Renée scheen verbaasd over het hooge bedrag van vijfhonderdduizend francs, terwijl de terreinen er hoogstens drie waard waren. Maar hij bracht haar aan het verstand dat het een handige zet was om Larsonneau later de handen te binden, daar zijn gebouwen nooit zoo’n bedrag zouden bereiken.
Larsonneau was een man van de wereld geworden, die nooit zonder handschoenen uitging, onberispelijk wit linnengoed droeg en verbazend mooie dassen. Om zijn zaken na te gaan, had hij een tilbury, zoo fijn als een uurwerk, met hoogen bok, waarop hij zelf mende.
Zijn kantoren in de rue de Rivoli waren een reeks van prachtige vertrekken, waar men niet het minste spoor van kantoorboeken of papieren vond. Zijn klerken schreven op tafels van ingelegd zwartgepolitoerd perenhout, met ornamenten van geciseleerd koper. Hij nam den titel aan van onteigeningsagent, een nieuw beroep dat zijn ontstaan te danken had aan de werken van Parijs. Zijn relatiën met het stadhuis stelden hem in staat den voorgenomen aanleg van nieuwe wegen vooruit te weten.
Wanneer hij zich door een opzichter der wegen op de hoogte had doen brengen welken weg de boulevard zou volgen, ging hij den bedreigden eigenaars zijn diensten aanbieden. Door allerlei middelen wist hij de schadevergoeding te doen verhoogen, voordat er een onteigening ten algemeenen nutte plaats greep. Zoodra een huiseigenaar zijn diensten aanvaardde, nam hij alle kosten voor zijn rekening, maakte een platten grond met de omschrijving van het eigendom, schreef een memorie, volgde de zaak voor de rechtbank, betaalde een advokaat, alles tegen zooveel percent van het verschil tusschen het aanbod der stad en de schadeloosstelling door de jury toegekend.
Maar bij dit baantje, waarvoor hij zich tenminste niet behoefde te schamen, voegde hij verscheidene andere. Hij leende vooral geld uit tegen hoogen intrest. Hij was niet meer de woekeraar van de oude school, haveloos en onzindelijk, met oogen wit en stom als rijksdaalders, en lippen bleek en samengeperst als de koorden eener beurs. Hij glimlachte vriendelijk, was onberispelijk gekleed, en ging bij Brébant dejeuneeren met zijn slachtoffer, dien hij met “Beste jongen” betitelde en havanna’s aan het dessert liet rooken. Met dat al was die elegant gekleede Larsonneau een verschrikkelijk heer, die, zonder iets van zijn vriendelijkheid te verliezen, op de voldoening van een accept zou aangedrongen hebben totdat de schuldenaar zich van kant had gemaakt.
Saccard had liever een anderen compagnon gehad, maar hij was nog altijd ongerust over den valschen inventaris, dien Larsonneau zorgvuldig bewaarde. Hij hoopte nu dat de een of andere omstandigheid hem behulpzaam zou zijn om weer in het bezit van dat gevaarlijke stuk te geraken.
Larsonneau bouwde het café-concert, licht en ondicht, van planken en kalk, met blikken torentjes, waarop hij een laagje roode en gele verf liet leggen.
De speeltuinen namen op in de volkrijke buurt van Charonne. Na verloop van twee jaar scheen de onderneming goed te gaan, ofschoon de winsten in werkelijkheid heel gering waren. Saccard had tot dusver tot zijn vrouw nooit anders dan met geestdrift over de toekomst van zoo’n mooi idee gesproken.
Toen Renée zag dat haar man geen aanstalten maakte om uit den schoorsteen te voorschijn te komen, waar zijn stem hoe langer hoe doffer klonk, zei zij:
—Ik zal Larsonneau vandaag eens gaan opzoeken. ’t Is de eenige uitweg.
Toen liet hij het blok hout los, waarmee hij het te kwaad had.
—Dat is al in orde, lieve, antwoordde hij glimlachend. Voorkom ik niet al uw wenschen?.... Ik heb Larsonneau gisteren avond gesproken.
—En heeft hij je de honderd zes en dertigduizend francs beloofd? vroeg zij, in spanning.
Tusschen de twee brandende blokken stapelde hij een aantal gloeiende kolen op, heel voorzichtig met de tang de kleinste stukjes houtskool aanvattende, en met voldoening ziende hoe het stapeltje, dat hij zoo kunstig opbouwde, steeds hooger werd.
—O, wat draaft ge door!.... klonk het zachtjes. Honderd zes en dertigduizend francs is een groote som.... Larsonneau is een goede jongen, maar zijn kas is nog zoo gevuld niet. Hij is ten volle bereid je te helpen....
Hij sprak langzamer, knipte met de oogen, bouwde weer een deel van het stapeltje op dat ingestort was. Dat spelletje begon de gedachten der jonge vrouw in de war te brengen. Zij volgde onwillekeurig de bezigheid van haar man, die steeds onhandiger werd. Zij begon hem zelfs raad te geven. Niet meer denkende aan Worms, de rekening, haar geldgebrek, zei zij:
—Maar leg dan toch dat groote stuk onderaan, dan houden de anderen van zelf.
Haar man volgde haar raad getrouw op, en sprak onderwijl:
—Hij kan maar vijftigduizend francs vinden. ’t Is altijd wat, op afbetaling.... Maar hij wil de zaak afgescheiden houden van die van Charonne. Hij is maar een tusschenpersoon, dat begrijp je wel. Degeen die het geld leent, vraagt verbazend hoogen intrest. Hij wil een accept van tachtigduizend francs, zes maanden na dato.
En nadat hij een spits stuk houtskool boven op het stapeltje had geplaatst, vouwde hij de handen op de tang samen en keek zijn vrouw strak aan.
—Tachtigduizend francs! riep zij uit, maar dat is diefstal!.... Raadt gij mij zoo’n dwaasheid aan?
—Neen, zei hij beslist. Maar als ge het geld bepaald noodig hebt, verbied ik het je niet.
Hij stond op, alsof hij heen wilde gaan. Maar Renée, in pijnlijke onzekerheid, keek beurtelings naar haar man en naar de rekening, die hij op den schoorsteen had laten liggen. Zij sloeg haar handen tegen haar hoofd en zuchtte:
—Ach, die zaken!.... Mijn hoofd loopt om.... Kom, ik zal dat accept van tachtigduizend francs maar teekenen. Als ik het niet deed, zou ik er heelemaal ziek van worden. Ik weet hoe ik ben, ik zou den heelen dag in een verschrikkelijken tweestrijd zijn.... Ik doe de dwaasheden dan maar liever dadelijk. Dat geeft me verlichting.
En zij zei dat zij zou schellen om zegelpapier te laten halen. Maar hij wilde haar dien dienst zelf bewijzen. Hij had het zegelpapier stellig in zijn zak, want hij bleef hoogstens twee minuten weg. Terwijl zij aan een tafeltje, dat hij dicht bij den haard geschoven had, zat te schrijven, beschouwde hij haar met oogen, die tegelijk verbazing en begeerte uitdrukten.
Het was zeer warm in de kamer, die nog geheel vervuld was met de geuren van het morgentoilet der jonge vrouw. Al pratende had zij de slippen van haar peignoir, waarin zij haar hoofd gewikkeld had, laten afglijden, en de blik van haar man, die voor haar stond, gleed over haar gebogen hoofd, langs haar goudgele haren, heel diep, tot in haar blanken hals en haar borst.
