vriendschappelijke verhouding tot het stadhuis, en zich een sleutel laten geven van een poortje, dat in het park uitkwam. Renée had er ook een willen hebben. Zij was bijna verdwaald geraakt, zij vond de vigelante alleen door de twee gele lichten der lantarens.
In dien tijd was de boulevard Malesherbes pas voltooid; ’s avonds was het er nog heel eenzaam. De jonge vrouw trad vlug het rijtuig in, met een kloppend hart, alsof zij een samenzijn met haar geliefde te gemoet ging. Maxime zat heel wijsgeerig te rooken in een hoekje van het rijtuig. Hij maakte een beweging om zijn sigaar weg te gooien, maar zij belette dit, en terwijl zij in de duisternis zijn arm wilde grijpen, gleed haar hand over zijn gezicht, wat ze beiden heel aardig vonden.
—Ik verzeker je dat ik van tabakslucht houd, riep zij. Houd je sigaar maar aan.... Vanavond gaan we uit zwieren.... Ik ben nu een man.
De boulevard was nog niet verlicht. Terwijl de vigelante den kant van de Madeleine op reed, was het zoo donker in het rijtuig dat zij elkander niet zagen. Nu en dan, als de jonge man zijn sigaar naar den mond bracht, verscheen er een rood vurig stipje in de duisternis. Dat roode stipje nam Renée’s aandacht in beslag.
Maxime, half bedolven onder het zwarte satijn van den domino, die het rijtuig bijna geheel vulde, rookte stilzwijgend voort, alsof hij zich verveelde. Inderdaad had de gril van zijn stiefmoeder hem verhinderd zich bij een troepje dames in het café Anglais aan te sluiten, die daar het bal van Blanche Muller wilden houden. Hij was uit zijn humeur, en zij ried het in het donker.
—Voel je je onwel? vroeg zij hem.
—Neen, ik ben koud, antwoordde hij.
—Hé, hoe vreemd, ik heb het heel warm. Ik vind het hier om te stikken. Leg een punt van mijn rokken over je knieën.
—O, je rokken, mompelde hij gramstorig, daar zit ik tot over mijn ooren in.
Hij moest om zijn eigen woorden lachen, en langzamerhand werd hij opgewekter. Zij vertelde hem dat zij zoo bang was geweest in het park Monceau. En toen vertelde zij hem nog iets, dat zij zoo graag wou: zij zou zoo graag op een nacht op den vijver van het park willen varen, in een bootje dat zij van uit haar vensters aan het uiteinde eener laan aan land zag liggen. Hij vond dat zij sentimenteel werd.
De vigelante reed steeds voort, het bleef nog even donker, zij bogen zich naar elkander over om zich verstaanbaar te maken bij het geraas der wielen, zij raakten elkander bij het minste gebaar aan, zij voelden elkanders warmen adem. En van tijd tot tijd trok Maxime aan zijn sigaar, en het roode stipje wierp een bleekrood schijnsel op Renée’s gelaat. Bij dat snelle licht gezien was zij bekoorlijk, zoodat het zelfs den jongen man opviel.
—O, o, zei hij, je ziet er van avond heel lief uit, stiefmaatje. Laat ik je eens zien.
Hij hield zijn sigaar naderbij, en deed snel eenige trekjes. Renée werd in haar hoekje door een warm, flikkerend schijnsel verlicht. Zij had haar kap teruggeslagen. Haar bloot hoofd, bedekt met een overvloed van krulletjes, waarover een eenvoudig blauw lint, leek op dat van een jongen, boven de hooge zwart satijnen blouse die alleen haar hals vrij liet. Zij vond het wel aardig, bekeken en bewonderd te worden bij het licht van een sigaar. Zij wierp zich lachend achterover, terwijl hij met een grappig ernstig gezicht opmerkte:
—Drommels, ik zal op je moeten passen, als ik je heelhuids bij papa terug wil brengen.
Intusschen maakte het rijtuig een bocht om de Madeleine en reed de boulevards op. Daar vulde de weerschijn van de schitterend verlichte magazijnen het met een dansend licht. Blanche Muller woonde vlak bij een dier nieuwe huizen, die op de opgehoogde terreinen van de rue Basse-du-Rempart gebouwd zijn.
Er stonden nog slechts enkele rijtuigen voor de deur. Het was nog pas tien uur. Maxime wou een eindje op de boulevards rondrijden, een uurtje wachten; maar Renée, wier nieuwsgierigheid nog meer opgewekt was, verklaarde hem ronduit dat zij alleen ging, als hij haar niet vergezelde. Hij volgde haar, en was blij dat hij er meer gasten vond dan hij gedacht had.
De jonge vrouw had haar masker voorgedaan. Aan den arm van Maxime, wien zij zachtjes bevelen gaf, op een toon die geen tegenspraak duldde, en die haar dan ook gedwee gehoorzaamde, snuffelde zij in alle kamers rond, lichtte de portières op, beschouwde opmerkzaam de meubelen, zou zelfs in de laden gesnuffeld hebben, als zij niet gevreesd had dat men haar zien zou.
Het rijke appartement had hoekjes, waarin men het zigeunerleven van de reizende tooneelspeelster terugvond. Daar vooral trilden de rose neusvleugels van Renée, daar dwong zij haar metgezel zachtjes te loopen, opdat niets haar blik of haar reuk zou ontgaan. Zij vertoefde bijzonder lang in een toiletkamertje, dat wijd open stond, daar Blanche Muller op haar ontvang-avonden tot zelfs haar slaapkamer aan haar gasten overliet, waar het bed op zijde geschoven werd om er speeltafeltjes neer te zetten. Maar het kamertje voldeed haar niet; het leek haar burgerlijk en zelfs een beetje vuil, met zijn tapijt vol brandgaatjes van de sigaretten, zijn blauw zijden behangsel vol pomadevlekken en zeepspatten.
Toen zij de plaatselijke gesteldheid goed had opgenomen, en de minste bijzonderheden der woning in haar geheugen geprent had om ze naderhand aan haar intieme vriendinnen te vertellen, ging zij tot de personen over. De mannen kende zij, het waren meerendeels dezelfde politieke lui, dezelfde jonge losbollen die op haar Donderdagen kwamen.
Zij waande zich soms in haar eigen salons, wanneer zij zich tegenover een groepje glimlachende, zwartgerokte heeren bevond, die den avond te voren bij haar thuis denzelfden glimlach vertoond hadden, als zij het woord richtten tot markiezin d’Espanet of de blonde mevrouw Haffner.
En als zij de vrouwen aankeek, werd die illusie niet geheel verstoord. Laure d’Aurigny was in het geel evenals Suzanne Haffner, en Blanche Muller had evenals Adeline d’Espanet een witte japon, die tot halverwege den rug was uitgesneden.
Maxime smeekte eindelijk om genade, en zij nam naast hem plaats op een causeuse. Daar bleven zij een oogenblik zitten, de jonge man geeuwende, terwijl zij hem de namen van die dames vroeg, ze met haar blikken ontkleedde, de meters kant telde die zij om haar rokken droegen.
Toen hij haar in die ernstige studie verdiept zag, wist hij te ontsnappen, en begaf hij zich naar Laure d’Aurigny, die hem wenkte. Zij plaagde hem met de dame, die hij aan den arm had. Daarop liet zij hem plechtig beloven, dat hij ze tegen één uur in het café Anglais zou komen opzoeken.
Deze was omringd door een groepje hard lachende vrouwen, terwijl mijnheer de Saffré gebruik had gemaakt van het plaatsje dat Maxime had opengelaten, om zich naast haar neer te vlijen en haar op onkiesche wijze het hof te maken. Daarop waren mijnheer de Saffré en de vrouwen, al die lui, begonnen te schreeuwen, zich op de dijen te slaan, zoodat Renée verdoofd door het lawaai, op haar beurt begon te geeuwen, opstond en tot haar metgezel zei:
—Laten we hier vandaan gaan, ze zijn onuitstaanbaar vervelend!
