A peine nous sortions des portes de Trézène,

Il était sur son char....

Maar toen de oude sprak, keek en luisterde Renée niet langer. De lichtkroon verblindde haar, een verstikkende warmte kwam tot haar van al die bleeke, naar het tooneel gekeerde gezichten. De monoloog ging voort, zonder einde. Zij was in de serre, onder het heete gebladerte, en zij droomde dat haar man binnentrad, haar verraste in de armen van zijn zoon. Zij leed vreeselijk, zij verloor het bewustzijn, toen het doodsgereutel van Phèdre, berouwvol stervende in de krampachtige stuiptrekkingen van het vergif, haar de oogen weer deed openen.

Het scherm viel. Zou zij eenmaal den moed hebben zich te vergiftigen? Hoe nietig en schandelijk was haar drama, vergeleken bij dien epos der oudheid! En terwijl Maxime haar de sortie onder de kin knoopte, hoorde zij nog die ruwe stem van Ristori achter zich brommen, waarop het zacht gemurmel van Oenone antwoordde.

In de coupé voerde de jonge man alleen het woord; hij vond het treurspel over het algemeen onuitstaanbaar vervelend, hij hoorde liever een kluchtspel. Maar Phèdre, daar had hij belang in gesteld, omdat.... En hij drukte Renée de hand, om zijn gedachte te voltooien. Toen kwam er plotseling een grappig denkbeeld in hem op, en hij kon de verzoeking niet weerstaan een aardigheid te zeggen:

—Ik had toch gelijk, zei hij, dat ik niet te dicht bij de zee wou komen, in Trouville.

Renée, in een smartelijk gepeins verzonken, gaf geen antwoord. Hij moest zijn gezegde herhalen.

—Waarom? vroeg ze verwonderd, niet begrijpende wat hij bedoelde.

—Wel, het monster....

En hij grinnikte. Die aardigheid deed haar van afgrijzen verstijven. Alles begon in haar hoofd dooreen te warrelen. Ristori was nu niets meer dan een groote beweegbare pop, die haar peplum omhoog sloeg en haar tong tegen het publiek uitstak, evenals Blanche Muller, in het derde bedrijf van la Belle Hélène. Théramène danste den cancan en Hippolyte at confiturentaartjes en stak zijn vingers in zijn neus.

Wanneer een heviger wroeging Renée deed huiveren, begon haar trots zich weer te verzetten. Waarin bestond toch eigenlijk haar misdaad en waarom zou zij gebloosd hebben? Bewoog zij zich niet dagelijks te midden van nog grooter schandelijkheden? Kwam zij niet bij de ministers, aan het hof, kortom overal, in nauwe aanraking met ongelukkigen zooals zij, die millioenen op hun bloote lichaam hadden, en die men knielend aanbad? En zij dacht aan de schandelijke vriendschap van Adeline d’Espanet en Suzanne Haffner, waarover soms geglimlacht werd op de receptiedagen van de keizerin. Zij dacht aan den handel van mevrouw de Lauwerens, die door de echtgenooten geprezen werd om haar goed gedrag, haar orde en haar stiptheid in het betalen van haar leveranciers.

Zij noemde bij zichzelve mevrouw Daste, mevrouw Teissière, barones de Meinhold, die schepsels die haar weelde door haar minnaars lieten betalen, en die in de groote wereld genoteerd stonden als de koers der fondsen aan de Beurs.

Mevrouw de Guende was zoo dom en zoo welgevormd, dat zij drie hoofdofficieren tegelijk tot minnaars had, zoodat zij ze door hun uniform niet van elkander onderscheiden kon, wat die duivelsche Louise deed zeggen, dat zij ze dwong om eerst in hun hemd te gaan staan, anders wist ze niet tot wien van de drie ze sprak. Gravin Vanska kon terugdenken aan haar zingen op straat, aan de trottoirs waarop men beweerde haar gezien te hebben, in een katoenen stofje, loerend als een wolvin.

Al die vrouwen hadden haar schande, haar zegevierend ten toon gespreide wondeplek. Maar boven allen troonde hertogin de Sternich, leelijk, oud en afgeleefd, die er op roemen kon een nacht in het keizerlijk bed te hebben doorgebracht; dat was de officiëele ondeugd, het gaf haar als het ware een majesteit van de ontucht en een oppergezag over den troep doorluchtige lichtekooien.

Toen gewende de bloedschendster zich aan haar misdaad, als aan een staatsiekleed, waarvan de stijfheid haar eerst gehinderd had. Zij volgde den tijdgeest, zij kleedde en ontkleedde zich naar het voorbeeld der anderen. Zij begon eindelijk te gelooven dat zij te midden van een wereld leefde, die boven de gewone begrippen van zedelijkheid verheven was, waarin de zinnen zich meer verfijnden en ontwikkelden, waar men zich in zijn naaktheid mocht vertoonen ten genoegen van den geheelen Olympus.

Het kwaad werd een weelde, een in de haren gestoken bloem, een op het voorhoofd gehechte diamant. En voor haar geestesoog verrees weer, als een rechtvaardiging en een verlossing, het beeld van den keizer, aan den arm van den generaal, die daar voortschreed tusschen de beide rijen nijgende schouders.

Er was éen man, die haar ongerustheid gaande hield, dat was Baptiste, de kamerdienaar van haar man. Sedert Saccard zich galant toonde, scheen die bleeke, statige knecht om haar heen te loopen, met de plechtigheid van een zwijgend verwijt. Hij keek haar niet aan, zijn koele blikken gleden over haar heen, met de kuische schaamte van een kerkedienaar, die zijn blik niet wil bezoedelen met het haar van een zondares. Zij verbeeldde zich dat hij alles wist, zij zou zijn stilzwijgen gekocht hebben, als zij gedurfd had.

Toen voelde zij zich niet op haar gemak, zij kreeg een gevoel van eerbied, als zij Baptiste ontmoette; zij zei bij zichzelf dat alle braafheid uit haar omgeving geweken was en zich verborgen had onder de zwarte jas van den lakei.

Eens vroeg zij aan Céleste:

—Maakt Baptiste wel eens grapjes in de dienstbodenkamers? Weet je ook een avontuurtje van hem, houdt hij er geen meisje op na?

—O, neen, antwoordde het kamermeisje.

—Hij heeft je toch zeker wel eens het hof gemaakt?

—Welneen, hij kijkt de vrouwen nooit aan. We zien hem ternauwernood.... Hij is altijd bij mijnheer of in de stallen.... Hij zegt dat hij veel van paarden houdt.

Renée ergerde zich over die braafheid, zij bleef aanhouden, het zou haar liever geweest zijn als zij haar bedienden had kunnen verachten. Ofschoon zij Céleste wel genegen was, zou zij met genoegen vernomen hebben, dat zij er minnaars op nahield.

—Maar jij, Céleste, vind jij Baptiste geen knappen jongen?

—Ik, mevrouw! riep het kamermeisje uit, met een verbaasd gezicht alsof zij iets bovennatuurlijks had gehoord, ik denk over heel wat anders. Ik wil niets van een man weten. Ik heb mijn eigen plan, dat zult u later wel zien. Ik ben zoo dom niet, hoor!

Meer kon Renée niet uit haar krijgen.

Haar zorgen vermeerderden intusschen. Haar rumoerig leven, haar dolzinnige vermaken, ontmoetten talrijke hinderpalen, die zij moest overkomen, en waaraan zij zich soms kwetste. Zoo stelde Louise de Mareuil zich op zekeren dag tusschen haar en Maxime. Zij was niet jaloersch op “de bochel”, zooals zij haar minachtend noemde; zij wist dat de dokters haar opgegeven hadden en zij kon niet gelooven dat Maxime ooit zoo’n leelijkerd zou trouwen, al bracht zij een millioen mee. In haar zedelijken val, had zij een burgerlijke naïefheid behouden ten opzichte van de menschen die zij liefhad; terwijl zij zichzelve verachtte, geloofde zij graag dat zij boven haar verheven en zeer achtenswaardig waren. Maar terwijl zij de mogelijkheid van een huwelijk verwierp, dat haar een schandelijke ontuchtigheid en een diefstal zou toegeschenen hebben, leed zij toch onder den vertrouwelijken omgang van de jongelieden. Wanneer zij tot Maxime over Louise sprak, lachte hij genoegelijk, hij vertelde haar de grappen van het meisje en zei:

—Ze noemt me haar mannetje, weet je, die ondeugd.