Hij glimlachte zonderling; die vuurgloed die zijn gezicht geblakerd had, die dichte kamer waarin de zwoele lucht een geur van liefde had behouden, die lichtblonde haren en die blanke huid, die hem met een soort van echtelijke minachting tartten, maakten hem nadenkend, deden een heimelijke, wellustige berekening in zijn onbeschaamde schacheraarsnatuur ontstaan.
Toen zijn vrouw hem het accept overreikte, met verzoek de zaak verder af te handelen, nam hij het aan, zonder zijn blikken van haar af te wenden.
—Je bent verrukkelijk mooi,.... fluisterde hij.
En terwijl zij zich voorover boog om de tafel weg te schuiven, kuste hij haar ruw op den hals. Zij stiet een lichten kreet uit. Vervolgens stond zij rillend op, met een poging om te lachen; zij moest denken aan de kussen van den ander, den vorigen avond. Maar hij had al spijt over zijn lompe liefkoozing. Hij verliet haar met een hartelijken handdruk en de belofte, dat zij dien eigen avond de vijftigduizend francs zou hebben.
Renée bleef den heelen dag voor den haard zitten soezen. In moeielijke omstandigheden had zij iets mats, als een creoolsche. Dan veranderde al haar luidruchtigheid in loomheid, kouwelijkheid en slaperigheid. Zij rilde van kou, zij had behoefte aan den gloed van een brandenden haard, een verstikkende hitte die de zweetdruppeltjes op haar voorhoofd deed parelen, die haar in verdooving bracht.
In die brandend heete lucht, in dat bad van vlammen, leed zij bijna niet meer; haar smart werd als een lichte droom, een vage beklemming, maar zoo onbestemd, dat het haar zelfs behagelijk aandeed.
Zoo deed zij tot den avond haar wroeging van den vorigen dag insluimeren, in het roode schijnsel van den haard, vlak voor een verschrikkelijk vuur, dat de meubelen om haar heen deed kraken en haar bijwijlen het bewustzijn van haar bestaan ontnam.
Zij kon denken aan Maxime, als aan een vlammend genot, waarvan de stralen haar brandden; zij had zonderlinge droomen, van liefdegenot te midden van vlammende houtstapels op witgloeiende bedden gesmaakt.
Céleste ging de kamer in en uit, met haar kalme, onverstoorbare dienstbodengezicht. Zij had bevel gekregen niemand binnen te laten; zij zond zelfs de onafscheidelijken weg, Adeline d’Espanet en Suzanne Haffner, die van een ontbijt terugkwamen, dat zij samen gebruikt hadden in een paviljoen dat zij te Saint-Germain gehuurd hadden. Tegen den avond echter kwam Céleste haar meesteres zeggen, dat mevrouw Sidonie, mijnheers zuster, haar wenschte te spreken. Renée gaf bevel haar binnen te laten.
Mevrouw Sidonie kwam gewoonlijk eerst tegen het vallen van den avond. Haar broer had van haar gedaan gekregen, dat zij zijden japonnen droeg. Maar hoe het kwam wist men niet, al kwam de zijde zoo pas uit den winkel, zij scheen nooit nieuw; zij kreukte, verloor haar glans, leek een vod. Zij had er ook in toegestemd haar mand niet bij de Saccards te brengen. Haar zakken daarentegen puilden uit van de papieren. Zij stelde belang in Renée, van wie zij geen redelijke klant kon maken, die berustte in de noodwendigheden des levens. Zij bezocht haar op geregelde tijden, met den bescheiden glimlach van een dokter die den zieke geen schrik wil aanjagen door hem te zeggen wat hij eigenlijk mankeert. Zij sprak met meewarigheid over haar kleine verdrietelijkheden, als over de pijn van kleine kleuters, die zij dadelijk zou genezen, als de jonge vrouw maar wilde.
Deze, die juist behoefte gevoelde om beklaagd te worden, liet haar enkel binnenkomen om haar te zeggen, dat zij ondragelijke hoofdpijn had.
—Zoo, lieve kind, fluisterde mevrouw Sidonie, in de schaduw van de kamer voortglijdende, maar ’t is hier om te stikken!.... Altijd die zenuwhoofdpijnen, nietwaar? Dat is het verdriet. Je vat het leven te zwaar op.
—Ja, ik heb heel veel zorgen, antwoordde Renée op kwijnenden toon.
De avond begon te vallen. Zij had niet willen hebben dat Céleste een lamp aanstak. Het haardvuur alleen wierp een rooden gloed af, die haar geheel verlichtte, zooals zij daar achterover lag in haar witte morgenjapon, waarvan de kant rose werd. In de schaduw zag men slechts een tipje van mevrouw Sidonie’s zwarte japon en haar gevouwen handen, in grijze katoenen handschoenen gestoken. Haar meewarige stem kwam uit de duisternis.
—Alweer geldzorgen! zei zij, alsof zij gezegd had: zielsverdriet, op een toon vol zachtheid en medelijden.
Renée sloeg de oogen neer en maakte een toestemmend gebaar.
—Ach, als mijn broers naar mij wilden luisteren, zouden we allen rijk zijn. Maar zij halen de schouders op, wanneer ik over die schuld van drie milliard spreek, weet je?.... Toch heb ik goede hoop. Ik ben al tien jaar van plan een reis naar Engeland te maken. Ik heb zoo weinig tijd!.... Eindelijk heb ik besloten naar Londen te schrijven, en ik wacht op antwoord.
En daar de jonge vrouw glimlachte, ging zij voort:
—Ik weet dat je ook al ongeloovig bent. Toch zou je heel blij zijn, als ik je een dezer dagen een aardig millioentje cadeau gaf.... De zaak is doodeenvoudig: een Parijsche bankier heeft het geld aan den zoon van den koning van Engeland geleend, en daar de bankier zonder natuurlijken erfgenaam gestorven is, kan de Staat de terugbetaling van de schuld met intrest op intrest eischen. Ik heb het uitgerekend, het is een bedrag van twee milliard negenhonderd drie en veertig millioen tweehonderd tienduizend francs.... Wees daar gerust op, ’t komt stellig los.
—Dan moest je maar alvast, zei de jonge vrouw met een zweem van spot, honderdduizend francs voor me zien te leenen. Ik kon dan mijn kleermaker betalen, die het me heel lastig maakt.
—Honderdduizend francs zijn wel te vinden, antwoordde mevrouw Sidonie kalmpjes. ’t Is maar de vraag wat men er voor over heeft.
Het haardvuur flikkerde op; Renée strekte met nog loomer beweging haar beenen uit, zoodat de punt van haar pantoffels onder den zoom van haar japon te voorschijn kwam. De makelaarster sloeg haar meewarigen toon weer aan.
—Arme lieveling, je bent heusch niet verstandig. Ik ken veel vrouwen, maar ik heb er nooit een gezien die zich zoo weinig om haar gezondheid bekommerde. Daar heb je dat vrouwtje van Michelin, die weet hoe ze het moet aanleggen! Ik moet altijd aan jou denken, als ik haar zoo gelukkig en welvarend zie.—Weet je dat mijnheer de Saffré dol verliefd op haar is en dat hij haar al een kleine tienduizend francs aan cadeautjes heeft gegeven? Ik geloof dat het haar ideaal is, een buitenplaats te bezitten.