Juist toen zij heengingen, kwam mijnheer de Mussy binnen. Hij scheen zeer blij te zijn dat hij Maxime ontmoette, en zonder acht te slaan op de gemaskerde dame die deze bij zich had, fluisterde hij op kwijnenden toon:
—Ach, mijn waarde, zij doet me den dood aan. Ik weet dat zij beter is, en zij ontzegt me nog altijd haar deur. Zeg haar eens goed dat je de tranen in mijn oogen gezien hebt.
—Wees daaromtrent gerust, je boodschap zal ik overbrengen, zei de jonge man met een zonderlingen glimlach.
En op de trap:
—Wel, stiefma, heeft die arme jongen je hart niet getroffen?
Zij haalde de schouders op en zweeg. Op het trottoir aarzelde zij even, voordat zij in de vigelante steeg die op hen gewacht had. Zij keek weifelend nu eens den kant der Madeleine op, dan weer dien van den boulevard des Italiens. Het was nauwelijks half twaalf, er heerschte nog een groote levendigheid op den boulevard.
—Kom, we gaan naar huis, zei zij met verborgen spijt.
—Als je tenminste de boulevards niet een eindje wil oprijden, antwoordde Maxime.
Zij nam zijn voorstel aan. Haar nieuwsgierigheid was bevredigd, maar zij had er minder pleizier van gehad dan zij zich had voorgesteld; zij vond het erg onaangenaam met een illusie minder en een begin van hoofdpijn naar huis te moeten gaan. Zij had altijd in de meening verkeerd dat een tooneelspeelstersbal het toppunt van grappigheid zou zijn.
De lente scheen weergekomen,—geen ongewoon verschijnsel in de laatste dagen van October; de avond was zoel als in Mei, en de koele windjes die zich nu en dan deden gevoelen, maakten het weer nog opwekkender.
Renée bleef zwijgend voor het portierraam zitten en keek naar de menschenmenigte, de koffiehuizen, de restauraties, die in een eindelooze rij op elkander volgden. Zij was ernstig geworden, haar geest toefde weer te midden der vage wenschen, waarin vrouwen zich gaarne verdiepen.
Dat breede trottoir, waarover de japonnen der meisjes sleepten, en waarop de laarzen der mannen weerklonken, dat grijze asphalt waarop zij de wufte vermaken en het gemakkelijk te verwerven mingenot in galop meende te zien voorbijgaan, wekte haar sluimerende begeerten weer op, deden haar dat idiote bal vergeten om haar andere genoegens van een meer verfijnden smaak te doen zien.
Aan de vensters van Brébant zag zij schaduwen van vrouwen op de witte gordijnen. En Maxime vertelde haar een heel gewaagde geschiedenis, van een bedrogen echtgenoot die aldus, op een gordijn, de schaduw van zijn vrouw op heeterdaad betrapt had met de schaduw van een minnaar. Zij hoorde hem ternauwernood aan. Hij maakte zich vroolijk, vatte haar bij de handen, plaagde haar met dien armen mijnheer de Mussy.
Toen zij bij het terugkeeren weer voorbij Brébant kwamen, zei zij plotseling:
—Weet je dat mijnheer de Saffré me van avond te soupeeren gevraagd heeft?
—Nu, dan zou je slecht gegeten hebben, antwoordde hij lachend. Saffré heeft niet het minste begrip van de kookkunst. Hij is altijd met kreeftensla in de weer.
—Neen, hij sprak van oesters en koude patrijs.... Maar hij werd te vertrouwelijk, en dat weerhield me....
Zij zweeg, keek nog eens langs den boulevard, en na een korte stilte klonk het spijtig:
—Het ergste is, dat ik een vreeselijken honger heb.
—Wat, heb je honger? riep de jonge man uit. Dan gaan we eenvoudig samen soupeeren.... Vind je het goed?
Hij zei het heel bedaard, maar zij weigerde eerst, zeggende dat Céleste een koud souper voor haar had klaar gezet. Daar hij echter toch niet naar het café Anglais ging, had hij het rijtuig stil doen houden op den hoek van de rue Le Peletier, voor de restauratie van het café Riche; hij was al uitgestapt en daar zijn stiefmoeder nog aarzelde, zei hij:
—Wel, als je bang bent dat ik je compromitteer, zeg het dan maar.... Dan ga ik naast den koetsier zitten en breng je weer bij je man terug.
Zij lachte even en steeg uit het rijtuig, als een vogeltje dat bang is zijn pootjes nat te maken. Zij straalde van genot. Dat trottoir dat zij onder haar voelde, maakte haar voeten warm, deed over haar gansche lichaam een heerlijke trilling van vrees en van bevredigde begeerte gaan.
Terwijl het rijtuig nog reed, had zij ternauwernood den lust kunnen bedwingen er op te springen. Zij ging er met kleine stapjes over, steelsgewijs, alsof het haar genoegen grooter maakte, te moeten vreezen, dat men haar zou zien.
Haar uitstapje begon nu werkelijk op een avontuur te gelijken. Zij had er wel geen spijt van, de lompe uitnoodiging van mijnheer de Saffré te hebben afgewezen, maar zij zou toch vreeselijk ontstemd thuisgekomen zijn, als Maxime niet op de gedachte was gekomen haar van de verboden vrucht te laten proeven.
De jonge man ging vlug de trap op, alsof hij daar thuis was. Zij volgde hem ietwat hijgend.
Een lichte geur van visch en wild kwam hen tegen, en de looper, die met koperen roeden op de treden bevestigd was, rook naar stof, wat haar nog zenuwachtiger maakte.
Toen zij op de eerste verdieping waren, ontmoetten zij een deftig uitzienden kellner, die zich tegen den muur drong om hen voorbij te laten gaan.
—Charles, zei Maxime, jij bedient ons, niet waar?....Geef ons het witte salon.
Charles boog, ging een paar trappen op en opende de deur van een kamer. Het gas was neergedraaid; het kwam Renée voor alsof zij in het halfduister van een bekoorlijk, verdacht plekje doordrong.
Door het wijdgeopende venster drong het onafgebroken geratel der rijtuigen, en op de zoldering gleden de vluchtige schaduwen der voorbijgangers door het licht, dat het koffiehuis beneden daarop weerkaatste. Maar de kellner opende het kraantje en het licht brandde hooger op. De schaduwen van de zoldering verdwenen, een helder licht verspreidde zich door de kamer en viel op het hoofd der jonge vrouw.
Zij had haar kap reeds afgeworpen. De krulletjes waren een beetje in de war geraakt, maar het blauwe lint was blijven zitten. Zij begon heen en weer te loopen, gegeneerd door de manier waarop Charles haar aankeek; hij knipte met de oogen en kneep zijn oogleden half dicht, om haar beter te zien; ’t was alsof hij zeggen wilde: “Die ken ik nog niet.”
—Wat zal mijnheer gebruiken? vroeg hij tamelijk luid. Maxime keerde zich naar Renée.
—Het souper van mijnheer de Saffré, niet waar? zei hij, oesters, een patrijs....
En toen hij den jongen man zag glimlachen, volgde Charles zijn voorbeeld bescheiden na, terwijl hij zachtjes zei:
—Het souper van Woensdag dus, als u het goed vindt?
—Het souper van Woensdag.... herhaalde Maxime. En toen, zich herinnerende:
—Ja, dat is goed, geef ons het souper van Woensdag.
Toen de kellner verdwenen was, nam Renée haar binocle en keek nieuwsgierig in de kamer rond.
Het was een vierkant vertrek, wit met verguld, koket gemeubileerd als een boudoir. Behalve de tafel en de stoelen, was er een laag meubelstuk, een soort van console, waarop men de afgenomen gerechten plaatste, en een breede sofa, een echt bed, die tusschen den schoorsteen en het venster stond. Een pendule en twee candelabres Louis XVI prijkten op den witmarmeren schoorsteen.
Maar het opmerkelijkste in die kamer was de spiegel, een mooie dikke spiegel, die door de diamanten der “dames” bekrast was met namen, datums, verminkte versregels, verwonderlijke gedachten en bekentenissen. Renée meende iets onbetamelijks te zien, maar zij dorst haar nieuwsgierigheid niet bevredigen.
Zij keek naar de sofa, voelde een nieuwe verlegenheid, begon toen, om zich een houding te geven, het plafond en de verguld koperen gaskroon met vijf pitten te bekijken. Maar de verlegenheid die zij voelde, was heerlijk.
