De kus, dien Saccard zijn vrouw op den hals had gedrukt, bleef hem nog lang in de gedachte. Het was al een heele poos geleden, dat hij van zijn rechten als echtgenoot gebruik had gemaakt; de breuk was gaandeweg ontstaan, geen van beiden was gesteld op een band, die hen hinderde. Wanneer hij de slaapkamer van Renée binnentrad, moest die echtelijke teederheid als inleiding voor het een of ander voordeelig zaakje dienst doen.

De speculatie van Charonne ging goed; toch maakte hij zich nog altijd ongerust over den afloop. Larsonneau, met zijn schitterend wit linnengoed, lachte soms op een manier, die hem niet aanstond. Hij was niets meer dan een tusschenpersoon, een naamleener, dien hij voor zijn diensten betaalde met een tiende gedeelte van de te behalen winsten. Maar ofschoon de onteigeningsagent geen stuiver in de zaak gestoken had en Saccard, na het verstrekken van de benoodigde fondsen voor het caféconcert, alle mogelijke voorzorgen genomen had, voelde hij toch een duistere vrees, had hij een voorgevoel van de een of andere verraderlijke streek. Hij begreep dat zijn medeplichtige van plan was hem geld af te persen met dien valschen inventaris, dien hij zoo zorgvuldig bewaarde, waaraan hij het dan ook alleen te danken had, dat hij in deze zaak betrokken werd. De twee handlangers drukten elkander dan ook hartelijk de hand.

Larsonneau noemde Saccard: waarde meester. In den grond van zijn hart gevoelde hij een groote bewondering voor dien acrobaat, wiens oefeningen op het gespannen koord der speculatie hij met den blik van liefhebber volgde. Het denkbeeld om hem te bedotten streelde hem als een buitengewoon, pikant genot. Hij overwoog reeds een plannetje, maar hij wist nog niet welk gebruik hij van het wapen zou maken dat hij in zijn bezit had, waarmee hij vreesde zichzelf te zullen kwetsen. Hij voelde zich bovendien aan de genade van zijn oud-collega overgeleverd. De terreinen en de gebouwen, die volgens slim opgemaakte berekeningen reeds op bijna twee millioen geschat werden, en die nog niet het vierde deel van die som waard waren, moesten ten slotte in een kolossaal failliet verzwolgen worden, indien de goede fee der onteigening ze niet met haar gouden staafje aanraakte.

Volgens de oorspronkelijke plannen die zij hadden kunnen raadplegen, zou de nieuwe boulevard, aangelegd om het artilleriepark van Vincennes met de Prince-Eugène-kazerne te verbinden en dit park in het hartje van Parijs te brengen, een deel van de terreinen wegnemen; maar de mogelijkheid bestond ook dat er slechts een klein hoekje van noodig was, en dat de vernuftige speculatie van het café-concert door haar onvoorzichtigheid zelve mislukken zou. In dat geval zou Larsonneau in een neteligen toestand geraken.

Dat gevaar belette echter niet, dat het hem, ondanks de ondergeschikte rol die hij noodzakelijkerwijs speelde, zeer verdroot dat hij slechts tien percent zou krijgen van een zoo kolossalen millioenen-diefstal. Bij die gedachte jeukten hem de vingers, om zich ook een deel daarvan toe te eigenen.

Saccard had zelfs niet gewild, dat hij geld aan zijn vrouw zou leenen, daar hij er zelf vermaak in vond den draad van dit melodrama, waarin zijn voorliefde voor ingewikkelde zaken behagen schiep, in de hand te houden.

—Neen, neen, vriendlief, zei hij met zijn provençaalsch accent, dat hij nog overdreef als hij een grap wilde kruiden, laten we onze rekeningen niet in de war brengen.... Jij bent de eenige man in Parijs aan wien ik gezworen heb nooit iets schuldig te willen zijn.

Larsonneau gaf hem bedektelijk te verstaan, dat zijn vrouw vreeselijk verkwistend was. Hij ried hem aan haar geen cent meer te geven, dan zou zij hun onmiddellijk haar aandeel afstaan. Hij had liever met Saccard alleen te doen. Hij polste hem soms en ging hij zelfs zoo ver, met zijn matte, onverschillige doordraaiersmanieren te zeggen:

—Ik moet toch een beetje orde in mijn papieren brengen.... Je vrouw maakt me bang, mijn waarde. Ik zou niet graag willen dat zekere stukken bij me thuis verzegeld werden.

Saccard was er de man niet naar dergelijke toespelingen geduldig te verdragen, vooral niet daar hij wist welk een voorbeeldige, angstvallige orde er op het kantoor van het heerschap heerschte. Zijn heele slimme, bedrijvige persoontje kwam in opstand tegen de vrees, die de groote, opgeschikte woekeraar met zijn gele handschoenen hem wilde aanjagen. Het ergste was, dat hij beefde van angst bij de gedachte aan een mogelijk schandaal; hij zag zich al meedoogenloos door zijn broer verstooten, in België van het een of andere geringe beroep leven. Eens werd hij zoo boos, dat hij onbewimpeld voor de zaak uitkwam.

—Hoor eens, vriendje, zei hij, je bent een aardige jongen, maar je zou verstandig doen als je me dat stuk, je weet wel, teruggaf. Je zal zien dat we nog ongenoegen krijgen door dat vod.

De ander hield zich verbaasd, drukte zijn “waarden meester” de handen en gaf hem de verzekering van zijn toewijding. Saccard had spijt over zijn driftige opwelling. Het was juist omtrent dezen tijd, dat hij ernstig over een toenadering met zijn vrouw dacht; hij kon haar noodig hebben tegen zijn handlanger en hij bedacht bovendien dat het oorkussen zich uitstekend leent tot het behandelen van zaken. De zoen in den hals bracht hem op het idee van een geheel nieuwe taktiek.

Hij had trouwens geen haast, hij ging zuinig om met zijn middelen. Hij liet den heelen winter voorbij gaan om zijn plan tot rijpheid te brengen; zijn aandacht werd overigens in beslag genomen door honderderlei zaken, de een al ingewikkelder dan de andere. Het was voor hem een verschrikkelijke winter, vol schokken, een verbazende veldtocht, waarin hij dagelijks een failliet moest overwinnen. In plaats van zijn huishoudelijke uitgaven te bekrimpen, gaf hij het eene feest na het andere. Maar terwijl hij er in slaagde aan alle moeielijkheden het hoofd te bieden, moest hij Renée verwaarloozen; hij bewaarde haar voor zijn laatsten zet; als de operatie van Charonne rijp zou zijn. Hij stelde zich tevreden met de ontknooping voor te bereiden, door haar geen geld meer te geven dan door tusschenkomst van Larsonneau. Wanneer hij over een paar duizend francs kon beschikken en zij haar nood klaagde, bracht hij ze haar met de opmerking, dat de mannen van Larsonneau een schuldbekentenis van het dubbele bedrag eischten.