Zij geraakte in vuur en zocht naar haar zak.
—Daar heb ik nog een brief van een arm jong vrouwtje. Als we licht hadden, zou ik je hem laten lezen.... Verbeeld je dat haar man heelemaal niets om haar geeft. Zij had accepten geteekend, en was genoodzaakt geld te leenen van een heer dien ik ken. Ik heb met heel veel moeite die accepten uit de klauwen der deurwaarders weten te redden... Die arme kinderen, geloof jij, dat zij kwaad doen? Ik ontvang ze bij mij aan huis, alsof het mijn kinderen waren.
—Ken je een geldschieter? vroeg Renée achteloos.
—Ik ken er wel tien.... Je bent te goed. Wij vrouwen, niet waar, kunnen onder elkaar heel wat dingen bepraten, en omdat je man mijn broer is, zal ik hem heusch niet verontschuldigen, dat hij die gemeene meiden naloopt en een allerliefst vrouwtje zooals jij, in een hoekje van den haard laat verkleumen... Die Laure d’Aurigny kost hem schatten van geld. Het zou me niets verwonderen als hij je geld geweigerd had. Hij heeft het je stellig geweigerd, niet?.... O, wat een slechte man!
Renée luisterde met welbehagen naar die zachte stem, die uit de duisternis kwam, als de onbestemde echo van haar eigen gepeinzen. Met halfgesloten oogleden in haar fauteuil liggend, wist zij niet meer dat mevrouw Sidonie daar was; zij meende te droomen, dat slechte gedachten haar met zoeten aandrang kwamen verlokken. De makelaarster sprak lang achtereen, met een zacht, eentonig geluid.
—Die mevrouw de Lauwerens heeft je leven bedorven. Je hebt me nooit willen gelooven. O, als je mij niet gewantrouwd had, dan zou je nu niet in een hoekje van je haard behoeven te schreien.... En ik hou innig veel van je, schatje. Je hebt een verrukkelijk voetje. Je zult om me lachen, maar ik wil je toch vertellen, hoe dwaas ik ben. Wanneer ik je in geen drie dagen heb gezien, moet ik absoluut naar je toe om je te bewonderen; ja, er ontbreekt mij dan iets; ik voel behoefte me te verzadigen aan je mooie haar, je blanke, fijne gezichtje, je dunne middel.... Heusch, nog nooit heb ik zoo’n toilet gezien.
Renée moest eindelijk glimlachen. Zelfs haar minnaars waren niet zoo warm, zoo opgewonden in hun lof, wanneer zij over haar schoonheid spraken. Mevrouw Sidonie zag dien glimlach.
—Dat is dus afgesproken, zei zij, haastig opstaande.... Ik praat maar steeds door, en ik denk er niet aan, dat ik je hoofdpijn erger maak.... Je komt morgen, niet waar? We zullen over het geld praten, een geldschieter zoeken.... Hoor je, ik wil je gelukkig zien.
De jonge vrouw, die daar onbewegelijk, als versuft door de warmte zat, antwoordde na een kort stilzwijgen, alsof het haar veel inspanning kostte te begrijpen wat men om haar heen zeide:
—Ja, ik zal komen, dat is afgesproken, we zullen er over praten; maar morgen niet.... Worms zal wel tevreden zijn met een gedeelte. Als hij me lastig valt, kunnen we verder zien.... Spreek er maar niet meer over. Mijn hoofd doet me zeer van al die zaken.
Mevrouw Sidonie scheen erg teleurgesteld. Eerst wou ze weer gaan zitten, haar vleiend gepraat hervatten, maar de lustelooze houding van Renée deed haar van plan veranderen; zij besloot haar aanval tot later uit te stellen. Zij haalde uit haar zak een handvol papieren, waarin zij na eenig zoeken, een voorwerp vond, dat in een rose doosje zat.
—Ik was eigenlijk gekomen om je een nieuwe zeep aan te bevelen, zei zij met haar makelaarsstem. Ik stel veel belang in den uitvinder, een alleraardigst jongmensch. De zeep is heel zacht en aangenaam voor de huid. Je zult ze, hoop ik, eens probeeren? En ze aan je vriendinnen aanbevelen?.... Ik zal het hier neerleggen, op den schoorsteen.
Zij was al aan de deur, toen zij nog eens terugkwam, en in den zachtrooden gloed van het haardvuur, met haar wasachtig gezicht, een lofrede begon te houden over een elastieken ceintuur, een uitvinding die ten doel had het corset te vervangen.
—Daar krijg je een keurig rond middeltje in, een echt wespenmiddeltje, zei zij.... Ik heb het uit een faillieten boedel. Als je komt, kan je de verschillende maten eens aanpassen.—Ik ben al de heele week naar allerlei procureurs geweest. Het dossier zit in mijn zak, en ik ga nu naar mijn deurwaarder om een laatste hinderpaal uit den weg te ruimen. Tot ziens, liefje. Je weet dat ik je verwacht en dat ik geen tranen in je mooie oogen wil zien.
Zij sloop de deur uit. Renée hoorde haar niet eens de deur dicht doen.
Zij bleef zitten, voor het kwijnende vuur, haar droom voortzettende, het hoofd vol dansende cijfers, in de verte de stemmen van Saccard en mevrouw Sidonie hoorende, die haar aanzienlijke sommen boden, op den toon van een taxateur die een ameublement bij opbod verkoopt. Zij voelde in haar hals den ruwen kus van haar man, en als zij zich omkeerde vond zij de makelaarster aan haar voeten, met haar zwarte japon, haar week gezicht, hartstochtelijke redevoeringen houdende, haar volmaaktheden prijzende, liefdes-rendez-vous afsmeekende, in de houding van een minnaar wiens geduld nu uitgeput raakt. Daar moest zij om glimlachen.
De warmte werd hoe langer hoe bedwelmender. En de verdooving van de jonge vrouw, de grillige droomen die zij had, waren slechts een lichte, kunstmatige slaap, waarin zij telkens weer de kamer van den boulevard terugzag, met de breede sofa, waar zij op de knieën gevallen was. Zij leed in het geheel niet meer. Wanneer zij de oogleden opsloeg, zag zij Maxime in den rooden gloed van het haardvuur voorbijgaan.
Den volgenden dag was de mooie mevrouw Saccard op het ministerbal uitermate schoon. Worms had de vijftigduizend francs op afrekening aangenomen, zij kwam uit de geldverlegenheid te voorschijn als een pas herstellende zieke, met een vroolijk lachje.
Toen zij de salons doorschreed, in haar rose satijnen japon met langen sleep Louis XIV, met hooge witte kant afgezet, verhief zich een gemompel van bewondering, de mannen verdrongen zich om haar te zien. En de intieme vrienden bogen, met een bescheiden lachje van verstandhouding, hulde brengend aan die mooie schouders, die het geheele officiëele Parijs zoo goed kende, die de steunpilaren waren van het keizerrijk. Zij had zich met zoo’n minachting voor de onbescheiden blikken gedecolleteerd, zij liep zoo kalm en zoo lieftallig in haar naaktheid, dat het bijna niet meer onbetamelijk was.