En hij sprak er zoo luchthartig, zoo onbevangen over, dat zij hem niet aan het verstand durfde brengen, dat die ondeugd zeventien jaar oud was, en dat hun handenspelletjes, hun zucht om in de salons de donkerste hoekjes op te zoeken om de gasten te bespotten, haar verdrietig maakten, haar mooiste avonden bedierven.

Een gebeurtenis gaf den toestand een zonderling karakter. Renée had dikwijls behoefte aan een opzienbarende uiting van haar stoutmoedigheid. Zij trok Maxime met zich achter een gordijn of achter een deur en zoende hem op gevaar af van gezien te worden.

Op een Donderdagavond, toen het gele salon vol gasten was, kwam zij op het idee Maxime van Louise weg te roepen; zij ging hem tegemoet, van uit de serre waar zij stond, en zoende hem plotseling op den mond, tusschen twee heesters in, denkende dat zij niet gezien kon worden. Maar Louise was Maxime gevolgd. Toen de gelieven opkeken, zagen zij haar een paar passen verder staan, met een zonderling lachje naar hen kijken, zonder eenige verlegenheid of verbazing, met het kalme vriendschappelijke uiterlijk van een deelgenoot in de ondeugd, wijs genoeg om zoo’n kus te begrijpen en te smaken.

Dien dag was Maxime werkelijk ontsteld, Renée daarentegen toonde zich onverschillig, zelfs vroolijk. Nu was het uit. De bochel zou haar nu niet meer haar minnaar ontnemen. Zij dacht:

“Ik had het opzettelijk moeten doen. Zij weet nu dat haar “mannetje” mij toebehoort.” Maxime werd gerustgesteld toen hij Louise even lachend en grappig terugvond als eerst. Hij vond haar “een flinke, goede meid.” En dat was alles.

Renée had wel reden om zich ongerust te maken. Saccard dacht den laatsten tijd ernstig over het huwelijk van zijn zoon met mejuffrouw de Mareuil. Daar zat een millioen aan vast, dat hij niet wilde laten glippen, vast van plan als hij was dat geld later in handen te zien te krijgen. Tegen het begin van den winter was Louise drie weken bedlegerig geweest; hij was zoo bang dat zij zou sterven voordat het huwelijk tot stand was gekomen, dat hij besloot de kinderen dadelijk te laten trouwen. Hij vond ze wel wat jong; maar de dokters vreesden de maand Maart voor de borstlijderes.

Mijnheer de Mareuil bevond zich ook in een netelige positie. Bij de laatste verkiezing was hij er eindelijk in geslaagd zich tot afgevaardigde te doen benoemen. Maar het Wetgevend lichaam had zijn verkiezing, die een schandaal was voor de herziene regeering, nietig verklaard. Die verkiezing was een heel boertig heldendicht, waarvan de dagbladen een maand lang leefden.

Mijnheer Hupel de la Noue, de prefect van het departement, had zoo krachtig geijverd, dat de andere candidaten niet eens met hun verkiezingsprogramma voor den dag konden komen of hun strooibiljetten konden verspreiden. Op zijn raad, overdekte mijnheer de Mareuil het kiesdistrict met tafels, waaraan de boeren een week lang aten en dronken. Hij beloofde bovendien een spoorweg, den bouw van een brug en drie kerken, en zond op den vooravond der verkiezing aan de invloedrijkste kiezers twee groote portretten van den keizer en de keizerin, achter glas en in een vergulde lijst. Dat geschenk had een uitbundig succès, hij werd met een verpletterende meerderheid gekozen.

Maar toen de Kamer, door het schaterend gelach van heel Frankrijk, zich genoodzaakt zag mijnheer de Mareuil naar zijn kiezers terug te zenden, werd de minister vreeselijk boos op den prefect en den ongelukkigen candidaat, die het wel wat al te “kras” hadden aangelegd. Hij zinspeelde er zelfs op, dat hij de officiëele candidatuur op een anderen naam zou stellen.

Mijnheer de Mareuil kreeg den schrik op het lijf, hij had driehonderdduizend francs in het departement uitgegeven, hij bezat er groote eigendommen, waar hij zich verveelde, en die hij met verlies zou moeten verkoopen. Hij kwam dan ook zijn collega smeeken zijn broer tevreden te stellen, door hem uit zijn naam een verkiezing te beloven, waarop niets aan te merken viel.

Bij die gelegenheid bracht Saccard het huwelijk van de kinderen weer ter sprake, dat nu definitief werd vastgesteld.

Toen Maxime er over gepolst werd, was hij met de zaak verlegen. Louise vond hij aardig, en de bruidschat lokte hem nog meer. Hij zei ja, en vond al de datums goed die Saccard opnoemde, om zich de onaangenaamheden van een discussie te besparen. Maar in zijn binnenste moest hij zich bekennen, dat de zaken ongelukkig genoeg niet zoo gemakkelijk zouden geschikt worden. Renée zou het nooit willen hebben; zij zou huilen, tegen hem uitvaren, zij was in staat een groot schandaal te verwekken om Parijs in verbazing te brengen. ’t Was heel onaangenaam. Nu joeg zij hem vrees aan. Zij bewaakte hem met onheilspellende blikken, zij oefende zoo’n despotische macht over hem uit, dat hij meende haar nagels in zijn schouder te voelen dringen, als zij haar blank handje daarop lei. Haar woelige drukte ontaardde in barschen drift, en er klonk een valsche toon, als van een gebroken snaar, in haar lachen. Hij begon zich werkelijk bevreesd te maken, dat zij op een goeden nacht in zijn armen gek zou worden. Bij haar verrieden de wroeging, de vrees voor ontdekking, de wreede genietingen van het overspel, zich niet zooals bij de andere vrouwen, door tranen en neerslachtigheid, maar door een grooter buitensporigheid, door een onwederstaanbaarder behoefte aan luidruchtigheid. En in haar aangroeiende ontsteltenis, begon men een gereutel te hooren, het van streek geraken van het raderwerk van deze wonderschoone machine.

Maxime wachtte lijdelijk op een gelegenheid, die hem van deze hinderlijke maîtresse zou bevrijden. Hij zei weer, dat zij een dwaasheid begaan hadden. Mocht hun vriendschappelijke verhouding eerst aan hun liefdesbetrekking een genot te meer hebben gevoegd, nu verhinderde deze hem met haar te breken, zooals hij zeker met een andere vrouw gedaan zou hebben. Hij zou weggebleven zijn; dat was zijn manier om een einde aan zijn liaisons te maken, om allen last, alle onaangenaamheid te vermijden. Maar hij deinsde terug voor een schandaal, en hij gaf zich zelfs nog gaarne over aan Renée’s liefkoozingen; zij was zoo moederlijk zorgzaam, ze betaalde voor hem, zij redde hem uit de verlegenheid, als de een of andere schuldeischer ongeduldig werd. Dan kwam de gedachte aan Louise, met haar bruidschat van een millioen, weer in hem op; zoodat hij zelfs onder de kussen van de jonge vrouw, bij zichzelf zei, dat alles heel goed en mooi was, maar dat hij er niet verder mee kwam, dat er toch een einde aan diende te komen.

Op zekeren avond was Maxime zoo gauw geplunderd bij een dame, waar men dikwijls tot het aanbreken van den dag speelde, dat hij een van die wanhopige buien kreeg van een speler, wiens zakken ledig zijn. Hij had alles ter wereld willen geven om nog een paar goudstukken op de tafel te kunnen werpen. Hij greep zijn hoed en met den werktuigelijken tred van een man, die door een idée fixe wordt voortgedreven, begaf hij zich naar het park Monceau, opende het kleine hek en bevond zich in de serre.

Het was al na twaalven. Renée had hem dien avond verboden te komen. Wanneer zij hem nu weigerde te ontvangen, gaf zij zelfs geen reden meer op en hij dacht er alleen aan hoe hij zich dien vrijen dag ten nutte zou maken.

Hij dacht eerst aan het verbod van de jonge vrouw, toen hij voor de glazen deur van de serre stond, die gesloten was. Gewoonlijk draaide Renée, als zij hem verwachtte, de spanjolet van die deur neer.

—Bah, dacht hij, het venster van de kleedkamer verlicht ziende, ik zal fluiten, dan komt zij naar beneden. Ik zal haar niet lang ophouden; als ze een paar tientjes heeft, ga ik al dadelijk weg.

En hij floot zachtjes. Hij gaf dikwijls zoo’n signaal om zijn komst aan te kondigen. Maar dezen keer floot hij verscheidene keeren te vergeefs. Hij floot wat harder, hij had het nu eenmaal in zijn hoofd gezet om wat te leen te krijgen. Eindelijk zag hij, dat de glazen deur heel behoedzaam geopend werd, ofschoon hij niet het minste geluid van voetstappen gehoord had.