Terwijl zij het hoofd ophief, als om de kroonlijst te bestudeeren, met een ernstig gezicht door haar binocle ziende, genoot zij innerlijk van die dubbelzinnige meubelen om haar heen; van dien helderen, cynischen spiegel welks zuiver glas, ternauwernood ontsierd door het vieze gekrabbel, gediend had om zooveel valsche chignons in orde te brengen; van die sofa, die haar stuitte door haar breedte, van de tafel, van het tapijt zelfs, waarin zij de lucht van de trap terug vond, een doordringende lucht van stof. En toen moest zij eindelijk de oogen neerslaan.
—Wat is dat toch voor een souper van Woensdag? vroeg zij Maxime.
—Niets, antwoordde hij, een weddenschap die een van mijn vrienden verloren heeft.
Op iedere andere plaats zou hij zonder aarzelen bekend hebben dat hij dien dag met een dame gesoupeerd had, die hij op den boulevard ontmoet had. Maar sinds hij zich daar met haar op die kamer bevond, behandelde hij haar onwillekeurig als een vrouw, die hij behagen moest en wier jaloerschheid hij moest ontzien.
Zij drong er trouwens niet verder op aan, zij ging voor het open venster staan, waar hij zich bij haar voegde. Achter hen liep Charles in en uit, met een gerinkel van vaat- en zilverwerk.
Het was nog voor middernacht. Daar beneden op den boulevard, duurde het stadsgewoel voort. Parijs rekte zijn bedrijvigen dag, voordat het besloot zich te rusten te begeven. De boomenrijen bakenden met een onduidelijke streep de helder verlichte trottoirs en den halfduisteren rijweg af, waarop de ratelende rijtuigen met hun vurige oogen snel voorbij reden. Aan weerszijden van deze donkere strook stonden de verlichte kiosken der dagbladverkoopers als hooge, grillige bontgeschilderde venetiaansche lantarens, op gelijke afstanden van elkander op den grond geplaatst, voor een kolossale illuminatie. Maar op dit uur werd hun licht geheel verduisterd door de schitterende verlichting der winkelramen. Geen enkel luik was gesloten, de trottoirs strekten zich uit zonder éen schaduwlijn, onder een regen van stralen die ze verlichtte met een gouden stof, met het warme, heldere schijnsel van den dag.
Maxime wees Renée naar het café Anglais, vlak tegenover hen, waarvan de vensters schitterden. De hooge takken der boomen beletten hen echter de huizen en het trottoir aan de overzij goed te zien.
Zij bogen zich voorover en keken naar beneden. Het was een onophoudelijk heen en weer geloop; groepjes wandelaars gingen voorbij, meisjes paarsgewijze, met slepende rokken, die zij van tijd tot tijd opnamen, met een matte beweging, glimlachend met haar vermoeide blikken.
Vlak onder het venster stonden de tafeltjes van het café Riche in het helle licht van de gaskronen die hun schijnsel tot midden op den rijweg wierpen; in dien helderen lichtgloed zagen zij de bleeke gezichten en de flauwe glimlachjes der voorbijgangers.
Om de ronde tafeltjes zaten vrouwen, tusschen de mannen, te drinken. Zij waren opzichtig gekleed en droegen het haar in den hals; zij zaten te schommelen op haar stoelen en voerden luide gesprekken, die het geraas van de straat onverstaanbaar maakte.
Renée’s aandacht viel vooral op een vrouw, die alleen aan een tafeltje zat; zij droeg een lichtblauw kostuum, met witte gruipure afgezet; zij dronk met kleine teugjes een glas bier leeg, en leunde dan weer achterover in haar stoel, de handen op den schoot gevouwen, in een houding van trage, berustende afwachting.
Zij die liepen, gingen langzaam in het gewoel verloren, en de jonge vrouw oogde ze met belangstelling na; haar blik gleed over den heelen boulevard, naar de verwijderde drukte van de avenue, waar men niets dan een zwart gewemel van wandelaars onderscheidde, en de lichtschijnsels nog slechts vonken leken.
En met een regelmatigheid die het oog vermoeide, trok die bonte menigte onveranderlijk, onophoudelijk voorbij, te midden der heldere kleuren, in de tooverachtige flikkering van die duizenden dansende lichtschijnsels, die uit de winkels stroomden, de transparanten van de kiosken en de ramen kleurden, in letters, lijsten of vurige teekeningen langs de gevels liepen, de duisternis met sterren bezaaiden, onafgebroken over den rijweg dansten.
Het oorverdoovend geraas, dat omhoog steeg, dreunde na, eentonig, als het gebrom van een orgel, dat den eeuwigdurenden optocht van mechanieke poppetjes begeleidt.
Een oogenblik meende Renée dat er een ongeluk gebeurd was. Een stroom van menschen bewoog zich naar links, even voorbij de passage de l’Opéra. Maar met haar kijker herkende zij het wachthuis der omnibussen; de stoep stond vol wachtenden, die bij de nadering van een omnibus haastig kwamen toesnellen. Zij hoorde de ruwe stem van den controleur de nummers afroepen, daarop klonk het gelui van den teller als een kristalhelder geklep tot haar door.
Zij liet haar blik rusten op de advertenties van een kiosk, met schelle kleuren als kinderprenten; op een vierkant stond in een geel en groenen rand een grijnzende duivelskop met steile haren, een reclameplaat van een hoedenmaker die zij niet begreep.
Om de vijf minuten kwam de omnibus van Batignolles voorbij, met zijn roode lantarens en gele kast; hij draaide den hoek van de rue Le Peletier om en deed het huis trillen door zijn gedreun; zij zag de mannen op de imperiale, vermoeide gezichten die omhoog keken en haar en Maxime nieuwsgierig aanzagen, als uitgehongerden die door een sleutelgat kijken.
—Ach! zei zij, wat zal het nu stil zijn in het park Monceau.
Dat was alles wat zij zei. Zij bleven daar wel twintig minuten staan, zwijgend opgaande in het gewoel en de verlichting. Toen de tafel gereed was, namen zij plaats, en daar de tegenwoordigheid van den kellner haar scheen te hinderen, zond Maxime hem weg.
—Laat ons alleen.... Ik zal om het dessert schellen.
Zij had roode plekjes op de wangen en haar oogen schitterden; zij zag er uit alsof zij hard geloopen had. Zij bracht van het venster een beetje van de drukte en de levendigheid van den boulevard mee. Zij wilde niet dat Maxime het venster sloot.
—Wel, dat is het orkest, zei zij, toen hij over het geraas klaagde. Vind je het geen eigenaardige muziek? Dat is een mooie begeleiding bij onze oesters en patrijs.
’t Was of het uitstapje haar jonger maakte. Zij was druk in haar bewegingen, een beetje opgewonden; die kamer, dat samenzijn met een jongen man, het rumoer van de straat, wonden haar op, gaven haar iets meisjesachtigs.
Zij viel met smaak op de oesters aan. Maxime had geen honger, hij keek glimlachend toe, terwijl zij smulde.
—Verduiveld, mompelde hij, je bent een goede om mee uit soupeeren te gaan.
Zij hield op, spijtig omdat zij zoo gauw at.
—Je vindt dat ik honger heb. Wat zal ik je zeggen? Dat onzinnige bal heeft me hongerig gemaakt.... Arme jongen, wat beklaag ik je dat je met zulke menschen omgaat!
—Je weet wel, zei hij, dat ik je beloofd heb Sylvia en Laure d’Aurigny te laten schieten, zoodra je vriendinnen met mij uit soupeeren willen gaan.
Zij maakte een trotsch gebaar.
—Dat geloof ik warempel ook wel. Wij zijn heel wat amusanter dan die dames, dat zal je niet tegen kunnen spreken.... Als een van ons een minnaar zoo verveelde, als jouw Sylvia en je Laure d’Aurigny jou moeten vervelen, wel, het arme vrouwtje hield dien minnaar geen week!.... Je wilt nooit naar me luisteren. Probeer het eerstdaags eens.
