Het contract werd opgemaakt met uitsluiting der gemeenschap van goederen, zoodat elk der echtgenooten het beheer over zijn eigen fortuin behield.

Tante Elisabeth luisterde aandachtig toe en scheen zeer voldaan over deze bepaling, die de onafhankelijkheid van haar nicht scheen te waarborgen en haar fortuin tegen alle vervreemding beschermen zou.

Saccard glimlachte even toen hij de goede dame bij iedere clausule een goedkeurend knikje zag geven. Het huwelijk werd op den kortst mogelijken termijn vastgesteld.

Toen alles geregeld was, ging Saccard naar zijn broer Eugène om hem heel plechtstatig zijn aanstaand huwelijk met mejuffrouw Renée Béraud Du Châtel aan te kondigen. Dit meesterstuk verbaasde den afgevaardigde.

Saccard, zijn verbazing ziende, zei:

—Je hebt me gezegd, dat ik moest zoeken, welnu, ik heb gezocht en gevonden.

Eugène, die er eerst niets van begreep, vermoedde toen de waarheid. En op innemenden toon antwoordde hij:

— Komaan, je bent een handig man.... Je komt me zeker vragen om te getuigen? Je kunt op me rekenen. Als het noodig is, breng ik de heele rechterzij van het Wetgevend lichaam op de bruiloft mee; dat zou je al dadelijk heel wat aanzien verschaffen.... En terwijl hij de deur open deed, zei hij op zachter toon:

—Zeg, ik wil me op dit oogenblik niet al te erg compromitteeren, we hebben juist een wetsontwerp dat we er heel moeielijk door zullen krijgen.... De zwangerschap is toch, hoop ik, niet te ver gevorderd?

Saccard wierp hem zoo’n venijnigen blik toe, dat Eugène bij zichzelf zei, toen hij de deur achter hem sloot: Dat grapje zou me duur te staan zijn gekomen, als ik geen Rougon was.

Het huwelijk had plaats in de kerk Saint-Louis-en-l’Ile. Saccard en Renée ontmoetten elkander voor het eerst op den avond voor den grooten dag, in een benedenzaal van het hôtel Béraud. Zij keken elkander nieuwsgierig aan.

Sedert men over haar huwelijk aan het onderhandelen was gegaan, had Renée haar vroolijke onbezonnenheid teruggevonden. Het was een groot meisje, heel mooi en heel bewegelijk, dat vrij was opgegroeid met al de grillen van een kostschoolmeisje.

Zij vond Saccard klein en leelijk, maar zijn leelijkheid had iets belangwekkends en schranders, dat haar niet mishaagde; er viel overigens niets op zijn toon en manieren aan te merken.

Hij vertrok even zijn gezicht, toen hij haar zag; zij leek hem ongetwijfeld te groot toe, grooter dan hij zelf. Zonder eenige verlegenheid wisselden zij enkele woorden. Indien de vader tegenwoordig was geweest, zou hij inderdaad hebben kunnen meenen, dat zij elkander sinds lang kenden, dat zij samen een misslag begaan hadden. Tante Elisabeth, die bij het onderhoud tegenwoordig was, schaamde zich voor hen.

Op den dag na het huwelijk, waaraan de tegenwoordigheid van Eugène Rougon, die kort geleden de aandacht op zich gevestigd had door een belangwekkende redevoering, een grooten luister bijzette, werden de jonggehuwden eindelijk tot mijnheer Béraud Du Châtel toegelaten.

Renée huilde toen zij haar vader verouderd, ernstiger en stiller terugvond. Saccard, die zich tot dusver door niets van zijn stuk had laten brengen, huiverde bij de kilheid en het schemerlicht van de kamer, den droevigen ernst van dien grooten grijsaard, wiens doordringende blik zijn ziel tot op den bodem scheen te doorzoeken.

De oude magistraat drukte langzaam een kus op het voorhoofd zijner dochter, als om haar te zeggen dat hij haar vergiffenis schonk, en zich tot zijn schoonzoon wendende, zei hij niets anders dan:

—Mijnheer, wij hebben veel geleden. Ik reken er op dat gij ons uw onrecht zult doen vergeten.

Hij reikte hem de hand. Maar Saccard bleef huiverig. Hij dacht bij zichzelf, als mijnheer Béraud Du Châtel niet gebukt had gegaan onder de tragische smart van Renée’s schande, dan zou hij met één blik, met één gebaar de kunstgrepen van mevrouw Sidonie te niet gedaan hebben.

Nadat deze haar broer een onderhoud met tante Elisabeth verschaft had, had zij zich voorzichtig achteraf gehouden. Zij was zelfs niet bij de huwelijksplechtigheid verschenen.

Saccard deed zich zeer innemend voor bij den ouden man, in wiens blik hij een groote verbazing gezien had, den verleider zijner dochter zoo klein, leelijk en oud te vinden.

De jonggehuwden waren genoodzaakt de eerste nachten in het hôtel Béraud door te brengen. Al vóór twee maanden had men Christine verwijderd, opdat het veertienjarige meisje niets zou vermoeden van het drama, dat in dat kalme, stille huis werd afgespeeld. Toen zij terugkwam, keek zij verbluft naar den man van haar zuster, dien zij ook oud en leelijk vond.

Renée was de eenige die niet scheen te letten op den leeftijd of het onoogelijke uiterlijk van haar man. Zij behandelde hem zonder minachting, maar ook zonder liefde, met een onverstoorbare kalmte, waarin soms een zweempje spottende geringschatting merkbaar was.

Saccard zette een hooge borst, deed alsof hij thuis was, en wist werkelijk door zijn gulle levendigheid ieders vriendschap te verwerven.

Toen zij vertrokken om een prachtig nieuw huis in de rue de Rivoli te gaan betrekken, was er al geen verwondering meer in den blik van mijnheer Béraud Du Châtel te lezen en de kleine Christine speelde heel kameraadschappelijk met haar zwager.

Renée was toen vier maanden zwanger; haar man was juist voornemens haar naar buiten te zenden, om later met den leeftijd van het kind te kunnen smokkelen, toen zij, zooals mevrouw Sidonie voorzien had, een miskraam kreeg.

Zij had zich zoo ingeregen om haar zwangerschap te verbergen, die trouwens niet zeer merkbaar was onder haar ruime japon, dat zij gedurende eenige weken te bed moest blijven.

Hij was dolblij met dit buitenkansje; eindelijk was de fortuin hem gunstig; hij had een prachtigen koop gesloten, een royale huwelijksgift, een vrouw die zoo mooi was dat hij wel binnen het halfjaar gedecoreerd zou worden en niet den minsten last.

