De vroolijkheid steeg ten top. De “zwarte stippen” liepen heen en weer, op hun spichtige beenen, wiegelend als raven zonder kop. Men zag het hemd van een der heeren, met een stukje van de bretel. De dames stikten bijna van het lachen; mijnheer de Saffré beval haar toen de “zwarte stippen” te gaan zoeken. Zij schoten voort als een vlucht jonge patrijzen, met een groot geruisch van japonnen. En aan het einde van haar loop greep ieder den cavalier die onder haar bereik kwam. Het was een onbeschrijfelijke verwarring. En de geïmproviseerde paren walsten achtereenvolgens de zaal rond, met de volle muziek van het orkest.
Renée stond tegen den muur geleund. Bleek, met opeengeklemde lippen, keek zij toe. Een oude heer kwam haar galant vragen waarom zij niet danste. Ze moest glimlachen, een vriendelijk antwoord geven. Zij glipte door de paren en trad de eetzaal binnen. Het vertrek was ledig. Te midden van de geplunderde tafels, de flesschen en borden, die overal verspreid stonden, zaten Maxime en Louise kalm te soupeeren aan een hoekje van de tafel, naast elkaar, op een servet dat zij uitgespreid hadden. Zij schenen op hun gemak, zij lachten, in die wanorde, die vuile glazen, die vette borden, die nog warme overblijfselen van de gulzigheid der wit gehandschoende gasten. Zij hadden alleen de kruimels om zich heen weggeveegd. Baptiste wandelde deftig de tafel om, zonder de kamer, waar een troep wolven scheen huisgehouden te hebben, met een blik te verwaardigen; hij wachtte op de bedienden om een beetje orde op de aanrechttafels te laten aanbrengen.
Maxime had nog een tamelijk souper bij elkander gekregen. Louise was dol op noga-pistaches, waarvan een vol bord boven op een buffet was blijven staan. Zij hadden drie aangesproken champagne-flesschen voor zich staan.
—Papa is misschien al weg, zei het meisje.
—Des te beter! antwoordde Maxime, dan breng ik u thuis. En daar zij lachte:
—Je weet, dat men het er bepaald op gezet heeft dat ik met je trouw. ’t Is geen grapje meer, ’t is ernst.... Wat zullen we doen als we getrouwd zijn?
—Wel, natuurlijk wat alle anderen doen!
Die aardigheid was haar ontvallen; zij hernam dan ook gauw, als om ze in te trekken:
—We zullen naar Italië gaan. Dat zal goed zijn voor mijn borst. Ik ben erg ziek.... Ach, mijn arme Maxime, wat krijg je een grappig vrouwtje! Ik ben zoo mager als een sprinkhaan.
Zij glimlachte, met een zweem van droefheid, in haar pagekostuum. Een droge kuch bracht een rooden gloed op haar wangen.
—Dat komt van de noga, zei zij. Thuis mag ik het niet eten.... Geef me het bord even aan, ik zal de rest in mijn zak steken.
En zij maakte juist het bord leeg, toen Renée binnentrad. Zij trad regelrecht op Maxime toe, terwijl zij zich geweld aandeed om niet te vloeken, die gebochelde niet te slaan, die daar met haar minnaar aan tafel zat.
—Ik moet je spreken, bracht zij stamelend uit.
Hij aarzelde, door vrees bevangen, terugdeinzende voor een onderhoud met haar alleen.
—Jou alleen, dadelijk, herhaalde Renée.
—Ga maar, Maxime, zei Louise met haar onverklaarbaren blik. Zie meteen mijn vader te vinden. Ik raak hem op iedere soirée kwijt.
Hij stond op, hij probeerde de jonge vrouw in het midden der eetzaal tegen te houden, haar te vragen of er zoo’n haast bij was. Maar zij siste tusschen haar opeengesloten tanden:
—Volg me, of ik zeg alles ten aanhoore van iedereen!
Hij werd doodsbleek en volgde haar gedwee als een hond, die met de zweep gedreigd wordt. Zij meende te zien dat Baptiste haar aankeek; maar op dat oogenblik bekommerde zij zich weinig om de heldere blikken van dien dienaar!
Bij de deur hield de cotillon haar ten derden male terug.
—Wacht even, mompelde zij. Die ezels weten van geen ophouden.
En zij vatte zijn hand, dat hij niet zou trachten te ontsnappen.
Mijnheer de Saffré plaatste den hertog de Rozan met den rug tegen den muur, in een hoek van het salon, naast de deur der eetzaal. Hij stelde een dame voor hem, vervolgens een heer dos à dos met de dame, daarop een andere dame voor den heer, en zoo het eene paar na het andere, als een lange slang. Daar echter dames, druk in gesprek, achterbleven, riep hij:
—Komt, dames, op uw plaatsen voor de “colonnes”.
Zij kwamen, de “colonnes” werden gevormd. De ongepastheid die er in stak, zich zoo tusschen twee mannen gedrongen te voelen, tegen den rug van den een geleund en de borst van den ander vóór zich, maakte de dames bijzonder vroolijk.