Eugène Rougon, de groote staatsman, die voelde dat deze ontbloote boezem nog welsprekender was dan zijn stem in de Kamer, zachter en overredender om al het aangename van de tegenwoordige regeering te doen genieten en de twijfelaars te overtuigen, ging zijn schoonzuster een complimentje maken over haar gelukkige stoutmoedigheid om haar keurslijf twee duim dieper te laten uitsnijden.
Bijna het heele Wetgevende lichaam was aanwezig, en de manier waarop de afgevaardigden de jonge vrouw aanzagen, gaf den minister gegronde hoop op een prachtig succès, als den volgenden dag de netelige kwestie van de leeningen der stad Parijs ter tafel zou komen. Het was in zijn oog een onmogelijkheid te stemmen tegen zijn gezag, dat in de vruchtbare aarde der millioenen een bloem liet groeien als deze Renée, een zoo vreemde bloem die op de zinnen werkte, met haar vleesch zoo glanzend als zijde, haar naaktheid als van een beeld, een levend genot dat een zoeten geur van vermaak achter zich naliet.
Maar wat het heele bal deed fluisteren, dat was het halssnoer met de haarnaald. De mannen herkende die sieraden. De vrouwen maakten er elkander opmerkzaam op, ter sluiks met een blik. Er werd den heelen avond over niets anders gesproken. En de salons, schitterend verlicht door de gaskronen, waren gevuld met een flonkerende menigte, als een hoop sterren, die in een te nauwen hoek gevallen zijn.
Tegen één uur verdween Saccard. Hij had van het succès zijner vrouw genoten als een man, die in een handigen toer geslaagd is. Hij had zijn krediet al weer op hechter grondslagen gevestigd. Een dringende zaak riep hem naar Laure d’Aurigny, hij verzocht Maxime Renée na afloop van het bal naar huis te geleiden.
Maxime bracht den avond heel zedig naast Louise de Mareuil door; zij hielden elkander bezig met allerlei kwaad te spreken van de vrouwen die voorbij gingen. En als zij een dwaasheid gevonden hadden, die de reeds opgenoemde nog overtrof, proestten zij het achter hun zakdoek van lachen uit.
Renée moest den jongen man om zijn geleide komen vragen, toen zij de salons wilde verlaten. In het rijtuig was zij opgewonden vroolijk, zij trilde nog van de bedwelming van het licht, de geuren en de drukte om haar heen. Zij scheen de dwaasheid van den boulevard, zooals Maxime het noemde, geheel vergeten te hebben. Zij vroeg hem op zonderlingen toon:
—Ze is dus erg grappig, die kleine gebochelde Louise?
—O, dolgrappig.... antwoordde de jonge man, nog lachend. Je hebt zeker wel de hertogin de Sternich gezien, met een gelen vogel in het haar?.... Verbeeld je, die Louise beweert, dat het een mechanieke vogel is, die klapwiekt en alle uren koekoek! koekoek! tegen den armen hertog roept.
Renée vond deze grap van het vroegwijze juffertje heel komiek. Toen zij thuis gekomen waren en Maxime afscheid wilde nemen, zei zij:
—Kom je niet boven? Céleste heeft zeker een avondmaal klaargemaakt.
Hij ging naar boven, met zijn gewone achteloosheid. Boven gekomen, vonden zij geen maaltijd gereed, en Céleste was naar bed. Renée moest de kaarsen van een driearmigen kandelaar aansteken. Haar hand beefde een beetje.
—Die malle meid heeft me zeker weer verkeerd begrepen.... Ik zie geen kans me heelemaal alleen uit te kleeden.
Zij ging in haar kleedkamer. Maxime volgde haar heel bedaard, alsof hij wat laat bij een vriend gebleven was; hij zocht zijn sigarenkoker al om een havanna op te steken, en was juist van plan haar een nieuwe grap van Louise te vertellen, die hem net te binnen schoot. Maar nauwelijks had zij den kandelaar neergezet, of zij keerde zich om en liet zich zwijgend in de armen van den jongen man vallen, haar mond op den zijnen drukkend.
De particuliere vertrekken van Renée waren een wonder van kokette weelde, een nestje van zijde en kant. Een heel klein boudoir grensde aan de slaapkamer. De beide kamers vormden er samen slechts een, of wel het boudoir was slechts een voorportaal van de kamer, een groote alkoof, met luierstoelen voorzien, zonder deuren, door een dubbele portière afgesloten. Beide kamers waren behangen met vlaskleurige, doffe zijde, met groote bouquetten rozen, witte seringen en boterbloemen. De gordijnen en portières waren van Venetiaansche guipure, op een zijden voering van beurtelings grijze en rose banen.
In de slaapkamer werd de aandacht al dadelijk getrokken door den witmarmeren schoorsteen, een echt pronkstuk; hij was ingelegd met lazuursteen en kostbaar mozaïekwerk, de rozen, witte seringen en boterbloemen van het behangsel weergevende.
Een groot grijs en rosekleurig bed, welks houtwerk geheel onzichtbaar was door de gecapitonneerde stof, en dat met het hoofdeinde tegen den muur stond, vulde de halve kamer met zijn overvloed van draperieën, guipures en met bouquetten gebrocheerde zijden gordijnen, die van de zoldering tot op het tapijt afhingen. Het leek wel een vrouwenkleed, afgerond, uitgesneden, met doffen, strikken en strooken; en dat groote gordijn, dat bol stond, als een vrouwenrok, deed denken aan een groote minnares, die half in onmacht op de kussens neerzinkt. Onder de gordijnen was het een heiligdom, fijn geplooid linnen, sneeuwwitte kant, allerlei fijne doorschijnende zaken, die in een geheimzinnig halfduister verscholen lagen.
Naast het monumentale bed, welks ruimte deed denken aan een kapel, die voor het een of andere feest versierd is, zonken de andere meubelen in het niet; lage stoeltjes, een psyché van twee meter hoogte, meubelen met een menigte laadjes.
Op den grond lag een blauwgrijs tapijt, met bleeke, half ontbladerde rozen bezaaid. En aan weerszijden van het bed, lagen twee groote, zwarte berevachten, met rose fluweel omzoomd en met zilveren klauwen, wier naar het venster gekeerde koppen met glazen oogen in de ledige ruimte staarden.
In die kamer heerschte een zachte harmonie, een gedempte stilte. Geen te scherpe toon, geen weerschijn van metaal of helder blinkend verguldsel, klonk in den droomerigen zang van het rose en het grijs. Het schoorsteengarnituur, de lijst van den spiegel, de pendule, de kandelaartjes, waren van oud sèvres-porcelein, dat ternauwernood het vergulde koper van het montuur deed zien. Dat garnituur was een prachtstuk, vooral de pendule, met haar krans van bolwangige cupido’s, die neerdaalden en zich over de wijzerplaat heen bogen, als een troepje naakte bengels, die spotten met den snellen loop der uren.
Die zachte weelde, die kleuren en voorwerpen, die Renée’s oogen streelden door hun teerheid en vroolijkheid, brachten daar een schemerlicht, het halfduister van een alkoof waarvan men de gordijnen heeft dichtgetrokken. Het scheen alsof het bed zich verlengde, of de geheele kamer één groot bed was, met haar kleeden, haar berevachten, haar gecapitonneerde stoelen, haar gevulde behangsels, die de mollige zachtheid van den grond langs de muren tot aan het plafond voortzetten. En evenals in een bed, liet de jonge vrouw daar op al die zaken den indruk, de warmte, den geur van haar lichaam achter. Wanneer men de dubbele portière van het boudoir openschoof, scheen het als of men een zijden sprei oplichtte, of men in een groot, nog klamwarm bed kwam, waar men op de fijne lakens, de verrukkelijke vormen, den sluimer en de droomen van een dertigjarige Parisienne terugvond.