Men had voor twee honderdduizend francs zijn naam van hem gekocht voor een foetus, dat de moeder niet eens verlangde te zien. Nu verkneukelde hij zich al bij de gedachte aan de terreinen van Charonne. Maar voor het oogenblik moest hij al zijn aandacht wijden aan een speculatie die den grondslag van zijn fortuin zou uitmaken.

Ofschoon de familie van zijn vrouw tot zoo’n deftigen stand behoorde, nam hij niet dadelijk ontslag als opzichter der wegen. Hij wendde voor, dat hij eenige aangevangen bezigheden moest afmaken, en nieuwe moest zoeken.

In werkelijkheid wilde hij tot het laatste oogenblik op het slagveld blijven, waar hij zijn eerste troeven uitgespeeld had. Hij was daar thuis, hij kon zijn valsch spel daar meer op zijn gemak spelen.

Het plan van den opzichter der wegen om fortuin te maken was eenvoudig en praktisch. Nu hij meer geld in handen had dan hij ooit had durven hopen om zijn operaties te beginnen, was hij voornemens zijn plannen op groote schaal uit te voeren. Hij kende zijn Parijs door en door, hij wist dat de goudregen die tegen de muren kletterde, met den dag dichter zou neervallen. Handige luidjes behoefden slechts hun zakken open te doen. Hij nu had onder die handigen plaats genomen, toen hij in de toekomst leerde lezen op de bureaux van het stadhuis.

Door den aard van zijn bezigheden was hij er achter gekomen hoeveel men kan stelen bij den aan- en verkoop van huizen en terreinen.

Hij was op de hoogte van alle bestaande knoeierijen, hij wist hoe men voor een millioen verkoopt wat men voor de helft gekocht heeft; hoe men voor geld recht krijgt om de schatkist van den Staat, die het oogluikend en glimlachend toelaat, te plunderen, hoe men, onder de toejuichingen van al degenen, die er het slachtoffer van zijn, met de huizen van zes verdiepingen goochelt, als er een boulevard wordt aangelegd in het hartje van een oude wijk. En wat, in dien nog troebelen tijd, toen de kanker der speculatie nog in haar wordingsperiode was, van hem een verschrikkelijken speler maakte, was de omstandigheid dat hij veel beter dan zijn chefs zelven ried, welk een toekomst in Parijs was weggelegd voor hardsteen en kalk.

Hij had zooveel gesnuffeld, zooveel aanwijzingen opgespoord, dat hij het schouwspel, dat de nieuwe wijken in 1870 zouden aanbieden, had kunnen voorspellen. Soms, als hij op straat liep, keek hij sommige huizen zonderling aan, als waren het kennissen met wier lot hij alleen bekend en innig begaan was.

Twee maanden voor Angèle’s dood was hij met haar op een Zondag naar de buttes Montmartre geweest. De arme vrouw vond het verrukkelijk in een restauratie te eten; zij voelde zich gelukkig, als hij haar na een lange wandeling, buiten Parijs, in het een of andere koffiehuis voor een tafeltje plaats liet nemen. Op dien Zondag dineerden zij op den top der hoogte, in een restauratie waarvan de vensters uitzicht gaven op Parijs, op die huizenzee met blauwachtige daken, als dicht opeengedrongen golven die den onmetelijken horizon vulden.

Hun tafeltje stond voor een dier vensters. Saccard geraakte door dat uitzicht in een vroolijke stemming. Bij het dessert bestelde hij een flesch bourgognewijn. Hij lachte de ruimte toe, hij was buitengewoon galant. En met ingenomenheid daalden zijn blikken steeds weder naar die levende wemelende zee, uit wier diepten de stem des volks oprees.

Het was in den herfst, de stad scheen onder den bleeken hemel weg te kwijnen in een teer zachtgrijs, hier en daar met donker groen gestipt, dat in de verte leek op de groote bladeren van waterleliën, ronddrijvend op een meer. De zon ging onder in een rooden wolk, en terwijl een lichte nevel op den achtergrond verrees, daalde een gouden stofregen op den rechteroever der stad, in den omtrek der Madeleine en der Tuileriën.

Het was als het betooverde hoekje van een stad uit de Duizend en éen nacht, met smaragden boomen, saffieren daken en robijnen weerhanen. Eén oogenblik was de straal, die tusschen twee wolken doorgleed, zoo schitterend, dat de huizen in lichte laaie schenen te staan, en te smelten als een staaf goud in een smeltkroes.

—O, zie eens, zei Saccard met een kinderlijken lach, het regent gouden tientjes in Parijs!

Angèle begon nu ook te lachen, en merkte op dat die tientjes niet zoo gemakkelijk op te rapen waren. Maar haar man was opgestaan en met den arm op het kozijn geleund, riep hij uit:

—Dat is de Vendôme-zuil, niet waar, die daar zoo schittert!.... Hier, meer naar rechts, daar heb je de Madeleine.... Een mooie wijk, waar nog veel te doen valt.—O, nu staat alles in brand! Zie je?.... ’t is net of de heele wijk in den distilleerketel van een scheikundige kookt.

Zijn stem werd ernstig en bewogen. De vergelijking, die hij onwillekeurig gemaakt had, scheen hem zelfs te treffen. Hij had bourgognewijn gedronken, hij verdiepte zich in zijn onderwerp; hij ging voort, terwijl hij de hand uitstrekte om Parijs te toonen aan Angèle, die naast hem was komen staan:

—Ja, ja, ik heb de waarheid gesproken, meer dan eene wijk zal ineenstorten, en er zal goud achterblijven aan de vingers van hen die de kroes zullen verhitten en omroeren. Dat lummelachtige Parijs! Zie eens hoe onmogelijk groot het is en hoe rustig het inslaapt! ’t Is toch een dwaas ding, die groote steden! Het denkt heelemaal niet aan het leger van houweelen, dat het op een mooien morgen zal komen aanvallen, en zekere groote heerenhuizen in de rue d’Anjou zouden niet zoo mooi glinsteren in de ondergaande zon, als zij wisten dat zij nog maar drie of vier jaar te leven hebben.

Angèle dacht dat haar man gekscheerde. Hij had soms een manier van schertsen die schrik aanjoeg. Zij lachte, schoon met een onbestemde vrees, toen zij dat manneke zich zag oprichten boven dien reus die aan zijn voeten lag, om hem met een spotachtig lachen de vuist te toonen.

—Men is reeds begonnen, ging hij voort. Maar dat heeft niet veel te beduiden. Kijk daar ginds, den kant van de Hallen uit, daar heeft men Parijs in vieren gesneden....