Dit komediespel amuseerde hem kostelijk, dat voorwendsel van die schuldbekentenissen bracht hem in verrukking door het romantische tintje dat zij aan de zaak gaven. Zelfs in den tijd van zijn grootste verdiensten had hij het jaargeld van zijn vrouw heel ongeregeld uitbetaald; nu eens gaf hij haar vorstelijke geschenken of een handvol bankbiljetten, dan liet hij haar weer weken lang op een kleinigheid wachten.

Nu hij werkelijk in verlegenheid zat, sprak hij over de kosten van de huishouding, en behandelde haar als een schuldeischer, wien men zijn ondergang niet wil bekennen en dien men door allerlei verzinsels tracht te paaien. Zij luisterde nauwelijks naar hem; zij teekende alles wat hij haar voorlegde en klaagde alleen maar, dat zij niet meer kon teekenen.

Hij had intusschen reeds voor tweehonderdduizend francs aan schuldbekentenissen van haar, die hem ternauwernood honderdtienduizend francs kostten. Nadat hij ze door Larsonneau, op wiens naam ze gesteld waren, had laten endosseeren, gaf hij die schuldbekentenissen op een voorzichtige manier af met de bedoeling ze later als een wapen te gebruiken. Hij zou nooit in staat geweest zijn dien verschrikkelijken winter door te komen, geld met woekerwinst aan zijn vrouw te leenen en zijn huishouden op zoo’n weelderigen voet ingericht te houden, als hij zijn terrein aan den boulevard Malesherbes niet aan de heeren Mignon en Charrier verkocht had, tegen contante betaling, maar met een verbazend hooge korting.

Die winter was voor Renée een lang genot. Haar eenige verdriet was haar geldgebrek. Maxime kostte haar veel geld; hij behandelde haar altijd als stiefmama, overal waar het op betalen aankwam. Maar dit verborgen verdriet verhoogde nog haar genot. Zij peinsde op allerlei middelen, om het “haar lieven jongen” aan niets te laten ontbreken, en als zij haar man had weten over te halen haar een paar duizend francs te bezorgen, bracht zij ze met haar minnaar in allerlei kostbare dwaasheden door, als twee scholieren die hun eerste uitstapje maken.

Wanneer hun geld op was, bleven zij thuis en genoten van dat groote, nieuwe gebouw, met zijn dwaze, onbeschaamde weelde. De vader was er nooit. De gelieven bleven meer in het hoekje van den haard dan vroeger. Renée had eindelijk de ijzige leegte van die vergulde plafonds met een warm genot vervuld. Dat verdachte huis van wereldsch vermaak was een kapel geworden, waarin zij op eigen hand een nieuwen godsdienst beoefende.

Maxime was niet alleen de gewenschte afleiding, hij was de minnaar die paste bij dat hôtel met zijn spiegelruiten zoo groot als die van een magazijn, dat van den kelder tot den zolder met beeldhouwwerk overladen was; hij bracht leven in dat pleisterwerk, van de twee bolwangige Amors die op de binnenplaats een waterstraal uit hun schelp lieten vallen, tot op de groote naakte vrouwengestalten, die de balcons ondersteunden en midden op de frontons met halmen en appelen speelden; door hem werd haar de bestemming duidelijk van de te rijke vestibule, den te bekrompen tuin, de schitterend gemeubileerde kamers, waar men te veel gemakstoelen en geen enkel voorwerp van kunst vond.

De jonge vrouw, die zich daar doodelijk verveeld had, vermaakte zich daar eensklaps, deed alsof zij nu pas het gebruik er van leerde kennen. En zij bracht haar liefde niet alleen in haar eigen vertrekken, in het gele salon en in de serre, maar in het geheele hôtel. Zij begon het zelfs prettig te vinden op de sofa van de rookkamer; zij bleef daar soms zitten en zei, dat zij de tabakslucht in die kamer heel aangenaam vond.

Zij hield nu twee receptiedagen in plaats van een. Donderdags kwamen allerlei kennissen, maar de Maandagavond was alleen voor de intieme vriendinnen bestemd. Mannen werden niet toegelaten. Maxime alleen woonde die partijtjes in het klein salon bij. Op een avond kwam Renée op de wonderlijke gedachte hem als vrouw te verkleeden en als een van haar nichtjes voor te stellen. Adeline, Suzanne, barones de Meinhold en de andere vriendinnen die aanwezig waren, stonden op en groetten met een verwonderden blik dat gezichtje, dat zij meenden te kennen. Toen zij het begrepen, lachten zij hartelijk en wilden volstrekt niet dat de jonge man zich zou ontkleeden. Zij hielden hem bij zich met zijn rokken aan, plaagden hem en leenden zich tot allerlei dubbelzinnige aardigheden.

Toen hij de dames door de voordeur uitgelaten had, ging hij het park om en kwam door de serre terug. De goede vriendinnen hadden niet den minsten argwaan. De gelieven konden niet vertrouwelijker met elkander zijn dan zij al waren, toen zij als kameraads met elkaar omgingen. En als een bediende soms zag, dat zij elkander wat al te innig omhelsden, verbaasde hem dat volstrekt niet, gewoon als hij was aan de aardigheden van mevrouw en mijnheer’s zoon.

Die onbeperkte vrijheid, die straffeloosheid maakte hen nog stoutmoediger. Al grendelden zij ’s nachts de deur, overdag zoenden ze elkander in alle kamers van het hôtel. Zij verzonnen allerlei spelletjes op regenachtige dagen. Maar het grootste genot vond Renée er in, een groot vuur aan te leggen en zich vakerig in den gloed te koesteren.

Zij spreidde dien winter een bijzondere weelde in haar linnengoed ten toon. Zij droeg ontzettend dure hemden en peignoirs, waarvan de kanten tusschenzetsels en het batist haar nauwelijks met een witte wolk bedekten. En in den rooden gloed van het haardvuur zat zij daar, als naakt, de kant en de huid rose gekleurd door de vlammen, die door de dunne stof heen haar vleesch verwarmden.