In het schemerlicht van de serre verscheen Renée, met losse vlechten, half gekleed, alsof zij zich juist te bed wou begeven. Zij had bloote voeten. Zij duwde hem naar een der priëelen, de trappen afgaande en over het zand der gangpaden loopende, zonder dat zij, naar het scheen, de koude of de ruwe hardheid van den grond voelde.

—Hoe dom om zoo hard te fluiten, fluisterde zij met ingehouden toorn. Ik had je gezegd dat je niet moest komen. Wat wil je van me hebben?

—Laten we naar boven gaan, zei Maxime verbaasd over die ontvangst. Ik zal het je boven vertellen. Je zult kou vatten.

Maar toen hij een stap vooruit deed, hield zij hem tegen, en toen merkte hij op dat zij vreeselijk bleek zag. Een stomme vertwijfeling boog haar ter neder. Haar onderkleeren, de kanten van haar linnengoed, hingen slap langs haar sidderend lichaam.

Hij keek haar met stijgende verbazing aan.

—Wat scheelt je toch? Ben je ziek?

En instinctmatig hief hij het hoofd op en keek door de ruiten van de serre naar het venster van haar toiletkamer, waar hij licht had zien branden.

—Maar je hebt een man bij je, zei hij eensklaps.

—Neen, neen, ’t is niet waar, stotterde zij, smeekend, ontsteld.

—Kom, kom, ik zie zijn schaduw.

Toen bleven zij een oogenblik tegenover elkander staan, niet wetende wat zij elkander zeggen zouden. Renée klappertandde van angst, zij had een gevoel alsof men emmers ijskoud water over haar bloote voeten leeggoot. Maxime was nijdiger dan hij mogelijk geacht had; maar hij bleef zichzelf genoeg meester om na te denken, om bij zichzelf te zeggen, dat het een mooie gelegenheid was om met haar te breken.

—Je wilt me toch niet wijsmaken dat Céleste een jas draagt, ging hij voort. Als de ruiten van de serre niet zoo dik waren, zou ik den man misschien herkennen.

Zij duwde hem nog dieper onder het dichte gebladerte; en met gevouwen handen smeekte zij steeds angstiger:

—Ik bid je, Maxime....

Maar de plaagzucht van den jongen man was ontwaakt, een woeste plaagzucht, die zich zocht te wreken. Hij was te zwak om zijn boosheid door toorn lucht te geven. Van spijt kneep hij de lippen dicht opeen; en in plaats van haar te slaan, zooals hij eerst had willen doen, hernam hij op scherpen, kwetsenden toon:

—Had het me maar gezegd, dan had ik je niet lastig komen vallen.... Dat komt dagelijks voor, dat men niet meer van elkander houdt. Ik begon er zelf ook al genoeg van te krijgen. Kom, word maar niet ongeduldig. Ik zal je naar boven laten gaan, maar niet voordat je me den naam van dien man genoemd hebt....

—Nooit! fluisterde de jonge vrouw, met een door tranen verstikte stem.

—’t Is niet om hem uit te dagen, alleen om te weten.... Zijn naam, zeg ik je, en ik ga heen.

Hij had haar bij de polsen gevat en keek haar aan, met zijn kwaadaardigen lach. En zij verweerde zich, vol ontzetting; zij wilde den mond niet meer openen, opdat de naam waarnaar hij vroeg, haar niet zou ontsnappen.

—We zullen leven maken, daar schiet je niet mee op. Waarom ben je bang? Zijn we geen goede vrienden? Ik wil weten wie mij vervangt, dat is mijn recht.... Wacht, ik zal je te hulp komen. ’t Is zeker mijnheer de Mussy, die je door zijn verdriet heeft weten te treffen.

Zij antwoordde niet. Zij boog het hoofd onder zoo’n verhoor.

—Mijnheer de Mussy is ’t niet?.... Dan de hertog de Rozan? Ook al niet?.... Misschien de graaf de Chibray? Evenmin?

Hij hield op en dacht na.

—Ik zie niemand.... ’t Is mijn vader toch niet, na al wat je me gezegd hebt....

Renée trilde, alsof zij zich brandde, en dof klonk het terug:

—Neen, je weet wel dat hij niet meer komt. Ik zou het niet willen, ’t zou laag zijn.

—Wie dan?

En hij drukte haar polsen nog krachtiger. De arme vrouw bood nog eenigen tijd weerstand.

—O, Maxime, als je wist!.... Ik kan je toch niet zeggen....

Daarop, overwonnen, vernietigd, en met schrik naar het verlichte venster ziende;

—’t Is mijnheer de Saffré, fluisterde zij heel zachtjes.

Maxime, die pleizier had in zijn wreed spel, verbleekte voor die bekentenis, die hij met zooveel aandrang had uitgelokt. Hij werd verbitterd door de onverwachte smart, die de naam van dien man hem veroorzaakte. Hij duwde heftig Renée’s polsen terug, kwam een stap nader en siste tusschen zijn opeengeklemde tanden.

—Weet je wat je bent, een....!

Hij noemde het woord. En hij keerde zich om, toen zij snikkend op hem toeliep, hem in haar armen nam, teedere woordjes fluisterde, vergiffenis vroeg, hem bezwoer dat zij zielsveel van hem hield, en dat zij hem den volgenden dag alles zou uitleggen.

Maar hij maakte zich los, sloot driftig de serredeur met de woorden:

—Neen, ’t is uit, ik heb er meer dan genoeg van.

Zij bleef als verplet staan. Zij zag hem den tuin doorgaan. Het scheen haar alsof de boomen van de serre om haar heen draaiden. Toen sleepte zij langzaam haar bloote voeten over het zand der gangpaden voort, ze ging de trappen weer op, de huid gemarmerd door de koude, nog tragischer in de wanorde van haar kanten.

Boven, antwoordde zij op de vragen van haar man, die op haar wachtte, dat haar op eens de plek te binnen was geschoten waar een notitieboekje kon gevallen zijn, dat zij den heelen dag gemist had. En toen zij te bed lag, kwam de gedachte plotseling bij haar op, en vervulde haar met een groote wanhoop, dat zij aan Maxime had moeten zeggen dat zijn vader, met haar thuis gekomen, haar op haar kamer gevolgd was om haar over een geldkwestie te spreken.

Den volgenden dag besloot Saccard de ontknooping van de zaak Charonne te bespoedigen. Zijn vrouw behoorde hem geheel toe; hij voelde, hoe lijdzaam zij zich aan zijn handen overgaf. Aan den anderen kant zou de richting van den boulevard du Prince-Eugène weldra vastgesteld worden; Renée moest geplunderd worden voordat de aanstaande onteigening bekend gemaakt werd.

Saccard toonde in die heele zaak de toewijding van een kunstenaar; hij zag zijn plan met devotie rijpen, hij spande zijne netten met het fijn overleg van een jager, die er een eer in stelt het wild netjes te vangen. Het was bij hem eenvoudig de voldoening van een behendig speler, van een man die een bijzonder genot in een gestolen winst vindt; hij wou de terreinen voor een appel en een ei hebben, terwijl hij zijn vrouw, in de vreugde over zijn zegepraal, honderdduizend francs aan juweelen gaf. De eenvoudigste operaties werden ingewikkeld, zoodra hij er de hand in had; hij wond zich op, en zou zijn vader geslagen hebben om een geschil over een rijksdaalder. En daarna deelde hij het goud met kwistige hand uit.

Maar voordat hij Renée tot den afstand van haar eigendomsrecht bewoog, was hij zoo voorzichtig Larsonneau te gaan polsen over diens waarschijnlijke plannen om hem geld af te persen. Zijn instinct redde hem bij deze gelegenheid. De onteigeningsagent had van zijn kant gedacht, dat de vrucht rijp genoeg was om ze te plukken. Toen Saccard het kantoor in de rue de Rivoli binnentrad, vond hij zijn compagnon erg ontdaan en teekenen van de grootste wanhoop gevende.

—Ach, beste vriend, zei Larsonneau, zijn handen grijpende, wij zijn verloren. Ik wou juist bij u aanloopen om samen te overleggen, hoe wij uit die ongelegenheid kunnen geraken....

Terwijl hij zijn handen wrong en een snik voor den dag bracht, merkte Saccard op, dat hij bezig was brieven te onderteekenen, en dat de handteekeningen bijzonder vast waren. Hij keek hem kalm aan en zei:

—Bah, wat is er dan gebeurd?