En met de uitgestrekte hand, vlak en scherp als een hakmes, maakte hij een gebaar alsof hij de stad in vieren deelde.

—Je bedoelt de rue de Rivoli en den nieuwen boulevard die aangelegd wordt? vroeg zijn vrouw.

—Juist, den grooten kruisweg van Parijs, zooals zij zeggen. Zij maken het Louvre en het stadhuis vrij. Alles kinderspel! Dat is goed om het publiek trek te doen krijgen.... Wanneer het eerste net voltooid is, dan beginnen de poppen eerst goed te dansen. Het tweede net zal de stad aan alle kanten doorsnijden om de voorsteden met het eerste net te verbinden. De afgesneden stukken zullen zieltogen in de kalk.... Kijk maar eens langs mijn hand. Van den boulevard du Temple tot aan de barrière du Trône, éen sneê, verder dezen kant uit weer een sneê, van de Madeleine naar de plaine Monceau, een derde sneê in deze richting, een vierde in die, een sneê hier, een sneê daar, sneden overal, Parijs met sabelhouwen stuk gehakt, de aderen geopend, honderdduizend aardwerkers en metselaars voedsel gevende, door prachtige strategische wegen doorkruist, die de fortificaties in ’t hartje van de oude wijken zullen brengen.

De avond viel. Zijn magere, zenuwachtige hand hakte nog altijd in de ruimte. Angèle huiverde even voor dat levende mes, voor die ijzeren vingers die onmeedoogend op die onbegrensde opeenstapeling van donkere daken inhakten.

De nevels van den horizon daalden intusschen langzaam van de hoogte neer, en zij verbeeldde zich, onder de duisternis die zich in de diepten opeenhoopte, een verwijderd gekraak te hooren, alsof de hand van haar man inderdaad de sneden maakte, waarvan hij sprak, alsof zij Parijs midden doorspleet, balken doormidden brak, steenen verbrijzelde en groote, afschuwelijke wonden van ingestorte muren achter zich liet. De nietigheid van die hand, die op een reusachtige prooi aanviel, werd eindelijk verontrustend; en terwijl zij zonder moeite de ingewanden der onmetelijke stad verscheurde, was het alsof zij in de blauwachtige avondschemering flikkerde als staal.

—Er komt nog een derde net, vervolgde Saccard, na een korte stilte, alsof hij in zichzelf sprak; maar dat is nog in de toekomst, ik zie het niet zoo duidelijk. Ik heb nog maar enkele aanwijzingen.... Maar dat zal een echte razernij zijn, een helsche millioenendans, Parijs zal dronken gevoerd en van kant gemaakt worden.

Hij zweeg opnieuw, de oogen hartstochtelijk naar de stad gericht, waar de duisternis in dichtheid toenam. Hij ondervroeg voorzeker die verre toekomst die zich aan zijn blik onttrok. Toen werd het geheel donker, de stad was niet duidelijk kenbaar meer, men hoorde ze zwaar ademhalen, als een zee waarvan men nog slechts de witgetopte golven ziet. Hier en daar zag men nog een witten muur; éen voor éen begonnen de gele gasvlammen in de duisternis te schitteren, als sterren die aan een donkeren hemel opkomen.

Angèle had zich intusschen van haar onaangename gewaarwording hersteld en vatte de grap weer op, die haar man aan het dessert gemaakt had.

—Zoo, zei zij glimlachend, er zijn toch van die tientjes gevallen! Nu gaan de Parijzenaars aan het tellen. Kijk toch eens, wat een mooie stapeltjes men voor onze voeten neerlegt!

Zij wees op de straten die tegenover de buttes Montmartre afhelden, waar de gasvlammen haar gouden vlekken aan weerszijden schenen op te stapelen.

—En kijk daar eens, riep zij, naar een gewemel van flonkerende stippen wijzende, dat is zeker de algemeene kas.

Deze opmerking deed Saccard lachen. Zij bleven nog een oogenblik voor het venster, verrukt over dien stroom van “tientjes” die geheel Parijs deed gloeien.

Toen de opzichter der wegen van Montmartre naar beneden ging, had hij zeker spijt, dat hij zooveel gepraat had. Hij weet het aan den bourgognewijn en verzocht zijn vrouw de “dwaasheden” die hij had uitgekraamd, niet verder te vertellen; hij wou een ernstig man zijn, zei hij.

Saccard had al geruimen tijd te voren zijn studie gemaakt van die drie netwerken van straten en boulevards, waarvan hij in de opwinding van het oogenblik het ontwerp in vrij juiste trekken aan Angèle had medegedeeld. Toen deze stierf, was hij er niet rouwig om dat zij zijn praatjes mee in het graf nam.

Daar lag zijn fortuin, in die groote sneden die zijn hand in het hart van Parijs gemaakt had, en hij was niet van plan zijn idee met iemand te deelen, wel wetende dat als de dag van den buit gekomen was, er roofvogels genoeg zouden vliegen boven de opengereten stad.

Zijn eerste plan was voor weinig geld een huis te koopen, waarvan hij te voren wist dat het onteigend zou worden, en door een ruime schadevergoeding te vragen er flink wat op te verdienen. Hij zou het zaakje misschien gewaagd hebben zonder een cent te bezitten, het huis op krediet te koopen en het verschil in den zak te steken, zooals dat op de Beurs geschiedt, toen hij als premie op zijn huwelijk die twee honderdduizend francs ontving, die hem in staat stelden zijn plan op grooter schaal te volvoeren.

Hij had alles vooruit berekend; hij kocht van zijn vrouw, op naam van een tusschenpersoon, zonder zelf genoemd te worden, het huis in de rue de la Pepinière en verdriedubbelde zijn kapitaal, dank zij de wetenschap die hij had opgedaan in de gangen van het Stadhuis, en zijn goede relatiën met zekere invloedrijke personen. Dat hij zijn ontroering niet had kunnen verbergen, toen tante Elisabeth hem de plek had aangeduid waar het huis stond, kwam omdat het midden op den weg van een ontworpen straat lag, waarover nog slechts in het kabinet van den prefect der Seine gesproken werd. Deze weg, de boulevard Malesherbes, zou het huis heelemaal doen verdwijnen.

Het was een oud plan van Napoleon I, dat men nu wenschte uit te voeren, “om een behoorlijken uitgang te verschaffen, zeiden de deftige heeren, aan wijken die achter een doolhof van nauwe straten verscholen lagen, op de glooiingen der heuvels die Parijs begrensden.”