De punten der boezems raakten de opslagen der jassen, de beenen der cavaliers verdwenen in de japonnen der danseressen, en wanneer de plotselinge vroolijkheid een hoofd deed buigen, was de snor die er voor stond genoodzaakt op zij te gaan, om het niet tot een kus te laten komen.
Op een gegeven oogenblik gaf een grappenmaker een licht duwtje; de rij drong dichter op elkaar, de jassen gingen nog dieper in de rokken; men hoorde gilletjes en gelach, een lachen zonder eind. Men hoorde barones Meinhold zeggen: “Maar mijnheer, u laat me stikken, druk niet zoo hard!” wat zoo grappig klonk, zoo’n uitbundige vroolijkheid verwekte, dat de “colonnes”, schokkend wankelden, tegen elkander stieten, op elkander leunden om niet te vallen.
Mijnheer de Saffré stond met opgeheven handen, gereed om te klappen. Toen klapte hij. Op dit teeken keerde ieder zich plotseling om. De paren, die tegenover elkander stonden, vatten elkander om het middel en de rij loste zich op in een reeks dansende paren. Alleen de arme hertog de Rozan kwam bij het omkeeren met den neus tegen den muur te staan. Hij werd braaf uitgelachen.
—Kom, zei Renée tot Maxime.
Het orkest speelde nog steeds den wals. Die weeke muziek, wier eentonige rythmus ten laatste vervelend werd, verdubbelde de verbittering der jonge vrouw. Zij bereikte het kleine salon, Maxime bij de hand houdende, en hem de trap opduwende, die naar de kleedkamer leidde.
—Naar boven, beval zij hem.
Zij volgde hem. Op dit oogenblik kwam mevrouw Sidonie, die den heelen avond om haar schoonzuster heen gedribbeld had, niet weinig verbaasd over die onophoudelijke tochten door de verschillende kamers, juist de stoep van de serre op. Zij zag nog even de beenen van een man, die de donkere trap opging.
Een flauwe glimlach verscheen op haar wasachtig gelaat, en haar toovenaresjapon opnemende om vlugger te kunnen loopen, ging zij haar broer opzoeken, bracht daarbij een figuur van den cotillon in de war en vroeg alle bedienden die zij tegenkwam, waar mijnheer Saccard kon zijn. Zij vond hem eindelijk met mijnheer de Mareuil, in een kamer naast de eetzaal, die voor deze gelegenheid tot rookkamer was ingericht. De beide vaders bespraken de huwelijksgift en het contract. Maar toen zijn zuster hem iets in het oor gefluisterd had, stond Saccard op, verontschuldigde zich en verdween.
Boven was de kleedkamer in de grootste wanorde. Op de stoelen lag het kostuum van de nimf Echo, de gescheurde tricot, eindjes verkreukte kant, linnengoed op een hoop neergeworpen, alles wat een vrouw, die haast heeft, achter zich laat. De ivoren en zilveren instrumentjes lagen zoowat overal, borstels en vijlen waren op het kleed gevallen; de nog natte handdoeken, de stukken zeep op het marmeren blad, de flacons die ontkurkt waren blijven staan, dat alles bracht in die vleeschkleurige kamer een sterken, doordringenden geur.
Om het blanketsel van armen en schouders te verwijderen, had de jonge vrouw zich na de tableaux-vivants in de rose marmeren badkuip gebaad. Op het afgekoelde water dreven plekken, die alle kleuren van den regenboog vertoonden.
Maxime trapte op een corset, viel bijna, trachtte te lachen. Maar hij huiverde voor de harde trekken van Renée. Zij kwam op hem af, gaf hem een duw en zei nauw hoorbaar:
—Dus ga je met die bochel trouwen?
—Ik denk er niet aan, stotterde hij. Wie heeft je dat verteld?
—Lieg maar niet, dat is niet noodig....
Hij kwam in opstand. Zij maakte hem angstig, hij wou er een eind aan maken.
—Nu ja dan, ik ga met haar trouwen. Wat zou dat?.... Ben ik mijn eigen meester niet?
Zij kwam naar hem toe, met ietwat gebogen hoofd, en hem met een kwaadaardigen lach bij de polsen grijpend:
—Meester? jij de meester?!.... Je weet wel anders. Ik ben de meester. Ik zou je armen kunnen breken, als ik kwaad wou; je hebt niet meer kracht dan een meisje.
En daar hij tegenspartelde, wrong zij zijn armen met de zenuwachtige heftigheid van haar toorn. Hij slaakte een lichten kreet. Toen liet zij hem los, en hernam:
—Laten we maar niet gaan vechten, zie je; ik zou de sterkste zijn.
Hij zag nog bleek, met de schaamte over die pijn die hij aan zijn polsen voelde. Hij volgde haar met den blik, terwijl zij heen en weer liep. Zij zette de stoelen op hun plaats, dacht intusschen na over een plan dat al in haar hoofd was opgekomen, toen haar man haar het huwelijk had bekend gemaakt.
—Ik zal je hier opsluiten, zei zij eindelijk, met het aanbreken van den dag gaan we naar Havre.
Hij werd nog bleeker van angst en verbazing.
—Maar dat is razernij! riep hij uit. We kunnen niet samen weggaan. Je weet niet meer wat je zegt....