Maxime stond op, om den kellner niet te roepen, ruimde de oesterschelpen weg en bracht den patrijs, die op de console stond. De tafel was beladen met de weelde der groote restauraties. Op het damasten tafellaken bevond zich een overvloed van heerlijke spijzen, en met een lichte trilling van genot bewoog Renée haar fijne handen van haar vork naar haar mes, van haar bord naar haar glas. Zij dronk witten, onvermengden wijn, zij die gewoonlijk slechts een scheutje wijn in haar water dronk.
Terwijl Maxime, met het servet over den arm, haar met een schertsende voorkomendheid bediende, hernam hij:
—Wat heeft die mijnheer de Saffré toch tegen je gezegd, dat je zoo woedend bent? Vond hij je leelijk?
—O, hij, antwoordde zij, ’t is een gemeen mensch. Ik had nooit kunnen denken dat iemand, die zich bij mij aan huis zoo deftig en zoo beleefd voordeed, zoo’n taal kon uitslaan. Maar dat heb ik hem al vergeven. De vrouwen, die hebben me gehinderd; ’t leken wel appelenvrouwen. Er was er een, die klaagde dat zij een steenpuist op haar heup had, en het had weinig gescheeld of zij had haar rok opgetild om haar kwaal aan iedereen te toonen.
Maxime lachte luidkeels.
—Neen, heusch, ging zij met toenemende heftigheid voort, ik begrijp jelui niet, ze zijn vies en dom.... En toen ik je naar je Sylvia zag gaan, stelde ik me nog al wonder wat voor, van die antieke feesten zooals je wel op schilderijen ziet, meisjes met kransen van rozen in het haar, gouden drinkschalen, buitengewone genietingen.... ’t Mocht wat! Je hebt me een onzindelijk kleedkamertje laten zien en vrouwen die als voerlui vloekten. Zoo is het de moeite niet waard, om kwaad te doen.
Hij wilde hier iets tegen inbrengen, maar zij legde hem het zwijgen op, en terwijl zij een patrijzeboutje afkloof, dat zij tusschen de vingertoppen hield, ging zij op zachter toon voort:
—Het kwaad moet iets keurigs, iets fijns zijn, jongenlief.... Wanneer ik, een fatsoenlijke vrouw, me verveel en de zonde bega aan iets onmogelijks te denken, weet ik zeker dat ik veel aardiger dingen vind dan Blanche Muller.
En met een ernstig gezicht sprak ze ten slotte de naïeve onbeschaamdheid uit:
—Dat is een kwestie van opvoeding, begrijp je?
Ze lei het beentje kalmpjes op haar bord neer. Het dreunend rollen der rijtuigen ging voort, zonder dat zich daartusschen een levendiger geluid deed hooren. Zij was genoodzaakt haar stem te verheffen om zich verstaanbaar te maken, en haar wangen kleurden zich met een dieper rood. Op de console stonden nog truffels, een zoet tusschengerecht, asperges, een zeldzaamheid in dat jaargetijde.
Hij bracht alles aan, om verder te kunnen blijven zitten, en daar de tafel wat smal was, zette hij tusschen hen in een zilveren ijsemmer, waarin een flesch champagne, op den grond neer. De eetlust der jonge vrouw begon aanstekelijk op hem te werken. Zij lieten geen enkelen schotel onaangeroerd, zij ledigden de flesch, met uitgelaten dartelheid, verdiepten zich in gewaagde bespiegelingen, en leunden op de ellebogen als twee vrienden, die in een roes hun hart voor elkander uitstorten.
Het werd minder druk op de boulevard, toch kwam het haar voor, alsof het integendeel levendiger werd, en al die wielen schenen haar soms in het hoofd te draaien.
Toen hij zei, dat hij om het dessert ging schellen, stond zij op, schudde de kruimels van haar lange satijnen blouse af en zei:
—Dat is goed.... Zeg, je mag wel een sigaar opsteken.
Zij was een beetje bedwelmd. Zij ging naar het venster, aangetrokken door een vreemd geraas, waarvan zij de oorzaak niet begreep. Men was bezig de winkels te sluiten.
—Kijk, zei zij, zich naar Maxime wendende, het orkest gaat naar huis.
Zij boog zich weer voorover. Op den rijweg in het midden, kruisten de gekleurde oogen van de minder talrijke, maar sneller rijdende vigelanten en omnibussen elkander nog steeds. Maar aan de zijkanten, langs de trottoirs, waren er groote donkere plekken ontstaan, voor de gesloten winkels. Alleen de koffiehuizen waren nog hel verlicht, en wierpen hun schijnsel op het asphalt.
Van de rue Drouot tot aan de rue du Helder zag zij een lange reeks heldere en donkere plekken, waarin de late wandelaars op zonderlinge wijze opdoken en verdwenen. Vooral de meisjes, met haar slepende japonnen, beurtelings hel verlicht en in duisternis gehuld, leken wel geestverschijningen, bleeke marionnetten, die zich door den electrisch verlichten kring van het een of andere toover-kluchtspel bewegen. Zij vermaakte zich een oogenblik met dit spel.
Het licht was nu niet meer over den geheelen boulevard verspreid, de gaslichten werden uitgedraaid; de bontkleurige kiosken staken nog harder af tegen de duisternis. Nu en dan ging er een groote menigte, die uit een der schouwburgen kwam, voorbij. Maar weldra werd het lediger, en onder het venster zag men soms groepjes van twee of drie mannen, die door een vrouw werden aangesproken. Zij bleven staan, in druk gesprek. Een enkel woord kon men zelfs verstaan; meestal ging de vrouw aan den arm van een dier mannen weg. Andere meisjes gingen het eene koffiehuis in, het andere uit, liepen de tafeltjes rond, namen de achtergelaten klontjes suiker, lachten met de kellners, keken de late bezoekers vragend en zich stilzwijgend aanbiedend aan.
En nadat Renée de bijna leege imperiale van een omnibus. had nagekeken, herkende zij op den hoek van het trottoir, de vrouw met de blauwe, met witte guipure afgezette japon, die daar rechtop stond, met hoofd naar alle zijden heenwendend, steeds op den uitkijk.
Toen Maxime haar kwam opzoeken aan het venster, waar zij in aanschouwing verdiept was, moest hij onwillekeurig glimlachen, toen hij naar een der halfgeopende vensters van het café Anglais keek; de gedachte, dat zijn vader daar ook soupeerde, scheen hem grappig toe; maar dien avond had hij iets bijzonder schroomvalligs, dat hem belette zijn gewone grappen te verkoopen.
Renée verliet met tegenzin het venster. Een smachtend, bedwelmend verlangen steeg uit de vage diepte van den boulevard tot haar op. In het verminderd gerol der rijtuigen, in het verdwijnen der heldere schijnsels, klonk een stem die lokte tot wellust en slaap. De fluisterende stemmen die hier en daar vernomen werden, de groepjes die in een donker hoekje bleven staan, maakten het trottoir tot de gang van een groot logement, op het uur waarop de reizigers hun bed opzoeken. Het licht en het leven stierf langzamerhand weg, de stad sliep in, teedere zuchtjes schenen over de daken te strijken.
Toen de jonge vrouw zich omkeerde, deed het licht van de gaskroon haar oogen pijnlijk aan. Zij zag nu een beetje bleek, en had lichte trekkingen om de mondhoeken.
Charles zette het dessert gereed; hij ging de deur uit, kwam weer binnen, opende de deur langzaam en met gedruis, met het flegma van een man, die weet hoe het betaamt.
—Ik heb geen trek meer! riep Renée uit, neem al die borden weg en breng de koffie.
De kellner, gewoon aan de grillen zijner vrouwelijke cliënten, ruimde het dessert op en schonk de koffie in. Al zijn bezigheden verrichtte hij met een voorkomen van gewichtig.
—Stuur hem toch alsjeblieft weg, zei de jonge vrouw met een gevoel van weerzin.
Maxime zond hem heen; maar hij was nauwelijks verdwenen, of hij kwam weer terug om heel bescheiden de overgordijnen zorgvuldig dicht te doen. Toen hij eindelijk heengegaan was, stond de jonge man, die nu ook ongeduldig begon te worden, op en naar de deur gaande:
—Wacht eens, zei hij, ik weet een goed middel om van hem af te zijn.
En hij schoof den grendel er voor.