Maar de ander antwoordde niet dadelijk; hij was in zijn armstoel neergevallen, voor zijn bureau, en zat daar, met de ellebogen op het vloeiboek en het voorhoofd in de handen, heftig het hoofd te schudden. Eindelijk zei hij met gesmoorde stem:

—Ze hebben het register gestolen, je weet wel....

En hij vertelde dat een van zijn klerken, een schurk die goed was voor de galeien, hem een aantal papieren ontfutseld had, waaronder ook het bewuste register. Het ergste was, dat de dief begrepen had, welk voordeel hij van dat stuk kon trekken, en dat hij er honderdduizend francs voor wou hebben.

Saccard overlegde bij zichzelf. Het fabeltje leek hem wat al te lomp uitgedacht. Klaarblijkelijk gaf Larsonneau er weinig om, of hij geloofd werd. Hij zocht eenvoudig een voorwendsel om hem te doen begrijpen dat hij honderdduizend francs in de zaak-Charonne verlangde, en op die voorwaarde zou hij zelfs de gevaarlijke papieren, die hij in handen had, teruggeven.

De koop kwam Saccard toch wel wat kostbaar voor. Hij zou zijn oud-collega met plezier zijn aandeel gegund hebben, maar die valstrik, die ijdelheid om hem te willen foppen, maakten hem boos. Toch was hij een beetje ongerust; hij kende den sinjeur en hij achtte hem best in staat de papieren bij zijn broer den minister te brengen, die ongetwijfeld betalen zou om alle opspraak te vermijden.

—Verduiveld! mompelde hij, ook plaats nemende, dat is een leelijke geschiedenis.... En is die schurk ook te spreken?

—Ik zal hem laten halen, zei Larsonneau. Hij woont vlak bij, rue Jean Lantier.

Er waren nog geen tien minuten verloopen, of een klein, loensch jongmensch, met vaalblond haar en een gezicht vol sproeten, trad zacht de kamer binnen. Hij had een vreeselijk kale, zwarte jas aan, die hem veel te groot was. Hij bleef op eerbiedigen afstand staan, Saccard met een schuinschen blik aanziende. Larsonneau, die hem Baptistin noemde, nam hem een verhoor af, waarop hij met ja en neen antwoordde, zonder in het minst van streek te geraken; met de grootste onverschilligheid luisterde hij naar de namen “dief, oplichter, schavuit”, waarmee zijn patroon iedere vraag vergezeld liet gaan.

Saccard bewonderde de koelbloedigheid van dien ongelukkige. Op een gegeven oogenblik sprong de onteigeningsagent van zijn zetel op om hem een slag te geven; en hij vergenoegde zich met een stap achteruit te treden, terwijl zijn loensch oog nog onderdaniger keek.

—’t Is goed, laat hem met rust, zei de financier. Dus, mijnheer, u vraagt honderdduizend francs in ruil voor de papieren?

—Ja, honderdduizend francs, antwoordde de jonge man.

En hij ging heen. Larsonneau scheen niet tot bedaren te kunnen komen.

—Wat een schobbejak, hè! stamelde hij. Heb je zijn valsche blikken gezien?.... Die snaken zien er zoo verlegen uit en zij zouden iemand voor twintig francs vermoorden.

Maar Saccard viel hem in de rede met de opmerking:

—Kom, kom, zoo verschrikkelijk is hij niet. Ik geloof dat we wel tot een schikking kunnen komen.... Ik kwam voor een veel leelijker geval.... Je hadt gelijk, dat je mijn vrouw niet vertrouwde, mijn waarde. Verbeeld je, dat ze haar eigendomsrecht aan mijnheer Haffner verkoopen wil. Ze heeft geld noodig, zegt ze. Ze is er zeker toe aangespoord door haar vriendin Suzanne.

De ander hield plotseling op met zijn wanhopige manieren; hij luisterde toe, een beetje bleek, en schikte zijn das recht, die in zijn drift verschoven was.

—Die afstand, ging Saccard voort, slaat onzen verwachtingen den bodem in. Als mijnheer Haffner uw medecompagnon wordt, komen niet alleen onze voordeelen in gevaar, maar ik ben erg bang dat wij ons in een heel onaangename positie zullen bevinden tegenover dien angstvalligen man, die de rekeningen zal willen napluizen.

De onteigeningsagent begon driftig heen en weer te loopen, met zijn krakende verlakte laarzen.

—Zie nu eens, mompelde hij, in welk een toestand men geraakt als men den menschen een dienst bewijst!.... Maar, mijn waarde, in uw plaats zou ik mijn vrouw beletten zoo’n dwaasheid uit te halen. Ik zou haar liever slaan.

—Ach, vriendlief!.... zei de financier met een fijn lachje. Ik heb al even weinig macht over mijn vrouw als gij over dien schavuit van een Baptistin schijnt te hebben.

Larsonneau bleef midden in zijn wandeling voor Saccard staan, die maar steeds glimlachte, en hem veelbeteekenend aankeek. Daarop begon hij weer op en neer te loopen, maar nu met langzamen, afgemeten tred. Hij ging voor een spiegel staan, schikte zijn das recht, hervatte zijn wandeling, met zijn gewone elegantie. En plotseling riep hij:

—Baptistin!

De schele jonge man trad binnen, maar door een andere deur. Hij was nu zonder hoed, en hij draaide een pen tusschen zijn vingers.

—Ga het register halen, gebood Larsonneau hem.

En toen Baptistin weg was, sprak hij over het geld dat hij hebben moest.

—Doet het om mijnentwil, zei hij ten slotte ronduit.

Toen stemde Saccard er in toe dertigduizend francs te geven op de aanstaande winsten van de zaak Charonne. Hij vond dat hij nog goedkoop uit de gehandschoende handen van den woekeraar kwam. Deze liet de promesse op zijn naam stellen; hij speelde zijn komediespel tot het einde toe door en zei dat hij rekening zou houden met de dertig duizend francs voor den jongen man.

Met een lach van verlichting verbrandde Saccard het register blad voor blad in het haardvuur. Toen dat afgeloopen was, nam hij met een krachtigen handdruk afscheid van Larsonneau.

—Ge gaat van avond naar Laure, nietwaar?.... Wacht me daar. Ik zal alles met mijn vrouw in orde brengen, dan kunnen we onze laatste regeling treffen.

Laure d’Aurigny, die dikwijls verhuisde, woonde toen heel ruim op den boulevard Haussmann, tegenover de Chapelle expiatoire. Evenals de dames van de groote wereld hield zij iedere week haar ontvangdag. Op die manier kwamen de mannen, die haar anders éen voor éen bezochten, allen tegelijk bij haar.

Aristide Saccard was Dinsdagsavonds in zijn schik, hij was de erkende minnaar; hij draaide met een lachje het hoofd om, als de gastvrouw hem achter zijn rug verried en een afspraakje voor dien avond met een van de gasten maakte. Wanneer hij tot het laatst gebleven was, stak hij nog een sigaar op, praatte over zaken, maakte een grapje over den heer die in de straat stond te blauwbekken, totdat hij wegging; en daarop met een tikje op Laure’s wang en een “lieve kind,” ging hij kalmpjes de eene deur uit, terwijl de heer een andere in ging.

Het geheim verbond dat Saccard’s crediet versterkt en Laure d’Aurigny twee ameublementen in éen maand verschaft had, amuseerde hen nog kostelijk. Maar Laure wenschte een einde aan de komedie te maken. Die ontknooping, vooruit vastgesteld, zou bestaan in een openlijke breuk, ten gerieve van den een of anderen domoor, die het recht om door geheel Parijs als de officiëele minnaar erkend te worden, duur zou moeten betalen. De domoor was al gevonden. De hertog de Rozan, die het moede werd de vrouwen uit zijn stand te vergeefs te vervelen, kreeg op eens lust den naam van losbol te verwerven, om zoo doende zijn onbeduidende figuur wat meer te doen uitkomen.

Hij kwam geregeld op de Dinsdagen van Laure, die hij bepaald veroverd had door zijn onnoozelheid. Ongelukkig hing hij, ofschoon reeds vijfendertig jaar, nog van zijn moeder af, zoodat hij hoogstens over een tiental goudstukken tegelijk kon beschikken. Als Laure zich des avonds verwaardigde de tien louis van hem af te nemen, met een klagende stem over de honderdduizend francs sprekende die zij noodig zou hebben, zuchtte hij en beloofde haar die som, zoodra hij zijn eigen meester zou zijn.