Een aangrenzende kamer, de garderobe, met oud Perzisch sits behangen, stond rondom vol kasten van rozenhout, waarin een onmogelijk aantal japonnen hingen. Céleste ging heel methodisch te werk; zij rangschikte de japonnen naar anciënniteit, nummerde ze, bracht de rekenkunst te midden der gele of blauwe grillen van haar meesteres, hield de garderobe stemmig als een sacristie en zindelijk als een groote paardenstal. Er stond geen enkel meubelstuk in en geen lapje stof slingerde er over den vloer; de paneelen der kasten blonken, koud en netjes, als de gelakte paneelen van een coupé.
Maar het bewonderenswaardigste van alles, de kamer waarvan geheel Parijs den mond vol had, was de toiletkamer. Men zei: “de toiletkamer van de mooie mevrouw Saccard,” zooals men zei: “De spiegelgalerij te Versailles.” Dit kabinet bevond zich in een van de torentjes van het hôtel, juist boven het goudgele salon. Wanneer men er binnentrad, dacht men aan een groote, ronde tent, een feeëntent, door een verliefde krijgsheldin, midden in haar droomen, opgericht.
In het midden van het plafond hield een geciseleerd zilveren kroon de banen van de tent, die met een bocht naar de muren liepen, vanwaar zij recht tot op den vloer neerdaalden. Die banen, dat rijke behangsel, waren gemaakt van rose zijde, overtrokken met zeer dun neteldoek, met groote plooien op gelijke afstanden; die plooien werden gescheiden door een guipure tusschenzetsel, en kunstig ineengedraaide staafjes liepen van de kroon langs het behangsel, aan weerszijden van ieder tusschenzetsel. Het grijs-rose van de slaapkamer werd hier lichter, een wit-rose, een naakt vleesch. En onder dat priëel van kant, onder die gordijnen die van het heele plafond niets zichtbaar lieten dan een blauwachtige opening in de kroon, waar Chaplin een lachenden Amor geschilderd had, die den pijl tot schieten gereed hield, zou men zich in een prachtige byouteriedoos gewaand hebben, van groote afmetingen, niet meer gemaakt voor den glans van een diamant, maar voor de naaktheid eener vrouw.
Het kleed was sneeuwwit, zonder de minste bloemen. Een spiegelkast, waarvan de twee paneelen met zilver waren ingelegd; een luierstoel, twee poufs, tabouretten van wit satijn, een groote toilettafel met rose marmeren blad, waarvan de pooten onder strooken en neteldoek en guipure verdwenen, meubelden de kamer. Het kristalwerk van de toilettafel, de glazen, de vazen, de waschkom, waren van oud boheemsch glas, rose en wit geaderd. Er was nog een andere tafel, met zilver ingelegd evenals de spiegelkast, waar de toilet-instrumenten lagen, een zonderlinge verzameling, die een aanzienlijk aantal werktuigjes bevatte waarvan men het doel niet begreep, rugkrabbers, vijlen van allerlei grootte en vorm, rechte en gebogen schaartjes, alle soorten van tangetjes en spelden. Ieder van die voorwerpen van zilver en ivoor, droeg Renée’s naamcijfer.
Maar de kamer had een heerlijk hoekje, en dat hoekje vooral maakte er den grootsten roem van uit. Tegenover het venster openden zich de banen der tent en lieten in een lange, ondiepe soort van alkoof een badkuip bespeuren, een kom van rose marmer, diep in den vloer, wier uitgeschulpte randen gelijk met het kleed kwamen. Men daalde langs marmeren treden in de badkuip af. Boven de zilveren kraantjes in den vorm van zwanenhalzen, besloeg een spiegel van Venetiaansch glas, aan de randen ingesneden en zonder lijst, met matte teekeningen in het kristal, de achterzijde van de alkoof.
Iederen morgen nam Renée een bad van enkele minuten. Dat bad vulde den geheelen dag de kamer met een vochtige geur van frisch, nat vleesch. Soms kwam daar nog een scherpere geur bij, wanneer een fleschje ontkurkt was gebleven of een stuk zeep niet was opgeborgen.
De jonge vrouw bleef daar gaarne, bijna geheel naakt, tot twaalf uur. Die rose badkuip, die rose tafels en waschkommen, dat neteldoek van de zoldering en de muren, waaronder men een rosekleurig bloed meende te zien stroomen, nam de rondingen van vleesch, rondingen van schouders en boezems aan; en naar gelang van het invallende daglicht, leek het op de sneeuwwitte huid van een kind of op de warme huid van een vrouw. Het was éen groote naaktheid. Wanneer Renée uit het bad kwam, voegde haar blank lichaam slechts een beetje rose bij al dat rose vleesch van de kamer.
Maxime hielp Renée ontkleeden. Hij had verstand van die dingen, en zijn vlugge vingers rieden waar de spelden zaten, liepen met een aangeboren kennis langs haar taille. Hij maakte haar kapsel los, borg haar diamanten op, en kapte haar voor den nacht. En daar hij bij zijn bezigheden als kamenier grappen en liefkoozingen voegde, lachte Renée, terwijl de zijde van haar keurslijf kraakte en haar rokken een voor een afgleden. Toen zij zich ontkleed zag, blies zij de kaarsen van den kandelaar uit, sloeg haar armen om Maxime en droeg hem bijna in haar slaapkamer. Het bad had haar zinnen geheel bedwelmd.
In haar koortsachtige opwinding dacht zij aan den dag van gisteren, dien zij aan het hoekje van den haard had doorgebracht, dien dag van brandende verdooving, van onbestemde, lachende droomen. Zij hoorde nog de droge stemmen van Saccard en mevrouw Sidonie, die met het neusgeluid van een deurwaarder getallen riepen. Die lui verveelden haar, dreven haar tot de misdaad aan. En zelfs nu, terwijl zij zijn lippen zocht, in dat groote donkere bed, zag zij Maxime nog midden in den gloed van het haardvuur, met gloeiende blikken naar haar kijkend.
De jonge man ging eerst om zes uur heen. Zij gaf hem den sleutel van het poortje, dat in het park Monceau uitkwam, en liet hem plechtig belooven dat hij iederen avond terug zou komen. De toiletkamer stond in verbinding met het gele salon door een dienstbodentrap in den muur, die voor al de kamers in het torentje dienst deed. Uit het salon kwam men gemakkelijk in de serre en van daar in het park.
Toen Maxime met het krieken van den dag, buiten in den dichten mist kwam, was hij nog een beetje verbluft door zijn fortuintje. Hij nam het trouwens aan, met zijn inschikkelijkheid van geslachtloos wezen.
—Ik kan het niet helpen, dacht hij, zij wil het.... Ze is verduiveld mooi gevormd, en ze had gelijk, ze is tweemaal zoo aardig in bed als Sylvia.