—Wel mogelijk. In ieder geval ben jij met je vader daar de schuld van.... Ik heb behoefte aan je en ik neem je.
Een roode gloed schitterde in haar oogen. Zich vlak voor Maxime plaatsende, zoodat haar adem zijn gezicht verhitte, ging zij voort:
—Wat zou ik dan moeten beginnen, als je met die bochel trouwde? Je zou me uitlachen, ik zou misschien genoodzaakt zijn dien slungel van een Mussy weer te nemen, die nog niet in staat was me de voeten warm te maken.
Wanneer men gedaan heeft wat wij gedaan hebben, blijft men bij elkander. Bovendien, ’t is eenvoudig genoeg, ik verveel me als jij er niet bent, en daar ik heenga, neem ik je mee.... Je kan aan Céleste opgeven, wat ze van je kamers moet halen.
De ongelukkige strekte smeekend de handen uit:
—Kom, Renéelief, bega nu geen dwaasheden. Kom tot je zelve.... Denk eens aan het schandaal.
—Ik geef wat om dat schandaal! Als je weigert, ga ik naar het salon en ik roep hardop dat ik bij je geslapen heb en dat je nu lafhartig genoeg bent om met de bochel te trouwen.
Hij liet het hoofd zinken, hoorde haar aan, gaf reeds toe, dien wil aanvaardende die zich zoo ruw aan hem opdrong.
—We zullen naar Havre gaan, hernam zij zachter, zich verlustigende in haar droombeeld, en dan steken we naar Engeland over. Niemand zal ons daar vervelen. Als we nog niet ver genoeg zijn, gaan we naar Amerika. Ik heb het toch altijd koud, voor mij zal het goed zijn daar. Ik heb dikwijls de creoolschen benijd.... Maar hoe meer zij haar plan uitwerkte, des te benauwder werd Maxime. Parijs verlaten, zoo ver weggaan met een vrouw die bepaald gek was, een geschiedenis achter zich laten, waarvan de schandelijke zijde hem voor altijd verbannen zou! ’t Was alsof een afgrijselijke nachtmerrie hem den adem benam. Hij zocht wanhopig naar een middel om uit die kleedkamer te komen, dat rose verblijf van een krankzinnige. Eindelijk had hij iets gevonden.
—Ik heb immers geen geld, zei hij zachtmoedig, om haar niet kwaad te maken. Als je me opsluit, ben ik niet in de gelegenheid om het me te verschaffen.
—Ik heb het wel, antwoordde zij zegevierend. Ik heb honderdduizend francs. Alles komt op die manier in orde....
Zij nam uit haar spiegelkast de akte van afstand die haar man achtergelaten had, in de flauwe hoop dat zij zich bedenken zou. Zij bracht het papier naar de toilettafel, dwong Maxime haar pen en inkt te geven uit de slaapkamer, en de stukken zeep ter zijde schuivende, teekende zij.
—Ziedaar, zei zij, de dwaasheid is begaan. Als ik bestolen ben, is het met mijn eigen wil.... We zullen bij Larsonneau aangaan, voordat we naar het station gaan.... Nu, jongenlief, ga ik je opsluiten, dan pakken we ons weg door den tuin, als ik eerst al die menschen het huis uitgezet heb. We behoeven niet eens koffers mee te nemen.
Zij werd weer vroolijk. Die inval bracht haar in verrukking. Het was het toppunt van buitensporigheid, een einde dat haar in die heete koortscrisis, bijzonder origineel toescheen. Zij kwam Maxime omarmen en fluisterde:
—Ik heb je zooeven pijn gedaan, arme lieveling! Maar je weigerde ook....
Je zult eens zien hoe heerlijk het zal zijn. Denk je dat je bochel net zooveel van je zou houden als ik? Het is geen vrouw; die kleine baviaan....
Zij lachte, trok hem naar zich toe, kuste hem op de lippen, toen een gedruis hen het hoofd deed omwenden. Saccard stond op den drempel van de deur.
Er ontstond een pijnlijke stilte. Langzaam maakte Renée haar armen van Maxime’s hals los; zij boog het hoofd niet, maar bleef haar man aanstaren als een doode, met haar groote oogen; terwijl de jonge man, als verpletterd, wankelde, met gebogen hoofd, nu hij den steun van haar omhelzing niet meer voelde.
Saccard, als door den bliksem getroffen, bij dien ontzettenden slag die eindelijk den man en den vader in hem wakker riep, bleef daar staan, doodsbleek, hen verterende door den gloed, die uit zijn oogen straalde. In de vochtige, geurige lucht der kamer, vlamden drie kaarsen hoog op, met een rechte vlam, onbewegelijk als een heete traan. Het eenige geluid dat de verschrikkelijke stilte verbrak, was de muziek, die bij vlagen de nauwe trap opsteeg; de wals, met zijn slangachtig gekronkel, rolde zich ineen, sliep in op het sneeuwwit tapijt, te midden van het gescheurde tricot en de rokken, die op den grond lagen.
Toen trad de echtgenoot nader. De behoefte aan een daad van geweld deed de aderen van zijn gelaat opzwellen, hij balde zijn vuisten om de schuldigen neer te vellen. De drift barstte in dat bewegelijke mannetje uit met den knal van een geweerschot. Hij vertoonde een half gesmoorden grijnslach, en steeds nader komende:
—Je maakte haar je huwelijk bekend, niet waar?