Toen kwam zij op het denkbeeld hem in kennis te brengen met Larsonneau, een van haar huisvrienden. De twee mannen gingen samen bij Tortoni dejeuneeren; aan het dessert vertelde Larsonneau zijn liefdesavonturen met een bekoorlijke Spaansche en wist er terloops bij uit te doen komen, dat hij geldschieters kende; maar hij raadde Rozan dringend aan uit hun handen te blijven. Ondanks die waarschuwing, wist Rozan zijn goeden vriend de belofte af te persen, dat hij zich met zijn zaakje zou bezig houden. Deze hield er zich zoo goed mee bezig, dat hij den eigen avond, waarop Saccard hem bij Laure bescheiden had, het geld zou meebrengen.

Toen Larsonneau kwam, bevonden zich in het groote wit met goud salon van Laure slechts vijf of zes vrouwen, die zijn handen grepen en hem met onstuimige teederheid om den hals vielen.

Ze noemden hem die “groote Lar!”, een liefkoozende afkorting die Laure verzonnen had. En hij, met een lief stemmetje:

—Ho, ho, poesjes, je zult mijn hoed plat duwen.

Ze werden kalmer en gingen dicht om hem heen zitten, terwijl hij ze vertelde, hoe Sylvia zich den vorigen avond, toen hij met haar gesoupeerd had, een indigestie gegeten had. Toen haalde hij een bonbondoos uit zijn zak te voorschijn en bood de dames pralines aan. Maar Laure kwam juist uit haar slaapkamer en voordat een paar binnentredende heeren haar konden groeten, trok zij Larsonneau met zich mee naar een boudoir, dat door een dubbele portière van het salon gescheiden was.

—Heb je het geld? vroeg zij hem, toen zij alleen waren.

Zij was heel vertrouwelijk met hem, bij zulke gelegenheden. Larsonneau antwoordde niet, maar knikte vroolijk van ja, terwijl hij op den binnenzak van zijn jas sloeg.

—O, die groote Lar! fluisterde de jonge vrouw opgetogen.

Zij nam hem om het middel en gaf hem een zoen.

—Wacht even, zei zij, ik wil die lapjes dadelijk hebben.... Rozan is in mijn kamer; ik ga hem halen.

Maar hij hield haar tegen, en op zijn beurt een kus op haar schouders drukkende:

—Je weet toch welk commissieloon ik bedongen heb?

—Natuurlijk, domoor, dat is immers afgesproken.

Zij kwam terug met Rozan. Larsonneau was onberispelijker gekleed dan de hertog, zijn handschoenen pasten beter en zijn das was met meer kunst gestrikt. Zij reikten elkander achteloos de vingertoppen en spraken over de wedrennen van twee dagen geleden, waarbij het paard van een hunner vrienden verloren had. Laure stampvoette van ongeduld.

—Kom, daarover een anderen keer, lieveling, zei zij tot Rozan. De groote Lar heeft het geld, weet je.

Larsonneau hield zich alsof het hem opeens te binnen schoot.

—O ja, dat is waar, zei hij, ik heb het geld.... Maar je hadt beter gedaan naar me te luisteren, mijn waarde! Verbeeld je, dat die afzetters me vijftig percent gevraagd hebben!.... Ik heb het natuurlijk toch aangenomen, je hadt me gezegd dat het er niet op aan kwam....

Laure d’Aurigny had in den loop van den dag gezegeld papier laten halen. Maar toen er sprake was van pen en inkt, keek zij de twee mannen ontsteld aan; zulke dingen waren bij haar niet te vinden. Zij wou naar de keuken gaan, toen Larsonneau uit den zelfden zak, waaruit de bonbondoos te voorschijn was gekomen, twee prachtige voorwerpen voor den dag haalde, een zilveren penhouder, dien hij kon uitschroeven, en een inktkoker, staal met ebbenhout, keurig fijn afgewerkt. En toen Rozan plaats nam, zei hij:

—Zet de schuldbekentenissen maar op mijn naam. Je begrijpt dat ik je niet wou compromiteeren. We zullen het samen wel vinden.... Zes wissels elk van vijf en twintigduizend francs, niet waar?

Laure telde op een hoek van de tafel de “lapjes”. Rozan kreeg ze niet eens te zien.

Toen hij geteekend had en het hoofd ophief, waren zij in Laure’s zak verdwenen. Maar zij kwam naar hem toe en zoende hem op beide wangen, wat hij heerlijk scheen te vinden. Larsonneau stond heel wijsgierig naar ze te kijken, terwijl hij de zes schuldbekentenissen opvouwde, en inktkoker en penhouder in zijn zak stak.

De jonge vrouw hing nog aan Rozan’s hals, toen Aristide Saccard een tip van de portière oplichtte.

—Geneer je niet, zei hij lachend.

De hertog kreeg een kleur. Maar Laure kwam den financier de hand schudden, terwijl zij een oogknipje met hem wisselde. Zij was in de wolken.

—’t Is gebeurd, mijn waarde, zei zij, ik had je gewaarschuwd. Je bent er toch niet boos om?

Saccard haalde met een goedig gezicht de schouders op. Hij schoof de gordijnen terzijde en plaats makende voor Laure en den hertog, riep hij met de krijschende stem van een deurwaarder:

—Mijnheer de hertog, mevrouw de hertogin!

Die aardigheid had een uitbundig succès. Den volgenden dag stond zij in de bladen, die Laure d’Aurigny zonder plichtplegingen bij haar naam noemden en de twee heeren heel doorzichtig met hun voorletters aanduidden. De breuk tusschen Aristide Saccard en de dikke Laure baarde nog meer opzien dan hun gewaande liefdesbetrekking.

Intusschen had Saccard het gordijn weer laten vallen, te midden van de vroolijkheid, die zijn grap in het salon had teweeg gebracht.

—Wat een moed, hè! zei hij, zich tot Larsonneau wendend. Ze is zoo slim!.... Jij deugniet, hebt er zeker een aardig voordeeltje bij. Wat krijg je er voor?

Maar deze verdedigde zich glimlachend, terwijl hij zijn manchetten, die opgeschoven waren, naar beneden trok. Hij ging dicht bij de deur naast Saccard zitten.

—’t Is maar gekheid, ik wil je de biecht niet afnemen, wat drommel! Maar laten we nu eens ernstig praten. Ik heb van avond een langdurig gesprek met mijn vrouw gehad.... Alles is in orde.

—Zij stemt dus toe om haar aandeel af te staan? vroeg Larsonneau.

—Ja; maar dat heeft moeite gekost.... Vrouwen zijn zoo koppig! Je weet, de mijne had haar oude tante beloofd niets te verkoopen. Dat waren bezwaren zonder eind.... Gelukkig had ik mijn praatje klaar, waardoor alles beslist is.

Hij stond op om een sigaar aan de kaars aan te steken, die Laure op de tafel had laten staan, en zich daarop weer neervlijend op de causeuse, vervolgde hij:

—Ik heb mijn vrouw gezegd, dat je heelemaal geruïneerd bent.... Je hebt op de beurs gespeeld, je geld met meisjes doorgebracht, in allerlei slechte speculaties gescharreld; kortom je bent op het punt om failliet te gaan.... Ik heb haar zelfs te verstaan gegeven, dat ik aan je eerlijkheid twijfelde.... Toen heb ik haar uitgelegd, dat de zaak-Charonne in jouw ondergang meegesleept werd, en dat het maar het verstandigst zou zijn het voorstel aan te nemen, dat je me gedaan hadt om haar vrij te maken, door namelijk haar aandeel te koopen, al was het maar voor een appel en een ei.

—Dat is niet veel bijzonders, mompelde de onteigeningsagent. En denk je soms dat je vrouw zulke leugens gelooven zal?

Saccard glimlachte, hij was in een mededeelzame bui.

—Je bent erg onnoozel, vriendlief, hernam hij. ’t Doet er weinig toe, wat je vertelt, maar het hoe, de toon en de gebaren, daar komt het op aan. Roep Rozan eens en ik wed met je, dat ik hem overtuig dat het klaarlichte dag is. En mijn vrouw is al niet veel verstandiger dan Rozan. Ik heb haar afgronden laten zien. Zij heeft zelfs geen vermoeden van de aanstaande onteigening. Toen zij verwonderd was, dat je er in jouw rampzaligen toestand nog aan denken kon zwaardere lasten op je te nemen, heb ik haar gezegd, dat zij je zeker in den weg zat om je schuldeischers een leelijken streek te spelen.... Enfin, ik heb haar de zaak aangeraden als het eenige middel om niet in eindelooze processen gewikkeld te worden, en ten minste nog eenig geld uit de terreinen te trekken.