Maxime, aan haar voeten neergehurkt, kuste haar op de knieën, zonder zelfs het linnen te voelen, dat de warmte en de kleur van dat heerlijk schoone lichaam had. Het daglicht viel als een schemering in de kamer van grijze zijde, terwijl Céleste met haar kalmen tred achter hen heen en weer ging. Zij was hun medeplichtige geworden als iets dat vanzelf sprak. Op een morgen vond zij ze samen in bed, zonder iets van haar ijskoude dienstboden-kalmte te verliezen. Ze ontzagen zich niet meer voor haar, zij kwam op alle uren van den dag binnen, zonder dat het geluid van hun kussen haar het hoofd deed omwenden. Ze rekenden er op, dat zij hen bij het minste onraad zou waarschuwen. Ze kochten haar stilzwijgen niet; het was een zuinig, oppassend meisje, dat er geen minnaar op nahield, voor zoover men wist.

Intusschen leidde Renée geen kloosterleven. Zij ging veel in gezelschappen en voerde Maxime in haar gevolg mee, als een blonde page in het zwart; zij genoot nu zelfs meer dan vroeger. Het seizoen was voor haar éen lange triomf. Nog nooit was haar verbeeldingskracht zoo vindingrijk geweest in het uitdenken van toiletten en kapsels. Bij deze gelegenheid waagde zij die fameuze struikkleurige satijnen japon te dragen, waarop een heele hertenjacht was geborduurd, met de daarbij behoorende attributen, kruithorens, jachthorens, messen met breede lemmeten. Toen bracht zij ook de antieke kapsels in de mode, die Maxime voor haar moest nateekenen in het pas geopende museum Campana.

Zij begon er jonger uit te zien, ze was nu in de volheid van haar woelige schoonheid. De bloedschande bracht een gloed in haar, die haar oogen deed glanzen en haar lach voller en warmer deed klinken. Haar binocle getuigde van grooten overmoed, op den top van haar neus, en zij keek de andere vrouwen, haar goede vriendinnen, die praalden met afschuwelijke ondeugden, met het voorkomen van een snoever en een glimlach aan, alsof ze zeggen wou: “Ik heb mijn misdaad.”

Maxime vond die gezelschappen allervervelendst. Hij vond het “chic” te beweren dat hij zich daar verveelde, want eigenlijk amuseerde hij zich nergens. Op de Tuileriën, bij de ministers, overal verdween hij in Renée’s rokken. Maar zoodra het zekere uitstapjes gold, was hij weer nummer één. Renée wenschte het kabinet op den boulevard nog eens te zien, en de breede sofa deed haar glimlachen. Verder bracht hij haar zoowat overal heen, bij de lichte meisjes, naar het Opera-bal, de avant-scènes van kleine theaters, naar alle verdachte plaatsen waar zij in het genot van hun incognito de onbeschaamde ondeugd van nabij konden gadeslaan.

Wanneer zij heimelijk in het hôtel terugkeerden, vielen zij doodmoe in elkanders armen in slaap, den roes van het ontuchtig Parijs uitslapend, terwijl de brokstukken van dartele liedjes hun nog in de ooren gonsden. Den volgenden dag bootste Maxime de acteurs na en Renée trachtte aan de piano van het kleine salon de schorre stem en de losse heupbewegingen van Blanche Muller, in haar rol van la Belle Hélène, na te volgen. De muzieklessen, die zij in het klooster gekregen had, dienden haar nog slechts om de coupletten der nieuwste kluchten te verknoeien. Zij had een afschuw van ernstige liederen. Maxime deelde haar minachting voor de duitsche muziek, en hij meende verplicht te zijn de Tannhäuser uit te fluiten, uit overtuiging, en ook om de dartele liedjes van zijn stiefmoeder te verdedigen.

Een van de grootste genoegens was het schaatsenrijden; dat was dien winter bijzonder in de mode, omdat de keizer een der eersten was geweest die den vijver in het Bois de Bologne geprobeerd had. Renée bestelde bij Worms een compleet Poolsch costuum, van fluweel met bont; Maxime moest slappe laarzen en een muts van vossenbont hebben.

Zij kwamen in het Bosch, bij een vinnige kou die hun neus en ooren prikkelde, alsof de wind hun fijn zand in het gezicht geblazen had. Dat gevoel van kou vonden zij prettig. Het Bosch was geheel grijs, met smalle strookjes sneeuw, die langs de takken op fijne guipure geleken. En onder den bleeken hemel, boven den doffen, bevroren vijver vertoonden alleen de denneboomen van het eiland, aan den rand van den horizon, hun theatrale draperieën, waarin de sneeuw ook lange kantwerken vlocht.

Zij gleden pijlsnel voort in de ijzige lucht, als zwaluwen die in haar snelle vlucht den grond schijnen aan te raken. Eene hand op den rug en de andere op elkanders schouders, reden zij rechtop, met een glimlach op de lippen, zij aan zij, de baan op en af, in de wijde ruimte die door dubbele touwen afgebakend was. Boven in de groote laan, stonden de toeschouwers hen aan te gapen. Nu en dan kwamen zij zich warmen aan de gloeiende vuurpotten aan den kant. En dan reden zij weer voort. Zij sloegen flink uit, met breede slagen, terwijl hun oogen traanden van genot en van kou.

Toen de lente kwam, dacht Renée aan haar oude idylle. Zij verlangde dat Maxime bij maneschijn een wandeling met haar in het park Monceau zou doen. Zij gingen in de grot en vlijden zich neer op het gras, voor de zuilengang. Maar toen zij haar verlangen te kennen gaf een poosje rond te roeien op den vijver, bemerkten zij dat de boot die men van uit het hôtel aan het einde eener laan vastgelegd zag, geen riemen bevatte. Die haalde men zeker ’s avonds weg. Dat was een ontgoocheling. Bovendien voelden de gelieven zich niet op hun gemak in die donkere gedeelten van het park. Zij zouden graag gezien hebben dat er een venetiaansch feest gegeven werd, met roode ballons en een muziektent. Zij zagen het liever overdag, op den middag, en dan gingen zij dikwijls aan het raam staan, om de équipages te zien, die de mooie bocht van de groote laan omreden. Zij hadden schik in dat bekoorlijke hoekje van het moderne Parijs, in die liefelijke, nette natuur, die grasperken als banen fluweel, met bloemkorven en uitgelezen heesters bezet, en met prachtige witte rozen omzoomd.

De rijtuigen kruisten elkander daar even talrijk als op de boulevards, de wandelaarsters lieten haar japonnen slepen, alsof zij nog op de tapijten van haar salons liepen. En door het gebladerte heen, critiseerden zij de toiletten, maakten zij elkander opmerkzaam op de mooie paarden, werd hun oog aangenaam gestreeld door de zachte kleuren van dien grooten tuin. Hier en daar schitterde een puntje van het vergulde hek tusschen de boomen, eenden zwommen achter elkander in den vijver voorbij, het nieuwe bruggetje in renaissance-stijl stak wit af tegen het groen, terwijl moeders, op gele stoelen aan weerszijden van de groote laan, al pratende de jongens en meisjes vergaten, die elkaar lief aankeken, hun gezicht vertrekkende als vroegwijze kinderen.