Maxime trad een stap achteruit, zocht een steun tegen den muur:
—Luister, stamelde hij, zij....
Hij was op het punt haar lafhartig te beschuldigen, de schuld van de misdaad op haar te werpen, te zeggen dat zij hem wilde schaken, zich te verdedigen met de onderworpenheid en den angst van een kind, dat op een ondeugendheid betrapt wordt. Maar hij had er de kracht niet toe, de woorden bleven hem in de keel steken. Renée bleef als een standbeeld staan, in uitdagende houding. Toen wierp Saccard, als om een wapen te zoeken, een blik om zich heen. En op een hoek van de toilettafel, midden tusschen de kammen en nagelschuiers, bemerkte hij de akte, waarvan het zegelpapier geel afstak tegen het marmer. Hij keek naar de akte, keek naar de schuldigen. Zich voorover buigende, zag hij dat de akte geteekend was. Zijn oogen gingen van den geopenden inktkoker naar de nog vochtige pen, die naast den kandelaar lag. Hij bleef in gedachten voor die handteekening staan.
De stilte werd nog drukkender, de vlammen der kaarsen werden langer, de wals wiegde zich nog weeker, langs de behangsels. Saccard haalde bijna onmerkbaar de schouders op. Hij keek zijn vrouw en zijn zoon doordringend aan, als om op hun gelaat de verklaring te lezen die hij niet vond. Toen vouwde hij langzaam de akte dicht, en stak ze in zijn jaszak. Zijn gelaat was doodsbleek geworden.
—Je hebt er goed aan gedaan het te teekenen, lieve, zei hij zachtzinnig tot zijn vrouw.... Dat is honderdduizend francs die je verdiend hebt. Van avond zal ik je het geld brengen.
Hij glimlachte bijna, alleen zijn handen beefden een beetje. Hij deed een paar stappen, en ging voort:
—’t Is hier om te stikken. Wat een idee om een van jelui grappen in dit dampbad te komen uithalen!....
En zich tot Maxime wendende, die het hoofd weer opgericht had, verbaasd over de kalme stem van zijn vader:
—Kom, ga je mee! hernam hij. Ik had je naar boven zien gaan, ik zocht je dat je afscheid kon nemen van mijnheer de Mareuil en zijn dochter.
De twee mannen gingen naar beneden, samen pratende. Renée bleef alleen staan, in het midden van de toiletkamer, starende naar de gapende opening van de kleine trap, waarin zij de schouders van vader en zoon had zien verdwijnen. Zij kon haar oogen niet van die opening afwenden.
Hoe? Zij waren bedaard, vriendschappelijk heengegaan! Die twee mannen hadden elkander niet verpletterd! Zij luisterde scherp toe, of niet een afschuwelijke worsteling de beide lichamen van de trap deed rollen. Niets. In die zwoele duisternis, niets dan het geluid van dansen, éen lang gewiegel. Zij meende in de verte, het lachen van de markiezin, de heldere stem van mijnheer de Saffré te hooren. Het drama was dus geëindigd? Haar misdaad, de kussen in het groote grijs met rose bed, de woeste nachten in de serre, die geheele vervloekte liefde, die als brandend vuur maanden lang door haar aderen had gewoeld, eindigde dus zóo plat, zóo onedel! Haar man wist alles en sloeg haar zelfs niet. En de stilte om haar heen, die stilte waarin de oneindige wals doorklonk, jaagde haar grooter schrik aan dan een moord. Zij was bang voor die vreedzaamheid, bang voor dat zachtkleurig, bescheiden kabinet, vervuld met een geur van liefde.
Zij zag zichzelf in de hooge spiegelkast. Zij naderde, verbaasd zich te zien, haar man vergetende, Maxime vergetend, haar geest gericht op ééne gedachte, op die vreemde vrouw die zij voor zich had. De krankzinnigheid kwam op. Haar lichtblonde haar, aan de slapen en den nek opgestreken, scheen haar een naaktheid, een oneerbaarheid toe. De rimpel in haar voorhoofd groefde zich zoo diep, dat hij een donkere streep boven haar oogen trok, de smalle, blauwachtige striem van een zweepslag. Wie had haar zoo geteekend? Haar echtgenoot had toch niet de hand tegen haar opgeheven! En verwonderd keek zij naar haar bleeke lippen, naar haar bijziende oogen waaruit alle glans geweken was. Wat was zij oud! Zij boog het hoofd, en toen zij zich in haar tricot, in haar dunne gazen blouse zag, beschouwde zij zich, met neergeslagen oogen, en een plotselingen blos van schaamte.
Wie had haar ontkleed? Wat deed zij in die onvoegzame kleeding van een losbandige, die zich tot den buik ontbloot? Zij wist het niet meer. Zij keek naar de ronding van haar dijen door het tricot nauw omsloten, haar heupen wier buigzame lijnen zij onder het gaas kon volgen, haar laag ontblooten boezem; en zij schaamde zich voor zichzelve, en een verachting voor haar eigen lichaam vervulde haar met een mokkenden toorn tegen hen die haar zoo achterlieten, met niets dan gouden ringen aan haar enkels en haar polsen, om haar huid te bedekken.