Larsonneau bleef de geschiedenis een beetje grof vinden. Hij hield er een minder dramatische methode op na; al zijn operaties verwikkelden en ontknoopten zich sierlijk, als een salonstukje.

—Ik zou wat anders verzonnen hebben, zei hij. Enfin, ieder zijn manier.... Er blijft ons dus niets over dan te betalen.

—Daarover, antwoordde Saccard, wou ik me juist met je verstaan....

Morgen zal ik de akte van afstand aan mijn vrouw brengen, dan heeft zij die alleen bij je te laten bezorgen om den overeengekomen prijs te ontvangen. Ik zou liever een onderhoud vermijden.

Hij had inderdaad nooit willen hebben, dat Larsonneau op een vertrouwelijken voet met hen zou verkeeren. Hij inviteerde hem nooit, en bracht hem alleen bij Renée als het hoog noodig was dat de twee compagnons elkaar ontmoetten; dat was drie keeren gebeurd. Bijna altijd handelde hij als gevolmachtigde van zijn vrouw, daar hij het onnoodig vond dat hij alles van zijn zaken zou afweten.

Hij opende zijn portefeuille, en zei:

—Hier zijn tweehonderdduizend francs aan wissels, door mijn vrouw geteekend; die geef je haar in betaling, en dan voeg je er honderdduizend francs bij, die ik je morgen ochtend zal brengen.... ’t Is een heele aderlating voor me. Dat zaakje kost me verbazend veel.

—Maar, merkte de onteigeningsagent op, dat maakt pas driehonderdduizend francs.... Is dat het bedrag van de kwitantie?

—Een kwitantie van driehonderdduizend francs! hernam Saccard lachend, dat kan je begrijpen, daar zouden we later mooi mee uitkomen: Volgens onze inventarissen, moet het eigendom nu geschat worden op twee millioen vijfhonderdduizend francs. De kwitantie moet natuurlijk de helft lager zijn.

—Dan zal je vrouw nooit willen teekenen.

—Wel ja! Ik zeg je dat alles in orde is. Wat drommel! ik heb haar gezegd dat dit een eerste voorwaarde is. Je zet ons het mes op de keel met je failliet, begrijp je? En daarbij heb ik net gedaan of ik aan je eerlijkheid twijfelde en je beschuldigd dat je je schuldeischers wou beetnemen.... Denk je dat mijn vrouw iets van al die dingen begrijpt?

Larsonneau schudde het hoofd en mompelde:

—Je had toch iets eenvoudigers kunnen verzinnen.

—Maar mijn verhaal is zoo eenvoudig mogelijk! zei Saccard in de grootste verbazing. Waar zie je toch voor den drommel iets ingewikkelds in?

Hij had zelf geen begrip van het ongeloofelijke aantal kunstgrepen die hij bij de gewoonste zaak gebruikte. Hij was werkelijk in zijn schik met dat sprookje, dat hij Renée op de mouw had gespeld; wat hem het meest verrukte, dat was de onbeschaamdheid van den leugen, de opeenstapeling van onmogelijkheden, de verbazende ingewikkeldheid van de intrige. Hij had de terreinen al lang in zijn bezit gehad, als hij dat heele drama niet verzonnen had; maar het zou hem minder genot verschaft hebben, als hij ze gemakkelijk had kunnen krijgen.

Hij stond op, en Larsonneau bij den arm nemende, ging hij met hem naar het salon.

—Je hebt me begrepen, niet waar? Volg maar getrouw mijn aanwijzingen en je zult me later toejuichen.... Zeg eens, waarde vriend, je moest liever geen gele handschoenen dragen, dat bederft je hand.

De onteigeningsagent glimlachte even en antwoordde:

—O, handschoenen zijn zoo kwaad niet; men kan alles aanraken zonder zich vuil te maken.

Toen zij het salon binnen kwamen, was Saccard verbaasd en ietwat ongerust, toen hij Maxime aan de andere zijde van het portière vond. De jonge man zat op een causeuse naast een blonde dame, die hem met eentonige stem een lange geschiedenis vertelde, de hare zeker.

Hij had inderdaad het gesprek van zijn vader en Larsonneau gehoord. De medeplichtigen schenen hem een paar onverschrokken knapen toe. Nog geërgerd over Renée’s verraad, smaakte hij een laffe vreugde bij het hooren van den diefstal, waarvan zij het slachtoffer zou worden. Dat wreekte hem een beetje. Zijn vader kwam hem met een argwanend gezicht de hand drukken; maar Maxime fluisterde hem in het oor, terwijl hij op de blonde dame wees:

—Ze ziet er niet kwaad uit, hè? Ik wil van avond eens “werk van haar maken.”

Toen deed Saccard zich heel galant voor. Laure d’Aurigny kwam even bij hen; zij beklaagde zich dat Maxime haar ternauwernood eenmaal per maand bezocht. Maar hij gaf voor dat hij het heel druk had gehad, wat iedereen deed lachen. Hij voegde er bij, dat hij voortaan altijd zou komen.

—Ik heb een treurspel geschreven, zei hij, en ik heb eerst gisteren de vijfde akte gevonden. Ik ben van plan bij alle mooie vrouwen van Parijs te komen uitrusten.

Hij lachte; hij had schik in zijn toespelingen, die hij alleen begrijpen kon.

Intusschen bleef er niemand in het salon over dan Rozan en Larsonneau. De Saccards stonden op, evenals de blonde dame, die in het huis woonde. Toen ging Laure naar den hertog en sprak zachtjes met hem. Hij scheen verbaasd en teleurgesteld. Toen zij zag dat hij geen aanstalten maakte om op te staan, zei zij halfluid:

—Neen, heusch, vanavond niet. Ik heb zoo’n hoofdpijn! Morgen, dat beloof ik je.

Rozan moest gehoorzamen. Laure wachtte totdat hij op het portaal was, om Larsonneau snel in het oor te fluisteren:

—Ik houd mijn woord, hè, groote Lar.... stop hem in zijn rijtuig.

Toen de blonde dame afscheid van de heeren nam, om naar haar kamer op de bovenste verdieping te gaan, was Saccard verwonderd dat Maxime haar niet volgde.

—Nu? vroeg hij.

—Och neen, antwoordde de jonge man. Ik heb me bedacht.

Toen kwam hij op een idee, dat hij heel grappig vond:

—Ik sta je mijn plaats af, als je wilt. Haast je, ze heeft haar deur nog niet gesloten.

Maar de vader haalde zachtjes de schouders op en zei:

—Dank je, ik heb op ’t oogenblik wat beters, mijn jongen.

De vier mannen gingen naar beneden. Op straat gekomen, wilde de hertog bepaald dat Larsonneau met hem in het rijtuig mee zou gaan; zijn moeder woonde in het Marais; dan zou hij den onteigeningsagent aan zijn huis in de rue de Rivoli afzetten. Deze weigerde, sloot zelf het portier en riep den koetsier toe dat hij kon wegrijden. En hij bleef op het trottoir van den boulevard Haussmann met de twee anderen staan praten.

—Ach, die arme Rozan! zei Saccard, die op eens alles begreep.

Larsonneau bezwoer van neen, dat hij niets gaf om die dingen, dat hij een praktisch man was. En daar de twee anderen bleven schertsen en het een vinnige koude was, riep hij eindelijk uit:

—Nu, mij wel, ik bel aan!.... Je bent erg indiscrete lui.

—Goeden nacht! riep Maxime hem achterna, toen de deur weer dicht ging.

En zijn vader een arm gevende, liep hij met hem den boulevard op. Het was een van die heldere, vriezende nachten, wanneer het zoo aangenaam is op den harden grond, in de koude lucht te loopen. Saccard zei dat Larsonneau verkeerd deed, dat hij enkel een kameraad voor Laure moest zijn. Dat was zijn uitgangspunt om tot de verklaring te komen dat de liefde voor zulke meisjes werkelijk slecht was. Hij hing den zedenmeester uit, hij vond verwonderlijk wijze uitspraken en raadgevingen.

—Zie je, zei hij tot zijn zoon, dat is goed voor een tijd, mijn jongen. Men boet er zijn gezondheid bij in en het ware geluk smaakt men toch niet. Je weet dat ik niet zulke ouderwetsche ideeën heb. Maar ik heb er toch genoeg van; ik ga kalmer leven.

Maxime grinnikte; hij hield zijn vader staande, beschouwde hem in het maanlicht en verklaarde dat hij er nog goed uitzag.