—Ziezoo, hernam zij, nu zijn we tenminste vrij.
Zij hervatten weer hun vertrouwelijke mededeelingen, hun vriendschappelijk gekeuvel. Maxime had een sigaar opgestoken. Renée slurpte haar koffie langzaam op en schonk zich vervolgens een glaasje chartreuse in. De kamer vulde zich met een blauwachtigen rook; het werd er warm. Zij legde de ellebogen op de tafel en leunde met de kin tegen haar halfgesloten vuisten. Die lichte drukking maakte haar mond kleiner, haar wangen gevulder, en haar oogen smaller en schitterender. Zóó ineengeduwd, was haar gezichtje allerliefst, onder den overvloed van goudgele krulletjes, die nu tot op haar wenkbrauwen afhingen.
Maxime bekeek haar door den rook van zijn sigaar heen. Hij vond haar origineel. Soms begon hij zelfs aan haar sekse te twijfelen; de groote rimpel die door haar voorhoofd liep, de pruilend vooruitstekende lippen, haar weifelende, bijziende blik, deden haar op een grooten jongen lijken; daarbij kwam dat haar lange, zwart satijnen blouse zoo hoog dicht was, dat men ternauwernood een blank, mollig streepje hals onder de kin kon bespeuren. Zij liet zich glimlachend bekijken; zij bewoog haar hoofd niet meer, haar blik had iets onbestemds, haar woorden iets traags.
Toen schudde zij zich plotseling wakker; zij begaf zich naar den spiegel, waarheen haar blikken al een poosje gestaard hadden. Zij ging op de teenen staan, leunde met de handen tegen den schoorsteenmantel, om die opschriften te lezen, die gewaagde uitdrukkingen die haar vóór het souper verlegen hadden gemaakt. Zij spelde de lettergrepen met eenige moeite, las, lachte telkens, als een schooljongen die Piron in zijn lessenaar doorbladert.
—Ernest en Clara, zei zij, en er staat een hart onder dat wel op een trechter lijkt.... Ha, dat is beter: “Ik houd van mannen, omdat ik van truffels houd.” Geteekend “Laure.” Zeg eens, Maxime, heeft die d’Aurigny dat geschreven?.... O, dat is zeker het wapen van een van die dames: een kip die een groote pijp rookt.... Altijd maar namen, een heele kalender vol: Victor, Amélie, Alexander, Eduard, Margaretha, Paquita, Louise, Renée.... Hé, er is er een bij, die net zoo heet als ik....
Maxime zag haar opgewonden gezichtje in den spiegel. Zij strekte zich nog meer uit, en haar domino spande zich van achteren strakker en deed de ontwikkeling van haar heupen, de slankheid van haar taille goed uitkomen. De jonge man volgde de lijn van het satijn, dat als een hemd om het lichaam sloot.
Hij stond nu ook op en wierp zijn sigaar weg. Hij voelde zich niet op zijn gemak, onrustig. Er ontbrak hem iets, waaraan hij gewoon was.
—Ha, daar is jouw naam, Maxime, riep Renée.... Hoor.... “Ik houd van....”
Maar hij was in een hoekje van de sofa gaan zitten, bijna aan de voeten der jonge vrouw. Met een vlugge beweging slaagde hij er in haar handen te vatten; hij keerde haar van den spiegel af en zei op zonderlingen toon:
—Lees dat alsjeblieft niet.
Zij verweerde zich, zenuwachtig lachend.
—Waarom? Ben ik je vertrouwde dan niet?
Maar hij drong met gesmoorde stem aan:
—Neen, neen, vanavond niet.
Hij hield haar nog altijd vast, en zij gaf lichte rukjes met haar polsen om zich los te maken. Zij keken elkaar met vreemde oogen aan, hun glimlach had iets gedwongens en beschaamds. Zij viel op haar knieën, aan het einde van de sofa. Zij bleven door worstelen, ofschoon zij geen beweging meer maakte om naar den spiegel te gaan en zich al overgaf. En toen de jonge man haar in zijn armen sloot, zei zij met een flauw, verlegen lachje:
—Kom, laat me met rust.... Je doet me zeer.
Dat was alles wat haar lippen fluisterden. In de diepe stilte der kamer, waar het gas hooger scheen op te vlammen, voelde zij den grond trillen en hoorde zij het geraas van den omnibus van Batignolles die den hoek van den boulevard kwam omrijden.
Toen zij weer naast elkander op de sofa zaten, beiden bedremmeld, fluisterde hij:
—Bah, dat moest er toch eens van komen.
Zij zei niets. Zij tuurde als verslagen op de bloemen van het tapijt.
—Had jij aan zoo iets gedacht?.... ging Maxime stamelend voort. Ik in het geheel niet.... Ik had die kamer niet moeten vertrouwen....
Maar uit het diepst van haar hart klonk het, alsof al de burgerlijke braafheid van de Bérauds Du Châtel in deze laatste fout ontwaakte:
—Het is schandelijk, wat we daar gedaan hebben, fluisterde zij, ontnuchterd, met een heel ernstig gezicht.
Zij kreeg het benauwd. Zij ging naar het venster, schoof de gordijnen open en leunde op de vensterbank. Het orkest zweeg al lang; de misdaad was begaan in de laatste trilling der bassen en het verwijderd geluid der violen.
Daar beneden strekten de rijweg en de voetpaden zich uit, eenzaam en verlaten. Al die ratelende rijtuigwielen schenen heengegaan te zijn, het licht en de menigte met zich meevoerende. Onder het venster was het café Riche gesloten, geen enkel lichtstraaltje drong door de ruiten.
Aan de overzijde was alleen de voorgevel van het café Anglais nog verlicht; een der vensters stond half open en liet een flauwen klank van gelach door. En langs die donkere schaduwlijn, van de bocht der rue Drouot tot aan het andere uiteinde, zoover haar gezicht reikte, zag zij niets anders dan de kiosken, die op gelijke afstanden roode en groene plekken in de nachtelijke duisternis vormden, zonder ze te verlichten, als nachtlichtjes, hier en daar in een reusachtig groote slaapzaal geplaatst.
Zij hief het hoofd op. De boomen teekenden hun hooge takken tegen een helderen hemel af, terwijl de onregelmatige lijn der huizen zich onafzienbaar ver uitstrekte, met de afbrokkelingen van een rotsige kust, aan den oever van een blauwe zee.
Maar die strook lucht stemde haar nog droeviger; alleen de duisternis van den boulevard gaf haar eenige vertroosting. Wat daar op die eenzame straat overbleef van de luidruchtigheid in de ondeugd van den avond, strekte haar tot verontschuldiging. Zij meende de warmte van al die mannen- en vrouwenstappen van het afkoelende trottoir te voelen opstijgen.
De schandelijke dingen die daar gebeurd waren, begeerten van een minuut, fluisterend gedane aanbiedingen, vooruit betaalde bruiloftsnachten, zij losten zich op in damp, dreven voort in een zwaren nevel, door den morgenwind weggevaagd.
Voorovergebogen over de duisternis, ademde zij die trillende stilte, die alkooflucht in, als een aanmoediging die van beneden tot haar kwam, als een verzekering dat haar schande door een medeplichtige stad gedeeld en aangenomen werd. En toen haar oogen aan de duisternis gewoon geraakt waren, bemerkte zij de vrouw met haar blauw kostuum, alleen in de grauwe eenzaamheid, nog steeds op dezelfde plaats, wachtende en zich aanbiedende in de ledige stilte van den nacht.
Toen zij zich omkeerde, werd de jonge vrouw Charles gewaar, die snuffelend om zich heen keek. Hij ontdekte eindelijk iets,—het blauwe lint van Renée, dat verfrommeld in een hoek van de sofa lag. Hij haastte zich het haar op zijn beleefde manier te brengen. Toen voelde zij haar geheele vernedering. Voor den spiegel staande, trachtte zij met bevende handen het lint weer vast te strikken. Maar haar chignon was gezakt, de krulletjes waren plat tegen haar slapen gedrukt, zij kon den strik niet vastmaken.
Charles kwam haar te hulp, en alsof hij een doodgewoon iets, een mondwater of een tandenstoker aanbood, vroeg hij:
—Wil mevrouw soms de kam hebben?....
