Maxime bleef tot de vacantie van 1854 op het gymnasium van Plassans. Hij was dertien jaar en enkele maanden en had de vijfde klasse doorloopen. Toen besloot zijn vader hem naar Parijs te laten komen. Hij dacht dat een zoon van dien leeftijd hem iets geposeerds zou geven, hem zou bevestigen in zijn rol van hertrouwden, rijken en ernstigen weduwnaar.
Toen hij zijn voornemen te kennen gaf aan Renée, jegens wie hij altijd uiterst galant was, gaf zij op achteloozen toon ten antwoord:
—Dat is goed, laat den jongen komen.... Hij zal ons een beetje opvroolijken. ’s Morgens is het hier doodelijk vervelend.
De jongen kwam een week later. Het was een lange, tengere jongen, met een vrijpostig meisjesgezicht; lichtblond en fijn gebouwd. Maar, goede hemel, hoe was hij toegetakeld! Zijn haar was zoo kort geknipt, dat de huid ternauwernood met een lichte schaduw bedekt was; hij droeg een te korte broek, schoenen als een vrachtrijder, een vreeselijk afgesleten kiel, die zoo wijd was dat hij een bult leek te hebben.
Zoo uitgedost keek hij verbaasd over al het nieuws dat hij zag, om zich heen, zonder eenige beschroomdheid, met het schuwe, slimme voorkomen van een vroegrijp kind, dat in beraad staat of het zich wel dadelijk zal overgeven.
Een knecht had hem van het station gehaald, en hij stond in het groote salon, verrukt over het verguldsel van de meubelen en het plafond, erg in zijn schik met die weelde waarin hij voortaan zou leven, toen Renée, die van haar kleermaker kwam, als een wervelwind binnenstormde. Zij wierp haar hoed neer, op den witten mantel, dien zij omgeslagen had om zich tegen de scherpe koude te beschutten. Zij stond daar eensklaps voor Maxime, die in stomme bewondering toekeek, in al den glans van haar prachtig kostuum.
De knaap dacht, dat zij verkleed was. Zij droeg een prachtigen blauwen rok, met breede strooken, daarover had zij een soort soldatenjas van lichtgrijze zijde aangedaan. De panden der jas, die met satijn van een donkerder blauw dan de stof der japon gevoerd was, waren sierlijk opgenomen en vastgehouden door strikken van lint; de opslagen der gladde mouwen, de groote omslagen van het keurslijf liepen breed uit en waren met hetzelfde satijn gegarneerd. En om de kroon op dit alles te zetten, had zij iets heel origineels gewaagd; groote knoopen, imitatie van safier, in azuurblauwe rozetten gevat, liepen in twee rijen langs de geheele jas. Het was leelijk, en toch verrukkelijk.
Toen Renée Maxime opmerkte, was zij verbaasd dat hij even groot was als zij.
—Dat is de kleine, niet waar? vroeg zij den knecht.
De knaap verslond haar met zijn blikken. Die dame met haar blanke huid, wier borst men zien kon door de gaping van een geplisseerd chemisette; die plotselinge, bekoorlijke verschijning met haar hooge kapsel, haar fijne geganteerde handen, haar kleine heerenlaarsjes, waarvan de spitse hakken in het tapijt verzonken, bracht hem in verrukking, scheen hem de goede fee toe van dit warme, schitterende vertrek. Hij glimlachte even en was juist linksch genoeg om zijn jongensachtige bevalligheid te behouden.
—Wel, hij is heel aardig! riep Renée uit.... Maar hoe afschuwelijk! Wat is zijn haar kort geknipt!.... Luister eens, beste jongen, je vader zal zeker pas tegen etenstijd thuis komen, dus ik zal je van alles op de hoogte moeten brengen.... Ik ben je stiefmama, jongmensch. Wil je me een zoen geven?
—Wat graag, antwoordde Maxime ronduit.
En hij zoende de jonge vrouw op beide wangen, terwijl hij haar bij de schouders vatte, waardoor haar soldatenjas een beetje gekreukt werd. Zij maakte zich lachend los en zei:
—Goede hemel, wat een grappige jongen is die kleine kaalkop!....
Zij kwam weer naar hem toe, met meer ernst.
—We zullen vrienden zijn, niet waar ?.... Ik wil een moeder voor je zijn. Ik dacht er over, terwijl ik op mijn kleermaker wachtte, die met een ander in gesprek was, en ik nam mij voor heel goed voor je te zijn en je een goede opvoeding te geven.... Dat zal prettig zijn!
Maxime bleef haar aankijken, met zijn blauwe, vrijpostige meisjesoogen, en plotseling vroeg hij:
—Maar dat vraagt men nooit! riep zij uit, de handen in elkaar slaande.
Hij weet dat nog niet, die arme jongen! Ik zal hem alles moeten leeren.... Gelukkig kan ik nog voor mijn leeftijd uitkomen. Ik ben een en twintig.
—Ik ben gauw veertien.... U zou mijn zuster kunnen zijn.
Hij sprak niet verder, maar zijn blik voegde er bij dat hij zich de tweede vrouw van zijn vader veel ouder voorgesteld had. Hij stond vlak naast haar, hij keek met zooveel aandacht naar haar hals, dat zij bijna begon te blozen. Haar dwaas hoofd kon zich echter niet lang bij hetzelfde onderwerp bepalen; zij liep heen en weer en begon over haar kleermaker te praten, er niet aan denkende dat zij tot een kind sprak.
—Ik was wel graag thuis gebleven om je te ontvangen. Maar verbeeld je, Worms brengt me van morgen dit kostuum.... Ik pas het en ik vind het nog al goed uitgevallen. Hij heeft veel smaak, vind je niet?
Zij was voor een spiegel gaan staan. Maxime draaide om haar heen, om haar van alle kanten te bekijken.
—Maar, ging zij voort, toen ik de jas aantrok, merkte ik dat er daar op den linker schouder, zie je, een diepe plooi viel.... Die plooi staat heel leelijk, ’t is net of mijn ééne schouder hooger is dan de ander.
Hij was naderbij gekomen, hij streek met den vinger over de plooi als om haar plat te maken, en zijn kwajongenshand scheen met een zeker welgevallen op dat plekje te blijven rusten.
—Ik kon het niet langer uitstaan. Ik heb in laten spannen en ik ben aan Worms gaan zeggen wat ik van zoo’n onbegrijpelijke lichtzinnigheid dacht.... Hij beloofde me het te laten veranderen.
Daarop bleef zij voor den spiegel staan, zichzelve bekijkende, en begon toen plotseling over iets na te denken. Eindelijk legde zij een vinger op den mond, met een air van peinzend ongeduld. En heel zachtjes, alsof zij in zichzelve sprak:
—Er mankeert iets aan.... er mankeert stellig iets aan....
En toen keerde zij zich snel om, plaatste zich voor Maxime en vroeg hem:
—Vind je het zoo heusch goed?.... Vind je niet dat er iets aan mankeert, een kleinigheidje, een strik bijvoorbeeld?
De schooljongen, geheel op zijn gemak gebracht door de kameraadschappelijkheid van de jonge vrouw, had al de onverstoorbare kalmte van zijn onbeschaamden aard teruggekregen. Hij deed een paar stappen terug, kwam weer naderbij, knipte met de oogen en sprak binnensmonds:
—Neen, neen, er mankeert niets aan, ’t is heel mooi, heel mooi.... Ik vind eer, dat er iets te veel is.
Hij bloosde even, ondanks zijn stoutmoedigheid, kwam nog wat nader, en met den vingertop een scherpen hoek op Renée’s hals makende, merkte hij op:
—Ziet u, ik zou die kant zoo uitsnijden, en dan zou ik een collier aandoen met een groot kruis.
Zij klapte vroolijk in de handen.
—Juist, juist, riep zij uit....
Zij verwijderde het chemiset, ging even de kamer uit en kwam met het collier en het kruis terug. En terwijl zij met een zegevierenden blik voor den spiegel ging staan:
—Heel goed, ’t staat heel goed, zei zij zachtjes.... Maar die kleine kaalkop is nog zoo dom niet! Kleedde je soms de dames aan in je provincie? We zullen bepaald goede vrienden worden. Maar je moet doen wat ik je zeg. In de eerste plaats, moet je je haar laten groeien, en die afschuwelijke kiel niet meer dragen. Verder moet je mijn lessen in de wellevendheid trouw opvolgen. Ik verlang dat je een aardig jongmensch zal worden.
—Dat spreekt van zelf, antwoordde de jongen naïef, nu papa immers rijk is en u zijn vrouw bent.
Zij glimlachte even en met haar gewone levendigheid:
—Laten wij dan beginnen met jij en jou tegen elkaar te zeggen. ’t Eene oogenblik zeg ik u, ’t andere jij. Dat klinkt dwaas.... Zal je veel van me houden?
—Ik zal je van harte liefhebben, antwoordde hij met de geestdrift van een lang opgeschoten jongen, die een fortuintje denkt te hebben.