Toen, met het idée fixe van een geest die aan zichzelven wanhoopt, zich afvragende wat zij daar deed, geheel naakt, voor den spiegel, zag zij zich, met een plotselingen terugblik op haar jeugd, als zevenjarig meisje in de doodsche deftigheid van het hôtel Béraud. Zij herinnerde zich een dag, waarop tante Elisabeth ze had aangekleed, haar en Christine in grijze wollen jurkjes met roode ruitjes. Het was Kerstfeest. Wat waren zij blij met haar twee eendere jurkjes. Tante verwende ze, zij gaf ze zelfs ieder een armbandje en een bloedkoralen halssnoer. De mouwen waren lang, het lijfje kwam tot aan de kin, de sieraden prijkten op de stof, en dat vonden ze heel mooi.
Renée herinnerde zich nog, dat haar vader er bij was, dat een weemoedig lachje over zijn vermoeide trekken gleed. Dien dag hadden zij en haar zuster in de kinderkamer als groote menschen rondgedrenteld, zonder te spelen, om zich niet vuil te maken. Later, bij de dames der Visitatie, hadden haar schoolmakkertjes haar uitgelachen om haar hansworstenkostuum, dat haar over haar handen hing en boven haar ooren uitstak. Ze had onder schooltijd zitten huilen. In het speeluur had zij, om niet langer geplaagd te worden, de mouwen omgeslagen en het halsboordje naar binnen gekeerd. En het bloedkoralen snoer en de armband schenen haar mooier toe om den blooten hals en den pols. Was zij van dien dag aan begonnen zich te ontkleeden?
Haar gansche leven kwam haar voor den geest. Zij doorleefde weer haar lange afdwaling, dat rumoerig leven van verkwisting en zingenot, dat zich langzamerhand van haar had meester gemaakt, dat in haar opgestegen was tot aan de knieën, tot den buik, toen tot de lippen, en dat zij nu als een stortvloed over haar hoofd voelde gaan, zoodat het daarbinnen klopte en bonsde.
Het was als een bedorven sap; het had haar leden afgemat, uitwassen van schandelijke hartstochten in haar hart en ziekelijke dierlijke neigingen in haar hoofd doen opkomen. Dat sap had haar voetzool opgenomen uit het kleed van haar rijtuig, uit nog andere kleeden, uit al die zijde en al dat fluweel, waarop zij sedert haar huwelijk liep. De voetstappen van anderen hadden die gifkiemen daar zeker achtergelaten, die kiemen die zich nu in haar bloed ontwikkeld hadden, die haar aderen nu door haar lichaam verspreidden.
Zij herinnerde zich haar kindsheid nog goed. Toen zij klein was, was zij alleen maar nieuwsgierig. Naderhand zelfs, na die verkrachting die haar tot het kwaad had gedreven, wilde zij zooveel schande niet. Stellig zou ze beter zijn geworden, als ze bij tante Elisabeth was blijven breien. En zij hoorde het regelmatige tiktak van tante’s breinaalden, terwijl zij in den spiegel staarde om in die vreedzame toekomst te lezen die haar ontgaan was. Maar zij zag slechts haar rose dijen, haar rose heupen, die vreemde vrouw van rose zijde die voor haar stond, en wier huid van fijne, dicht ineengeweven stof, gemaakt scheen voor de liefde van hansworsten en poppen. Zoover was het met haar gekomen, dat zij niets meer was dan een groote pop, uit wier gescheurde borst slechts een straaltje zemelen ontsnapt.
Toen, tegenover die gruwelen van haar leven, verhief zich een stem in haar binnenste; het bloed van haar vader, dat burgerlijke bloed, dat haar niet met rust liet in de uren van crisis, kwam tegen haar in opstand. Zij, die altijd met vrees en beving aan de hel had gedacht, zij had moeten blijven in de sombere gestrengheid van het hôtel Béraud. Wie had haar toch naakt gemaakt?
En in de blauwachtige schemering van den spiegel waande zij de gelaatstrekken van Saccard en Maxime te zien opdoemen. Saccard, donker van uiterlijk, grijnslachend, met een kleur als van ijzer, een lach als een nijptang, op zijn spichtige beenen. Die man was een wil. Sedert tien jaren zag zij hem in de smidse, in den gloed van het gloeiend metaal, met verzengde huid, hijgend, steeds kloppend, hamers hanteerend, twintigmaal te zwaar voor zijn armen, op gevaar af zichzelf te verpletteren.
Nu begreep zij hem; hij scheen haar grooter toe door die bovenmenschelijke inspanning, door die bovenmatige schelmerij, dat idée fixe om zich onmiddellijk een onmetelijk fortuin te verschaffen. Zij herinnerde zich, hoe hij over de hindernissen heensprong, in de modder rolde, zich niet eens den tijd gunde om zich af te wisschen, ten einde er vóor den bepaalden tijd te wezen; hoe hij zich zelfs niet onderweg ophield om te genieten, maar zijn goudstukken al loopende opkauwde.