—Wel neen, dat is niet noodig, kwam Maxime tusschenbeide met een ongeduldigen blik op den kellner. Ga maar een rijtuig halen.
Renée besloot eenvoudig de kap van haar domino weer over het hoofd te trekken. En voordat zij zich van den spiegel afwendde, ging zij nog even op haar teenen staan, om de woorden terug te vinden die Maxime’s omhelzing haar belet had te lezen. Met groote, afschuwelijk leelijke letters, die schuins omhoog liepen, stond deze verklaring, door Sylvia onderteekend: “Ik bemin Maxime.” Zij drukte de lippen stijf opeen en trok de kap wat dieper over haar hoofd.
In het rijtuig voelden zij zich vreeselijk verlegen. Zij waren tegenover elkaar gaan zitten, juist zooals zij uit het park Monceau waren gekomen. Zij wisten elkander niets te zeggen. De vigelante was in een dikke duisternis gehuld, en Maxime’s sigaar bracht er zelfs geen flikkerend stipje in. De jonge man die weer onder de rokken bedolven zat, “waarin hij tot over de ooren zat”, voelde zich onaangenaam gestemd door die duisternis, die stilte, die zwijgende vrouw, die hij tegenover zich voelde, en wier wijdgeopende oogen hij zich verbeeldde in het donker te zien staren. Om een minder dwaas figuur te maken, zocht hij haar hand, en toen hij die in de zijne hield, voelde hij zich verlicht, vond hij den toestand dragelijker. Die hand gaf zich gewillig over, slap en droomerig.
De vigelante reed de place de la Madeleine over. Renée bedacht dat zij niet schuldig was. Zij had de bloedschande niet gewild. En hoe meer zij zich zelf onderzocht, hoe onschuldiger zij zich vond, in de eerste uren van haar uitstapje, haar heimelijk vertrek uit het park Monceau, bij Blanche Muller, op den boulevard, zelfs in het kabinet van de restauratie.
Waarom was zij eigenlijk aan den rand van de sofa op de knieën gevallen? Dat wist zij zelf niet meer. Zij had stellig geen oogenblik aan zóó iets gedacht. Zij zou boos geweigerd hebben. Het was uit gekheid, zij maakte pret, niets anders. En in het voortrollen der vigelante vond zij het oorverdoovend orkest van den boulevard terug, dat heen een weer geloop van mannen en vrouwen, terwijl haar vermoeide oogen als vuur brandden.
Maxime werd in zijn hoekje ook door onaangename gedachten gekweld. Hij had spijt over het avontuur. Hij wierp de schuld op den zwarten domino.
Had men een vrouw zich ooit zoo zien toetakelen! Haar hals kreeg men zelfs niet te zien. Hij had haar voor een jongen aangezien, had met haar gestoeid, en het was toch zijn schuld niet, dat het spel ernst was geworden. Hij zou haar stellig niet aangeraakt hebben, als zij maar een stukje van haar schouder had laten zien. Hij zou bedacht hebben, dat zij de vrouw van zijn vader was. En, daar hij niet van onaangename gedachten hield, schonk hij zichzelf vergiffenis. ’t Was nu eenmaal gebeurd, maar hij zou wel zorgen, dat hij er niet weer mee begon. ’t Was een dwaasheid.
De vigelante hield stil en Maxime stapte uit om Renée te helpen. Maar bij het parkdeurtje durfde hij haar geen zoen geven. Zij scheidden met een handdruk, als naar gewoonte. Zij stond al achter het hek, toen zij, om toch iets te zeggen, en daarbij zonder het zelf te willen uiting gevende aan een gedachte die haar al van de restauratie af vervolgde, aan Maxime vroeg:
—Wat beteekent dat toch, die kam, waarvan de kellner sprak?
—Die kam, herhaalde Maxime, verlegen, dat weet ik niet....
Opeens werd haar alles duidelijk. De kam behoorde bij het materiaal van de kamer, evengoed als de gordijnen, de grendel en de sofa. En zonder een uitlegging af te wachten, die toch niet kwam, snelde zij het donkere park Monceau door, alsof zij die schildpadden tanden achter zich zag, waarin Laure d’Aurigny haar blonde en Sylvia haar zwarte haren had achtergelaten. Zij had een hevige koorts. Céleste moest haar te bed brengen en den verderen nacht bij haar waken.
Maxime stond een oogenblik op het trottoir van den boulevard Malesherbes in tweestrijd, of hij het vroolijke troepje in het café Anglais zou opzoeken of naar bed gaan; ten slotte besloot hij bij wijze van straf tot het laatste.
Den volgenden morgen ontwaakte Renée laat, uit een zwaren, droomloozen slaap. Zij liet een flink vuur aanleggen en zei dat zij den heelen dag op haar kamer zou blijven. Dát was haar toevluchtsoord, in haar ernstige uren.
Tegen twaalf uur vroeg haar man, die haar niet aan het ontbijt had zien verschenen, of hij haar een oogenblik kon spreken. Zij was op het punt dat te weigeren, met een zweem van ongerustheid, toen zij zich bedacht. Den vorigen avond had zij Saccard een rekening van Worms ter hand gesteld, die honderd zes en dertig duizend francs bedroeg, een tamelijk hoog bedrag, en nu was hij zeker zoo galant haar de geteekende kwitantie zelf te komen brengen.
Op eens dacht zij aan de krulletjes die zij den vorigen avond in het haar had. Zij keek werktuigelijk in den spiegel naar de dikke vlechten die Céleste gevlochten had. Toen ging zij ineengedoken, als begraven onder de kant van haar morgenjapon, zoo dicht mogelijk bij het vuur zitten. Saccard, wiens kamers zich ook op de eerste verdieping bevonden, tegenover die van zijn vrouw, kwam op zijn pantoffels, als echtgenoot.
Het gebeurde ternauwernood eens in de maand, dat hij een voet in Renée’s kamer zette, en dan was het altijd wegens een geldkwestie. Dien morgen had hij roode oogen, en een bleek gelaat als iemand die den heelen nacht niet geslapen heeft. Hij kuste zijn vrouwtje galant de hand.
—Je bent ziek, lieve? zei hij, aan den anderen hoek van den schoorsteen plaats nemende. Een beetje hoofdpijn, nietwaar?.... Neem me niet kwalijk dat ik je lastig kom vallen over zaken, maar het is een ernstig geval.
Hij haalde uit een zak van zijn kamerjapon de rekening van Worms te voorschijn, die Renée aan het gladde papier herkende.
—Gisteren vond ik die rekening op mijn bureau, ging hij voort, en het spijt me, maar ik kan ze op dit oogenblik onmogelijk voldoen.
Hij bespiedde tersluiks de uitwerking van zijn woorden. Zij scheen ietwat verbaasd. Hij hernam glimlachend:
—Je weet, lieve, dat ik niet gewoon ben je uitgaven na te pluizen. Ik kan niet ontkennen dat zekere bijzonderheden van deze rekening me een beetje verrast hebben. Zoo zie ik bijvoorbeeld hier op de tweede bladzijde: “Baljaponstof, 70 fr.; maakloon 600 fr., geleend geld 5000 fr.; water van Dr. Pierre, 6 fr.” Dat loopt aardig op voor een japon van zeventig francs.... Maar je weet, ik begrijp alle zwakheden. Je rekening bedraagt honderd zesendertigduizend francs, en je bent bijna verstandig geweest, dat is te zeggen, betrekkelijk verstandig.... Maar, ik zeg het je nog eens, ik kan niet betalen, ik zit zelf in verlegenheid.
Zij strekte de hand uit, met een gebaar van ingehouden spijt.
—’t Is goed, zei zij droogweg, geef me de rekening terug. Ik zal raad zien te schaffen.
—Ik zie dat je me niet gelooft, sprak Saccard, zeer gevleid door de ongeloovigheid van zijn vrouw op het punt van zijn geldverlegenheid. Ik zeg niet dat mijn positie bedreigd wordt, maar de zaken gaan op het oogenblik niet al te best. Laat ik je voor ditmaal eens lastig vallen en je den toestand blootleggen; je hebt me je bruidschat toevertrouwd, en ik ben je volkomen openhartigheid schuldig.