De gelieven hielden van het nieuwe Parijs. Dikwijls reden zij de stad door, of maakten een omweg om sommige boulevards over te rijden, waarvoor zij een persoonlijke voorkeur voelden. Opgetogen staarden zij naar die hooge huizen met hun groote gebeeldhouwde deuren, met balcons er boven, waar uithangborden of de namen der firma’s met groote gouden letters schitterden.

Onder het rijden volgde hun blik met welgevallen de grijze randen van de trottoirs, breed en eindeloos, met hun banken, hun bontkleurige zuilen, hun spichtige boomen. Die heldere opening, die tot aan den horizon doorliep, zich steeds vernauwende om ten slotte uit te loopen in het blauwend verschiet, die onafgebroken dubbele reeks van groote magazijnen, waar de bedienden glimlachend de klanten hielpen, die bedrijvige, gonzende menschenmenigte, dat alles gaf hun langzamerhand een gevoel van volkomen bevrediging.

Zij schepten zelfs behagen in de waterstralen der sproeispuiten, die zich als een witte rook voor hun paarden uitspreidden, als een fijne regen onder de wielen van het rijtuig neervielen, waar zij den grond glanzig maakten en lichte stofwolkjes deden opstuiven.

Zij reden voort langs dien rechten, eindeloozen weg, zacht als een tapijt, dien men alleen had aangelegd om hun de donkere steegjes te besparen. Iedere boulevard werd een toegangsweg naar hun hôtel.

De zon scheen lachend op de nieuwe gevels, deed de vensters schitteren, straalde op de schermen der winkels en koffiehuizen en verwarmde het asphalt onder de haastige schreden der menigte. En als zij thuis kwamen, met een vermoeid hoofd van al dat geroezemoes, vermeiden zij zich in het park Monceau, dat als een smal tuinbed om een bloemstuk, het nieuwe Parijs, paste, en nu zijn weelde ten toon spreidde in de eerste zoele lentedagen.

Door de mode gedwongen Parijs te verlaten, gingen zij naar een zeebad, tegen hun zin in en aan het zeestrand nog denkende aan de trottoirs van de boulevards. Hun liefde zelfs begon daar te kwijnen. Het was een kasbloem, die behoefte had aan het groote grijs en rose bed, de vleeschkleurige kleedkamer, het gouden morgenlicht van het kleine salon.

Sedert zij ’s avonds alleen waren, tegenover de zee, hadden zij elkander niets meer te zeggen. Zij probeerde haar liedjes van het théâtre des Variétés te zingen bij een oude piano, die in een hoekje van de kamer stond te zieltogen; maar de zeewinden hadden het instrument zoo vochtig gemaakt, dat het niets dan naargeestige geluiden voortbracht. La Belle Hélène klonk er spookachtig somber op.

Om zich te troosten, bracht de jonge vrouw de badgasten in verbazing door haar opzichtige toiletten. Al die dames wachtten daar geeuwend den winter af, wanhopige pogingen doende om een badkostuum te vinden dat haar niet al te leelijk maakte.

Geen enkele maal kon Renée Maxime overhalen, een bad te nemen. Hij was doodsbang voor het water, hij werd al bleek als de opkomende vloed zijn laarzen nat maakte, en hij zou zich voor geen geld ter wereld aan den rand van een steilen oever gewaagd hebben; hij ontweek de kuilen en maakte lange omwegen om een eenigszins steile kust te vermijden.

Saccard kwam een enkelen keer naar de kinderen kijken. Hij zat diep in de zorgen, zei hij.

Eerst tegen October, toen zij alle drie weer in Parijs bijeen waren, dacht hij ernstig over een toenadering na. De zaak van Charonne werd nu rijp. Zijn onbeschaamd plan stond hem klaar voor den geest. Hij wilde Renée met hetzelfde spelletje vangen, dat hij met een lichtekooi gespeeld zou hebben. Haar behoeften werden steeds grooter, en uit een gevoel van trots, deed zij eerst in den uitersten nood een beroep op haar man. Deze nam zich voor om van haar eerste verzoek gebruik te maken om galant te zijn en in haar vreugde over de betaling van een groote schuld betrekkingen, sedert lang verbroken, opnieuw aan te knoopen.

Vreeselijke moeielijkheden wachtten Renée en Maxime te Parijs. Verscheidene schuldbekentenissen aan Larsonneau waren vervallen; maar daar Saccard ze natuurlijk onder de berusting van den deurwaarder liet, bekommerde de jonge vrouw zich daar weinig om. Zij stond heel wat meer angst uit om haar schuld bij Worms, die nu tot bijna tweehonderdduizend francs gestegen was. De kleermaker vorderde een gedeeltelijke afbetaling, met de bedreiging dat hij niets meer op krediet zou leveren. Zij werd huiverig bij de gedachte aan het schandaal van een proces, en vooral aan een conflict met den beroemden kleermaker. Dan had zij ook zakgeld noodig. Zij zouden zich doodelijk vervelen, zij en Maxime, als zij niet dagelijks een paar tientjes te verteren hadden.

Die arme jongen zat op zwart zaad, sinds hij tevergeefs de laadjes van zijn vader doorsnuffelde. Zijn trouw en voorbeeldig gedrag gedurende de laatste zeven of acht maanden, stond in nauw verband met de ledigheid van zijn beurs. Hij had niet altijd twintig francs om de een of andere straatloopster te soupeeren te vragen. Hij ging dan ook maar kalmpjes naar huis.

Bij hun uitstapjes gaf de jonge vrouw hem haar beurs, als hij moest betalen in de restauraties, op de bals of in de kleine theaters. Zij behandelde hem nog altijd moederlijk, en bij den pasteibakker, waar zij bijna iederen middag oesterpasteitjes gingen eten, nam zij met haar gehandschoende vingers het geld zelf uit haar beurs. Dikwijls vond hij ’s morgens met blijde verrassing een paar goudstukken in zijn vestzakje, die zij er in gestopt had, als een moeder die den zak van een schooljongen vult.

En dat heerlijke leventje van allerhande pretjes zou een einde moeten nemen! Maar zij werden nog door een ernstiger vrees beangst. Sylvia’s juwelier, aan wien Maxime tienduizend francs schuldig was, begon boos te worden en sprak er al van hem te laten gijzelen, naar Clichy te laten brengen. Op de wissels, die hij in handen had, waren zooveel protestkosten gekomen, dat de schuld met drie of vierduizend francs vermeerderd was.

Saccard verklaarde beslist dat hij hem niet helpen kon. Als zijn zoon in Clichy zat, zou dat de aandacht op hem vestigen, en als hij hem loskocht, zou die vaderlijke mildheid druk besproken worden.