Deze officiëele volzin kwam natuurlijk niet uit voor het belang dat het keizerrijk er bij had de rijksdaalders te laten rollen, de werklieden in één adem aan het afbreken en opbouwen te houden.

Saccard had zich eens de vrijheid veroorloofd bij den prefect dien fameuzen plattegrond van Parijs te raadplegen, waarop “een hooge hand” de voornaamste verkeersaderen van het tweede net met rooden inkt had aangegeven. Die op bloed gelijkende pennestreken maakten nog dieper insnijdingen in Parijs dan de hand van den opzichter der wegen.

De boulevard Malesherbes, die het afbreken van prachtige heerenhuizen in de rues d’Anjou en de la Ville-l’Evêque noodzakelijk maakte, zou een van de eerste zijn.

Toen Saccard het huis in de rue de la Pépinière ging bezichtigen, dacht hij aan dien herfstavond, aan dat diner met Angèle op de hoogte van Montmartre, toen er tegen zonsondergang zoo’n dichte regen van goudstukken op de wijk van de Madeleine was neergevallen. Hij glimlachte; hij bedacht dat de schitterende wolk zich boven zijn binnenplaats had ontlast, en dat hij de “tientjes” ging oprapen.

Terwijl Renée, in haar weelderig ingerichte woning in de rue de Rivoli, midden in dat nieuwe Parijs waarvan zij een der koninginnen zou worden, over haar toekomstige toiletten peinsde en zich in haar leven als dame van de groote wereld trachtte in te denken, werkte haar man ijverig aan zijn eerste groote zaak.

Om te beginnen kocht hij van haar het huis in de rue de la Pépinière, door tusschenkomst van een zekeren Larsonneau, dien hij ontmoet had terwijl deze, evenals hij, in de bureaux van het Stadhuis snuffelde, maar die zoo dom was geweest zich te laten betrappen, toen hij de laadjes van den prefect doorzocht.

Larsonneau had zich als zaakwaarnemer gevestigd, op een donkere, vochtige plaats, aan het lager eind van de rue Saint-Jacques. Hij had het even ver gebracht als Saccard vóór zijn huwelijk; hij beweerde ook dat hij een “rijksdaalder-machine” had uitgevonden, maar dat het hem aan de eerste fondsen ontbrak om van zijn uitvinding partij te trekken.

De vroegere collega’s begrepen elkander met een half woord, en Larsonneau deed zoo zijn best, dat hij het huis voor honderd vijftig duizend francs kreeg, want na enkele maanden bevond Renée zich al in groote geldverlegenheid. Saccard machtigde zijn vrouw tot den verkoop van het huis. Toen de koop gesloten was, verzocht zij hem op haar naam honderdduizend francs te beleggen, die zij hem op goed vertrouwen ter hand stelde, zeker opdat hij, door die daad getroffen, de oogen zou sluiten voor het feit, dat zij vijftigduizend francs in haar zak hield.

Hij glimlachte fijntjes; het strookte met zijn berekeningen dat zij het geld bij handenvol verkwistte; die vijftigduizend francs, die aan kant en juweelen zouden weggaan, zouden hem honderd percent opleveren. Hij was zelfs zoo eerlijk, in zijn tevredenheid over zijn eerste zaakje, de hondderdduizend francs van Renée werkelijk te beleggen en haar de stukken ter hand te stellen. Zijn vrouw kon ze niet vervreemden, hij was dus zeker ze in huis te vinden, als hij ze noodig had.

—Dat is voor uw speldegeld, lieve, zei hij heel galant.

Toen hij het huis in eigendom had, was hij zoo slim het tweemaal in één maand aan gefingeerde tusschenpersonen te doen verkoopen, telkens tegen hooger koopprijs. De laatste kooper betaalde niet minder dan drie honderdduizend francs.

Intusschen bewerkte Larsonneau, als vertegenwoordiger van de opeenvolgende eigenaars, de huurders. Hij weigerde onmeedoogend de huurcontracten te vernieuwen, als men niet in een aanzienlijken opslag van de huur wilde toestemmen. De huurders, die de lucht hadden van de aanstaande onteigening, waren wanhopig; zij berustten eindelijk in den opslag, vooral toen Larsonneau er op verzoenenden toon bij voegde, dat die opslag in de eerste vijf jaar maar voor den schijn was.

De huurders die niet goedschiks wilden, werden vervangen door luidjes die voor niets mochten wonen en die alles teekenden wat men verlangde; op die wijze sneed het mes van twee kanten; de huur bracht meer op en de schadevergoeding die den huurder toekwam voor zijn huurcontract, zou in Saccard’s zak terechtkomen.

Mevrouw Sidonie wilde haar broer helpen, door in een der winkels van de benedenverdieping een depôt van piano’s te vestigen. Bij deze gelegenheid gingen Saccard en Larsonneau, in hun koortsachtig ongeduld, een beetje te ver: zij legden valsche boeken aan, pleegden valschheid in geschriften om den verkoop der piano’s tot een kolossaal bedrag op te voeren.

Verscheidene nachten zaten zij samen te knoeien. Met kunst- en vliegwerk werd het huis driemaal meer waard. Dank zij de laatste verkoopacte, den opslag der huur, de gewaande huurders en den handel van mevrouw Sidonie, kon het voor de commissie van onteigening op vijf honderdduizend francs geschat worden.

Het raderwerk van de onteigening, van die machtige machine, die vijftien jaar lang Parijs onderste boven gekeerd en beurtelings fortuin en ondergang gebracht heeft, zit allereenvoudigst in elkander. Zoodra het besluit tot het aanleggen van een nieuwen verkeersweg genomen is, maken de opzichters der wegen een lijst van de perceelen op en schatten de waarde der huizen. Gewoonlijk kapitaliseeren zij, na voorafgaand onderzoek, de geheele opbrengst der huur en kunnen op die wijze het vermoedelijk bedrag der waarde ramen.

De commissie voor de schadevergoeding, uit leden van den raad bestaande, doet altijd een lager bod dan dit bedrag, wel wetende dat de belanghebbenden meer zullen eischen en dat men van beide zijden iets zal moeten toegeven. Wanneer men niet tot een vergelijk kan komen, wordt de zaak voor een jury gebracht, die dan in laatste instantie uitspraak velt over het bod van de stad en den eisch van den eigenaar of den verdreven huurder.

Saccard, die met het oog op het beslissende oogenblik zijn betrekking aan het stadhuis had aangehouden, had een oogenblik de onbeschaamdheid zich in die commissie te willen doen benoemen, toen de werken voor den boulevard Malesherbes begonnen, en zelf zijn huis te willen schatten. Maar hij vreesde daardoor zijn invloed op de leden van de onteigeningscommissie te zullen verliezen.