Daarop verscheen het blonde, knappe hoofd van Maxime achter den lompen schouder van zijn vader; hij vertoonde zijn helderen meisjeslach, zijn ledige, veile deernenoogen die hij nooit neersloeg, zijn scheiding midden op het voorhoofd, waardoor de witte hoofdhuid te voorschijn kwam. Hij bespotte Saccard, hij vond hem burgerlijk, zooveel moeite te doen om geld te winnen, dat hij verteerde, met zijn beminnelijke luiheid. Hij liet zich onderhouden. Zijn lange, slappe handen getuigden van zijn ondeugden. Zijn onthaard lichaam nam de afgematte houding van een verzadigde vrouw aan. In heel dat slappe, weeke wezen, waarin de ondeugd stroomde met de zachtheid van een lauw water, schitterde geen sprankje nieuwsgierigheid naar het kwaad. Hij was het lijdzame werktuig.
En Renée, die twee verschijningen in de schemering van den spiegel ziende opdoemen, deinsde een stap terug, zij zag dat Saccard haar als inzet bij zijn spel, als bedrijfskapitaal bij zijn zaken had gebruikt en dat Maxime er bij was geweest om de goudstukken op te rapen, die uit den zak van den speculant gegleden waren. Zij was zooveel als een wisselbrief in de portefeuille van haar man; hij drong haar tot die kostuums van éen nacht, die minnaars van éen seizoen; hij wrong haar in de vlammen van zijn smeedoven, gebruikte haar als een edel metaal, om het ijzer met zijn handen te vergulden. Gaandeweg had de vader haar dwaas en ellendig genoeg gemaakt voor de kussen van den zoon. Indien Maxime het verarmde bloed van Saccard was, voelde zij zich het voortbrengsel, de wormstekige vrucht van die twee mannen, de eerloosheid die zij tusschen elkander gegraven hadden en waarin zij zich beurtelings wentelden.
Nu wist zij het. Die lieden hadden haar naakt gemaakt. Saccard had het keurslijf losgehaakt en Maxime had den rok laten afglijden. En met hun beiden hadden zij het hemd afgerukt. Nu had ze niets meer om het lijf, dan een paar gouden banden, als een slavin. Ze keken haar zooeven aan, ze zeiden niet: “Je bent naakt”.
De zoon beefde als een lafaard, rilde bij de gedachte zijn misdaad tot het einde toe te volvoeren, weigerde haar te volgen in haar hartstocht. De vader, in plaats van haar te dooden, had haar bestolen; die man strafte de lui door hun zakken te plunderen; een handteekening viel als een zonnestraal op zijn woeste drift en uit wraak nam hij de handteekening mee. Toen had zij hun schouders in de duisternis zien verdwijnen. Geen bloed op het tapijt, geen kreet, geen klacht. Het waren laaghartigen. Zij hadden haar uitgekleed.
En ze zei bij zichzelf dat zij één enkele maal de toekomst voorzien had, dien dag waarop, voor de fluisterende schaduwen van het park Monceau, de gedachte dat haar man haar, met schande overdekt, eens krankzinnig zou maken, als een schrikbeeld tusschen haar onstuimige begeerten was opgerezen. Ach! wat deed dat arme hoofd haar zeer! Hoe diep gevoelde zij, in dit oogenblik, de valschheid van dien waan, die haar deed gelooven dat zij in gelukzalige gewesten van goddelijke, straffelooze genietingen leefde! Zij had geleefd in het land der schande, en zij was gekastijd door de uitputting van haar geheele lichaam, door den dood van haar reeds zieltogenden geest. Zij schreide, dat zij niet geluisterd had naar die luide stemmen der boomen.
Haar naaktheid verbitterde haar. Zij wendde het hoofd om, keek om zich heen. In de kleedkamer heerschte nog steeds die muskuslucht, die warme stilte, waarin de walsdeuntjes doordrongen als de wegstervende kringen op een watervlak. Dat gedempte gelach van verwijderd genot kwam tot haar als een ondragelijke spotternij. Zij stopte zich de ooren toe om niets meer te hooren. Toen viel haar oog op de weelde van de kamer. Zij keek omhoog naar de rose tent, naar de zilveren kroon die een bolwangigen Amor liet zien, met den pijl op den boog; zij beschouwde de meubels, het marmer van de toilettafel, vol potjes en gereedschappen, die zij niet herkende; zij ging naar de badkuip, nog vol water; zij stiet met den voet tegen de stoffen, die op het wit satijn der fauteuils waren neergeworpen, het kostuum der nimf Echo, de rokken, de handschoenen die waren blijven liggen. En al die dingen spraken haar van schande: het kleed van de nimf Echo sprak haar van dat spel, dat zij had willen spelen, om het eigenaardige genot zich openlijk aan Maxime te kunnen aanbieden; de badkuip wasemde den geur van haar lichaam uit; het water waarin zij zich gebaad had, verspreidde door de kamer haar koorts van zieke vrouw; de tafel met hare zeepen en oliën, de meubels, met hun zachte rondingen als bedden, spraken haar lompweg over haar vleesch, over haar liefde, over al die onreinheden die zij wilde vergeten. Zij kwam weer terug naar het midden van de kamer, purperrood, niet meer wetende waar zij dien alkoofgeur zou ontvluchten, die weelde die zich met de schaamteloosheid van een lichtekooi ten toon stelde, al dat rose liet zien. De kamer was naakt, evenals zijzelf; de rose badkuip, de rose huid der behangsels, het rose marmer van de twee tafels kregen leven, rekten zich uit, rolden zich ineen, omringden haar met zoo’n bandeloosheid van levende wellustigheden, dat zij de oogen sloot, het hoofd deemoedig boog onder het kantwerk van het plafond en de muren, dat haar verpletterde.