Zij hadden de eerste schrede op het hellende vlak, dat naar de bloedschande leidde, reeds gezet toen Maxime in zijn versleten schooljongenskiel Renée om den hals was gevallen en daarbij haar soldatenjas gekreukt had. Van dat oogenblik af was hun omgang een lange weg naar het verderf. De zonderlinge opvoeding die de jonge vrouw aan het kind gaf; de vertrouwelijkheden die hen tot twee kameraads maakten; later, de vroolijke gewaagdheid van hun wederzijdsche bekentenissen; dat voortdurende samenzijn vormde eindelijk een zonderlingen band, waarin de genoegens der vriendschap bijna vleeschelijke voldoeningen werden.
Zij hadden zich al jaren lang aan elkander overgegeven, de uiting van dierlijke drift was slechts de crisis van die onbewuste liefdeziekte. In de dwaze wereld waarin zij leefden, was hun misslag gegroeid als op een vette mest van onreine sappen, hij had zich met een zonderlinge verfijning ontwikkeld, te midden van bijzondere toestanden van zedelooze uitspattingen.
Toen de groote kales hen zachtjes door de lanen van het Bosch reed, en zij elkander onkiesche dingen toefluisterden, uit hun kindsheid de onbetamelijkheden ophalende, die zij instinctmatig deden, was dat reeds een afwijking, een onbewuste bevrediging van hun begeerten. Zij voelden zich eenigermate schuldig, alsof zij elkander aangeraakt hadden; en zelfs die erfzonde, dat wellustige, matte gevoel dat hun onbetamelijke gesprekken teweeg bracht, prikkelde haar nog aangenamer dan werkelijke kussen.
Hun vriendschappelijke omgang werd aldus de langzame gang van twee geliefden, die hen noodzakelijkerwijs eenmaal naar het kabinet van het café Riche en het groote grijs-rose bed van Renée moest leiden. Toen zij zich in elkanders armen bevonden, voelden zij den schok van hun misdaad niet. Zij schenen oude gelieven, die in hun kussen de herinnering aan vroegere liefkoozingen terugvonden. En zij hadden zooveel uren in een nauwe aanraking van hun geheele wezen doorgebracht, dat zij onwillekeurig over dat verleden spraken, dat vol was van hun onbewuste liefdesbetuigingen.
—Weet je nog, dien dag dat ik in Parijs kwam, zei Maxime, droeg je een alleraardigst kostuum; en met mijn vinger trok ik een hoek op je borst, en ik ried je aan je zoo te decolleteeren dat het in een punt uitliep. Ik voelde je huid onder het chemiset, en mijn vinger drukte ze een beetje in..... Dat was een heerlijk gevoel.
Renée lachte, en met een kus fluisterde zij:
—Je was al een echte deugniet.... Wat hadden we een schik met je bij Worms, weet je nog wel? We noemden je “ons mannetje”. Ik heb altijd gedacht dat de dikke Suzanne alles lijdzaam toegelaten zou hebben, als de markiezin haar niet met woedende blikken had nagekeken.
—Ja, ja, we hebben heel wat pret gehad,.... antwoordde de jonge man. Het portretalbum, niet waar? En dan onze tochtjes door Parijs, onze snoeperijen bij den pasteibakker op den boulevard; weet je nog, die aardbezietaartjes, waarvan je zooveel hield?.... Ik vergeet nooit dien middag, waarop je me dat avontuur van Adeline in het klooster vertelde, toen zij brieven schreef aan Suzanne, die zij als man onderteekende: Arthur d’Espanet, en waarin zij haar voorstelde haar te schaken.
De twee gelieven maakten zich nog vroolijk over die aardige geschiedenis, toen ging Maxime met zijn vleiende stem voort:
—Toen je me aan het gymnasium met je rijtuig kwam afhalen, zullen we er wel grappig uitgezien hebben.... Ik verdween onder je rokken, zoo klein was ik.
—Ja, ja, stamelde zij, met een trilling van genot, den jongen man naar zich toetrekkende, dat was heerlijk, zooals je zegt.... We hielden van elkaar zonder het te weten, niet waar? Ik wist het eerder dan jij. Toen we eens uit het bosch terugkwamen, streek ik met mijn voet langs je been, dat gaf me opeens een schok.... Maar jij merkte niets, hè? je dacht niet aan me?
—Ja, zeker, antwoordde hij een beetje verlegen. Maar ik wist niet, begrijp je.... Ik dorst niet.
Dat was een leugen. De gedachte om Renée te bezitten was nooit duidelijk bij hem opgekomen. Hij had haar met al zijn verdorvenheid aangeroerd, zonder haar werkelijk te begeeren. Hij had te weinig wilskracht voor die poging. Hij nam Renée omdat zij zich aan hem opdroeg, en omdat hij in haar bed gleed, zonder het te willen, zonder het te voorzien. Toen hij er in gerold was, bleef hij er, omdat het er warm was, en omdat hij in alle gaten bleef, waar hij in viel. In den beginne werd zijn eigenliefde zelfs gestreeld. Het was de eerste getrouwde vrouw die hij bezat. Hij dacht er niet aan, dat de echtgenoot zijn vader was.
Maar Renée legde in haar misdaad al den gloed van een verdorven hart. Zij was ook op de helling afgegleden, met dit verschil, dat zij niet als een krachtelooze klomp vleesch tot het einde toe gerold was. De begeerte was te laat in haar ontwaakt om ze nog te bestrijden, toen de val onvermijdelijk werd. Die val verscheen haar plotseling, als een noodzakelijk gevolg van haar verveling, als een zeldzaam, hoogst genot, dat alleen in staat was haar verzadigde zinnen, haar gewond hart te doen herleven.
Gedurende dien herfstrit, in het schemerdonker, toen het Bosch insluimerde, kwam de gedachte aan de bloedschande onbestemd bij haar op, als een kitteling die haar een onbekende rilling over de huid liet gaan, en ’s avonds, in den halven roes van het diner, onder den prikkel der jaloerschheid, nam die gedachte duidelijker vormen aan, verhief zich in gloeiende trekken voor haar, te midden der brandendwarme serre, tegenover Maxime en Louise.
Toen wilde zij dat kwaad, dat kwaad dat niemand bedrijft, dat haar ledig bestaan zou opvullen en haar eindelijk in die hel zou brengen, waarvoor zij nog altijd dezelfde vrees had, als toen zij nog een klein meisje was.
Den volgenden morgen wilde zij weer niet meer, onder een vreemde gewaarwording van wroeging en afgematheid. Het leek haar toe of zij reeds gezondigd had, dat het niet zoo heerlijk was als zij gedacht had, dat het toch eigenlijk al te schandelijk was.
De crisis moest noodzakelijk komen, uit zichzelve komen, buiten die twee wezens om, die kameraads die voorbestemd waren zich op een avond te vergissen, zich te paren, terwijl zij dachten elkander de hand te drukken. Maar na dien dwazen val, begon zij weer te mijmeren over een naamloos genoegen, en toen nam zij Maxime weer in haar armen, benieuwd naar hem, benieuwd naar de wreede genietingen van een liefde, die zij als een misdaad beschouwde. Haar wil aanvaardde de bloedschande, eischte ze, was voornemens er ten einde toe van te genieten, tot aan de wroeging, zoo die ooit kwam.
Zij was de handelende, zelfbewuste persoon. Zij beminde met de vervoering van een dame der groote wereld, de ongeruste vooroordeelen eener burgervrouw, met al den strijd, de vreugde en de walging van een vrouw die onder gaat in een minachting voor zichzelve.