Hij liet nu een zijner collega’s kiezen, een vriendelijk, zachtaardig jongmensch, Michelin genaamd, wiens lieftallig mooi vrouwtje haar man soms kwam excuseeren bij zijn chefs, als hij wegens ongesteldheid thuis moest blijven. Hij was heel vaak ongesteld. Saccard had opgemerkt dat de mooie mevrouw Michelin, die zoo nederig door de half geopende deuren sloop, een alles vermogenden invloed uitoefende; Michelin maakte bij iedere ziekte promotie, hij kwam vooruit door te bed te gaan liggen.

Gedurende een van die afwezigheden, daar hij zijn vrouw bijna iederen morgen naar zijn bureau zond om te laten weten hoe hij het maakte, ontmoette Saccard hem tweemaal op de buitenboulevards, met zijn gewone zachtzinnige, opgeruimde gezicht een sigaar rookend. Die ontmoeting deed hem sympathie opvatten voor dien goeden jongen, voor dat gelukkige, praktische echtpaar. Hij voelde bewondering voor alle “rijksdaaldermachines”, als zij handig geëxploiteerd werden.

Toen hij Michelin had doen benoemen, ging hij zijn bekoorlijk vrouwtje een visite maken, wilde haar aan Renée voorstellen, sprak van zijn broer den afgevaardigde, den beroemden redenaar. Madame Michelin begreep er alles van.

Van dien dag af, had haar man zijn liefste glimlachjes voor zijn collega. Deze wilde den braven jongen niet in zijn vertrouwen nemen, maar was als toevallig tegenwoordig toen hij het huis in de rue de la Pépinière moest schatten. Hij hielp hem er bij. Michelin, de onbenulligste man dien men zich denken kon, hield zich trouw aan de instructies van zijn vrouw, die hem op het hart had gedrukt mijnheer Saccard in alles tevreden te stellen. Hij voedde trouwens niet de minste achterdocht; hij dacht dat de opzichter der wegen hem tot spoed wilde aanmanen, om hem mee te nemen naar een koffiehuis.

De huurcontracten, de kwitanties van de huren, de mooie boeken van mevrouw Sidonie werden hem door zijn collega onder de oogen gelegd, zonder dat hij zelfs den tijd had om de bedragen, die deze hardop voorlas, na te gaan. Larsonneau was er ook bij, maar hij deed alsof hij zijn medeplichtige niet kende.

—Kom, zet maar vijfhonderdduizend francs, zei Saccard eindelijk. Het huis is meer waard.... Haast je een beetje, ik geloof dat er promotie op til is voor het personeel op het stadhuis, en ik wou er met je over praten, dan kan je je vrouw waarschuwen.

Zoo haalde Saccard de zaak er door. Maar hij was nog niet gerust. Hij was bang dat een bedrag van vijfhonderdduizend francs een beetje hoog zou toeschijnen aan de commissie voor de schadevergoeding, voor een huis dat blijkbaar slechts tweehonderdduizend francs waard was. De kolossale stijging in de waarde der huizen had nog niet plaats gehad. Een onderzoek had hem aan ernstige onaangenaamheden kunnen blootstellen. Hij herinnerde zich het gezegde van zijn broer: Geen opspraak, of ik trek mijn handen van je af, en hij wist dat Eugène er de man naar was om zijn bedreiging te volvoeren.

Het kwam er dus op aan de heeren van de commissie welwillend te stemmen, zoodat zij een oogje dicht zouden doen. Hij liet daartoe het oog vallen op twee invloedrijke mannen, die hij zich tot vrienden had gemaakt door zijn manier van groeten, wanneer hij ze in de corridors ontmoette. De zes en dertig leden van den gemeenteraad waren op voordracht van den prefect, door de eigen hand des keizers gekozen uit de raadsleden, afgevaardigden, advokaten, dokters en groote industriëelen, die zich het meest voor het gezag verdeemoedigden: boven alle anderen verdienden baron Gouraud en mijnheer Toutin-Laroche de welwillendheid van de Tuileriën door hun verkleefden ijver.

Al wat men van baron Gouraud kon zeggen, was in deze korte biographie samengevat: door Napoleon I met den titel van baron in den adelstand verheven, om hem te beloonen voor de levering van bedorven beschuit aan het groote leger, was hij achtereenvolgens pair geweest onder Lodewijk XVIII, Karel X en Louis-Philippe; onder Napoleon III was hij senator.

Hij was een trouw aanhanger van den troon, namelijk van de vier vergulde, met fluweel bedekte planken; wie er op zat, kon hem weinig schelen. Met zijn dikken buik, zijn dom gezicht en zijn plompen gang, was hij een echte schelm, hij verkocht zich met groote deftigheid en beging de grootste laagheden in naam van den plicht en het geweten. Nog meer deed hij iemand versteld staan door zijn ondeugden.

Er liepen geruchten over hem, die men iemand slechts in het oor kon fluisteren. Op acht en zeventigjarigen leeftijd gaf hij zich aan de monsterachtigste liederlijkheid over. Tot twee malen toe had men zijn liederlijke gedragingen in den doofpot moeten stoppen, om te beletten dat hij met zijn geborduurde senatorsjas op de bank der beschuldigden zou plaats nemen.

Mijnheer Toutin-Laroche, een lange magere man, die indertijd een mengsel van roet en stearine voor de vervaardiging van waskaarsen had uitgevonden, hoopte nog eenmaal in den Senaat te komen. Hij volgde baron Gouraud als zijn schaduw, hij was zijn onafscheidelijke metgezel, in de vage hoop dat hem dit geluk zou aanbrengen. Daarbij was hij heel praktisch; als hij een zetel in den senaat had kunnen koopen, zou hij niet nagelaten hebben zooveel mogelijk op den prijs af te dingen.

Het keizerrijk zou dien begeerigen onbeduidenden man, dat bekrompen verstand, dat zich alleen verstond op industriëele knoeierijen, vooruit helpen. Hij verkocht het eerst zijn naam aan een van die maatschappijen, die als vergiftige paddestoelen op den mesthoop der keizerlijke speculatiën verrezen. Men zag toen ter tijd op de muren groote aanplakbiljetten waarop met groote zwarte letters deze woorden stonden: “Société générale des ports du Maroc”, waarbij de naam van mijnheer Toutin-Laroche met zijn titel van raadslid prijkte, boven aan de lijst der leden van toezicht, waarvan de een al onbekender was dan de ander.