Renée was wanhopig, ze zag haar lieven jongen in de gevangenis, maar dan in een vunzig hok, op vochtig stroo liggend. Op een avond deed zij hem in allen ernst het voorstel haar kamer niet meer te verlaten, er buiten iemands weten te blijven wonen, om tegen de handlangers van den deurwaarder beveiligd te zijn. Dan bezwoer zij weer dat zij het geld zou vinden. Zij sprak geen enkele maal over de oorzaak van de schuld, over die Sylvia, die haar liefde aan de spiegels van de restauratiekamers toevertrouwde.

Zij had zoowat vijftigduizend francs noodig: vijftien duizend voor Maxime, dertig duizend voor Worms en vijf duizend francs zakgeld. Daar konden zij twee volle weken gelukkig mee zijn. Zij toog dus aan het werk.

Haar eerste gedachte was, de vijftigduizend francs aan haar man te vragen. Dat besluit nam zij slechts met tegenzin. De laatste malen dat hij haar kamer binnengetreden was om haar geld te brengen, had hij haar opnieuw in den hals gekust, terwijl hij haar handen in de zijne genomen en lieve woordjes gezegd had. Vrouwen hebben een fijn gevoel om de oogmerken der mannen in zulke zaken te raden. Zij hield zich dan ook voorbereid op een eisch van zijn kant, een stilzwijgende voorwaarde, die glimlachend bedongen en toegestaan wordt. Toen zij hem dan ook de vijftig duizend francs vroeg, opperde hij veel bezwaren; hij zei dat Larsonneau die som nooit zou leenen, dat hij zelf nog te slecht bij kas was. Daarop van toon veranderende, alsof hij door een plotselinge aandoening werd bevangen:

—Ik kan je niets weigeren, fluisterde hij. Ik zal de heele stad afloopen, mijn uiterste best doen. Ik wil je tevreden zien, lieve.

En zijn mond bij haar oor buigende, kuste hij haar haren, en zei met trillende stem:

—Ik zal ze je morgen avond brengen, op je kamer.... zonder schuldbekentenis. Maar zij haastte zich te zeggen dat er geen haast bij was, dat zij hem dien last niet wilde bezorgen. Saccard, die zijn heele hart in dat gevaarlijke “zonder schuldbekentenis” gelegd had, dat hem tot zijn spijt uit den mond gevallen was, deed net alsof hij niet bemerkte dat hij een onaangename weigering had gekregen. Hij stond op en zei:

—Nu dan, zooals je wilt.... Ik zal het geld voor je zien te krijgen als het oogenblik gunstig is. Larsonneau heeft er niets mee te maken, begrijp je. Ik wil het je cadeau doen.

Hij glimlachte goedig. Zij bleef in een wanhopige stemming alleen. Zij gevoelde dat zij het beetje zielsrust dat zij overhad zou verliezen, als zij zich aan haar man overgaf. Haar laatste trots stelde zij er in met den vader getrouwd, maar alleen de vrouw van den zoon te zijn. Wanneer Maxime haar wat koel toescheen, trachtte zij dikwijls hem dien toestand met duidelijke toespelingen aan het verstand te brengen; maar de jonge man, dien zij verwacht had na die mededeeling voor haar te zien neerknielen, bleef volmaakt onverschillig; hij dacht zeker dat zij hem wilde geruststellen over de mogelijkheid van een ontmoeting tusschen hem en zijn vader, in de kamer van grijze zijde.

Zoodra Saccard heengegaan was, kleedde zij zich haastig aan en liet inspannen. Onderwijl zij in haar coupé naar l'île Saint-Louis reed, bedacht zij op welke wijze zij haar vader om de vijftigduizend francs zou vragen. Zij ging op dit plotseling opgekomen denkbeeld door, zonder het voor en tegen te overwegen; in haar binnenste voelde zij zich den moed ontzinken, schrikte zij terug voor een dergelijken stap.

Toen zij er aankwam, voelde zij zich beklemd door de ijzige koude van de binnenplaats met haar doodsche, kloosterachtige vochtigheid; de lust bekroop haar weer terug te keeren, terwijl zij de breede steenen trap opging, waarop haar kleine laarsjes met hooge hakken hard weerklonken. In haar haast was zij zoo dwaas geweest een zijden kostuum te kiezen met lange strooken van witte kant, versierd met satijnen strikken; de ceintuur was geplooid als een sjerp. Dat toilet, waarbij zij een toque met groote witte voile had opgezet, vormde zoo’n zonderling contrast met de doodsche eentonigheid van de trap, dat zij zelf begreep welk een vreemde figuur zij maakte. Zij beefde toen zij de groote, stijve kamers doorging, waar de halfverbleekte personen op de behangsels verbaasd schenen over dien vloed van rokken, die daar hun halfduistere eenzaamheid door ruischten.

Zij vond haar vader in een salon dat op de binnenplaats uitzag, waar hij gewoonlijk verblijf hield. Hij zat te lezen in een groot boek, dat op een lezenaar ter hoogte van de armen van zijn leuningstoel lag. Voor een der vensters zat tante Elisabeth op lange houten pennen te breien; de stilte van de kamer werd alleen verstoord door het getiktak dier pennen.

Renée ging verlegen zitten, zij kon zich niet verroeren of ze verstoorde den ernst, die in de hooge kamer heerschte, door het ritselen van haar zijden kostuum. Haar witte kanten vormden een schelle tegenstelling met het zwarte fond van de stoffeering en de oude meubelen.

Mijnheer Béraud du Châtel liet de handen op den rand van den lessenaar rusten en keek haar aan. Tante Elisabeth sprak over het aanstaande huwelijk van Christine, die met den zoon van een schatrijken procureur ging trouwen; het meisje was met een oude dienstbode uit om naar een leverancier te gaan; en de goede tante praatte heel alleen, op haar kalmen toon, zonder haar breiwerk in den steek te laten, over huishoudelijke zaken, terwijl zij Renée boven haar bril uit glimlachend aanzag.

Maar de jonge vrouw geraakte hoe langer hoe meer in verwarring. De stilte van het hôtel drukte haar neer, en zij had er veel voor over gehad als haar kanten zwart geweest waren. De blik van haar vader bracht haar zoo van streek, dat zij het bespottelijk vond dat Worms zulke groote strikken had uitgedacht.

—Wat zie je er mooi uit, kindlief! zei eensklaps tante Elisabeth, die nog niet eens op de strooken van haar nicht gelet had.

Zij liet haar breinaalden rusten, schoof haar bril recht, om beter te kunnen zien. Mijnheer Béraud du Châtel glimlachte effen.