Hij lei de rekening op den schoorsteen neer, nam de tang en begon het vuur op te rakelen. Die hebbelijkheid om in de asch te woelen, terwijl hij over zaken sprak, was bij hem uit berekening voortgekomen. Wanneer hij aan een zeker bedrag kwam, aan een gedachte die hij moeielijk onder woorden kon brengen, porde hij duchtig in het brandhout; de verzakking die daardoor ontstond, bracht hij dan heel netjes in orde, door de blokken bij elkaar te schuiven en de verspreide spaanders samen te rapen en op de blokken te stapelen. Soms verdween hij bijna geheel in den schoorsteen, om een glimmend stukje houtskool op te zoeken.
Zijn stem klonk dan doffer, men werd ongeduldig, men begon belang te stellen in zijn knappe opeenstapeling van gloeiende kooltjes, men luisterde niet meer, en gewoonlijk verliet men hem geslagen en tevreden. Zelfs bij anderen maakte hij zich eigendunkelijk meester van de tang. ’s Zomers speelde hij met een pen, een pennemes of een vouwbeen.
—Beste vriendin, zei hij, terwijl hij met een hevigen por het vuur op de vlucht joeg, ik vraag je nogmaals verschooning dat ik in al die bijzonderheden treed.... Ik heb je de rente van de gelden, die je me ter hand hebt, gesteld, stipt uitbetaald. Ik kan zelfs zonder je te kwetsen zeggen, dat ik die rente alleen beschouwd heb als je zakgeld, dat ik je uitgaven betaald heb en nooit van je gevergd heb je aandeel in de gemeenschappelijke kosten van het huishouden te betalen.
Hij zweeg. Renée keek met een pijnlijk hoofd toe, hoe hij een kuil in de asch groef om er een stuk brandhout in te begraven. Hij kwam aan een teere kwestie.
—Je begrijpt wel, dat ik van je geld aanzienlijke intresten heb moeten trekken. De kapitalen zijn in goede handen, wees daar maar gerust op.... En de gelden die je bezittingen in Sologne opbrachten, hebben gedeeltelijk gediend om het huis te betalen, waarin wij wonen; de rest is in een uitstekende zaak gestoken, de Algemeene Maatschappij van de havens van Marokko.... We vragen elkaar nog wel geen rekening en verantwoording, maar ik wil je toch bewijzen dat wij arme mannen dikwijls erg miskend worden.
Het moest wel een krachtig motief zijn, dat hem noopte minder dan gewoonlijk te liegen. In werkelijkheid bestond de bruidschat van Renée sedert lang niet meer; hij was in de kas van Saccard gevloeid, en had daar een fictieve waarde gekregen. Al keerde hij er meer dan twee of driehonderd percent intrest van uit, hij zou toch niet in staat geweest zijn er het kleinste effect van te vertoonen, of ook maar de geringste hoeveelheid specie van het oorspronkelijke kapitaal terug te vinden.
Zooals hij er dan ook half voor uitkwam, had het halve millioen van de bezittingen in Sologne gediend tot afbetaling van den eersten termijn op het hôtel en het ameublement, die samen bijna twee millioen hadden gekost. Hij was nog een millioen aan den behanger en den aannemer schuldig.
—Ik vorder niets van je, zei Renée eindelijk, ik weet dat ik erg bij je in de schuld sta.
—O, lieve, riep hij uit, de hand zijner vrouw grijpende, zonder de tang in den steek te laten, hoe kom je aan die leelijke gedachte!.... Om je in een paar woorden alles te verklaren, luister, ik ben ongelukkig geweest op de Beurs, Toutin-Laroche heeft domheden begaan, Mignon en Charrier zijn vlegels, die me beetgenomen hebben. Daarom kan ik je rekening niet betalen. Je vergeeft het me toch?
Hij scheen werkelijk aangedaan. Hij stak de tang tusschen de houtblokken en deed een vuurwerk van vonken opspatten. Renée herinnerde zich, dat hij er den laatsten tijd ietwat gejaagd had uitgezien. Maar zij kon de verwonderlijke waarheid niet doorgronden.
Saccard was nu zoover gekomen, dat hij dagelijks allerlei kunstgrepen te baat moest nemen. Hij woonde in een huis dat twee millioen gekost had, hij leefde op een voet alsof hij het jaargeld van een prins trok, en op sommige dagen had hij geen duizend francs in kas. Zijn uitgaven schenen niet te verminderen. Hij leefde op krediet, onder een troep schuldeischers die dagelijks de schandalige winsten opstreken, welke hij in zekere zaken maakte.
Terzelfder tijd stortten maatschappijen onder hem ineen, openden zich nieuwe, nog diepere afgronden, waarover hij heen sprong, daar hij geen kans zag ze te dempen. Hij liep dus over een ondermijnden grond, in een gestadige crisis, rekeningen van vijftigduizend francs afdoende en het loon van zijn koetsier niet uitbetalende, steeds voortgaande met een onverstoorbare koelbloedigheid verteringen te maken, nog ijveriger over Parijs zijn leege kas uitstortende, waaruit de gouden stroom met zijn onbekende bronnen voort bleef vloeien.
Het was toen een slechte tijd voor de speculatiën. Saccard was een waardig zoon van het stadhuis. Hij had de snelle gedaanteverwisseling, de koortsachtige zucht naar genietingen, de blinde verkwistingen die Parijs had aangetast, meegemaakt. Op dit oogenblik stond hij, evenals de stad, voor een ontzettend tekort, dat hij heimelijk moest aanvullen; want van verstandige zuinigheid, een kalm burgerlijk leven wilde hij niet hooren. Hij behield liever de onnutte weelde en de werkelijke ellende van die nieuwe wegen waaruit hij zijn kolossaal fortuin geput had, dat ’s morgens aangevuld en ’s avonds weer verteerd was.
Van de eene avontuurlijke speculatie in de andere gaande, had hij nog slechts den vergulden voorgevel van een afwezig kapitaal. In dezen tijd van krankzinnige dwaasheid, zette zelfs Parijs niet zijn toekomst met meer hartstocht op het spel, of ging halsstarriger voort op den weg van dwaasheden en finantiëele bedriegerijen. De likwidatie dreigde verschrikkelijk te zijn.
De mooiste speculatiën liepen mis in de handen van Saccard. Hij had, zooals hij zei, aanzienlijke verliezen aan de Beurs geleden. Mijnheer Toutin-Laroche had bijna het Wijnbouwcrediet doen duikelen in een speculatie op de rijzing, die hem plotseling tegengeloopen was; gelukkig was de regeering in het geheim tusschenbeide gekomen en had de vermaarde hypothecaire leenbank weer overeind geholpen.
Saccard, door die dubbelen schade aan het wankelen gebracht en danig doorgehaald door zijn broer den minister, wegens het gevaar dat de soliditeit der delegatiebons tegelijk met die van het Wijnbouwcrediet geloopen had, was nog minder gelukkig in zijn speculatiën op huizen.
Mignon en Charrier hadden alle betrekkingen met hem afgebroken. Hij beschuldigde hen uit nijdigheid, omdat hij bedrogen was uitgekomen met de huizen die hij op zijn aandeel in de terreinen had laten zetten, terwijl zij, voorzichtiger, het hunne verkochten.
Terwijl zij een fortuin wonnen, bleef hij met huizen zitten, die hij dikwijls met verlies van de hand moest doen. Onder anderen verkocht hij voor driehonderd duizend francs een hôtel in de rue de Marignan, waarop hij nog driehonderd tachtig duizend schuld had.
Hij had er op zijn manier wel wat op gevonden, hij vroeg namelijk tienduizend francs voor een appartement dat hoogstens acht duizend francs waard was; de verschrikte huurder teekende het contract niet eer, voordat de eigenaar er in toegestemd had hem de eerste twee jaren huur vrij te schelden; op die manier was het appartement tot zijn werkelijken prijs teruggebracht, maar het huurcontract wees een bedrag van tienduizend francs per jaar aan, en wanneer Saccard een kooper vond en de jaarlijksche opbrengst van dit huis kapitaliseerde, kwam hij tot een echte zinsbegoochelende berekening.