Maar Saccard werd nog ernstiger.

—Spot zooveel je wilt. Maar ik zeg je nog eens, dat er niets boven het huwelijk gaat om een man te conserveeren en gelukkig te maken.

Toen sprak hij hem over Louise. En hij liep langzamer, om de zaak af te handelen, zei hij, nu zij er toch over praatten. De zaak was al geheel in orde. Hij vertelde hem zelfs dat hij met mijnheer de Mareuil den datum van de onderteekening van het contract had vastgesteld op den Zondag, die volgde op den Donderdag van halfvasten. Dien Donderdag zou er een groote soirée in het hôtel van het park Monceau zijn, en bij die gelegenheid zou het huwelijk openlijk bekend gemaakt worden.

Maxime vond dit alles heel goed. Hij was van Renée bevrijd, hij zag geen enkelen hinderpaal meer, hij gaf zich over aan zijn vader, zooals hij zich aan zijn stiefmoeder had overgegeven.

—Nu goed, dat is afgesproken, zei hij. Maar spreek er niet tegen Renée over. Haar vriendinnen zouden me voor den gek houden, me plagen, en ik heb liever dat ze de zaak pas tegelijk met de anderen te weten komen.

Saccard beloofde hem te zwijgen. Toen zij vervolgens op de hoogte van den boulevard Malesherbes kwamen, gaf hij hem nogmaals een schat van goede raadgevingen. Hij leerde hem hoe hij het moest aanleggen om zijn huis tot een paradijs te maken.

—En vóor alles, breek nooit met je vrouw. Dat is een domheid. Een vrouw met wie je niet meer omgaat, kost je ontzettend veel.... Eerstens, moet je het een of andere meisje betalen, nietwaar? Dan zijn de uitgaven in huis veel grooter: daar heb je het toilet, de bijzondere genoegens van mevrouw, de goede vriendinnen, den duivel en zijn trawanten.

Hij was in een bijzonder deugdzame bui. Het succès van de zaak Charonne stemde hem idyllisch teeder.

—Ik, ging hij voort, was geboren om gelukkig en vergeten in het een of ander dorpje te leven, te midden van mijn gezin.... Men kent me niet, jongenlief.... Ik lijk zoo ongedurig, zoo rusteloos, hè? Niets daarvan, ik zou dolgraag bij mijn vrouw blijven, ik zou graag mijn zaken in den steek laten voor een bescheiden inkomen, waarvan ik in Plassans zou kunnen leven.... Je wordt nu rijk, richt je nu met Louise een gezellige woning in, waar je als twee tortelduifjes kunt leven. Dat is zoo’n genot! Ik kom jelui eens opzoeken. Dat zal me goed doen.

De tranen verstikten op het eind zijn stem. Intusschen waren zij voor het hek van het hôtel gekomen, en zij bleven nog staan praten, op het trottoir.

Op die hoogten van Parijs woei er een stevig windje. Geen enkel geluid verstoorde de stilte van den helderen winternacht. Maxime, verbaasd over de gemoedelijke bui van zijn vader, had al een poosje een vraag op de lippen.

—Maar u, zei hij eindelijk, mij dunkt....

—Wat!

—Met uw vrouw!

Saccard haalde de schouders op.

—Juist. Ik was een dwaas. Daarom kan ik uit ondervinding spreken.... Maar we zijn weer bij elkaar. Al een kleine zes weken. Ik ga ’s avonds weer naar haar toe, als ik niet te laat thuis kom. Maar vandaag moet mijn arme schatje het maar buiten me stellen; ik moet den heelen nacht doorwerken. Ze is toch zoo mooi gevormd!....

En hij hield Maxime, die hem de hand toestak, terug en ging zachter, op vertrouwelijken toon voort:

—Je weet, de taille van Blanche Muller, nu, zoo iets, maar tienmaal leniger. En die heupen! die zijn zoo fijn, zoo mooi van lijnen....

En tot afscheid zei hij tot den jongen man die heenging:

—Jij bent net als ik, je bent goedhartig, je vrouw zal gelukkig zijn.... Tot ziens, mijn jongen.

Toen Maxime zich eindelijk van zijn vader bevrijd zag, liep hij met rassche schreden het park om. Wat hij daar vernomen had, verbaasde hem zoozeer, dat hij een onweerstaanbare behoefte gevoelde om Renée te zien. Hij wou haar vergiffenis vragen voor zijn ruw gedrag, van haar weten waarom zij gelogen had door hem mijnheer Saffré te noemen, en hooren hoe haar man zoo verliefd op haar was geraakt. Maar dat alles heel vaag; het eenige stellige was de wensch een sigaar bij haar te komen rooken en hun vriendschappelijke verhouding weer te hernieuwen. Als zij goed gemutst was, wou hij haar zelfs zijn aanstaand huwelijk aankondigen, om haar te doen inzien dat hun liefde voor altijd dood en begraven was. Toen hij het poortje geopend had, waarvan hij gelukkig den sleutel bewaard had, maakte hij bij zichzelf de opmerking, dat zijn bezoek, na alles wat zijn vader hem in vertrouwen verteld had, noodzakelijk en volstrekt niet onbehoorlijk was.

In de serre floot hij, evenals den vorigen avond, maar hij wachtte niet.

Renée kwam de glazen deur van het kleine salon open doen, en ging hem zwijgend voor, naar boven. Ze was juist thuis gekomen van een bal op het Stadhuis. Ze had haar balkostuum nog aan: een witte tullen japon met groote plooien en vol satijnen strikken; de basques van het satijnen lijf waren gegarneerd met een kantwerk van witte gitten, die in het licht der kandelabers blauw en rose geaderd schenen.

Toen Maxime haar boven aanzag, werd hij getroffen door haar bleekheid, door de diepe ontroering die haar het spreken belette. Zij verwachtte hem niet, zij beefde over al haar leden, toen zij hem daar, zooals gewoonlijk, zag komen, kalm, met zijn aanhalige manieren. Céleste kwam uit de kleedkamer terug, waar zij een nachthemd was gaan halen, en de gelieven bleven het stilzwijgen bewaren, totdat het meisje weg zou gaan. Het was anders hun gewoonte niet zich voor haar in te houden; maar zij voelden nu een zekeren schroom, om te uiten wat hun op de lippen lag.

Renée wilde dat Céleste haar in de slaapkamer zou ontkleeden, omdat daar een flink vuur brandde. Het kamermeisje maakte de spelden los, en deed haar kleeren een voor een uit, zonder zich te haasten. En Maxime, dien dit verdroot, nam werktuigelijk het hemd, dat naast hem op een stoel lag, en warmde het voor het vuur, voorover gebogen, de armen wijd uitgestrekt. Hij was gewoon, in hun gelukkige dagen, Renée dien kleinen dienst te bewijzen. Zij werd verteederd, toen zij hem het hemd voorzichtig voor het vuur zag houden. En toen Céleste er geen eind aan scheen te maken, vroeg hij:

—Heb je veel plezier op het bal gehad?

—O neen, je weet, ’t is altijd hetzelfde, antwoordde zij. Veel te veel menschen, een echte warboel.

Hij keerde het hemd om, dat aan de eene zij warm was.

—Wat voor kostuum had Adeline?

—Een mauve japon, tamelijk leelijk idee.... Ze is klein, en ze is verzot op strooken.

Ze spraken over de andere vrouwen. Nu brandde Maxime zijn vingers aan het hemd.

—Pas op, het zal schroeien, zei Renée met een moederlijke streeling in haar stem.

Céleste nam het hemd van den jongen man over. Hij stond op, ging het groote grijs-rose bed bekijken, bleef verdiept in de beschouwing van een der bouquetten op het behangsel, om het hoofd af te kunnen wenden, om Renée’s ontbloote borsten niet te zien. Dat deed hij instinctmatig. Hij geloofde zich haar minnaar niet meer, hij had het recht niet meer iets te zien. Toen haalde hij een sigaar voor den dag en stak ze aan.

Renée had hem toegestaan bij haar te rooken. Eindelijk ging Céleste heen; zij liet de jonge vrouw bij het haardvuur achter, geheel wit in haar nachtgewaad.

Maxime liep nog een poosje zwijgend heen en weer met een schuinschen blik naar Renée, die weer scheen te beven. En voor den schoorsteen staan blijvende, met zijn sigaar in den mond, vroeg hij op driftigen toon:

—Waarom heb je me niet gezegd dat het mijn vader was, die je gisteren avond bij je had?