Maxime kwam iederen nacht terug. Hij kwam door den tuin, tegen éen uur. Meestal wachtte Renée hem in de serre, die hij moest doorgaan om in het kleine salon te komen. Zij waren overigens uiterst onbeschaamd, zij verborgen zich ternauwernood en vergaten de gewoonste voorzorgen van overspeligen. Het is waar, dat dit hoekje van het huis hun geheel toebehoorde. Baptiste, de kamerdienaar van den echtgenoot, had alleen het recht daar door te dringen, en Baptiste, altijd even deftig, verdween zoodra zijn diensten niet meer noodig waren. Maxime beweerde zelfs lachend, dat hij zich afzonderde om zijn gedenkschriften te schrijven.
Op een avond, toen Maxime juist binnengekomen was, maakte Renée hem er door een blik opmerkzaam op hoe plechtstatig Baptiste door het salon liep, met een blaker in de hand. De groote kamerdienaar, met zijn ministershouding, in het gele licht der waskaars, zette dien avond een strenger, deftiger gezicht dan gewoonlijk. Zich vooroverbuigende, zagen de gelieven hem de kaars uitblazen en zich naar de stallen begeven, waar de paarden en de palfreniers sliepen.
—Hij doet de ronde, zei Maxime.
Renée huiverde onwillekeurig. Baptiste maakte haar altijd ongerust. Zij beweerde soms dat hij de eenige rechtschapen man uit het heele huis was, met zijn koelheid, zijn heldere blikken, die nooit op de schouders der vrouwen bleven rusten. Zij begonnen toen een beetje voorzichtiger te worden. Zij sloten de deuren van het kleine salon en konden zóó rustig genieten van het salon, de serre en de vertrekken van Renée. Dat was een heele wereld. Zij genoten er de eerste maanden de meest verfijnde, de gezochtste genietingen. Zij brachten hun liefde van het groote grijs-roode bed in de slaapkamer naar de rose en witte naaktheid van de toiletkamer en naar de symphonie in geel mineur van het kleine salon over. Iedere kamer, met haar bijzonderen geur, haar behangsel, haar eigen leven, gaf hun een andere teederheid, maakte van Renée een andere minnares: zij was delicaat en lief in haar deftig, gecapitonneerd bed, in die aristocratische kamer, waarin de liefde een zweem van goeden smaak kreeg; onder de vleeschkleurige tent, te midden der geuren en de vochtige lucht van de badkuip, vertoonde zij zich als een grillig, zinnelijk meisje, zich overgevende bij het verlaten van het bad, en zoo had Maxime haar het liefst; en beneden, in den helderen zonsopgang van het kleine salon, te midden van dat morgenlicht dat haar haren goudgeel deed schijnen, werd zij een godin, met haar blonde Diana-hoofd, haar bloote armen die kuische houdingen aannamen, haar zuivergevormd lichaam, dat op de causeuses edele lijnen van een antieke bevalligheid vertoonde.
Maar er was één plaats waarvoor Maxime bijna bang was, waar Renée hem slechts heenbracht in haar booze dagen, wanneer zij behoefte had aan een scherper prikkeling. Dan beminden zij in de serre. Daar genoten zij de bloedschande.
Op zekeren nacht, in een van die buien, had de jonge vrouw verlangd dat haar minnaar een van de zwarte berenhuiden ging halen. Toen waren zij op dien inktkleurigen pels gaan liggen, aan den rand van de waterkom, in het groote ronde gangpad.
Buiten vroor het geducht, bij een helderen maneschijn. Maxime was rillend teruggekomen, met bevroren ooren en vingers. De serre was zoo gloeiend warm, dat hij op de berenhuid zijn bewustzijn verloor. De overgang van de scherpe koude in de hitte van de serre was zoo groot, dat hij een stekende pijn voelde, alsof hij met roeden geslagen werd.
Toen hij weer bijkwam, zag hij Renée, voorovergebogen op de knieën liggen, met starende oogen, een dierlijke houding die hem vrees aanjoeg. Met hangende haren en ontbloote schouders, leunde zij op haar vuisten, met uitgerekten hals, als een groote kat met glimmende oogen. Op den rug liggende, zag de jonge man boven de schouders van dat mooie verliefde dier dat hem aankeek, dien marmeren sphinx, wiens glinsterende dijen door de maan beschenen werden.
Renée had de houding en den glimlach van dat monster met zijn vrouwenhoofd; met haar losgemaakte rokken, scheen zij de witte zuster van dien zwarten god. Maxime bleef lusteloos. De warmte was verstikkend, een drukkende warmte, die niet als een regen van vuur uit de lucht neerdaalde, maar die langs den grond bleef hangen, als een ongezonde uitwaseming, waarvan een nevel opsteeg, als een onweerzwangere wolk. Een warme vochtigheid bedekte de gelieven met een dauw van zweetdroppels.
Geruimen tijd bleven zij onbewegelijk en zwijgend in dat bad van heete lucht, Maxime krachteloos ter aarde, Renée trillend op haar polsen als op buigzame, gespierde kniegewrichten. Door de ruitjes van de serre zag men een stukje van het park Monceau, boomgroepen met hun zwarte, kale takken, grasperken wit als bevroren meren, een geheel dood landschap, waarvan de effen, heldere tinten aan een Japansche gravure deden denken. En dat plekje brandend heete aarde, dat gloeiend bed waarop de gelieven zich uitstrekten, vertoonde een zonderlinge bruising te midden van die stille, koude eenzaamheid.
Het was een nacht van dollen hartstocht. Renée was de man, de vurige, handelende wil; Maxime de lijdende. Dat geslachtlooze wezen, die knappe blonde jongen die al sinds zijn kinderjaren in zijn manbaarheid gekwetst was, werd in de armen van die nieuwsgierige jonge vrouw een groot meisje, met zijn gladde ledematen, zijn bevallige tengerheid als van een romeinschen knaap. Hij scheen geboren en opgegroeid voor een ontaarding van den wellust.
Renée vond genot in haar overheersching, zij boog dat schepsel, wiens geslacht nog altijd weifelde, onder haar hartstocht. Hij was voor haar een voortdurende verbazing, een verrassende prikkeling der zinnen; hij gaf haar een zonderling gevoel van onbehagelijkheid en van sterk genot. Zij wist niet meer wat zij er van denken moest; met een gevoel van twijfel kwam zij telkens weer terug naar zijn fijne huid, zijn gevulden hals, zijn gewillige overgave en zijn bezwijmingen. Dat gaf haar eindelijk een volheid van genot. Maxime, die nieuwe aandoeningen in haar opwekte, vulde haar opzienwekkende toiletten, haar verbazende weelde, haar buitensporige levenswijs aan. Hij schonk haar die overmaat van wellust, die zij onbewust begeerd had. Hij was de minnaar, die bij de dwaasheden van dien tijd paste.
Die knappe jongeman, wiens tengere vormen door zijn kleeding heen uitkwamen, dat mislukte meisje, dat op de boulevards rondwandelde, het haar in het midden gescheiden, met een fatterig lachje, werd in de handen van Renée een van die verslimmeringen van ontucht, die op zekere tijden, in een verrotte maatschappij, het vleesch uitputten en den geest krank maken.