Dit bedrog kon hij echter niet op groote schaal toepassen, zijn huizen werden niet verhuurd; hij had ze te vroeg gebouwd; de uitgegraven terreinen, die ze wijd en zijd omringden, vormden ’s winters groote modderpoelen, die den toegang bemoeielijkten en ze een groot nadeel deden.
Wat hem echter het meest griefde was de geslepenheid van de heeren Mignon en Charrier, die het hôtel waarvan hij den bouw had moeten staken, op den boulevard Malesherbes, van hem kochten. De aannemers hadden eindelijk het verlangen gekregen op hun boulevard te wonen. Daar zij hun aandeel in de terreinen met winst verkocht hadden, en de lucht kregen van de verlegenheid waarin hun vroegere compagnon verkeerde, boden zij hem aan hem af te helpen van het omheinde gedeelte waarbinnen het hôtel tot de eerste verdieping was opgetrokken, en waarvan de ijzeren binten reeds gelegd waren. Minachtend spraken zij over de stevige grondslagen van gehouwen steen, zij noemden het nutteloos metselwerk en zeiden, dat zij liever den kalen grond gehad hadden, om er naar eigen believen op te bouwen.
Saccard moest tot den verkoop overgaan, zonder rekening te kunnen houden met de ruim honderdduizend francs die hij reeds uitgegeven had, en wat hem nog nijdiger maakte, was dat de aannemers het terrein niet voor tweehonderd vijftig francs den vierkanten meter wilden terugnemen, het bedrag dat bij de verdeeling vastgesteld was. Zij dongen vijf en twintig francs op den meter af, evenals koopvrouwen in toiletartikelen, die niet meer dan vier francs geven voor een voorwerp dat zij een dag te voren voor vijf verkocht hebben. Twee dagen later zag Saccard met leede oogen, hoe een heel leger metselaars de omheinde ruimte binnendrong en voortbouwden op dat “nuttelooze” metselwerk.
Hij speelde zijn rol tegenover Renée des te gemakkelijker, omdat zijn zaken werkelijk in de war geraakten. Hij was er de man niet naar uit pure waarheidsliefde zijn toestand bloot te leggen.
—Maar mijnheer, zei Renée op twijfelenden toon, wanneer ge zoo in geldverlegenheid zit, waarom dan voor mij dat halssnoer en die haarnaald gekocht, die u naar ik meen vijf en zestigduizend francs hebben gekost? Ik heb die sieraden niet noodig, ik zal u moeten vragen of ik ze mag verkoopen om de rekening van Worms gedeeltelijk af te betalen.
—Doe dat toch niet! riep hij verschrikt uit. Als ge morgen niet met die sieraden op het ministersbal verschijnt, zou men praatjes gaan maken over mijn positie....
Hij was dien morgen heel goedig. Hij begon zelfs te glimlachen en met een knipoogje zei hij:
—Lieve vriendin, wij speculanten zijn net als de mooie vrouwtjes, we hebben onze listen.... Houd alsjeblieft het snoer en de naald, om mij een pleizier te doen.
Hij kon haar onmogelijk de ware toedracht van de zaak vertellen, die heel aardig, maar wel een beetje gewaagd was.
Na afloop van een souper hadden Saccard en Laure d’Aurigny een verbond gesloten. Laure zat tot over de ooren in de schulden, haar eenige gedachte was een braven jongen te vinden, die haar wou schaken en naar Londen voeren.
Saccard voelde ook den grond onder zijn voeten wegzinken; in de engte gedreven, zocht hij naar een redmiddel, waardoor hij zich in de oogen van het publiek in goud en bankbiljetten kon baden. In den halven roes van het dessert, kwamen het meisje en de speculant tot een overeenkomst. Hij dacht die verkooping van diamanten uit, die geheel Parijs deed toeloopen, en waarop hij, met veel drukte, sieraden voor zijn vrouw kocht.
Met de opbrengst van de verkooping, ongeveer vierhonderdduizend francs, stelde hij Laure’s schuldeischers tevreden, ofschoon zij hun bijna het dubbele schuldig was. Niet onwaarschijnlijk wist hij zelfs een deel van zijn vijf en zestigduizend francs terug te krijgen. Toen men zag, dat hij den boel van d’Aurigny vereffende, ging hij voor haar minnaar door; men dacht dat hij al haar schulden betaalde, dat hij dwaasheden voor haar beging. Aller handen strekten zich nu naar hem uit, hij kreeg weer krediet, een kolossaal bedrag. En hij werd op de beurs geplaagd, om zijn hartstocht, met glimlachjes en zinspelingen die hem streelden.
Intusschen bracht Laure d’Aurigny, die door al die drukte de aandacht begon te trekken, en bij wie hij geen enkelen nacht doorbracht, een achttal dommeriken in den waan, dat zij Saccard om hunnentwil bedroog.
De gedachte, dat zij de voorkeur kregen boven een schatrijk man, was voor hen het grootste lokaas. Binnen een maand had zij twee volledige stellen meubels en meer diamanten dan zij verkocht had.
Saccard had de gewoonte aangenomen ’s middags na beurstijd zijn sigaar bij haar te komen rooken; dikwijls bespeurde hij dan een slip van een jas, die haastig achter een deur verdween.
Als zij alleen waren konden zij elkander niet zonder lachen aanzien. Hij drukte haar een kus op het voorhoofd, en behandelde haar als een slechte meid, die hem door haar schelmerijen in verrukking bracht. Hij gaf haar geen cent, eens leende zij hem zelfs geld om een speelschuld te betalen. Renée bleef aandringen en wilde de sieraden ten minste verpanden, maar haar man bracht haar aan het verstand dat dit onmogelijk was, dat geheel Parijs verwachtte haar den volgenden dag er mee te zien. De jonge vrouw, die geen raad wist met de rekening van Worms, zocht toen een anderen uitweg.
—Maar, riep zij plotseling, de zaken marcheeren goed in Charonne, niet waar? Onlangs wist ge me nog te vertellen, dat er mooi geld zou verdiend worden.... Misschien wil Larsonneau me de honderd zesendertigduizend francs wel voorschieten?
Een oogenblik had Saccard de tang laten rusten. Hij nam die weer vlug ter hand, bukte, verdween bijna in den schoorsteen, vanwaar de jonge vrouw het zachte antwoord hoorde komen:
—Ja, ja, Larsonneau zou misschien....
Eindelijk kwam zij uit haarzelve op het punt waar hij haar sedert het begin van het gesprek op wenschte te brengen. Al twee jaar lang bereidde hij zijn genialen zet ten opzichte van Charonne voor. In geen geval wilde zijn vrouw de goederen van tante Elisabeth vervreemden, zij had deze plechtig beloofd ze nooit te verkoopen ten einde ze aan haar kind na te laten, als zij moeder werd. Tegenover die stijfhoofdigheid begon de verbeeldingskracht van den speculant te werken en weldra een heel verdichtsel te scheppen.
Hij dacht een kolossaal bedrog uit, waarvan de stad, de staat, zijn vrouw en tot zelfs Larsonneau de slachtoffers moesten worden. Hij sprak niet meer over den verkoop der terreinen, maar hij jammerde iederen dag over de dwaasheid om ze niets op te laten brengen, zich tevreden te stellen met een opbrengst van twee percent.
Renée, die altijd in geldverlegenheid zat, verzoende zich eindelijk met de gedachte van een speculatie. Hij grondde zijn operatie op de zekerheid van een aanstaande onteigening voor het doortrekken van den boulevard du Prince-Eugène, waarvan het ontwerp nog niet nauwkeurig vastgesteld was. Toen bracht hij zijn oude medeplichtige Larsonneau mee, als een compagnon, die met zijn vrouw een overeenkomst sloot op de volgende grondslagen: zij bracht de terreinen aan, ter waarde van vijfhonderdduizend francs; van zijn kant verbond Larsonneau zich op die terreinen voor een gelijke som te bouwen, een café-concertzaal met grooten speeltuin, waarin wippen, schommels, kegel en balspel, enz. De winsten zouden natuurlijk gedeeld worden, even goed als de verliezen. Ingeval een der compagnons zich wenschte terug te trekken, kon hij dat doen met opeisching van zijn aandeel, volgens gedane schatting.