Zij hief het hoofd op, de oogen wijd opengesperd, met een blik van naamlooze ontzetting; toen steeg er een purperen gloed naar haar wangen, en door schaamte als vernietigd, verborg zij het gelaat in haar handen en stamelde:

—Weet je dat! Weet je dat?....

Zij herstelde zich, trachtte te liegen.

—’t Is niet waar.... wie heeft het je verteld?

Maxime haalde de schouders op.

—Wel, vader zelf, hij vond je zoo mooi gevormd en hij prees je heupen.

Er klonk eenige spijt uit zijn woorden. Maar hij begon weer op en neer te loopen, terwijl hij tusschen twee trekjes aan zijn sigaar op een vriendelijk beknorrenden toon zei:

—Ik begrijp je waarachtig niet. Je bent een zonderlinge vrouw. ’t Is je eigen schuld als ik gisteren wat ruw ben geweest. Had je me gezegd dat mijn vader bij je was, dan was ik bedaard heengegaan, vat je? Ik heb geen recht—Maar nu ga je ons mijnheer de Saffré opnoemen!

Zij snikte, met de handen voor het gelaat. Hij kwam naderbij, knielde voor haar neer, trok haar handen met geweld weg.

—Komaan, zeg me nu eens waarom je mijnheer de Saffré hebt genoemd!

En zij antwoordde zachtjes, tusschen haar tranen in, met afgewend gelaat:

—Ik dacht dat je me verlaten zou, als je wist dat je vader....

Hij stond op, nam zijn sigaar weer van den schoorsteen en mompelde niets dan:

—Jij bent ook een rare!....

Zij huilde niet meer. De vlammen van den schoorsteen en de gloed van haar wangen droogden haar tranen. De verwondering Maxime zoo kalm te zien tegenover een bekentenis die zij meende dat hem ontzetten moest, deed haar haar schaamte vergeten. Zij zag hem loopen, zij hoorde hem spreken, als in een droom. Hij herhaalde haar, zonder zijn sigaar uit den mond te nemen, dat zij onverstandig was, dat het heel natuurlijk was dat zij gemeenschap met haar man had, dat hij er niet aan dacht om zich daarover boos te maken. Maar voor een minnaar uitkomen dien men niet heeft! En daarop kwam hij telkens terug, als iets dat hij niet begrijpen kon, dat hem werkelijk onnatuurlijk voorkwam. Hij sprak van die “dwaze inbeeldingen” van vrouwen.

—Je bent niet goed bij ’t hoofd, lieve kind, je mag wel oppassen.

Eindelijk vroeg hij nieuwsgierig:

—Maar waarom juist mijnheer de Saffré en geen ander?

—Hij maakt me het hof, zei Renée.

Maxime hield een onbeschoft antwoord terug; hij wou zeggen dat zij zeker gedacht had dat zij een maand ouder was, toen zij mijnheer de Saffré als haar minnaar noemde. Alleen een onaangename lach verried zijn boos opzet, en zijn sigaar in het vuur werpende, kwam hij aan den anderen kant van den schoorsteen zitten. Daar begon hij te redeneeren, hij gaf Renée als zijn meening te kennen, dat zij goede vrienden moesten blijven. Renée’s strakke gezicht maakte hem toch een beetje ongerust; hij durfde haar zijn huwelijk niet aankondigen. Zij beschouwde hem aandachtig, de oogen nog gezwollen van het schreien.

Zij vond hem nietig, bekrompen, verachtelijk, en toch hield zij van hem, met dezelfde liefde die zij voor haar kanten had. Hij zag er knap uit onder het licht van den kandelaar, die naast hem op den rand van den schoorsteen stond. Terwijl hij het hoofd achterover hield, wierp het kaarslicht een gouden glans over zijn haren, gleed langs zijn gelaat, over het lichte dons van zijn wangen, met een bekoorlijke blondheid.

—’t Wordt tijd dat ik heenga, zei hij meer dan eens.

Hij was stellig van plan niet te blijven. Renée zou het trouwens niet gewild hebben.

Alle twee dachten en zeiden het: zij waren nog slechts twee vrienden. En toen hij eindelijk de jonge vrouw de hand gedrukt had en op het punt stond de kamer te verlaten, hield zij hem nog een oogenblik terug en sprak hem over zijn vader. Zij hield een heele lofrede op hem.

—Ik had te veel berouw, zie je. Ik ben blij dat het zoo gegaan is.... Je kent je vader niet; ik stond verbaasd over zijn goedheid, zijn belangeloosheid. De arme man zit op het oogenblik zoo in zorgen.

Maxime keek zwijgend naar de punten van zijn laarzen. Zij praatte voort.

—Zoolang hij niet in deze kamer kwam, was het mij om het even. Maar later.... Toen ik hem hier zag komen, zoo hartelijk, om me wat geld te brengen dat hij met de grootste moeite overal vandaan had moeten halen, zich zonder klagen voor mij ruïneerde, toen werd ik er ziek van.... Als je wist hoe zorgvuldig hij mijn belangen behartigd heeft!

De jonge man kwam langzaam naar den schoorsteen terug en leunde er met den rug tegen. Hij scheen te weifelen; zijn mond nam langzamerhand een lachende uitdrukking aan.

—Ja, mompelde hij, mijn vader is heel knap in het behartigen van iemands belangen.

De toon van dat gezegde verwonderde Renée. Zij keek hem aan, en hij, als om zich te verdedigen:

—O, ik weet niets.... Ik zeg alleen dat mijn vader een knappe man is.

—Je zou er verkeerd aan doen als je kwaad van hem sprak, hernam zij. Je beoordeelt hem naar den schijn.... Als ik je al zijn beslommeringen noemde, als ik je zei wat hij mij vanavond nog in vertrouwen vertelde, dan zou je eens zien hoe men zich in hem vergist, als men denkt dat hij aan geld gehecht was.

Maxime kon een schouderophalen niet bedwingen. Hij viel zijn stiefmoeder in de rede, met een ironisch lachje.

—Nu, ik ken hem, ik ken hem al te goed.... Hij heeft je zeker wat moois verteld. Laat eens hooren.

Die schertsende toon kwetste haar. Toen werd zij nog uitbundiger in haar lof, zij vond haar man nu heelemaal groot, zij sprak over de zaak Charonne, over die knoeierij waarvan zij niets begrepen had, als over een ramp waarin Saccard’s schranderheid en goedheid haar voor het eerst duidelijk werden. Zij voegde er bij dat zij de akte van afstand den volgenden dag zou teekenen, en dat zij, als dat werkelijk een ramp was, dien ramp aanvaardde als een straf voor haar misslagen.

Maxime liet haar, met een spotlach en een schuinschen blik, ten einde toe uitpraten, toen zei hij halfluid:

—Ja, ja, zoo is het....

En luider, met de hand op Renée’s schouder:

—Lieve kind, ik dank je, maar ik wist er alles van.... Je bent een goede ziel.

Hij maakte weer een beweging om heen te gaan. Hij brandde van begeerte om alles te vertellen. Ze had hem wanhopig gemaakt met haar loftuitingen op haar man, en hij vergat zijn voornemen om niet te spreken, om alle onaangenaamheden te voorkomen.

—Wat bedoel je toch? vroeg zij.

—Wel, wat drommel, dat mijn vader je aardig beetneemt.... Ik heb met je te doen, heusch; je bent toch nog erg onnoozel!

En hij vertelde haar wat hij bij Laura gehoord had, laf en geniepig als hij was, met een geheime vreugde over al die laagheden uitweidende. Hij had een gevoel alsof hij zich wreekte over een beleediging, hem aangedaan. Zijn meisjesaard deed hem met genot bij die aanklacht verwijlen, bij dat wreede gebabbel, achter een deur afgeluisterd. Hij bespaarde Renée niets, noch het geld dat haar man haar met woekerwinst geleend had, noch dat wat hij van haar dacht te stelen, met belachelijke verzinsels, bakersprookjes.

De jonge vrouw hoorde hem aan, doodsbleek, met opeengeklemde lippen. Voor den schoorsteen staande, liet zij het hoofd een weinig zinken, staarde zij in het vuur. Haar nachtgewaad, dat hemd dat Maxime gewarmd had, ging open en liet haar blanke vormen zien, onbewegelijk als een standbeeld.

—Ik zeg je dat alles, besloot de jonge man, om je niet zoo dwaas te laten schijnen.... Maar je moet er mijn vader geen verwijt van maken. Hij is zoo kwaad niet. Hij heeft zijn gebreken, als iedereen.... Tot morgen, niet waar?

Hij ging naar de deur. Renée hield hem met een heftig gebaar terug.