Dit middel, waarvan men sedert dien een te druk gebruik heeft gemaakt, werkte uitstekend; de aandeelhouders stroomden toe, ofschoon de kwestie van de havens van Marokko niet heel duidelijk was en de goede luidjes die hun geld kwamen brengen, zelf niet wisten te verklaren waartoe men het zou gebruiken.

De biljetten spraken van de vestiging van handelsstations langs de Middellandsche zee. Sedert twee jaren roemden sommige kranten deze onderneming als iets grootsch, en ieder kwartaal verklaarden zij, dat ze in bloei toenam.

In den gemeenteraad ging mijnheer Toutin-Laroche voor een bijzonder verdienstelijk administrateur door, hij werd daar onder de knappe koppen gerekend, en zijn onaangename heerschzucht over zijn collega’s werd slechts geëvenaard door zijn kruipende onderdanigheid aan den prefect. Hij werkte reeds aan de oprichting van een groote finantiëele maatschappij, het Wijnbouwcrediet, een leenkas voor de wijngaardeniers, waarover hij met een deftige geheimzinnigheid sprak, die de begeerigheid van de domooren om hem heen opwekte.

Saccard wist zich de bescherming van deze twee personen te verzekeren, door hun diensten te bewijzen, waarvan hij het gewicht niet begreep, zoo hield hij zich althans. Hij bracht zijn zuster met den baron in kennis, die juist in een alles behalve net zaakje betrokken was. Hij bracht haar bij hem, onder voorwendsel dat hij zijn steun kwam vragen voor dat goede mensch, dat al zoo lang gerekwesteerd had om de leverantie van gordijnen voor de Tuileriën te krijgen.

Maar toen de opzichter der wegen die twee samen had gelaten, beloofde mevrouw Sidonie den baron dat zij onderhandelingen zou aanknoopen met zekere lieden, die lomp genoeg waren om zich niet vereerd te voelen door de vriendschap, die een senator wel had willen betuigen aan hun kind, een meisje van tien jaar.

Met mijnheer Toutin-Laroche handelde Saccard zelf de zaak af, hij wist hem te spreken te krijgen in een der gangen van het stadhuis en bracht toen het gesprek op het fameuze wijnbouwcrediet. Geen vijf minuten later nam de groote administrateur, versteld over de wonderlijke zaken die hij hoorde, den ambtenaar zonder plichtplegingen bij den arm en hield hem een uur lang in de gang aan de praat.

Saccard fluisterde hem vindingrijke finantiëele kunstgrepen in het oor.

Toen mijnheer Toutin-Laroche hem verliet, drukte hij hem beteekenisvol de hand, met een vrijmetselaars-knipoogje.

Saccard overtrof zichzelven in deze aangelegenheid. Hij was zelfs zoo voorzichtig baron Gouraud en mijnheer Toutin-Laroche niets van elkander te doen afweten. Hij bezocht ze afzonderlijk, fluisterde hun een woordje toe ten gunste van een zijner vrienden, wiens huis in de rue de la Pépinière onteigend zou worden, hij zorgde er wel voor aan elk zijner medeplichtigen te zeggen dat hij met geen ander commissielid over die zaak zou spreken, dat de zaak nog in de lucht hing, maar dat hij op hun volkomen welwillendheid rekende.

De opzichter der wegen had niet ten onrechte zijn voorzorgsmaatregelen genomen. Toen het dossier betreffende zijn huis voor de commissie der schadevergoedingen kwam, trof het toevallig dat een der leden in de rue d’Astorg woonde en het huis kende. Dit lid protesteerde tegen het bedrag van vijfhonderdduizend francs, dat volgens hem op de helft moest gebracht worden.

Aristide had de onbeschaamdheid gehad zevenhonderdduizend francs te vragen.

Dien dag was mijnheer Toutin-Laroche, gewoonlijk reeds heel onaangenaam voor zijn collega’s, nog ongenietbaarder dan gewoonlijk. Hij werd boos en begon de huiseigenaars te verdedigen.

—Wij zijn allen eigenaars, heeren, riep hij.... De keizer wil groote dingen tot stand brengen, laten wij nu niet op zulke kleinigheden beknibbelen.... Dit huis moet vijfhonderdduizend francs waard zijn; een van onze menschen, een stedelijk ambtenaar, heeft dat bedrag bepaald.... ’t Lijkt inderdaad wel of wij in het bosch van Bondy leven; gij zult zien dat wij elkander ten slotte gaan wantrouwen.

Baron Gouraud, op zijn gemak in een armstoel gezeten, wierp met een verbaasd gezicht een schuinschen blik naar mijnheer Toutin-Laroche, die hemel en aarde bewoog ten gunste van den eigenaar uit de rue de la Pépinière. Hij kreeg achterdocht. Maar daar die hevige uitval hem, per slot van rekening, van de moeite ontsloeg een woord in het midden te brengen, begon hij zachtjes met het hoofd te knikken, ten teeken zijner volle instemming.

Het lid van de rue d’Astorg gaf niet toe; hij wilde niet buigen voor de twee dwingelanden der commissie, in een kwestie waarin hij meer bevoegd tot oordeelen was dan die heeren.

Toen maakte mijnheer Toutin-Laroche, die de goedkeurende knikjes van den baron had opgemerkt, zich driftig van het dossier meester en zei op drogen toon:

—’t Is goed. We zullen uw twijfel oplossen.... Met uw verlof, ik belast mij met de zaak, en baron Gouraud zal het onderzoek met mij verrichten.

—Ja, ja, zei de baron deftig, er mag niets duisters in onze beslissingen zijn.

Het dossier was al in de diepe zakken van mijnheer Toutin-Laroche verdwenen. De commissie moest buigen.

Bij het heengaan keken de twee slimmerds elkander met een strak gezicht aan. Zij voelden dat zij medeplichtigen waren, en dat maakte hen nog brutaler.

Twee gewone lui zouden een verklaring uitgelokt hebben; zij gingen voort de zaak der eigenaars te bepleiten, alsof men ze nog had kunnen hooren, en den geest van wantrouwen te betreuren, die overal begon door te dringen. Op het oogenblik dat zij elkander zouden verlaten, zei de baron met een glimlach:

—O ja, ik heb vergeten te zeggen, waarde collega, dat ik straks naar mijn buitengoed ga. Ge zult zeker wel zoo vriendelijk willen zijn dat onderzoek zonder mij te doen.... Verklap me vooral niet, de heeren klagen toch al dat ik te veel vrijaf neem.

—Maak u volstrekt niet ongerust, antwoordde mijnheer Toutin-Laroche, ik ga dadelijk naar de rue de la Pépinière.