—’t Is een beetje wit, zei hij. ’t Moet lastig loopen zijn met zoo’n kostuum op straat.

—Maar vader, men gaat niet te voet uit! riep Renée uit, die aanstonds spijt had over die openhartigheid.

De grijsaard wilde antwoorden, maar hij stond op, richtte zich in zijn volle lengte op en begon langzaam heen en weer te loopen, zonder zijn dochter verder aan te zien.

Deze bleef bleek van aandoening. Telkens als zij zichzelve moed insprak en een aanloopje zocht om over het geld te beginnen, voelde zij een steek in haar hart.

—We zien u niet meer, vader, zei zij zachtjes.

—O, antwoordde de tante, zonder haar broer den tijd te laten om den mond te openen, je vader gaat haast niet uit, een enkelen keer eens naar den Plantentuin. En dan moet ik hem er nog toe aansporen! Hij beweert dat hij verdwaald raakt in Parijs, dat de stad niet meer voor hem geschikt is.... Beknor hem maar eens goed!

—Mijn man zou het zoo prettig vinden als u van tijd tot tijd eens op onze Donderdagen kwam, ging de jonge vrouw voort.

Mijnheer Béraud du Châtel zette zwijgend zijn wandeling voort. Toen zei hij op kalmen toon:

—Je moet je man bedanken. ’t Schijnt een ijverig mensch te zijn en ik hoop voor jou dat hij eerlijke zaken drijft. Maar wij hebben niet dezelfde ideeën, en ik voel me niet op mijn gemak in je mooie huis in het park Monceau.

Tante Elisabeth scheen niet voldaan met dit antwoord.

—Wat zijn de mannen toch akelig met hun politiek, zei zij opgeruimd. Wil je de waarheid weten? Je vader is woedend op jelui omdat je naar de Tuilerieën gaat.

Maar de grijsaard haalde de schouders op, als om te kennen te geven dat zijn ontevredenheid uit ernstiger oorzaken voortkwam. Hij hervatte zijn wandeling met een nadenkend gezicht. Renée zweeg een oogenblik stil, terwijl de vraag om de vijftigduizend francs haar op de lippen brandde. Toen overviel haar weer dat lafhartige gevoel, zij omhelsde haar vader en ging heen.

Tante Elisabeth wilde haar tot aan de trap vergezellen. Terwijl zij de kamers doorgingen, praatte zij met haar oude vrouwenstemmetje voort:

—Je bent gelukkig, lief kind. Het doet me genoegen je zoo mooi en welvarend te zien, want als je huwelijk eens verkeerd was uitgevallen, dan zou ik mezelve de schuld gegeven hebben, weet je.... Je man houdt toch van je, je hebt toch immers alles wat je noodig hebt, niet waar?

—Welzeker, antwoordde Renée, die trachtte te glimlachen, ofschoon haar hart brak.

Haar tante hield haar nog even terug, terwijl zij de hand al op de leuning had.

—Zie je, ik ben maar voor één ding bang, en dat is dat je geluk je te zorgeloos maakt. Wees voorzichtig, en verkoop vooral niets.... Als je eens een kind mocht krijgen, dan zou je er een klein fortuin voor gereed hebben liggen.

Toen Renée in haar coupé zat, slaakte zij een zucht van verlichting. De koude zweetdruppels stonden haar op het voorhoofd; zij veegde ze af, en dacht aan de ijzige vochtigheid van het hôtel Béraud. Maar toen de coupé langs de zonnige kade St. Paul reed, dacht zij weer aan de vijftigduizend francs, en al haar verdriet kwam weer terug. Wat was zij lafhartig geweest, zij die voor stoutmoedig doorging. En toch gold het hier Maxime, zijn vrijheid, hun beider vreugde! En te midden van de bittere verwijtingen die zij zich zelf deed, kwam er plotseling een gedachte in haar op, die haar wanhoop ten top voerde: zij had over de vijftigduizend francs moeten spreken met haar tante Elisabeth, op de trap. Waar had zij haar gedachten toch gehad? De goede vrouw zou haar misschien de som geleend hebben, of haar ten minste geholpen hebben. Zij boog zich al voorover om haar koetsier te bevelen naar de rue Saint-Louis en l’Ile terug te keeren, toen de gestalte van haar vader haar weer voor den geest kwam, zooals hij daar langzaam in het plechtige halfduister van het groote salon op een neer liep. Zij zou nooit den moed vinden om die kamer weer binnen te gaan. Wat moest zij zeggen om dat tweede bezoek te verklaren? En eigenlijk gezegd had zij nog niet eens moed genoeg om met tante Elisabeth over die zaak te spreken. Zij beval haar koetsier dan ook haar naar de rue du Faubourg-Poisonnière te rijden.

Mevrouw Sidonie uitte een kreet van blijde verrassing, toen zij haar door de winkeldeur zag binnenkomen. Zij was daar toevallig nog, maar zij stond op het punt naar den kantonrechter te gaan, waar zij een cliënte dagvaardde. Maar zij zou niet verschijnen, een anderen dag gaan; ze was veel te blij dat haar schoonzuster zoo lief was haar eindelijk eens te bezoeken.

Renée glimlachte, een beetje verlegen. Mevrouw Sidonie wilde volstrekt niet dat zij beneden zou blijven; zij moest mee naar boven, langs de kleine trap, nadat de koperen kruk van de winkeldeur was afgenomen. Wel twintigmaal op een dag werd die kruk, die slechts met een spijker vast zat, van de deur genomen.

—Ziezoo, lieveling, zei zij, terwijl ze Renée een luierstoel toeschoof, nu kunnen we een gezellig praatje houden.... Verbeeld je, dat treft ook toevallig dat je komt. Ik zou juist van avond naar jou toe gekomen zijn.

Renée, die de kamer kende, kreeg er het onaangename gevoel, dat een wandelaar ondervindt die in een geliefde streek een groep boomen geveld ziet.

—Zoo, zei zij eindelijk, je hebt het bed een andere plaats gegeven, niet waar?

—Ja, antwoordde de koopvrouw in kanten bedaard, een van mijn klanten vindt dat het beter tegenover den schoorsteen staat. Ze heeft me ook aangeraden roode gordijnen te nemen.

—Dat dacht ik ook al, de gordijnen hadden een andere kleur.... Erg algemeen, dat rood. Zij nam haar binocle en bekeek de kamer, die de weelde van een hôtel garni vertoonde. Op den schoorsteen zag zij lange haarspelden, die zeker niet van den dunnen chignon van mevrouw Sidonie afkomstig waren. Op de plaats, waar het bed vroeger stond, was het behang afgeschaafd, verkleurd en vuil geworden door de matrassen. De makelaarster had wel getracht die plek te verbergen achter de ruggen van twee leuningstoelen, maar die ruggen waren wat laag, en Renée’s oog bleef rusten op die afgesleten streep.