Maar, door haar gesloten oogleden heen, zag zij weer de vleeschkleur van de kleedkamer, en zij zag bovendien het zachte grijs van de slaapkamer, het zachte geel van het kleine salon, het harde groen van de serre, al die medeplichtige weelde. Daar hadden haar voeten de slechte sappen in zich opgenomen. Op een matras, in een zolderkamertje, zou zij met Maxime niet geslapen hebben. Dat zou al te onwaardig geweest zijn. De zijde had haar misdaad koket gemaakt. En de verzoeking kwam in haar op die kanten af te rukken, op die zijde te spuwen, haar groot bed stuk te trappen, haar weelde in een goot te sleepen, waar ze even versleten en bezoedeld uit zou komen als zij zelf.
Toen zij de oogen weer opende, trad zij op den spiegel toe, bekeek zich nog eens nauwlettend. Ze was uitgeleefd. Zij zag zich reeds dood. Haar geheele gelaat zei haar, dat de stoornis in haar brein nu volkomen was. Maxime, die laatste verdorvenheid van haar zinnen, had zijn werk voltooid, haar lichaam uitgeput, haar geest van streek gebracht. Zij zou geen vreugde meer smaken, voor haar geen hoop op een beter ontwaken. Bij die gedachte ontstak zij weer in een woesten toorn. En in een laatste crisis van begeerte, kwam het denkbeeld in haar op haar prooi weer te omvatten, te zieltogen in de armen van Maxime, hem met zich mee te voeren. Louise kon niet met hem trouwen; Louise wist wel dat hij niet van haar was; zij had immers gezien hoe zij elkander de lippen boden. Toen wierp zij een bonten kraag over haar schouders, om niet geheel ontkleed de balzaal door te gaan. Zij ging naar beneden.
In het kleine salon stond zij eensklaps voor mevrouw Sidonie. Deze had zich, om van het drama te genieten, weer op de stoep van de serre geposteerd. Maar zij begreep er niets meer van, toen Saccard weer met Maxime te voorschijn kwam, en ruw op haar fluisterende vragen antwoordde, dat zij droomde, dat er volstrekt niets was. Toen vermoedde zij de waarheid. Haar geel gezicht werd bleek, dàt vond zij al heel sterk. En zachtjes kwam zij haar oor tegen de trapdeur leggen, in de hoop dat zij Renée boven zou hooren schreien. Toen de jonge vrouw de deur opende, sloeg deze haast tegen haar schoonzuster aan.
—Je bespiedt me! zei Renée toornig.
Maar mevrouw Sidonie antwoordde met een fiere minachting:
—Denk je dat ik me met jouw vuiligheden bemoei?
En haar toovenarescostuum weer opnemende, ging zij statig heen, met de opmerking:
—’t Is mijn schuld niet, kleine, als je in de klem geraakt.... Maar ik ben niet haatdragend, hoor! En weet wel, dat je in mij een tweede moeder zou gevonden hebben en nog kan vinden. Je kan bij me komen, zoodra je maar wil.
Renée hoorde haar niet eens aan. Zij trad het groote salon binnen, ging midden door een ingewikkeld cotillon-figuur, zonder te letten op de verbazing die haar bonten kraag teweeg bracht. In het midden der zaal waren groepjes dames en heeren, die met vaandeltjes wuifden, terwijl de aangename stem van mijnheer de Saffré zei:
—Komaan, dames “la Guerre du Mexique”.... De dames die het struikgewas voorstellen, moeten haar rokken wijd uitspreiden en op den grond blijven zitten.... Nu draaien de heeren om het struikgewas heen.... Wanneer ik vervolgens in de handen klap, danst iedere heer met zijn heester.
Hij klapte in de handen. De trompetten schalden, de wals liet weer zijn paren door de zaal zweven. De figuur had weinig succès gehad. Twee dames waren in haar rokken verward op den grond blijven zitten. Mevrouw Daste verklaarde dat zij de “Guerre du Mexique” daarom alleen vermakelijk vond, omdat zij bij het neerhurken haar japon kon laten opbollen, evenals toen zij op de kostschool was.
In de vestibule vond Renée Louise en haar vader, die door Saccard en Maxime uitgeleide werden gedaan. Baron Gouraud was vertrokken. Mevrouw Sidonie ging heen met Mignon en Charrier, terwijl mijnheer Hupel de la Noue mevrouw Michelin begeleidde, bescheidenlijk gevolgd door haar man.
De prefect had het overige van den avond besteed met het hof te maken aan de mooie brunette. Hij had haar juist weten over te halen een van de zomermaanden in zijn standplaats te komen doorbrengen, waar men oudheden zag, “die de moeite waard waren.”