In de serre vooral was Renée de man. De hartstochtelijke nacht, dien zij daar doorbrachten, werd door verscheidene andere gevolgd. De serre beminde, gloeide met hen mee. In de zwoele lucht, bij het zilverwitte schijnsel der maan, zagen zij de zonderlinge plantenwereld die hen omringde, zich verward bewegen, omhelzingen wisselen. De berenhuid besloeg het geheele pad.
Aan hun voeten dampte de waterkom, waar het krioelde van dicht ineengeslingerde wortels, terwijl de zachtroode ster der nymphea’s zich aan de oppervlakte opende, als het keurslijf eener maagd, en de tornelia’s haar luchtwortels lieten hangen, als het haar van onmachtige Nereïden.
Rondom hen verhieven de palmen, de groote Indische bamboes hun toppen tot aan het boogvormige dak, waar zij zich voorover bogen en hun bladeren dooreen mengden, met de wankelende houding van vermoeide gelieven. Meer omlaag waren de varens, de pteriden en alsophila’s, als groene dames, met haar breede rokken met regelmatige strooken gegarneerd, die zwijgend en onbewegelijk aan de kanten van het pad op den geliefde wachtten. Daarnaast vormden de roodgevlekte, omgekrulde bladeren der begonia’s, en de lansvormige witte bladeren der Caladiums een reeks van kneuzingen en witte plekken, waaraan de gelieven geen naam wisten te geven, waarin zij soms de rondingen van heupen en knieën meenden te zien, onder ruwe, bloedige liefkoozingen ter aarde geworpen. En de bananen, die bogen onder hun vruchtentrossen, spraken hun van de vruchtbaarheid der vette aarde, terwijl de Abyssinische euphorbia’s, wier stekelige kaarsen zij in de schemering ontwaarden, wanstaltig en vol stekelige bulten, hun toeschenen den overvloed van levenssappen uit te zweeten.
Maar naarmate hun blikken dieper in de hoeken der serre doordrongen, vulde de duisternis zich met een woester ongebondenheid van bladeren en stengels; zij konden de fluweelzachte maranta’s, de gloxinia’s met haar paarse kelken, de dracaena’s die op de planken stonden, niet meer onderscheiden; het was een kring van levende planten, die elkander met onverzadelijke liefkoozingen achtervolgden. In de vier hoeken, waar de dichte gordijnen der slingerplanten priëelen afscheidden, waren de buigzame loten der vanillestruiken, Levantsche bessen, quisquallen en bauhinia’s de eindelooze armen van onzichtbare verliefden, die hun omhelzing wijd uitstrekten, om al die verspreide genietingen te omvatten. Die eindelooze armen hingen vermoeid neer, strengelden zich krampachtig ineen, zochten elkander, slingerden zich ineen, als om zich te paren. Het was de ontzaglijke paring der serre, van dat stukje maagdelijk woud, waarin de tropische gewassen zoo welig groeiden.
Maxime en Renée voelden zich meegesleept door dien machtigen bruiloft der aarde.
Door de berenhuid heen brandde de grond hen in den rug, en van de hooge palmen drupte de warmte op hen neer. Het sap dat in de planten opsteeg, drong ook in hen door, gaf hun een razende begeerte naar onmiddellijken wasdom, naar reusachtige voortbrenging. Zij werden ook bevangen door de geslachtsdrift der serre.
In het bleeke maanlicht werd hun geest beneveld, kregen zij vizioenen en kwade droomen, waarin zij getuigen waren van het mingenot der palmen en der varens; de bladeren kregen vage, dubbelzinnige vormen, waarin hun begeerten wellustige beelden meenden te zien; uit de boschjes kwamen murmelende, fluisterende geluiden; kwijnende stemmen, zuchten van verrukking, onderdrukte kreten van pijn, verwijderd gelach, al wat hun eigen kussen verklapt hadden en de echo naar hen terugzond. Soms dachten zij dat de grond onder hen trilde, alsof de aarde zelve, in de crisis der verzadiging, in wellustige snikken was uitgebarsten.
Ook al hadden zij de oogen gesloten, al hadden de verstikkende warmte en het bleeke licht hun geest niet verbasterd, dan zouden toch de geuren voldoende zijn geweest om een buitengewone prikkeling op hun zenuwen uit te oefenen. De waterkom verspreidde een vochtigen, scherpen geur, waarin alle geuren der planten en gewassen vermengd waren. Nu en dan zong de vanille met het gekir van een houtduif; dan kwamen de ruwe tonen der stanhopea’s wier gestreepte monden de sterke, scherpe lucht van herstellende zieken uitademden. De orchideeën, in haar bloemkorven aan ijzeren kettinkjes, verspreidden haar uitwaseming als levende wierookvaten.
Maar de geur die boven alles merkbaar was, de geur waarin al die vage zuchten samensmolten, was een menschengeur, een geur van liefde, dien Maxime herkende als hij Renée’s hals kuste, als hij zijn hoofd in haar losse haren begroef. En zij bleven bedwelmd door dien geur van een minnende vrouw die in de serre bleef hangen, als in een alkoof, waar de aarde vruchten voortbracht.
Gewoonlijk legden de gelieven zich neder onder de tanghinia van Madagascar, onder dien vergiftigen struik, waarvan de jonge vrouw een blad in den mond had genomen. De witschemerende gestalten der beelden in het rond lachten, bij het zien van de enorme paring der gewassen. De stijgende maan verplaatste de groepen, bezielde het tooneel met haar veranderend licht.
En zij waanden zich duizend mijlen van Parijs verwijderd, ver van dat alledaagsche leven van het Bosch en de officiëele salons, in een hoekje van een Indisch woud, van een monsterachtigen tempel, waarvan de zwartmarmeren sphinx de god werd. Zij voelden zich afglijden naar de misdaad, naar de vervloekte liefde, naar een mingenot van wilde dieren. Die voortwoekering die hen overal omringde, dat verwarde gewemel in de kom, die onkuische naaktheid der bladeren, dat alles wierp hen in de Dantische hel van den hartstocht.
In die glazen kooi, waar het gistte en bruiste in een zomersche hitte, in de felle koude der Decembermaand, smaakten zij de bloedschande, als de misdadige vrucht van een sterk verwarmde aarde, met een stille, onuitgesproken vrees voor hun schrikaanjagende ligplaats.
En midden op de zwarte huid vertoonde zich het blanke lichaam van Renée, als een neergehurkte groote kat, met uitgestrekten hals en gespannen polsspieren, als buigzame, gespierde kniegewrichten. Zij was opgezwollen van wellust, en de heldere lijnen van haar schouders en lendenen, staken met eene katachtige scherpte af tegen de inktvlek die het vacht op het gele zand van het gangpad wierp.
Zij beloerde Maxime, die prooi die onder haar lag, die zich overgaf, dien zij geheel bezat. En van tijd tot tijd boog zij zich plotseling neer, en kuste hem onstuimig. Dan opende haar mond zich met den begeerigen, bloedigen glans van den Chineeschen hibiscus, wiens overvloed van groen de geheele muurvlakte besloeg. Zij was niets meer dan een gloeiende dochter der serre. Haar kussen bloeiden en verwelkten, als de roode bloemen van de groote malve, die hoogstens enkele uren duren, en die telkens weer opnieuw verschijnen, als de gekneusde, onverzadelijke lippen van een reusachtige Messalina.