—Had je me iets te vertellen? vroeg zij eindelijk.

—Ja, dat is een heele geschiedenis, zei Mevrouw Sidonie, de handen vouwende, met het gezicht van een smulster die gaat opnoemen wat zij gegeten heeft. Verbeeld je dat mijnheer Saffré op de mooie mevrouw Saccard verliefd is.... Ja, op jou, lieveling.

Zij maakte zelfs geen beweging van koketterie.

—Och kom, zei zij, en je zei dat hij zoo ingenomen was met mevrouw Michelin.

—O, dat is heelemaal uit.... Ik kan je er het bewijs van leveren, als je daarop staat.... je weet dus niet dat de kleine Michelin in den smaak van baron Gouraud is gevallen? ’t Is onbegrijpelijk. Ieder die den baron kent, staat er verbaasd over.... En weet je dat ze bezig is het Legioen van eer voor haar man te krijgen?.... Nu, dat is een flinke. Zij durft,.... zij heeft niemand noodig om haar zaakjes op te knappen.

Zij zei dat met een spijtige bewondering.

—Maar om op mijnheer Saffré terug te komen. Hij moet je ontmoet hebben op een tooneelspelers-bal, heelemaal onkenbaar in een domino, en hij beschuldigt zich zelfs dat hij je een beetje al te vrij te soupeeren heeft gevraagd.... is dat waar?

De jonge vrouw keek verrast op.

—Volkomen waar, beaamde ze; maar wie heeft hem verteld....?

—Hij beweert dat hij je later herkende, toen je niet meer in het salon was, en dat hij je aan den arm van Maxime heeft zien weggaan.... Sinds dien tijd is hij smoorlijk op je verliefd. Hij is bij me geweest om me te smeeken, of hij je zijn excuses mocht maken.

—Welnu, zeg hem dat ik het hem vergeef, viel Renée haar achteloos in de rede.

En toen, al haar angst weer voelende opkomen:

—Ach, mijn goede Sidonie, ik ben zoo in verlegenheid. Ik moet morgenochtend noodzakelijk vijftigduizend francs hebben. Ik was gekomen om daarover met je spreken. Je kent immers geldschieters, heb je me gezegd?

De makelaarster, die gekrenkt was door de plotseling afbreking van haar geschiedenis, liet haar een poosje op het antwoord wachten.

—Ja, zeker, maar ik raad je eerst bij je vrienden rond te kijken.... Ik zou wel weten wat ik deed, als ik in jouw plaats was.... Ik zou me doodeenvoudig tot mijnheer de Saffré wenden.

Renée glimlachte pijnlijk.

—Maar, hernam zij, dat zou niet passend zijn, je zegt immers dat hij zoo verliefd is.

De oude vrouw keek haar strak aan; daarop nam haar gezicht allengs een glimlachenden trek van teedere meewarigheid aan.

—Arme lieveling, fluisterde zij, je hebt gehuild; ontken het maar niet, ik zie het aan je oogen. Wees toch flink, neem het leven zooals het is.... Kom, laat mij dat bewuste zaakje maar in orde brengen.

Renée stond op; ze kneep haar vingers ineen, zoodat haar handschoenen kraakten. Zij bleef staan, aan een wreeden, inwendigen strijd, ten prooi. Zij opende den mond, om het aan te nemen wellicht, toen een zacht gebel in de aangrenzende kamer gehoord werd. Mevrouw Sidonie verliet haastig de kamer, en door de half geopende deur werd een dubbele rij piano’s zichtbaar. De jonge vrouw hoorde vervolgens den stap van een man en het gedempte geluid van een op fluisterenden toon gevoerd gesprek. Werktuigelijk beschouwde zij de geelachtige streep, die de matrassen tegen den muur gemaakt hadden. Die streep hinderde haar.

Alles vergetende, Maxime, de vijftigduizend francs, mijnheer de Saffré, kwam zij peinzend voor het bed terug: dat bed stond veel beter op zijn vroegere plaats; er waren toch vrouwen, die heelemaal geen smaak hadden; als men te bed lag, moest men het licht in de oogen hebben. En heel vaag doemde weer in haar herinnering het beeld van den onbekende van de kade Saint-Paul op, haar roman in twee rendez-vous, dat toevallige liefdesgenot, dat zij daar, op die andere plaats, gesmaakt had. Er was niets meer van over dan die afgesleten plek op het behangsel. De kamer gaf haar een onbehagelijk gevoel, zij werd ongeduldig door dat gegons van stemmen, dat niet ophield, in de kamer daarnaast.

Toen mevrouw Sidonie terugkwam, de deur behoedzaam openende en weer sluitende, wenkte zij herhaaldelijk met haar vingertoppen, om Renée te beduiden, dat zij zachtjes moest spreken. Toen fluisterde zij haar aan het oor:

—Dat is een heel avontuur, mijnheer de Saffré is daar.

—Je hebt hem toch niet gezegd dat ik hier ben, vroeg de jonge vrouw ongerust.

De makelaarster scheen verbaasd en antwoordde naïef:

—Welzeker. Hij wacht tot dat hij binnen kan komen. Natuurlijk heb ik hem niet over de vijftigduizend francs gesproken.

Renée had zich doodsbleek opgericht, ’t was haar of zij een zweepslag ontving. Een onuitsprekelijk gevoel van trots kwam eensklaps in haar boven. Die krakende mannenlaars, die in haar oor hoe langer hoe onbeschaamder klonk, maakte haar wanhopig.

—Ik ga heen, zei zij kortaf. Doe de deur open.

Mevrouw Sidonie trachtte te glimlachen.

—Stel je nu zoo kinderachtig niet aan. Ik kan niet met dien man blijven zitten, nu ik hem eenmaal heb gezegd dat jij hier bent. Je brengt me heusch in ongelegenheid.

Maar de jonge vrouw was de trap reeds af. Zij herhaalde voor de gesloten winkeldeur:

—Doe open, doe open.

De kantenverkoopster had de gewoonte de koperen kruk in haar zak te steken. Ze wou nog onderhandelen. Maar eindelijk zelf boos wordende, en in haar grijze oogen de ongevoelige scherpheid van haar waren aard toonende, riep zij uit:

—Maar wat moet ik dien man dan zeggen?

—Dat ik niet te koop ben, antwoordde Renée, die met den eenen voet al op het trottoir stond. En zij meende mevrouw Sidonie, die met een bons de deur sloot, te hooren mompelen: Loop heen, domme gans! Dat zal ik je betaald zetten.