Hij ging kalmpjes naar huis, met een gevoel van bewondering voor den baron, die zich zoo kiesch uit netelige gevallen wist te redden. Hij hield het dossier in zijn zak, en in de volgende zitting verklaarde hij op stelligen toon, zoowel uit eigen naam als uit dien van den baron, dat tusschen het bod van vijfhonderdduizend francs en den eisch van zevenhonderdduizend francs het verschil moest gedeeld en zeshonderdduizend francs moest toegestaan worden. Niemand had er iets tegen. Het lid van de rue d’Astorg, die er zeker nog eens over nagedacht had, zei gulweg dat hij zich vergist had; hij had gedacht dat het huis daarnaast bedoeld werd.

Op die manier behaalde Aristide Saccard zijn eerste overwinning. Hij kreeg het viervoud van zijn kapitaal terug en won er twee medeplichtigen bij. Eén ding maakte hem ongerust; toen hij de bewuste boeken van mevrouw Sidonie wilde vernietigen, vond hij ze niet meer. Hij begaf zich in allerijl naar Larsonneau, die hem ronduit bekende dat hij ze had en dat hij ze hield.

Saccard maakte zich niet boos; hij hield zich alsof hij bezorgd was geweest over dien besten vriend, die veel meer door die papieren gecompromitteerd was dan hij zelf, omdat ze bijna geheel door hem geschreven waren, maar dat hij volkomen gerust was, nu hij ze in zijn bezit had.

Eigenlijk had hij dien “besten vriend” wel willen wurgen; hij herinnerde zich een heel compromitteerend stuk, een valschen inventaris, dien hij, dom genoeg, had opgemaakt, en die in een van de registers was blijven liggen.

Larsonneau, die ruim betaald werd, begon een zaakwaarnemerskantoor in de rue de Rivoli, waar hij zich zoo weelderig inrichtte, dat het de kamers van een cocote leken.

Saccard had intusschen zijn ontslag aan het Stadhuis genomen, en daar hij nu de beschikking had over aanzienlijke fondsen, ging hij uit alle macht aan het speculeeren, terwijl Renée, in dartelen overmoed, geheel Parijs deed spreken over haar fraaie équipages, haar schitterende diamanten en haar drukke levenswijs.

Een enkele maal gingen man en vrouw, die twee hartstochtelijke minnaars van geld en van pleizier, naar de mistige koude van l'Île-Saint-Louis. Het kwam hun voor alsof zij in een uitgestorven stad kwamen.

Het hôtel Béraud, tegen het begin der zeventiende eeuw gebouwd, was een van die vierkante, sombere en deftige gebouwen, met hooge smalle vensters, zooals men er zooveel in het Marais aantreft, en die verhuurd worden aan kostschoolhouders, fabrikanten van Seltzerwater of als opslagplaatsen van wijn en alcoholische dranken. Maar het was prachtig onderhouden.

In de benedenverdieping, die niet zoo hoog was, waren de met dikke ijzeren spijlen voorziene vensters diep in den somberen muur gebouwd; daar bevond zich ook een donkergroen geschilderde boogvormige deur, bijna even hoog als breed, met een ijzeren klopper, en met zware spijkers versierd, die in den vorm van sterren en ruiten op de beide vleugels waren aangebracht.

Die deur was typisch, met de schuinstaande steenen palen aan weerszijden, die door ijzeren ringen omsloten waren. Het was nog duidelijk merkbaar dat men oudtijds de bedding van een beekje, in het midden van de poort, tusschen de lichte hellingen van het heiwerk van den ingang, ongerept had gelaten, maar mijnheer Béraud had die beek verstopt door den ingang met asphalt te laten beleggen; dat was trouwens de eenige concessie die hij aan de moderne architecten deed.

De vensters der verdiepingen waren voorzien van smalle leuningen van smeedijzer, waarboven de in stevige bruine lijsten gevatte ramen met hun groenachtige ruitjes uitkwamen. Boven, voor de zolderkamertjes, hield het dak op en liep de goot alleen door, om het hemelwater naar de afvoerpijpen te brengen.

De kale stijfheid van den gevel werd nog verhoogd door de totale afwezigheid van zonneblinden en jalouziën, immers de zon bescheen in geen enkel jaargetijde die bleeke, sombere steenen. Die gevel met zijn eerwaardig voorkomen, zijn burgerlijke strengheid, rustte statig in de eenzame wijk, in die stille straat die bijna nooit bereden werd.

Binnen in het hôtel bevond zich een vierkante plaats, door overwelfde gangen met boogvormige openingen omgeven, een miniatuur-place Royale, met kolossale steenen bevloerd, wat aan dit doodsche huis nog meer het aanzien van een klooster gaf.

Tegenover den ingang wierp een fontein, een nog half zichtbare leeuwenkop, waarvan men nog slechts den geopenden muil kon onderscheiden, door een ijzeren buis, een zwaar en eentonig water in een groenbemosten bak, waarvan de randen glad gesleten waren. Dat water was ijskoud.

Het gras groeide tusschen de steenen. ’s Zomers kwam er een beetje zon op de plaats, en dat zeldzame bezoek had een der muren, tegen het zuiden, verbleekt, terwijl de drie andere, somber en grauw, met schimmel gemarmerd waren.

Op die binnenplaats, koel en stil als een put, in het kalme licht van een winterdag, zou men zich duizend mijlen verwijderd gewaand hebben van dat nieuwe Parijs, waar al die warme genietingen gloeiden, bij het geraas en getier der millioenen.

De vertrekken van het hôtel waren even triestig en kalm, even koud en plechtig als de binnenplaats. Een breede trap met ijzeren leuning, waarop de stap en de kuch der bezoekers als onder een kerkgewelf klonken, leidde naar een lange reeks groote, hooge kamers, waarin donkere, ouderwetsche meubels de ledige ruimten nog lang niet vulden; het gedempte licht liet slechts even de groote, bleeke gestalten onderscheiden van de personen, die op de behangsels waren voorgesteld. Daar trof men de weelde aan van een Parijsche burgergeslacht van den ouden stempel, een weelde die onverslijtbaar en zonder gemakken was, stoelen waarvan het eikenhout ternauwernood met eenig haarpluis bedekt was, bedden met stijf neerhangende gordijnen, linnenkisten wier ruwe planken het broze bestaan der nieuwerwetsche japonnen in groot gevaar zouden gebracht hebben.

Mijnheer Béraud Du Châtel had zijn eigen vertrekken in het somberste gedeelte van het hôtel gekozen, tusschen de straat en de binnenplaats, op de eerste verdieping. Zij waren daar in een omgeving, die er met haar stilte en donkerheid wonderwel bij paste. Als hij de deuren openduwde, en de plechtige stilte der kamers van zijn langzamen, deftigen tred weerklonk, zou men hem aangezien hebben voor een van die oude parlementsleden, wier portretten men aan de muren zag hangen, die peinzend van een zitting thuiskomen waar zij, na deelgenomen te hebben aan de discussie over een koninklijk besluit, geweigerd hebben dit te teekenen.

Maar er was toch in dit doodsche huis, in dit klooster, een nestje trillend van warmte, een zonnig, vroolijk plekje, een hoekje van jeugd, licht en lucht. Men moest een menigte trapjes bestijgen, langs tien of twaalf gangen gaan, weer op en afdalen, een heele reis maken, om eindelijk in een ruim vertrek te komen, een soort van belvedère op het dak gebouwd, achter het hôtel, boven de quai de Béthune.

Het lag vlak op het zuiden. Het venster ging zoo wijd open, dat de hemel er met al zijn stralen, al zijn blauw, scheen binnen te komen. Er stonden groote bakken met bloemen, een kolossale volière en geen enkel meubelstuk. Er lag enkel een mat op den vloer uitgespreid.

Dat was de “kinderkamer.” In het heele hôtel kende en noemde men de kamer bij dien naam. Het huis was zoo kil, de binnenplaats zoo vochtig, dat tante Elisabeth bang was dat de koude wind, die over de muren neerstreek, Christine en Renée ziek zou maken; menigmaal had zij de kleine ondeugden beknord, als zij onder de bogen liepen of er pret in hadden haar armpjes in het ijskoude water van de fontein te dompelen.

Toen was zij op het denkbeeld gekomen, dit verloren zolderhoekje voor haar in te laten richten, het eenige hoekje waar de zon binnendrong en zich sedert bijna twee eeuwen, alleen verlustigde te midden der spinnewebben. Zij gaf den kinderen een mat, vogels en bloemen. De kleinen waren in de wolken. In de vacantie was Renée daar den heelen dag te vinden, in het goudgele bad van die goede zon, die zich scheen te verheugen dat men haar verblijf zoo opgeknapt en haar twee blonde kopjes gezonden had.

De kamer werd een paradijs, waarin het gezang der vogels en het gebabbel der kinderen weerklonk. Zij mochten het als hun eigendom beschouwen. Zij zeiden “onze kamer”, zij waren er thuis, zij sloten er zich zelfs in op, om duidelijker het besef te hebben dat zij er de eenige bezitsters van waren. Wat een gelukkig plekje!

Op de mat lag allerlei gebroken speelgoed in den zonneschijn.

En het prettigste van de kinderkamer was het ruime uitzicht. Uit de andere vensters van het hôtel zag men een paar voeten voor zich uit niets dan zwarte muren. Maar uit dit venster zag men een heel eind van de Seine, het heele gedeelte van Parijs dat tusschen de Cité en de brug de Bercy ligt, vlak zoover het oog reikt, veel gelijkende op een dier eigenaardige Hollandsche steden.

Beneden, op de kade, stonden half ineengezakte loodsen, een opeenstapeling van balken en gebroken daken, waartusschen de kinderen dikwijls ratten zagen loopen, met de heimelijke vrees dat zij tegen de hooge muren zouden opklimmen. Maar verderop begon het verrukkelijk schouwspel.

Het paalwerk langs de rivier, dat met zijn dikke planken en stutten als van een gothische kathedraal, trapsgewijze omhoog rees, en de brug van Constantine, die licht als kant onder de voeten der voorbijgangers scheen te zweven, sneden elkander rechthoekig, schenen de enorme watermassa te versperren en tegen te houden.

Recht vooruit strekte het lommer van de boomen van de Halle aux vins en nog verder het dichte groen van den Plantentuin zich tot den gezichtseinder uit; terwijl aan de andere zijde van het water de kade Henri IV en de kade de la Râpée haar lage, onregelmatige huizen vertoonden; van uit de hoogte gezien, geleken zij op de houten en bordpapieren huisjes uit de speelgoeddoozen der kleinen.

Rechts, in de verte, stak het blauwachtige leiendak van de Salpétrière boven de boomen uit. In het midden daalden de hooge, geplaveide oevers tot aan de Seine en vormden twee lange grijze wegen, waarop hier en daar een rij tonnen, een bespannen wagen, een geloste schuitlading hout of steenkool donkere plekken vormden.

Maar de ziel van dat alles, de ziel van het heele landschap, was de Seine, de levende rivier, zij kwam van verre, van dien vagen, trillenden horizon, zij kwam van daar ginds, uit het droomland, om recht op de kinderen aan te stroomen, in haar rustige majesteit, in haar machtige zwelling, die zich tot een meer verbreedde aan hun voeten, aan de spits van het eiland.

De twee bruggen die haar sneden, de pont de Bercy en de pont d’Austerlitz, schenen noodzakelijke beletsels, die haar moesten tegenhouden, haar verhinderen tot in de kamer te stroomen.

De kinderen hielden van den reus, zij staarden zich moe op dat altijd stroomende, loeiende water dat naar hen toe rolde als om ze te bereiken, en dat zij links en rechts vertakt zagen verdwijnen in het onbekende, met de zachtheid van een getemden Titan.

Op mooie dagen, als de hemel blauw was, waren zij verrukt over de mooie kleedjes van de Seine; het waren kleedjes wier weerschijn van blauw tot groen overging, met duizenderlei fijne schakeeringen; soms leek het zijde met schitterend witte moesjes, met satijnen ruches; en de booten die aan de beide oevers lagen, omzoomden haar met een zwart fluweelen lint.

In de verte vooral werd de stof prachtig en kostbaar, als het toovergaas van een feeënkleedje; na den band van donkergroen satijn, waarmee de schaduw der bruggen de Seine omsloot, waren er gouden borststukken, zonkleurige lapjes geplisseerde stof. De onmetelijke hemel welfde zich boven dit water, die lage huizenrijen, dat groen der beide parken.

Soms gebeurde het dat Renée, dien onbegrensden horizon moede, als groot meisje reeds zinnelijke nieuwsgierigheid van de kostschool meebrengende, een blik wierp in de zwemschool, waarvan het bootje aan de spits van het eiland vastgelegd is. Tusschen de linnen doeken die aan touwtjes hingen, bij wijze van plafond, gluurde zij naar de mannen in hun zwembroek, wier blooten buik men zien kon.