Louise, die stilletjes de noga opknabbelde die zij in haar zak had, kreeg een hoestbui toen zij juist afscheid namen.
—Stop je maar goed in, zei de vader.
En Maxime haastte zich den band van haar capuchon dichter toe te halen. Zij hief de kin op en liet zich warm instoppen. Maar toen mevrouw Saccard verscheen, kwam mijnheer de Mareuil terug, om afscheid van haar te nemen.
Zij bleven allen nog een oogenblikje praten. Zij gaf een verklaring van haar bleekheid en haar huiveringen, zij had zich koud gevoeld en was naar boven gegaan om dien kraag om te slaan. En zij loerde op het oogenblik dat zij zachtjes met Louise kon spreken, die haar met haar kalme nieuwsgierigheid aankeek. Terwijl de mannen elkander de hand drukten, fluisterde zij:
—Je trouwt toch niet met hem, hè? ’t Is niet mogelijk. Je weet wel....
Maar het meisje liet haar niet uitspreken, en zich uitrekkende, fluisterde zij haar in het oor:
—Wees maar niet bang, ik neem hem mee.... ’t Hindert niets, hoor, we gaan immers toch naar Italië.
En zij glimlachte, met haar flauwen glimlach van verdorven sphinx. Renée kon geen antwoord vinden. Zij begreep er niets van, ze dacht dat de bochel haar voor den gek hield. Toen de Mareuils eindelijk heengingen, onder een herhaald: “Tot Zondag!”, keek zij haar man aan, en zij keek Maxime aan, met haar oogen vol ontzetting, en ze zoo kalm en bedaard ziende, sloeg zij de handen voor het gelaat en vluchtte heen, achter in de serre.
De gangpaden waren verlaten. Het was stil onder het dichte gebladerte; op de loome watervlakte van de kom ontloken langzaam twee knoppen van de nymphea. Renée had willen huilen; maar die vochtige warmte, die sterke geur dien zij herkende, kneep haar de keel dicht, verstikte haar wanhoop. Zij keek omlaag naar den rand van de kom, naar dat plekje geel zand, waar zij den vorigen winter de berenhuid uitspreidde. En toen zij het hoofd ophief, zag zij nog een figuur van den cotillon, achter in de zaal, door de twee opengelaten deuren.
Het was een oorverdoovend geraas, een verwarde mengeling waarin zij eerst niets anders onderscheidde dan fladderende japonnen en zwarte beenen, die trappelden en draaiden. De stem van mijnheer de Saffré riep: “Changement de dames! Changement de dames!” En de paren gingen in een fijne gele stofwolk voorbij; iedere heer, na drie of vier malen rondgewalst te hebben, wierp zijn dame in de armen van zijn buurman, die hem de zijne toewierp. Barones de Meinhold, in haar Smaragdkostuum, viel uit de handen van graaf de Chibray in die van mijnheer Simpson; hij ving haar op goed geluk op, bij een schouder, terwijl de toppen van zijn handschoen onder haar keurslijf gleden. Gravin Vanska, vuurrood, haar koralen hangers doende klinken, sprong uit de armen van mijnheer de Saffré in die van den hertog de Rozan, dien zij omklemd hield en noodzaakte vijf maten met haar rond te springen, om vervolgens aan de heup van mijnheer Simpson te hangen, die de Smaragd aan den leider van den cotillon had toegeworpen. En mevrouw Teissière, mevrouw Daste, mevrouw de Lauwerens, glinsterden als levende edelgesteenten, met het bleeke blond van den Topaas, het zachte blauw van den Turkoois, het diepe blauw van den Saffier; zij gaven zich een oogenblik over, bogen zich onder den gestrekten pols van een danser, dansten dan weer voort, kwamen in een nieuwe omhelzing terecht, werden achtereenvolgens door al de mannen in het salon in de armen gedrukt. Intusschen had mevrouw d’Espanet, voor het orkest staande, mevrouw Haffner in het voorbijgaan opgevangen, walste met haar, en wilde haar niet loslaten. Het Goud en het Zilver dansten verliefd samen.
Renée begreep toen dat gefladder van rokken, dat geschuifel van voeten. Zij bevond zich op een lager standpunt, zij zag die razernij van de voeten, die mengeling van verlakte laarzen en witte enkels. Soms scheen het haar toe of een windvlaag al die rokken weg zou voeren. Die naakte schouders, die bloote armen, de fladderende losse haren, opgevangen, toegeworpen en weer opgevangen, aan het eind van die galerij, waar de wals van het orkest als razend werd, waar het roode behangsel bezwijmde in de laatste koortsige opgewondenheid van het bal, schenen haar toe als het woelig beeld van haar eigen leven, haar naaktheden, haar uitspattingen.
En zij voelde zoo’n vlijmende smart, bij de gedachte dat Maxime, om de bochel in zijn armen te nemen, haar daar geworpen had, op die plek waar zij elkander bemind hadden, dat zij lust gevoelde om een tak van de tanghinia die haar langs de wang streek, af te rukken en tot op het hout toe op te kauwen. Maar zij was lafhartig, zij bleef voor den struik, rillend onder haar bonten kraag, dien haar armen dicht over haar schouders trokken, met een gebaar van angstige schaamte.