Zoo was de eerste kennismaking van Maxime en Renée. De knaap ging eerst een maand later naar het gymnasium. Zijn stiefmoeder speelde de eerste dagen met hem als met een pop; zij ontbolsterde hem een beetje en het moet gezegd worden, dat hij er zich gewillig toe leende.
Toen hij te voorschijn kwam, geheel in het nieuw gekleed door den kleermaker van zijn vader, slaakte zij een uitroep van blijde verrassing: hij zag er uit om te stelen, verzekerde zij. Zijn haar alleen groeide wanhopig langzaam aan. De jonge vrouw was gewoon te zeggen, dat de uitdrukking van het heele gelaat van het haar afhangt. Zij droeg de grootste zorg voor haar eigen haar. Lang was zij wanhopig geweest over de bijzondere kleur, die aan fijne boter deed denken. Maar toen het geelblonde haar in de mode kwam, vond zij het prettig, en om te doen gelooven dat zij de mode niet dwaas navolgde, betuigde zij plechtig dat zij het iedere maand verfde.
Maxime was al vreeselijk wijs voor zijn dertien jaar. Het was een van die teere, vroegrijpe naturen, waarin de zinnelijke begeerten vroeg ontwaken. De ondeugd verscheen zelfs bij hem voordat de zinnen ontwaakt waren. Tot tweemaal toe was hij bijna van het gymnasium verwijderd geworden.
Indien Renée oog gehad had voor hetgeen in de kleinere provinciesteden voor bevallig doorgaat, zou zij opgemerkt hebben dat, hoe smakeloos ook gekleed, de kleine kaalkop, zooals zij hem noemde, glimlachte, het hoofd draaide, de armen uitstak op een aardige manier, zooals oudere schoolmeisjes wel eens doen.
Hij verzorgde zijn lange, smalle handen uitstekend, en al moest zijn haar kort blijven, op bevel van den directeur, een oud-kolonel der genie, hij bezat toch een zakspiegeltje dat hij onder schooltijd voor den dag haalde en tusschen de bladen van zijn boek lei; daarin bekeek hij zich dan uren lang, beschouwde aandachtig zijn oogen, zijn tanden, lachte zichzelf toe en bestudeerde allerlei behaagzieke manieren.
Zijn makkers hingen aan zijn kiel, als aan een vrouwenrok; hij reeg zich zoo in, dat hij een smal middel had, en wiegelende heupen als een volwassen vrouw.
Toch kreeg hij evenveel slaag als liefkoozingen. Het gymnasium van Plassans, een toevluchtsoord van kleine bandieten, zooals de meeste plattelands-gymnasiums, was dus een middelpunt van besmetting, waarin dit halfslachtige temperament, dit kind, dat de overgeërfde kiem van het kwaad al in zich meebracht, zich bijzonder snel ontwikkelde. Gelukkig zou de leeftijd hier gaandeweg verbetering in brengen. Maar het merkteeken van zijn slechte gedrag als kind, die verwijfdheid van zijn geheele wezen, dat uur waarop hij zich meisje gewaand had, zou hem bijblijven, hem voor altijd in zijn manbaarheid treffen.
Renée noemde hem “jongejuffrouw”, zonder te vermoeden dat zij hem een half jaar geleden bij zijn juisten naam zou genoemd hebben. Hij maakte op haar den indruk van zeer gehoorzaam en liefhebbend te zijn; soms werd zij een weinig verlegen onder zijn liefkoozingen. Hij had een manier van omhelzen, die de huid verwarmde. Maar zij was verrukt over zijn guitigheid, hij was allergrappigst ondernemend, hij sprak al over de vrouwen met glimlachjes, geen kamp gevende aan de vriendinnen van Renée, de lieve Adeline die pas met mijnheer d’Espanet getrouwd was, en de dikke Suzanne, onlangs de vrouw geworden van den grooten industriëel Haffner. Voor laatstgenoemde had de veertienjarige knaap zelfs een zekeren hartstocht opgevat. Hij had zijn stiefmoeder in zijn vertrouwen genomen, en deze had veel schik in het geval.
—Ik zou de voorkeur aan Adeline gegeven hebben, zei zij, zij is mooier.
—’t Kan zijn, antwoordde de jongen, maar Susanne is veel dikker.... Ik houd toch zooveel van mooie vrouwen.... Als je heel lief was, zou je een goed woordje voor me doen.
Renée lachte. Haar pop, die groote jongen met zijn meisjes-manieren, scheen haar onbetaalbaar, sinds hij verliefd was. Het kwam zelfs zoover dat mevrouw Haffner zich in allen ernst moest verdedigen.
Trouwens, de dames moedigden Maxime zelf aan door haar onderdrukte lachjes, haar halve woordjes, de behaagzieke houding die zij tegenover dit vroegrijpe kind aannamen. Daar was ook een zweempje zeer aristocratische losbandigheid bij in het spel. Alle drie, in haar luidruchtig leven, door hartstocht verteerd, beschouwden de bekoorlijke verdorvenheid van den knaap als een origineel en onschadelijk prikkelend kruid, dat den eetlust scherpte.
Zij lieten toe dat hij hun japon betastte, met zijn vingers langs haar schouders gleed, wanneer hij ze in de voorkamer volgde om haar een balsortie om te slaan; zij lieten hem van de eene naar de andere gaan, en lachten uitgelaten, wanneer hij ze op de pols zoende, op dat plekje waar de huid zoo zacht is; dan deden zij zich weer moederlijk voor en leerden hem hoe hij zich een goed uiterlijk moest geven en hoe hij de dames moest behagen.
Het was hun speelpop, een vernuftig uitgedacht mechanisch manneke, dat zoende en het hof maakte, dat de beminnelijkste ondeugden ter wereld bezat, maar een stuk speelgoed bleef, een bordpapier mannetje, waarvoor men niet zoo heel bang hoefde te zijn, maar toch nog genoeg om onder zijn kinderlijke hand een lichte trilling van genot te voelen.
Toen de vacantie om was, ging Maxime naar het lycée Bonaparte. Dit was de school voor de deftige lui, en die moest Saccard voor zijn zoon kiezen.
Ofschoon tenger en zwak, had de knaap een vlug verstand; maar hij legde zich op heel wat anders dan op de klassieke studiën toe. Toch was hij een onberispelijk scholier, die zich nooit afgaf met de arme jongens, op wier manieren wel iets viel aan te merken, maar altijd behoorde tot die fatsoenlijke, netgekleede jongelui van wie men niets zegt.
Het eenige wat hem van zijn jeugd bijbleef, was een oprechte vereering voor het toilet. Parijs opende hem de oogen; het maakte van hem een mooi jongmensch, altijd in een nauwsluitend costuum gekleed, gelijk toen de mode was.
Hij was de grootste fat van zijn klasse. Hij vertoonde zich in de school als in een salon, met fijne handschoenen en dure laarzen, hij droeg verbazend groote dassen en keurige hoeden. Hij was trouwens de eenige niet. Zoo waren er omtrent twintig, die de aristocratie uitmaakten; bij het uitgaan der school boden zij elkander havanna’s aan uit kokers met gouden sluiting, en lieten hun boekentasschen door een knecht in livrei achter zich aandragen.
Maxime had zijn vader overgehaald een tilbury en een zwart paardje voor hem te koopen, die de bewondering van zijn makkers opwekten. Hij mende zelf; op het achterbankje zat een palfrenier met over elkaar geslagen armen, en de boekentasch van den scholier op den schoot, een echte ministers-portefeuille van bruin chagrijn-leer.
Men had eens moeten zien met welk een losheid, kunst en onberispelijke houding hij in tien minuten van de rue de Rivoli naar de rue du Havre reed, zijn paarden op eens inhield voor de deur van het lycée, den palfrenier de teugels toewierp en zei: “Jacques, om half vijf voor, hoor!”
De winkeliers in de straat waren opgetogen over de bevallige manieren van dien blonden jongen, dien zij geregeld tweemaal per dag in zijn rijtuigje zagen komen en gaan.
Bij het naar huis gaan, bracht hij soms een vriend tot aan diens deur. De beide jongens rookten, keken de vrouwen aan, bespatten de voorbijgangers, alsof zij van de wedrennen terugkeerden.
Verwonderlijk volkje, broedsel van fatten en uilskuikens, die men dagelijks in de rue du Havre zien kan, onberispelijk gekleed in hun korte overjassen, zich voordoende als rijke heeren, die alle genietingen des levens volop genoten hebben, terwijl de armere jongens van het lycée, de echte scholieren, schreeuwende en dringende aankomen, met hun grove schoenen op de straat stampen, en hun boeken aan een eind riem achter op den rug laten bengelen.
Renée, die haar rol van moeder en leermeesteres ernstig wilde opvatten, was zeer met haar leerling ingenomen. Zij verwaarloosde dan ook geen enkele gelegenheid om zijn opvoeding te volmaken. Zij bracht toen juist een tijd van tranen en spijtige herinneringen door; een minnaar had haar verlaten, haar voor de oogen van geheel Parijs in opspraak gebracht, om het te houden met de hertogin de Sternich.
Zij hoopte nu dat Maxime haar tot troost zou zijn, zij deed zich ouder voor, deed al haar best om moederlijk te zijn, en werd de zonderlingste mentor die men zich denken kon.
Dikwijls bleef de tilbury thuis, dan kwam Renée in haar groote kales den jongen van school halen. Zij stopten de bruine portefeuille onder de bank en reden naar het Bosch, dat toen in zijn nieuwsten tooi prijkte.
Daar gaf zij hem les in hoogere elegantie. Zij noemde hem al die welgedane, gelukkige lieden van het keizerlijk Parijs op, die nog in extase waren over dien goocheltoer, die de hongerlijders van voorheen in groote heeren veranderd had, in millionnairs die zwoegden en puften onder het gewicht van hun geldkist.
Maar de knaap vroeg haar vooral naar de vrouwen, en daar zij heel vrij met hem omging, bracht zij hem precies op de hoogte van allerlei bijzonderheden. Mevrouw de Guende was dom, maar prachtig gevormd; de rijke gravin Vanska had in het publiek gezongen, voor dat zij getrouwd was met een Pool, die haar sloeg, naar men zei; markiezin d’Espanet en Suzanne Haffner waren onafscheidelijk, en ofschoon zij haar intieme vriendinnen waren, voegde Renée er met dichtgeknepen lippen bij, alsof zij er niets meer van wilde zeggen, dat er heel leelijke praatjes over haar liepen. De mooie mevrouw de Lauwerens gedroeg zich ook lang niet onberispelijk, maar zij had zulke mooie oogen, en iedereen wist per slot van rekening toch dat haar niets te verwijten viel, ofschoon zij zich wat te veel afgaf met de intriges van die arme vrouwtjes, mevrouw Daste, mevrouw Teissière en barones de Meinhold.
Maxime vroeg om de portretten van die dames; hij zette ze in een album dat op de salontafel bleef liggen.
Om zijn stiefmoeder in verlegenheid te brengen, met die ondeugende slimheid die den grondtrek van zijn karakter uitmaakte, vroeg hij haar naar bijzonderheden omtrent lichte meisjes, zich houdende alsof hij ze voor dames uit de groote wereld aanzag.
Renée antwoordde zedig en ernstig, dat het afschuwelijke schepsels waren, die hij zorgvuldig moest ontwijken; kort daarop vergat zij zich zoozeer, dat zij er over sprak alsof zij ze intiem gekend had.
Een van de grootste genoegens van den knaap was, haar aan het praten te brengen over de hertogin de Sternich. Telkens als haar rijtuig voorbijreed in het Bosch, liet hij niet na haar naam te noemen, haar met een opzettelijke geniepigheid van terzijde aanziende, als om te toonen dat hij op de hoogte was van Renée’s laatste avontuur.
Renée begon op vinnigen toon allerlei kwaad van haar mededingster te spreken. Wat werd zij oud, die arme vrouw! zij blankette zich, zij had minnaars in al haar kasten verborgen, zij had zich aan een kamerheer overgegeven om in het keizerlijk bed te komen. Daar kwam geen eind aan de beschuldigingen; Maxime daarentegen, om haar te plagen, vond mevrouw de Sternich allerliefst.
Dergelijke lessen hadden een zonderlinge verstandsontwikkeling van den scholier ten gevolge, te meer wijl de jonge leermeesteres ze overal herhaalde, in het Bosch, in den schouwburg, in de salons. De leerling werd verbazend knap.
Maxime vond het verrukkelijk zich tusschen de japonnen, de linten en strikken, de poudre de riz der dames te bewegen. Hij bleef altijd eenigszins meisje, met zijn welgevormde smalle handen, zijn baardeloos gelaat, zijn blanken, gevulden hals.
Renée raadpleegde hem in allen ernst over haar toiletten. Hij kende de goede dameskleermakers van Parijs, beoordeelde ieder hunner met een enkel woord, sprak van de smaakvolle hoeden van den een en den juisten vorm der japonnen van den ander; op zeventienjarigen leeftijd, was er geen modiste die hij niet grondig had bestudeerd, geen schoenmaker of hij kende hem door en door.
Dat vreemde misbaksel, dat onder de Engelsche les de prospectussen las die zijn parfumeur hem iederen Vrijdag toezond, had een schitterende rede kunnen houden over de groote Parijsche wereld, clientèle en leveranciers, op een leeftijd waarop buitenjongens hun bonne nog niet in het gezicht durven zien.
Dikwijls bracht hij, als hij van het lycée kwam, een hoed, een doos zeep of het een of ander moois, dat zijn stiefma hem den avond tevoren opgegeven had, in zijn tilbury mee. Hij had altijd een stuk kant, dat sterk naar muskus rook, in zijn zak. Maar zijn grootste genot was Renée naar den beroemden Worms te vergezellen, dien genialen dameskleedermaker, voor wien de toongeefsters van het tweede keizerrijk neerknielden.
Het salon van den grooten man was groot en vierkant, en met breede divans voorzien. Hij trad daar met een vromen eerbied binnen.
Toiletten hebben voorzeker een eigenaardigen geur, de zijde, het satijn, het fluweel, de kanten hadden hun licht aroma bij dat der haren en der ambergeurige schouders gevoegd; en de lucht in het salon bleef doortrokken van die geurige warmte, dien wierook van vleesch en weelde, die de kamer in een kapel veranderde, aan de een of andere geheimzinnige godin gewijd.
Dikwijls moesten Renée en Maxime uren lang wachten; daar waren wel twintig sollicitanten, die haar beurt afwachtten, beschuitjes in glazen madera doopten of een kouden maaltijd aan de groote middentafel hielden, waarop flesschen en schaaltjes met gebakjes stonden. De dames waren daar thuis, spraken er vrij haar gedachten uit, en als zij daar zoo in groepjes rondom de kamer zaten, zou men ze voor een vlucht witte Lesbische vogels hebben aangezien, die op de divans van een Parijsch salon waren neergestreken.
Maxime, die daar geduld en geliefd werd om zijn meisjes-uiterlijk, was de eenige man die in dat heiligdom werd toegelaten. Hij smaakte daar een goddelijk genot, hij gleed als een slang langs de divans, men vond hem onder een rok, achter een keurslijf, tusschen twee japonnen, waar hij zich erg ineendrong en zich heel rustig hield, terwijl hij de welriekende warmte van zijn buurvrouw opsnoof met het gezicht van een koorknaap, die het lichaam des Heeren nuttigt.
—Hij kruipt overal tusschen, die kleine, zei barones de Meinhold, terwijl zij hem een tikje op de wang gaf.
Hij was zoo tenger dat de dames hem niet ouder dan veertien jaar schatten. Zij vonden er pleizier in hem met de madera van den beroemden Worms dronken te voeren. Hij zei de zotste dingen, die haar tranen deden lachen.
Markiezin d’Espanet vond de juiste uitdrukking om den toestand te beschrijven. Toen men op een keer Maxime in een hoek van de divans achter haar rug vond, en zij zag hoe blozend en gelukkig hij er uitzag door het behagelijk gevoel dat hij in haar nabijheid ondervonden had, merkte zij zachtjes op:
—Dat is een jongen, die als meisje had moeten ter wereld komen.
Toen de groote Worms Renée eindelijk ontving, drong Maxime met haar de kamer binnen. Een paar malen veroorloofde hij zich de vrijheid te spreken, terwijl de meester in de aanschouwing van zijn cliënt verdiept was, zooals de hoogepriesters der kunst beweren dat Léonard de Vinci tegenover Joconde gedaan heeft.
De meester had zich verwaardigd om over de juistheid zijner opmerkingen te glimlachen. Hij liet Renée voor een spiegel staan, die van den vloer tot aan de zoldering reikte, beschouwde haar in stil gepeins, met gefronste wenkbrauwen, terwijl de jonge vrouw haar adem inhield om zich niet te bewegen. En een paar minuten later teekende de meester, alsof hij door een ingeving aangegrepen en geschud werd, in grove, hortende trekken het meesterstuk dat hij in zijn brein ontworpen had, en riep hij in afgebroken volzinnen uit:
—Robe Montespan van aschkleurige zijde.... van voren een afgeronde basque, eindigende in een sleep,.... groote satijnen strikken die haar op de heupen opnemen...., ten slotte een geplooid voorschoot van parelgrijze tulle, de plooien gescheiden door grijs satijnen linten.
Hij verzonk weer in gepeins, scheen tot in de diepste diepten van zijn genie af te dalen, en met de zegevierende grimas van een waarzegster op haar drievoet, eindigde hij:
—Wij zullen in het haar, op dat lachende kopje, den droomenden vlinder van Psyche plaatsen, met blauwen weerschijn op de vleugels.
Maar somtijds wou de ingeving niet komen. De beroemde Worms riep ze te vergeefs op, spande zijn geheele denkvermogen te vergeefs in. Hij fronste geweldig zijn wenkbrauwen, werd zoo wit als een doek, nam zijn arm hoofd, dat hij wanhopig schudde, tusschen de handen, en moest zich eindelijk overwonnen geven. Dan liet hij zich in een leuningstoel neervallen, en met klagelijke stem fluisterde hij:
—Neen, neen, vandaag niet... ’t is niet mogelijk. De dames zijn onbescheiden. De bron is opgedroogd.
En hij zond Renée heen met de herhaalde betuiging:
—Niet mogelijk, niet mogelijk, lieve mevrouw, kom een anderen dag maar eens terug.... Ik voel u van morgen niet.
De mooie opvoeding die Maxime ontving, droeg al haar eerste vruchten. Toen de kwajongen zeventien jaar oud was, verleidde hij de kamenier van zijn stiefmoeder. Het ergste van het geval was, dat het meisje zwanger werd. Zij moest met haar kind en een klein jaargeld naar buiten gezonden worden.
Renée hinderde dat avontuur vreeselijk. Saccard’s bemoeiingen hierin bleven tot de regeling van de finantiëele zijde der kwestie beperkt, maar de jonge vrouw nam haar leerling geducht onder handen. Hij, dien zij tot een toonbeeld van netheid wilde maken, hij had zich met zoo’n meisje ingelaten! Wat een belachelijk en schandelijk begin, een liefdesavontuur waarmee je niet voor den dag kon komen! Als hij het nog eens met een van haar kennissen had aangelegd!
—Wat drommel, antwoordde hij kalmpjes, als je vriendin Suzanne gewild had, dan had zij naar buiten kunnen gaan.
—Wat een guit! mompelde zij ontwapend, lachend bij het denkbeeld, dat Suzanne met een jaargeld van twaalfhonderd francs haar toevlucht naar buiten zou nemen.
Toen kwam er een nog grappiger gedachte in haar op; zij vergat haar rol van verontwaardigde moeder, hield haar helderen lach achter haar hand terug, en hem schuins aanziende, zei zij tusschen haar lachen door:
—Zeg, ik geloof dat Adeline kwaad op je geworden was en haar een standje gemaakt had.... Zij ging niet verder. Maxime lachte mee. Dat was het einde van Renée’s zedelessen over dit avontuur.
Intusschen bekommerde Aristide Saccard zich heel weinig om de twee kinderen, zooals hij zijn zoon en zijn tweede vrouw noemde. Hij liet hun een onbeperkte vrijheid, blij dat zij zulke goede vrienden waren, wat heel wat drukte en vroolijkheid in de kamers bracht. Dat waren anders zonderlinge kamers, op die eerste verdieping in de rue de Rivoli. Den heelen dag hoorde men er het slaan van deuren; de meiden en knechts spraken er op luiden toon, die vertrekken, nog in den vollen tooi van hun nieuwe weelde, werden onophoudelijk doorkruist door lange, fladderende japonnen, heele optochten van leveranciers, den chaos van Renée’s vriendinnen, Maxime’s kameraads en Saccard’s bezoekers.
Laatstgenoemde ontving van negenen tot elven het vreemdste volkje dat men bedenken kan: senatoren en deurwaardersklerken, hertoginnen en koopvrouwen in toiletartikelen, al het schuim dat de onweersbuien van Parijs des morgens in zijn huis wierpen, zijden japonnen, vuile rokken, kielen, zwarte jassen, die hij op denzelfden gejaagden toon, met dezelfde ongeduldige en zenuwachtige gebaren ontving. Hij deed de zaken met een paar woorden af, loste twintig zwarigheden te gelijk op en gaf de oplossing, heen en weer dribbelende.
Het leek wel of dat bewegelijke mannetje, wiens stem heel hard klonk, in zijn kamer aan het vechten was met zijn bezoekers, met de meubelen, omduikelde, met het hoofd tegen de zoldering stiet om er de denkbeelden uit te laten spatten, en altijd weer zegevierend op zijn voeten terecht kwam.
Om elf uur ging hij uit, dan zag men hem den heelen dag niet meer terug; hij ontbeet, ja, dineerde dikwijls buitenshuis.
Dan behoorde het huis aan Renée en Maxime, zij maakten zich meester van het kantoor van den vader; zij pakten er de doozen van de leveranciers uit, en allerlei lapjes en lintjes lagen over en tusschen de dossiers.
Soms wachtten ernstige menschen een uur lang voor de deur van het kantoor, terwijl de schoolknaap en de jonge vrouw, ieder aan een hoek van Saccard’s bureau, over den strik van een lint twistten.
Renée liet tienmaal per dag inspannen. Zelden aten zij gezamenlijk; van de drie waren er twee op den loop, om niet voor middernacht thuis te komen. Woning van luidruchtige drukte, van zaken en genoegens, waarin het moderne leven, met zijn gerinkel van goud, zijn verkreukte toiletten, als in een windvlaag verzwolgen werd.
Aristide had eindelijk een werkkring naar zijn zin gevonden. Hij deed zich kennen als een groote speculant, die met millioenen werkte. Na het meesterstuk van de rue de la Pépinière, wierp hij zich onvervaard in den strijd, die Parijs begon te bezaaien met onrechtmatig verkregen buit en schitterende overwinningen.
Aanvankelijk speelde hij hetzelfde zekere spel, waarmee hij de eerste maal succès had behaald; hij kocht huizen, waarvan hij vooruit wist dat zij te eenigertijd zouden afgebroken worden, en nam zijn vrienden in den arm om ruime schadevergoeding te krijgen. Op die wijze kreeg hij een vijf- of zestal huizen in zijn bezit, dezelfde die hij vroeger zoo zonderling aankeek, alsof het kennissen van hem waren, toen hij nog maar een arme opzichter was.
Maar dat was nog slechts het werk van een beginner. Zoo’n slimheid werd er niet toe vereischt, de huurcontracten af te laten loopen, met de huurders te knoeien, den staat en de particulieren te bestelen; hij vond bovendien, dat de opbrengst de moeite niet eens loonde. Hij wendde zijn vernuft dan ook spoedig tot ingewikkelder zaken aan.
Saccard vond eerst het kunstje uit om in het geheim huizen voor rekening van de stad te koopen. Een uitspraak van den raad van State had deze namelijk in een moeielijk geval gebracht. De stad had ondershands een groot aantal huizen opgekocht, in de hoop dat zij de contracten kon laten afloopen en de huurders zonder schadeloosstelling kon laten vertrekken. Deze aankoopen werden echter bij bovengenoemde uitspraak als echte onteigeningen beschouwd, en de stad moest betalen.
Toen bood Saccard zich als tusschenpersoon aan, hij kocht, liet de contracten afloopen en leverde tegen een ruime vergoeding het huis op het bepaalde oogenblik af.
Hij begon zelfs het mes van twee kanten te laten snijden; hij kocht voor de stad en voor den prefect. Als de zaak al te verleidelijk was, hield hij het huis voor zichzelf. De staat betaalde. Men beloonde zijn gedienstigheid door hem eindjes straat of ontworpen kruispunten toe te staan, die hij alweer verkocht voor dat de nieuwe weg begonnen was. Het was een woest spel; men speelde met wijken die nog gebouwd moesten worden, zooals men met effecten speculeert.
Zekere dames, mooie meisjes, intieme vriendinnen van hooge ambtenaren, deden er ook aan mee; een harer, die beroemd was om haar fraaie tanden, heeft meer dan eens heele straten opgeknabbeld. Saccard werd hongerig, hij voelde zijn begeerten grooter worden, als hij dat ruischende goud tusschen zijn vingers voelde glijden.
Het scheen hem toe dat een zee van goudstukken zich rondom hem uitstrekte, zich tot een oceaan uitbreidde, den onmetelijken horizon vervulde met een gedruis van vreemdsoortige golven, een metaalklank die zijn hart aangenaam aandeed; en hij waagde zich er in, zwom dagelijks met meer stoutmoedigheid, dook, verscheen weer aan de oppervlakte, zwom nu eens op den rug, dan weer op den buik, doorkliefde die onmetelijke vlakte op kalme en op stormachtige dagen, rekende op zijn krachten en zijn behendigheid, dat hij nooit zou verdrinken.
Parijs was toen in een wolk van kalk gehuld. De tijden, die Saccard op de hoogte van Montmartre voorspeld had, waren gekomen. De stad werd met sabelhouwen gekliefd, en hij had een werkzaam aandeel bij al die insnijdingen, al die kwetsuren, hij had puin liggen in de vier hoeken der stad. In de rue de Rome, was hij betrokken bij die zonderlinge geschiedenis van een grooten kuil dien een maatschappij groef, om vijf- of zesduizend kubieke meters aarde te vervoeren, teneinde aan reusachtige werken te doen gelooven, maar die weer volgeworpen moest worden met aarde uit Saint-Ouen, toen de maatschappij failliet was gegaan.
Hij kwam er met een zuiver geweten en volle zakken uit, dank zij zijn broer Eugène, die zoo goed was tusschenbeide te komen.
Te Chaillot hielp hij de hoogte uitgraven en de weggegraven aarde op een laag terrein brengen, om den boulevard, die van den Arc-de-Triomphe naar de pont de l’Alma gaat, door te trekken.
Van hem ging ook het denkbeeld uit om de weggegraven aarde van het Trocadéro op het plateau in den omtrek van Passy te strooien, zoodat men tegenwoordig op twee meters diepte goede aarde aantreft, terwijl in dat puin zelfs geen gras wil groeien.
Hij was op twintig plaatsen tegelijk te vinden, overal waar onoverkomelijke hindernissen waren, uitgegraven aarde waarmee men niets wist aan te vangen, ophoogingen die men niet kon uitvoeren, een groote voorraad aarde en kalkpuin, die den ingenieurs met hun koortsachtige gejaagdheid in den weg lag, en dien hij met zijn nagels doorwroette, om er ten slotte altijd een voordeeltje uit te halen.
Op een en denzelfden dag liep hij van de werken van den Arc-de-Triomphe naar die van den boulevard Saint-Michel, van het uitgegraven gedeelte van den boulevard Malesherbes naar de ophoogingen van Chaillot, en achter zich een leger van werklieden, deurwaarders, aandeelhouders, bedriegers en bedrogenen mee voerende.
Maar zijn grootste roem was het Wijnbouwcrediet, dat hij met Toutin-Laroche opgericht had. Deze was de officiëele directeur; hij verscheen slechts als lid van den raad van toezicht. Eugène had bij deze gelegenheid zijn broer nog eens de behulpzame hand geboden. Door zijn toedoen gaf de regeering toestemming tot de oprichting, en oefende er met een groote goedwilligheid toezicht op uit.
Toen een kwaaddenkend blad de vrijheid nam een operatie van deze maatschappij te critiseeren, ging de Moniteur zelfs zoover, dat zij een nota opnam, waarbij alle discussie over een zoo respectable onderneming, die zelfs onder de bijzondere bescherming van den Staat stond, verboden werd.
Het Wijnbouwcrediet was gebaseerd op een uitstekend finantieel systeem; het leende aan de verbouwers de helft van de geschatte waarde van hun goederen, waarborgde het geleende door een hypotheek, en inde van de leeners de intrest, vermeerderd met een termijn van de aflossing. Er kon niets waardiger ingericht worden dan zoo iets.
Eugène had met een fijn lachje de opmerking gemaakt, dat men aan het hof eerlijkheid verlangde. Mijnheer Toutin-Laroche gaf in zooverre gehoor aan dien wensch, dat hij de leenbank voor de wijnbouwers stilletjes haar gang liet gaan, maar daarnaast richtte hij een bank op, die alle kapitalen tot zich trok en met koortsachtigen ijver speculeerde, allerlei ondernemingen wagende.
Door den krachtigen impuls van den directeur, kreeg het Wijnbouwcrediet weldra den naam van uiterst solide en voorspoedig te zijn.
Om aan de Beurs een menigte nieuwe aandeelen te plaatsen, kwam Saccard op het vernuftige denkbeeld ze het voorkomen van oude te geven, die al lang in omloop geweest waren; hij liet ze daartoe door de loopknechts, met bezems gewapend, een heelen nacht trappen en slaan.
Het leek wel een filiaal van de Bank. Het hôtel, waarin de bureaux gehuisvest waren, met zijn voorplein vol équipages, zijn stemmig hekwerk, zijn breed bordes en monumentale trap, zijn lange reeksen weelderig ingerichte vertrekken, zijn ontelbaar aantal kantoorbedienden en lakeien, scheen een waardige tempel van het geld; niets stemde het publiek eerbiediger dan het heiligdom, de kas, waarheen een gang van heiligen eenvoud leidde, waar men de brandkast bespeurde, den god, neergehurkt, aan den muur geklonken, ineengedoken sluimerend, met zijn drie sloten, zijn dikke zijden, zijn uiterlijk van goddelijke redeloosheid.
Saccard bedisselde een groote zaak met de stad. Gebukt onder haar schuldenlast, meegesleept in dien millioenendans dien zij zelf begonnen was, om den keizer te behagen en zekere zakken te vullen, zag zij zich genoodzaakt haar toevlucht te nemen tot vermomde leeningen, daar zij haar dwaze opwinding, haar houweelenwoede niet wilde bekennen. Zij gaf toen zoogenaamde delegatie-bons uit, echte wissels op langen termijn, teneinde de aannemers te kunnen betalen op den dag waarop de overeenkomsten gesloten werden, en hen aldus aan geld te helpen door dat zij de bons konden verhandelen.
Het Wijnbouwcrediet had dit papier heuschelijk van de aannemers overgenomen. Zoodra de stad geldgebrek had, ging Saccard haar op de proef stellen. Er werd hem een aanzienlijke som gelds voorgeschoten, op een uitgifte van delegatie-bons, die mijnheer Toutin-Laroche verzekerde van concessionnarissen in handen te hebben, en waarmee hij op allerlei wijzen speculeerde. Van dien tijd af was het Wijnbouwcrediet onaantastbaar; het had Parijs onder den duim.
De directeur sprak nog slechts met een glimlach over de vermaarde Société Générale des Ports du Maroc; zij was toch altijd nog in leven, en de bladen gingen geregeld voort ophef te maken over de groote handelsstations. Eens toen mijnheer Toutin-Laroche Saccard wilde overhalen aandeelen in die maatschappij te nemen, lachte deze hem in het gezicht uit en vroeg hem of hij dacht, dat hij dom genoeg zou zijn om zijn geld in de “Algemeene Maatschappij van de Duizend en een Nacht” te steken.
Tot dusver had Saccard gelukkig gespeeld, zonder kans op verlies, valsch spelende, zich verkoopende, voordeel trekkende uit de koopen die hij sloot, kortom uit iedere onderneming die hij op touw zette, geld slaande. Weldra was hem dat opgeld niet meer voldoende; hij achtte het beneden zich het goud, dat een Toutin-Laroche en een baron Gouraud achter zich lieten vallen, saam te lezen en op te rapen.
Hij stak zijn arm tot aan den schouder in den geldzak. Hij werd compagnon van Mignon, Charrier en Cie, die vermaarde aannemers, die toen nog pas in hun opkomst waren, en die later kolossale vermogens verwierven.
De stad had reeds besloten de werken zelf niet meer uit te voeren, maar het aanleggen der boulevards bij aanbesteding te gunnen. De maatschappijen, aan wie de concessie verleend werd, verbonden zich den verkeersweg kant en klaar op te leveren, met boomen, banken en gaslantarens, tegen een vooraf bepaalde vergoeding; soms gaven zij zelfs den weg voor niets: zij werden ruimschoots schadeloos gesteld door de opbrengst der aanliggende terreinen, die zij hielden en waarvan zij de prijzen buitensporig hoog stelden.
Uit dezen tijd dagteekenen de speculatiekoorts met de terreinen en de vreeselijke rijzing in waarde der huizen.
Saccard kreeg door zijn invloedrijke vrienden de concessie van drie stukken boulevard. Hij was de ziel, maar tevens de onruststoker van het deelgenootschap. De heeren Mignon en Charrier, zijn ledepoppen in het begin, waren een paar flinke, slimme snaken, metselaarsbazen die de waarde van het geld kenden. Zij lachten heimelijk om Saccard’s equipages, meestal liepen zij in een kiel, ontzagen zich niet een werkman een handje te helpen en kwamen met kalk en stof bedekt thuis. Zij waren allebei uit Langres.
In dat koortsachtige, onverzadigde Parijs brachten zij hun boersche voorzichtigheid mee, hun kalm verstand, dat niet zoo schrander was, maar toch wakker genoeg om van de gelegenheid gebruik te maken om zich de zakken te vullen, al zou het genot later pas volgen.
Wanneer Saccard een zaak op touw zette, er bezieling aan gaf door zijn vuur, zijn woeste begeerten, beletten de heeren Mignon en Charrier, door hun prozaïsche denkwijze, hun gehechtheid aan den ouden, bekrompen sleur van hun beheer, hem wel twintig maal ten onder te gaan in zijn verwonderlijke plannen. Zij gaven nimmer hun toestemming tot de prachtige kantoren, het hôtel dat hij wilde bouwen om Parijs in verbazing te brengen. Zij stemden evenmin toe in de speculaties, die iederen morgen in zijn hoofd opkwamen: het bouwen van concertzalen, groote badinrichtingen op de terreinen langs de boulevards, spoorwegen, die de lijn van de nieuwe boulevards volgden, met glas overdekte galerijen, die het tiendubbele van de gewone winkelhuur zouden opbrengen, waardoor men in Parijs kon rondwandelen zonder nat te worden.
Om een einde te maken aan al die schrikaanjagende plannen, besloten de aannemers dat de terreinen langs de boulevards onder de drie compagnons verdeeld zouden worden, en dat ieder met zijn deel kon doen wat hij verkoos.
Zij gingen wijselijk voort hun aandeel te verkoopen. Hij liet bouwen. Zijn hoofd kookte. Hij zou in staat geweest zijn in allen ernst voor te stellen Parijs onder een kolossale stolp te zetten, om het in een broeikas te veranderen en er ananas en suikerriet in te kweeken.
Weldra bezat Saccard acht huizen op de nieuwe boulevards. Vele waren geheel af, waarvan twee in de rue de Marignan en twee op den boulevard Haussman; de vier andere, op den boulevard Malesherbes, waren nog in aanbouw; een daarvan, een groote afgeschutte ruimte waarop een prachtig hôtel zou verrijzen, vertoonde nog slechts den planken vloer van de eerste verdieping.
In dien tijd kregen zijn zaken zoo’n ingewikkeld karakter, had hij zooveel draden aan iederen vinger bevestigd, zooveel belangen te behartigen, zooveel poppen te doen dansen, dat hij soms maar drie uren op een nacht sliep, en de ingekomen brieven in zijn rijtuig moest lezen.
Het verwonderlijkste daarbij was dat zijn kas onuitputtelijk scheen. Hij was aandeelhouder van alle maatschappijen, bouwde met een grooten hartstocht, nam deel in allerlei handel, dreigde Parijs te overstroomen als een springvloed, zonder dat men hem ooit een duidelijk voordeel zag behalen, een groote som gelds in den zak zag steken.
Die stroom van goud, waarvan men de bronnen niet kende en die in dicht opeengedrongen golven uit zijn kantoor scheen te komen, bracht de lummels in verbazing en maakte hem tot een gezien man, aan wien de dagbladen al de kwinkslagen van de Beurs toeschreven.
Met zoo’n echtgenoot was Renée zoo goed als ongehuwd. Er gingen weken voorbij zonder dat zij hem zag. Overigens viel er niets op hem te zeggen: hij deed voor haar zijn brandkast wijd open. Zij mocht hem dan ook wel, als een toeschietelijk bankier. Wanneer zij naar het hôtel Béraud ging, prees zij hem erg tegenover haar vader, dien het fortuin van zijn schoonzoon streng en koel liet.
Haar minachting was verdwenen; die man scheen zoo overtuigd dat het leven niets anders beteekende dan zaken doen, hij was zoo klaarblijkelijk geboren om geld te slaan uit alles wat hem onder de handen kwam, vrouwen, kinderen, keisteenen, zakken kalk, gewetens, dat zij hem niet verwijten kon met hun huwelijk een koop te hebben gesloten.
Sedert dien koop beschouwde hij haar eenigszins als een van die mooie huizen, die zijn aanzien verhoogden en waaruit hij groote voordeelen hoopte te trekken. Hij had graag dat zij goed gekleed ging, een druk leven leidde, geheel Parijs het hoofd op hol bracht. Dat verschafte hem aanzien, verdubbelde het waarschijnlijke bedrag van zijn fortuin. Hij was jong, mooi, verliefd, dwaas, door zijn vrouw. Zij was een compagnon, een medeplichtige zonder het te weten. Een nieuw span paarden, een toilet van twee duizend daalders, een toeschietelijkheid voor den een of anderen minnaar, vergemakkelijkten, beslisten dikwijls zijn voordeeligste zaakjes.
Dikwijls wendde hij overstelpend drukke bezigheden voor, hij zond haar naar een minister, naar een hooggeplaatst ambtenaar, om een machtiging te verzoeken of een antwoord te halen. Hij zei haar: “En wees verstandig!” op een toon zooals hij alleen kon aanslaan, tegelijk spottend en vleiend. En als zij terugkwam, en geslaagd was, wreef hij zich in de handen, terwijl hij herhaaldelijk zei: “En je bent verstandig geweest!” Renée lachte. Hij was te werkzaam om naar een mevrouw Michelin te verlangen. Hij hield doodeenvoudig van ruwe aardigheden, van onbetamelijke veronderstellingen.
Trouwens, ingeval Renée niet “verstandig” was geweest, zou het hem alleen gespeten hebben, omdat hij dan de vriendelijke hulp van den minister of den ambtenaar werkelijk betaald zou hebben. De luidjes bedriegen, hun minder waar te geven dan hun voor hun geld toekwam, dat was voor hem een genot. Hij zei dikwijls bij zichzelf: “Als ik een vrouw was, zou ik me misschien verkoopen, maar ik zou de koopwaar nooit afleveren; dat zou al te dom zijn.”
Die dartele Renée, die op een nacht aan den Parijschen hemel verschenen was als de excentrieke toovergodin der wereldsche genietingen, was de ondoorgrondelijkste van alle vrouwen. Als zij thuis was opgevoed, dan had zij ongetwijfeld de prikkels der begeerten, die haar soms het hoofd op hol brachten, door den godsdienst of eenige andere voldoening der zenuwen afgestompt.
Wat haar hoofd aangaat, was zij echt burgerlijk; zij was hoogst fatsoenlijk, had een voorkeur voor logische zaken, vrees voor den hemel en de hel, een groote dosis vooroordeelen; zij aardde naar haar vader, naar dat bedaarde, voorzichtige geslacht dat de huiselijke deugden eerde. In die natuur ontkiemden en ontloken de verwonderlijkste droombeelden, die telkens weerkeerende nieuwsgierigheid, de onuitbare begeerten.
Bij de dames van de Visitatie in vrijheid opgegroeid, de geest naar willekeur ronddolend in de mystieke genietingen van de kapel en de zinnelijke vriendschap voor haar vriendinnetjes, had zij zich een zonderlinge opvoeding eigen gemaakt; zij leerde de ondeugd kennen, en pleegde die met al de openhartigheid van haar aard; zij bracht haar jong hoofdje zoo van streek, dat zij haar biechtvader eens in niet geringe verlegenheid bracht door de bekentenis, dat zij op zekeren dag, gedurende de mis, een onweerstaanbaren lust gevoeld had om op te staan en hem te kussen.
Dan weer kastijdde zij zich, en verbleekte zij bij de gedachte aan den duivel en zijn hel.
De misslag, die later haar huwelijk met Saccard ten gevolge had, die gewelddadige verkrachting, die zij met een soort van angstige verwachting onderging, maakte dat zij zichzelf ging verachten, en was een der voornaamste oorzaken dat zij zich willoos aan haar kwade neigingen over gaf. Zij dacht dat het tot niets diende tegen het kwaad te strijden, dat het al in haar was, dat de logica haar machtigde tot het einde toe in de kennis van het kwaad door te dringen. Zij was meer nieuwsgierig dan begeerig.
In den maalstroom van het tweede keizerrijk geworpen, overgelaten aan haar verbeelding, steeds van geld voorzien, in haar luidruchtigste buitensporigheden aangemoedigd, gaf zij zich over, had er spijt van en slaagde er eindelijk in het reeds wegstervende gevoel van haar fatsoenlijkheid geheel te dooden, altijd aangedreven en voortgezweept door haar onverzadelijke begeerte om te weten en te gevoelen.
Tot dusver deed zij overigens nog slechts wat alle anderen deden. Zij sprak graag, fluisterend en lachend, over buitengewone gevallen als de teedere vriendschap van Suzanne Haffner en Adeline d’Espanet, over het kiesche beroep van mevrouw de Lauwerens, over de kussen tegen vaste prijzen van gravin Vanska; maar zij beschouwde die dingen nog maar van verre, met de onbestemde gedachte dat zij er misschien ook aan mee zou doen, en die onbepaalde begeerte die te kwader ure bij haar opkwam, verhoogde nog die bedrijvige onrust, dat gejaagde zoeken naar een heerlijk, eenig genot, dat zij enkel smaken zou.
Haar eerste minnaars hadden haar niet verwend; driemaal had zij gemeend hartstochtelijk verliefd te zijn; de liefde ontbrandde in haar hoofd als een vuurpijl, welks vonken haar hart niet raakten. Een maand lang was zij als gek, vertoonde zij zich door heel Parijs met haar minnaar; maar op een morgen, midden in de drukste betuigingen zijner liefde, voelde zij een ontzettende leegte, een verpletterende stilte.
De eerste, de jonge hertog de Rozan, had al spoedig bij haar afgedaan; Renée, die hem om zijn zachtheid en zijn onberispelijke manieren had uitverkoren, vond hem, als zij met hem alleen was, onbeduidend, saai, vervelend.
Mijnheer Simpson, attaché aan het amerikaansch gezantschap, was zijn opvolger; hij had haar bijna geslagen, en daaraan had hij het te danken dat hij meer dan een jaar bij haar bleef.
Toen nam zij graaf de Chibray, adjudant des keizers, een knappen, verwaanden man, die haar erg begon te vervelen, toen hertogin de Sternich op het idee kwam op hem te verlieven en hem van haar af te nemen. Toen treurde zij om hem, en gaf zij haar vriendinnen te kennen, dat haar hart verbrijzeld was, dat zij nooit meer zou beminnen.
Zoo kwam zij aan mijnheer de Mussy, het onbeduidendste wezen ter wereld, een jongmensch dat carrière maakte in de diplomatie, doordat hij met zooveel smaak een cotillon wist te leiden; zij begreep eigenlijk zelf niet hoe zij zich aan hem had kunnen overgeven: toch hield zij hem geruimen tijd, uit gemakzucht; zij vond niets aardigs meer in iets onbekends, dat men in een uur ontdekt, en als zij zich dan toch de moeite van een verandering moest getroosten, wilde zij liever wachten totdat zij iets buitengewoons ontmoette.
Op haar acht en twintigste jaar was zij alles moe. De verveling scheen haar te onverdragelijker, omdat haar burgerlijke deugden gebruik maakten van die uren van verveling, om zich te beklagen en haar te verontrusten. Dan sloot zij haar deur, had hevige hoofdpijnen. En als de deur weer openging, kwam met groote drukte een stroom van zijde en kant te voorschijn, een schepseltje van weelde en vreugd, zonder een rimpel van zorg of een blos van schaamte.
In haar alledaagsch, wereldsch leven had zij toch een roman gehad. Eens, toen zij tusschen licht en donker te voet een bezoek had afgelegd bij haar vader, die niet gesteld was op het geratel van rijtuigen voor zijn deur, bemerkte zij op den terugweg, op de quai Saint-Paul, dat zij door een jongmensch gevolgd werd.
Het was warm; een aangename warmte, die tot minnen opwekte.
Daar zij nooit anders gevolgd werd dan te paard, in de lanen van het Bosch, vond zij het avontuur pikant, zij werd er door gevleid als door een nieuw soort hulde, een beetje onbeschaamd, maar juist die onbeschaamdheid prikkelde haar aangenaam. In plaats van naar huis te gaan, sloeg zij de rue du Temple in, en liet haar aanbidder de boulevards afloopen.
Intusschen werd de man stoutmoediger, hij werd zoo dringend, dat Renée van streek geraakte, de rue du Faubourg-Poissonnière insloeg en den winkel van haar schoonzuster in vluchtte. De man kwam ook naar binnen. Mevrouw Sidonie glimlachte, scheen de zaak te begrijpen en liet ze alleen. En toen Renée haar wilde volgen, hield de onbekende haar tegen, sprak haar met een bewogen stem eenige beleefde woorden toe, en zij vergaf hem zijn vrijpostigheid. Het was een ambtenaar, Georges genaamd; zijn familienaam zei hij haar niet, en zij vroeg er ook niet naar. Zij ontmoette hem daar twee malen; zij ging door den winkel, hij kwam door de rue Papillon.
Deze toevallige liefde, op straat gevonden en aangenomen, verschafte haar het levendigste genoegen. Zij dacht er altijd aan, wel met een beetje schaamte, maar ook met een zonderling lachje van spijt.
Mevrouw Sidonie won dit bij het avontuur, dat zij eindelijk de medeplichtige werd van haar broers tweede vrouw, een rol die zij al sedert den trouwdag had willen spelen.
Die arme mevrouw Sidonie had zich misrekend. Terwijl zij het huwelijk bedisselde, had zij gehoopt ook haar aandeel in dat huwelijk te krijgen, Renée tot klant te krijgen, een menigte voordeelen uit haar te behalen. Zij beoordeelde de vrouwen met een oogopslag, zooals kenners de paarden beoordeelen. Groot was dan ook haar verslagenheid, toen zij na de maand die zij aan het echtpaar gegund had om zich te vestigen, tot de ontdekking kwam dat zij achter het net vischte, toen zij mevrouw de Lauwerens in het midden van het salon zag tronen.
Laatstgenoemde, een mooie zes en twintigjarige vrouw, maakte er haar werk van de nieuwelingen in de groote wereld binnen te leiden.
Zij behoorde tot een zeer oude familie, was gehuwd met een groot financier, die het gebrek bezat dat hij de rekeningen der modistes en kleermakers weigerde te betalen. Mevrouw was schrander genoeg om zichzelf te helpen. Zij had een afschuw van de mannen, zei zij; maar zij verschafte ze aan al haar vriendinnen; er was altijd een compleet stel te vinden in de vertrekken die zij in de rue de Provence, boven het kantoor van haar man, bewoonde. Men hield er voorproefjes. Men ontmoette er elkander heel onverwacht, heel gezellig. Er stak geen kwaad in, dat een jong meisje haar lieve mevrouw de Lauwerens eens ging bezoeken, en het was haar schuld niet als het toeval daar mannen bracht, die zich heel eerbiedig gedroegen, en tot de hoogste kringen behoorden.
De vrouw des huizes zag er lieftallig uit in haar kanten peignoirs. Dikwijls zou een bezoeker haar verkozen hebben boven haar geheele collectie blondines en brunettes. Maar men wist wel, dat zij daartoe te verstandig was. Daarin stak het heele geheim van haar zaak.
Zij hield haar hooge positie in de wereld, alle mannen waren haar vrienden, zij hield haar trots als fatsoenlijke vrouw, genoot heimelijk als zij anderen liet vallen en bovendien voordeel uit haar val trok.
Toen mevrouw Sidonie begreep hoe die nieuwe uitvinding in elkander zat, was zij diep getroffen. Dat was de oude school, de vrouw in een oud zwart japonnetje, die minnebriefjes in haar mandje overbracht, tegenover de moderne school, de groote dame die haar vriendinnen in haar boudoir ontvangt, onder het drinken van een kopje thee. De moderne school zegevierde.
Mevrouw Lauwerens keek minachtend naar het verkreukte toilet van mevrouw Sidonie, in wie zij een mededingster bevroedde. Uit haar hand ontving Renée haar eerste verveling, den jongen hertog de Rozan, dien de mooie bankiersvrouw niet gemakkelijk plaatsen kon.
De nieuwe school zou eerst later het onderspit delven, toen mevrouw Sidonie haar kamers afstond voor de gril van haar schoonzuster, voor den onbekende van de quai Saint-Paul. Zij bleef van toen af haar vertrouwde.
Maar een van mevrouw Sidonie’s getrouwen was Maxime. Nauwelijks vijftien jaar oud, kwam hij al bij zijn tante snuffelen en berook hij de achtergelaten handschoenen, die hij op de meubels vond. Zijn tante, die er een hekel aan had om openlijk voor de waarheid uit te komen, leende hem ten slotte de sleutels van haar kamers, onder voorgeven dat zij tot den volgenden dag uitbleef.
Maxime zei iets van vrienden, die hij niet bij hem thuis durfde ontvangen. Op de bovenkamers van de rue du Faubourg-Poissonnière bracht hij verscheidene nachten met dat arme meisje door, dat naar buiten moest gezonden worden.
Mevrouw Sidonie leende geld van haar neef, keek hem smachtend aan, en fluisterde met haar innemende stem dat hij “zoo zacht en zoo blozend was als een meisje.”
Intusschen was Maxime grooter worden. Het was nu een slanke, knappe jongeling, die de blozende wangen en blauwe oogen van den knaap behouden had. Zijn krullende haren voltooiden het “meisjesachtige” in zijn uiterlijk, dat de dames zoo aantrok.
Hij geleek op de arme Angèle, hij had haar zachten blik, haar blonde bleekheid. Maar hij was nog minder waard dan die trage, onbeduidende vrouw. Het ras der Rougons was in hem verfijnd, maar tegelijk zwakker en gebrekkig geworden.
Geboren uit een te jonge moeder, een vreemd mengsel, een dooreenhaspeling, meebrengende van de woeste begeerten zijns vaders en de weekelijke lijdzaamheid zijner moeder, was hij een gebrekkig product, waarin de gebreken der ouders elkander aanvulden en verergerden.
Dat geslacht leefde te snel; het stierf reeds uit in dat teere wezen, waarbij de sekse klaarblijkelijk in twijfel gestaan had, waarin niet meer een wilskracht stak, belust op rijkdom en genot, zooals Saccard, maar een laffe zucht om het bijeengegaarde fortuin te verteren; zonderling tweeslachtig wezen, te zijner tijd geboren in een rottende maatschappij.
Wanneer Maxime naar het Bosch ging, ingeregen als een vrouw, op en neer wippende in het zadel bij den zachten draf van zijn paard, was hij de god van de jongelieden van zijn leeftijd, met zijn ontwikkelde heupen, zijn lange smalle handen, zijn teer, guitig voorkomen, zijn onberispelijke elegantie en zijn tooneelspelers-taal.
Toen hij twintig jaar oud was, achtte hij zich verheven boven alle gevoel van verbazing en van walging. Hij had stellig van de minst gebruikelijke vuilheden gedroomd. De ondeugd was bij hem geen grondelooze diepte, zooals bij zekere grijsaards, maar een uitwendige, natuurlijke bloei. Zij krulde in zijn haren, lachte op zijn lippen, kleedde hem met zijn kleeren. Maar het eigenaardigst waren vooral de oogen, twee blauwe, heldere, lachende oogen, spiegels van koketterie, waarachter men de leegte van zijn hersenkas duidelijk bemerkte.
Die veile-deernenoogen sloeg hij nooit neer, zij zochten het vermaak, een vermaak zonder afmatting, dat men aanroept en ontvangt.
De windvlaag, die zonder ophouden de vertrekken van de rue de Rivoli binnendrong en er de deuren deed slaan, blies harder naarmate Maxime grooter werd, naarmate Saccard den kring zijner operaties uitbreidde en Renée met steeds toenemenden koortsachtigen ijver het onbekende genot zocht. Die drie wezens leidden daar een vreemdsoortig leven van vrijheid en dwaasheid. Dat was de rijpe vrucht van een tijdvak.
De straat was met haar geratel van rijtuigen, haar gedrang van wildvreemden, haar ruwe taal, in deze woning binnengedrongen. De vader, de stiefmoeder, de stiefzoon handelden, spraken of maakten het zich gemakkelijk alsof ieder van hen alleen op kamers woonde. Drie vrienden, drie studenten, die met elkander een zitkamer deelden, konden niet met meer ongegeneerdheid over die kamer beschikt hebben om er hun ondeugden, hun liefdesavonturen, hun luidruchtige vreugde van groote kwajongens in te bergen.
Zij aanvaardden elkanders gezelschap met een vriendschappelijken handdruk, schenen geen flauw vermoeden te hebben welke band hen onder hetzelfde dak bijeenbracht, gingen gulhartig en vroolijk met elkander om, en bleven zoodoende volkomen onafhankelijk van elkander.
Het begrip familie was in hun oog iets als een vennootschap, waar de winst gelijkelijk verdeeld wordt, elk nam zijn aandeel van het vermaak in bezit, en het was een stilzwijgende conditie dat ieder van hen dat aandeel kon opmaken zooals hij dit verkoos. Ten slotte smaakten zij hun genoegens voor elkanders oogen, weidden er breedvoerig over uit, zonder iets anders dan een beetje afgunst en nieuwsgierigheid op te weken.
Nu werd Renée door Maxime onderricht. Wanneer hij met haar naar het Bosch ging, vertelde hij haar allerlei dingen over lichte meisjes, die hen erg vroolijk stemden. Hij kon geen nieuwe verschijning aan den oever van het meer opmerken, of hij ging inlichtingen inwinnen omtrent den naam van haar minnaar, het jaargeld dat hij haar gaf, of de manier waarop zij leefde.
Hij was bekend met het huiselijk leven van die dames, wist intieme bijzonderheden, was een levende catalogus, waarin alle publieke meisjes van Parijs genummerd stonden, met een volledige beschrijving er bij.
In het hooren van die nieuwtjes schiep Renée het grootste vermaak. Te Longchamp bij de wedrennen, als zij in haar kales voorbij reed, luisterde zij gretig toe, ofschoon zij haar waardigheid als deftige dame niet aflegde, wanneer Maxime haar vertelde hoe Blanche Muller haar gezantschapsattaché bedroog met haar kapper; of hoe de kleine baron den graaf in zijn onderbroek gevonden had in de alkoof van een magere, roodharige beroemdheid, bijgenaamd de Kreeft.
Iederen dag had hij een ander nieuwtje. Als de zaak te onkiesch was, sprak Maxime wat zachter, maar hij vertelde ze voluit. Renée luisterde met wijdgeopende oogen, als een kind dat een grapje hoort, hield haar lachen in, en proestte het dan uit in haar geborduurden zakdoek, dien zij even tegen de lippen drukte.
Maxime bracht ook de portretten van die dames mee. Hij had portretten van actrices in al zijn zakken: tot zelfs in zijn sigarenkoker. Soms ledigde hij zijn zakken; en deed de dames in het album dat op de meubels van het salon lag te slingeren, bij de portretten van Renée’s vriendinnen. Er waren ook portretten van heeren in, de Rozan, Simpson, de Chibray, de Mussy, alsook van acteurs, schrijvers, afgevaardigden, waarvan men niet eens meer wist hoe zij in het album gekomen waren. Vreemdsoortig mengelmoes, dat een denkbeeld gaf van den warboel van ideeën en personen, die het levenspad van Renée en Maxime kruisten.
Dat album gaf heel wat stof tot gesprekken, wanneer het regende of men zich verveelde. Het kwam op de een of andere manier altijd in hun handen. De jonge vrouw sloeg het geeuwend open, misschien wel voor den honderdsten keer. Dan werd haar nieuwsgierigheid opgewekt en de jonge man kwam achter haar leunen.
Dan werd er druk gepraat over het haar van de Kreeft, de dubbele kin van mevrouw de Meinhold, de oogen van mevrouw Lauwerens, den hals van Blanche Muller, den ietwat scheven neus van de markiezin, den mond van de kleine Sylvia, die bekend was om haar dikke lippen. Zij vergeleken de eene vrouw bij de andere.
—Als ik een man was, zei Renée, zou ik Adeline kiezen.
—Omdat je Sylvia niet kent, antwoordde Maxime. Die is toch zoo grappig!.... Ik mag Sylvia liever.
De bladen werden omgeslagen; soms verscheen de hertog de Rozan, of mijnheer Simpson, of de graaf de Chibray, en hij voegde er gekscherend bij:
—Trouwens, jouw smaak is bedorven, dat is bekend.... Heb je ooit dwazer gezichten gezien dan van die heeren! Rozan en Chibray lijken op Gustave, mijn kapper.
Renée haalde de schouders op, als wilde zij te kennen geven dat die spotternij haar niet deerde. Zij bleef zich verdiepen in de beschouwing van die bleeke, glimlachende of stuursche gezichten die het album bevatte; zij bleef wat langer stilstaan bij de meisjesportretten, bestudeerde nieuwsgierig de microscopisch kleine rimpeltjes of haartjes, die daarop zichtbaar waren.
Eens liet zij zich zelfs een sterk vergrootglas brengen, daar zij een haartje op den neus van de Kreeft meende te ontdekken. En inderdaad, de loep toonde een fijn, glinsterend blond haartje dat van de wenkbrauwen naar den top van den neus was verdwaald. Dat haartje vermaakte hen kostelijk. Een week lang, moesten de dames die bij haar kwamen zich met eigen oogen overtuigen van de aanwezigheid van het haartje.
De loep deed van toen af dienst om de gezichten der vrouwen uit te pluizen. Renée deed merkwaardige ontdekkingen; zij vond onbekende rimpels, ruw vel, gaatjes die niet genoeg door het poudre de riz bedekt waren. Eindelijk borg Maxime de loep weg, met de verklaring dat men op die manier een afkeer van het menschelijk gelaat zou krijgen. Maar de eigenlijke reden was, dat zij de dikke lippen van Sylvia, voor wie hij een bijzondere genegenheid koesterde, aan een te streng onderzoek onderwierp.
Zij vonden weer een ander spelletje uit. Zij stelden deze vraag: “Met wien zou ik graag een nacht doorbrengen?” en het album moest die vraag beantwoorden. Dat gaf aanleiding tot vermakelijke paringen. De vriendinnen speelden het verscheidene avonden. Renée werd achtereenvolgens uitgehuwelijkt aan den aartsbisschop van Parijs, aan baron Gouraud, aan mijnheer de Chibray, wat veel stof tot lachen gaf, en aan haar man zelf, wat ze niet aardig vond. Wat Maxime aangaat, hetzij bij toeval, of uit moedwil van Renée die het album opensloeg, hij kreeg steeds de markiezin. Maar nooit werd er meer gelachen dan wanneer het lot twee mannen of twee vrouwen samen paarde.
De vriendschappelijke verhouding tusschen Maxime en Renée werd zoo innig, dat zij hem haar hartsgeheimen toevertrouwde. Hij troostte haar en gaf haar raad. Zijn vader scheen niet te bestaan.
Daarop kwamen de vertrouwelijke mededeelingen uit hun jeugd aan de beurt. Vooral op hun rijtoertjes in het Bosch voelden zij een aandrang, een behoefte om elkander dingen te vertellen, die niet oorbaar zijn. Hetzelfde genot dat kinderen er in vinden zachtjes over verboden dingen te spreken, dezelfde aantrekkelijkheid die er voor een jongen man en een jonge vrouw in gelegen is om samen te zondigen, al is het maar in woorden, bracht hen telkens op onvoegzame onderwerpen.
Zonder eenig zelfverwijt gaven zij zich over aan het wellustig gevoel dat zij smaakten, ieder in hun hoekje op de zachte kussens van het rijtuig uitgestrekt, als makkers die elkander hun eerste kwajongensstreken in herinnering brengen. Zij begonnen ten slotte op de onzedelijkheid te pochen. Renée kwam er voor uit dat de meisjes op de kostschool heel gemeen waren. Maxime wou niet voor haar onder doen en durfde een paar staaltjes vertellen van de schandelijkheden die op het gymnasium te Plassans gebeurden.