—Bij God! dacht ze terwijl ze weer insteeg, dan heb ik nog liever mijn man.

Zij keerde regelrecht naar haar hôtel terug. Dien avond zei zij tot Maxime, dat hij niet moest komen; zij was lijdend en had rust noodig. En den volgenden morgen, toen zij hem de vijftien duizend francs voor Sylvia’s juwelier ter hand stelde, werd zij verlegen onder zijn verrassing en zijn vragen. Haar man, beweerde zij, had een voordeelig zaakje gedaan. Maar van dien dag aan, werd zij grilliger, zij verzette dikwijls de uren van samenkomst met den jongen man en menigmaal wachtte zij hem in de serre op om hem weg te zenden. Hij bekommerde zich weinig om die wispelturigheid; het lag in zijn aard zich gewillig te schikken naar de luimen der vrouwen. Wat hem meer verveelde, dat waren de zedepreeken waarop haar verliefde buien dikwijls uitliepen. Zij werd heel treurig; soms stonden haar oogen vol tranen. Zij liet hem midden in zijn refrein van “le beau jeune homme” van la Belle-Hélène ophouden, speelde de geestelijke liederen van de kostschool en vroeg haar minnaar of hij niet geloofde dat het kwaad vroeg of laat gestraft wordt.

—Ze wordt bepaald oud, dacht hij. Op zijn hoogst kan ze nog een jaar of twee aardig zijn.

Om de waarheid te zeggen, leed zij vreeselijk. Nu zou ze Maxime liever met mijnheer de Saffré bedrogen hebben. Bij mevrouw Sidonie was haar gevoel in opstand gekomen, had zij toegegeven aan een instinctmatige fierheid, aan een afschuw van dien onkieschen koop. Maar de volgende dagen, toen zij de kwellingen van haar overspel verduurde, gingen al die betere gevoelens in haar ten onder, en ze voelde zich zoo verachtelijk, dat ze zich aan den eersten den besten man, die de deur van de kamer met de piano’s had opengeduwd, zou overgegeven hebben. Indien tot dusverre de gedachte aan haar man met een zweem van wellustigen afschuw in dien bloedschendigen omgang bij haar was opgekomen, nu kwam de man zelf, met een lompheid die haar heerlijkste gewaarwordingen in onduldbare smarten veranderde. Zij, die zoo spitsvondig een fijner glimp aan haar misdaad wilde geven, die zoo gaarne droomde van een goddelijk paradijs, waar de goden hun liefde met elkander deelen, zij daalde af tot de gemeene ontucht, tot een liefde door twee mannen gedeeld.

Te vergeefs beproefde zij een genot te vinden in haar eerloosheid. Haar lippen waren nog warm van Saccard’s kussen, als zij ze Maxime weer bood. Haar nieuwsgierigheid wilde tot op het diepst van dien verboden wellust doordringen, zij ging zelfs die twee liefkoozingen dooreenmengen, zij trachtte den zoon in de omhelzingen van den vader terug te vinden. En nog meer gekwetst en ontsteld kwam zij terug van die reis naar het onbekende van het kwaad, van die helsche duisternis waarin zij haar dubbelen minnaar dooreenmengde, met een angst die haar genot verstikte.

Zij hield dat lijden voor zich, verdubbelde het door haar koortsachtige verbeelding. Zij was liever gestorven, dan dat zij Maxime de waarheid bekend had. Eensdeels uit vrees, dat de jonge man haar vol walging zou verlaten; maar vooral uit een zoo stellige overtuiging van het monsterachtige van haar zonde en van haar eeuwige verdoemenis, dat zij liever geheel naakt het park van Monceau had doorgeloopen dan haar schande fluisterend te belijden.

Met dat al bleef zij het dwaashoofd, dat Parijs door zijn buitensporigheden in verbazing bracht. Zij werd zenuwachtig vroolijk, zij had grillige invallen, waarover de kranten schreven, haar bij haar voorletters aanduidende. In dien tijd was het ook, dat zij in allen ernst op de pistool wilde duelleeren met hertogin de Sternich, die moedwillig, zei zij, een glas punch over haar japon had gestort; haar schoonbroer, de minister, moest zich boos maken om haar van haar voornemen af te doen zien. Een andermaal, wedde zij met mevrouw de Lauwerens dat zij de baan van Longchamps binnen tien minuten zou rondloopen, en zij werd alleen weerhouden door een moeielijkheid met het kostuum. Zelfs Maxime begon zich ongerust te maken over dat hoofd, waarin steeds grooter dwaasheden opkwamen, en waarin hij ’s nachts, op het hoofdkussen, al het rumoer van een op vermaken beluste stad meende te hooren.

Op een avond gingen zij samen naar het Théâtre-Italien. Zij hadden niet eens de aanplakbiljetten gelezen. Ze wilden een groote Italiaansche tragédienne, Ristori, gaan zien, die toen een grooten toeloop had; de mode dwong hen dus notitie van haar te nemen. Men gaf Phèdre. Hij herinnerde zich de geschiedenis uit zijn klassieke studiën, zij kende Italiaansch genoeg om het stuk te volgen. Het drama bracht een bijzondere ontroering bij hen teweeg, in die vreemde taal, waarvan de welluidende klanken hun soms een eenvoudige orkestbegeleiding toeschenen, die het gebarenspel der tooneelspelers moest aanvullen. Hippolyte was een lang, bleek jongmensch, die zeer middelmatig speelde; hij zei zijn rol op een huilerigen toon.

—Wat een sukkel! mompelde Maxime.

Maar Ristori, met haar breede schouders die schokten van het snikken, met haar tragisch gelaat en haar gevulde armen, bracht Renée in groote ontroering. Phèdre was uit het bloed van Pasiphaë en zij vroeg zich af uit welk bloed zij kon gesproten zijn, zij, de bloedschendster van den nieuweren tijd. Van het heele stuk zag zij niets anders dan die groote vrouw, die de misdaad van de oudheid op de planken bracht.

In het eerste bedrijf, als Phèdre aan Oenone haar misdadige liefde belijdt; in het tweede, als zij zich vol hartstocht aan Hippolyte verklaart; en later, in het vierde, als de terugkeer van Thésée haar terneer drukt en zij zich in den hoogsten graad van sombere razernij vervloekt, vulde zij de zaal met zoo’n kreet van woesten hartstocht, met zoo’n begeerte naar bovenmenschelijken wellust, dat de jonge vrouw iedere rilling van haar begeerten en van haar wroeging langs haar lichaam voelde gaan.

—Wacht, fluisterde Maxime haar in het oor, nu komt het verhaal van Théramène. Die oude man is goed gegrimeerd!

En hij sprak op hollen toon: