Een groote menigte vreemdelingen stroomde in April van het jaar 1496 naar Neurenberg—het wemelde van allerlei soort van reizigers op de groote wegen. Vedelaars en zangers, goochelaars, koorddansers, kwakzalvers en zwervende studenten trokken naar de stad in gezelschap van berenleiders en kameeldrijvers, vrouwen, meisjes en vuile zigeuners. Daartusschen vertoonde zich monnikspijen en grove boerenkielen. Ook eerzame burgers trokken in troepjes stadwaarts en hier en daar baande zich een koets, aan aanzienlijke bezoekers toebehoorende, of een groep geharnaste ridders te paard een weg door de bonte menigte.
Het was weer ter eere der tentoonstelling der rijksinsignes en reliquiën, dat deze menschenmassa naar Neurenberg stroomde—en dezen keer was de toeloop zoo bijzonder groot, omdat een aantal vorsten en prelaten ook op weg waren en zelfs de keizer beloofd had te verschijnen.
De stad was versierd met vlaggen en wimpels, bonte tapijten en slingers van groen en bloemen. Zelfs de kerken hadden zich getooid, zooals een bruid zich tooit voor haar bruidegom en de groote markt was als in een feestzaal herschapen. Vandaar tot aan de veste, waar de keizer verblijf zou houden, was het alsof men door een bosch liep: het woud had zijn slanke dennen, die in twee rijen in den grond waren geplant, moeten afstaan.
Overal, in alle straten verdrong zich het volk uitgedost in hun fraaiste kleederen, om al de pracht en versieringen te kunnen bewonderen, voordat de feestelijkheden al hun aandacht in beslag zouden nemen. In de herbergen was het reeds vol vreemdelingen en nog steeds kwam er nieuwe toevloed.
Den 14den April ging het gerucht, dat de Keurvorst van Saksen met zijn broeder, Hertog Hans, in aantocht was. Het volk stroomde de poort uit om de naderenden te gemoet te gaan, en dicht voor de poort werden de gilden met hun insignes en banieren opgesteld. Toen de vorst kwam aangereden, kwam er geen einde aan het gejuich en gejubel van het verzamelde volk, want Frederik, bijgenaamd de Wijze, stond bij allen in hoog aanzien. Achter hem en zijn broeder volgde een lange stoet ruiters in mooie, blinkende wapenrustingen en met wapperende pluimen.
Kort daarop kwam ook de Landgraaf Lodewijk van Hessen met honderdvijftig ruiters, wien men dezelfde eer bewees.
Doch de algemeene spanning nam zeer toe, toen men vernam, dat den volgenden dag de keizer de poort der oude vrije Rijksstad zou binnenrijden.
De Keurvorst van Saksen reed met zijn broeder de poort uit om den vorst tegemoet te gaan. Weder werden de gilden opgesteld; de raadsheeren verschenen in hun deftige, zwarte mantels met de gouden ketens, de stadsmuzikanten zetten zich in postuur, op de wallen werd het geschut geladen en zelfs de allerarmste trok zijn beste kleeren aan. Maar zie, daar kwam een renbode om te zeggen, dat Zijn Majesteit verhinderd was zijn goede stad Neurenberg te bezoeken, omdat de Italiaansche veldtocht al zijn tijd eischte.1
Dat was voor de Neurenbergers een groote teleurstelling en men had nu maar half pleizier in de feestdagen, waarop de reliquiën en rijkskleinoodiën in het openbaar werden tentoongesteld.
Op den tweeden feestdag werd meester Albrecht Dürer reeds ’s morgens vroeg in zijn arbeid gestoord, doordat men aan zijn deur klopte.
Op den drempel verscheen een vreemde, aanzienlijke heer, die beleefd groette en zeide:
“Ik kom uit naam van mijn heer en gebieder, den Keurvorst van Saksen, om u te zeggen, dat Zijn keurvorstelijke Doorluchtigheid van plan is u een bezoek in uw werkplaats te brengen. Derhalve zult gij u voor zijn ontvangst gereed moeten maken, want over een uur zal hij hier zijn.”
Een oogenblik was Dürer door dit onverwacht bericht in verwarring gebracht, doch hij herstelde zich spoedig en sprak beleefd buigend: “Ik verheug mij over de hooge eer, die mij te beurt valt en Zijne keurvorstelijke Doorluchtigheid zal mij zeer welkom zijn.”
Nauwelijks was de bezoeker weg, of Dürer snelde naar zijn vrouw om haar deze blijde tijding te brengen. Terstond ging zij naar het atelier om zoo snel mogelijk alles op te ruimen en in orde te brengen, daarin ijverig geholpen door de beide gezellen, die het ook reeds hadden gehoord.
Intusschen had meester Dürer zich in zijn pronkgewaad gekleed en vertoonde zich in al zijn mannelijke schoonheid, statig en vol kracht als een ridder, en Vrouwe Agnes vermeide zich opnieuw in den aanblik van haar echtgenoot; het kwam haar voor, dat hij er nog nooit zoo heerlijk en statig had uitgezien.
Nadat een uur verloopen was, kon men door het venster den keurvorst Frederik, door zijn broeder Hans vergezeld, in de straat zien aankomen. Dadelijk snelde Dürer de trap af om de aanzienlijke gasten op den drempel te ontvangen.
“Dus zijt gij meester Dürer,” begon Keurvorst Frederik, terwijl zijn oogen met welgevallen de hooge gestalte beschouwden en hij hem vriendelijk de hand reikte. “Men prijst uw kunst zeer in het geheele land, en zelf heb ik ook reeds menig kunstwerk, dat mij heeft doen wenschen u persoonlijk te leeren kennen, van u gezien. Wilt gij ons nu voorgaan om ons de plaats, waar gij arbeidt, te laten zien?”
Eerbiedig geleidde Dürer de voorname bezoekers naar zijn werkplaats, waar de keurvorst plaats nam op den hem aangeboden zetel, terwijl zijn broeder zich naast hem zette.
Er hingen aan den muur veel schilderijen, die door den keurvorst zeer werden bewonderd, en zijn lof was Dürer des te meer waard, omdat hij niet alleen een liefhebber der kunst maar ook een kunstkenner was.
“Bij ons in Saksen,” ging Frederik voort, “geniet Lucas Kranach een grooten naam en hij is een kunstenaar met bijzondere gaven; maar met u, Meester Dürer, kan hij zich toch niet meten. Ik zeg dit niet om u ijdel te maken of om meester Lucas’ roem te verkleinen, maar om God in u te eeren, die u zooveel heeft geschonken. Hij geve u daarbij een goede gezondheid en een lang leven, om met het u toevertrouwde pond te kunnen woekeren tot Zijn eer en tot vreugde der menschen.—Maar ik verlang meer van u dan het genot, dat ik nu heb gesmaakt. Ook Wittenberg moet zien, waartoe de Neurenberger kunstenaar in staat is en daarom verzoek ik u voor mij een groot altaarstuk te schilderen, om de allerheiligenkerk te Wittenberg te versieren.”
Dürers wangen werden nog donkerder gekleurd en zijn aandoening stond op zijn gelaat te lezen. Hij boog diep voor den vorst, dankte hem voor de eer hem aangedaan en vraagde, wat het schilderij moest voorstellen. Daarin liet de keurvorst hem geheel, vrij: “Schilder wat gij zelf wilt en wat uw hart u ingeeft—ik wil u in het minst daarin niet beperken.”
Nog lang bleef de keurvorst vriendelijk praten, terwijl Hertog Hans de schilderstukken bekeek; eindelijk vraagde hij zelfs naar Vrouwe Agnes en sprak den wensch uit, haar te zien.
Daarop kwam Agnes te voorschijn, ook in feestgewaad gekleed en met zichtbaar welgevallen rustte ’s vorsten blik op de bekoorlijke gestalte; haar wangen hadden een verhoogden blos en zij was in het begin niet weinig verlegen, maar spoedig overwon zij dit gevoel en beantwoordde vrijmoedig en beminnelijk de vragen, die Keurvorst Frederik tot haar richtte. Nadat hij ook nog enkele woorden met de gezellen had gewisseld, nam hij afscheid en drong bij Dürer op haast aan, opdat het schilderij spoedig te Wittenberg zou zijn.—
In de herberg op de waag, waar de burgers gewoon waren samen te komen om met elkaar te drinken, was het een heele drukte, toen eenige dagen later Albrecht Dürer zich daar liet zien; iedereen wilde hem de hand drukken en overstelpte hem met gelukwenschen. In aller achting was hij nog gestegen door de eer hem te beurt gevallen en men zag het hen aan, dat zij zich in hem geëerd voelden. Vooral Dürers schoonvader, Hans Frey, hield het hoofd trotsch in den nek en liet zich den edelsten Cypruswijn brengen; hij was bijzonder spraakzaam, hoewel hij gewoonlijk weinig sprak en zou gaarne een liedje met luitbegeleiding ten beste hebben gegeven, als men het had verlangd.
Woordelijk moest Dürer herhalen wat hij met den keurvorst had gesproken en allen luisterden met gespannen aandacht, ook meester Wolgemut, die zonder eenigen naijver zich met den gelukkige verheugde en verzocht nu en dan te mogen komen zien, hoe het altaarstuk vorderde.
Maar wie het uitbundigst was in Dürers lof, dat was Wilibald Pirkheimer. Het was reeds bijna twee jaar geleden, dat hij in Neurenberg was teruggekomen, nadat hij niet alleen de leerschool der ridderschap had doorloopen, maar zich ook in de wetenschappen aan de Italiaansche hoogescholen ijverig had bekwaamd. Spoedig daarna was de met mannelijke schoonheid begaafde jonge man in het huwelijk getreden met Crescentia, een dochter uit het rijke en zeer aanzienlijke geslacht der Rieters, en niettegenstaande zijn jeugd was hem de eer te beurt gevallen tot raadsheer van Neurenberg te worden benoemd. De verhouding met Albrecht Dürer werd weder dezelfde als vroeger, ja, eigenlijk was de omgang nog vertrouwelijker geworden, zoodat de oude benaming van Castor en Pollux weer in herinnering kwam om de innige verstandhouding, die tusschen hen heerschte, aan te duiden.—
Reeds drie dagen later had meester Wolgemut gelegenheid de schets van het altaarstuk te zien, en hij was vol verbazing over de vlugheid, waarmee Dürers hand de afzonderlijke figuren te voorschijn riep.
De gezellen mochten hem niet helpen, hij wilde het geheel alleen afmaken, al was het nog zoo groot. Vol bezieling arbeidde hij er aan van ’s morgens vroeg totdat Vrouwe Agnes hem aan den maaltijd riep. Zijn ziel brandde van vurig verlangen om het reuzenwerk in zijn geheel te zien.
En na zes weken legde hij de laatste hand er aan. ’s Avonds verzamelde hij zijn vrienden, die bij een glas edele malvezij luid hun lof over zijn werk uitspraken. Het was een vleugelaltaarstuk uit drie bladen bestaande: de verven, met lijm gemengd, waren onmiddellijk op het doek gebracht.2 Op het middelste stuk buigt de Madonna in biddende houding over het kind Jezus, dat op een kussen voor haar ligt te sluimeren en door een engel koelte wordt toegewaaid. Maria’s slanke gestalte is gehuld in een lichtblauw kleed, gedeeltelijk door een witten sluier verborgen, boven haar hoofd zweven twee engelen, die een gouden kroon met parelen bezaaid vasthouden, terwijl twee andere engelen de kamer schoonmaken, waarin Maria zich bevindt. In een zijvertrek ziet men Jozef aan den arbeid in zijn werkplaats.
De linker vleugel van het altaarstuk stelt de H. Antonius voor, die in een boek leest en een donkerblauw gewaad aan heeft en op den rechter vleugel ziet men het naakte figuur van den H. Sebastiaan ten halven lijve afgebeeld en met pijnlijk verwrongen trekken: hij was de hoofdman der keizerlijke lijfwacht te Rome, die op last van Diocletianus ontkleed aan een boom werd gebonden en door zijn soldaten met pijlen gedood, omdat hij zijn geloof in Christus had beleden.
In dit reusachtige altaarstuk was alles met evenveel liefde en toewijding geschilderd, niet alleen de groote figuren, maar ook het bijwerk.
De oude Wolgemut was niet weg te krijgen van het schilderij en hij werd niet moede het te prijzen, vooral de juiste teekening en het schoone koloriet. Vele nieuwsgierigen verdrongen zich de volgende dagen in het atelier om het kunstwerk te zien, voordat het kort daarop naar Wittenberg werd verzonden, omdat de keurvorst op spoed had aangedrongen.
Hans van Kulmbach, een der gezellen, genoot de eer het kostbare stuk naar de plaats zijner bestemming te brengen. De keurvorst beloonde den kunstenaar vorstelijk, maar nog meer waarde had voor Dürer de lof, waarmee meester Lucas Kranach het werk vereerde.