HOOFDSTUK XIV.

KINDERLIJKE LIEFDE.

Op een Septembermorgen van het jaar 1502 trad een aanzienlijk man, de patriciër Löffelholz Dürers werkplaats binnen.

“Is meester Dürer niet thuis?” vraagde hij aan de gezellen. “Hoe komt het, dat hij, die anders zoo stipt is, zijn woord niet heeft gehouden? Ik wacht reeds drie dagen op de schilderij, die ik bij hem heb besteld.”

Schäufelein, die het dichtst bij stond, haalde de schouders op.

Gij zult nog een weinig geduld moeten hebben, edele heer, wij kunnen er niets aan doen. De meester wil volstrekt niet, dat wij er aan werken, hij wil het geheel zelf afmaken.”

“Nu, waarom maakt hij daarmee dan zoo weinig haast?” vraagde Löffelholz.

“Hij is de laatste dagen bijna niet in de werkplaats te zien, omdat hij andere plichten heeft te vervullen.

“Wat voor plichten?”

“Zijn plicht als zoon. Reeds lang is de oude meester Dürer bedlegerig en zeer hulpbehoevend en ellendig. Vrouwe Barbara en Vrouwe Agnes hebben hem tot nu toe liefderijk opgepast, maar een paar dagen geleden is hij zoo erg geworden en het is niet meer alleen zijn oude kwaal, maar nog andere ongesteldheden er bij, die hem kwellen en dubbele verpleging eischen. De beide vrouwen hebben zooveel van haar krachten gevergd, dat zij zich nauwelijks meer op de been kunnen houden en daarom heeft de meester een deel der verzorging op zich genomen en vooral het waken ’s nachts; dan kunnen de vermoeiden een weinig rust nemen. Maar daardoor is hij overdag niet alleen te vermoeid om te werken, maar zijn geest is er ook niet toe gestemd, want de zorg en kommer drukken hem ter neer. Gij moet weten, dat er slechts zelden een zoon zal worden gevonden, die zoozeer met hart en ziel aan zijn ouden vader is gehecht als onze meester. Hij heeft dan ook trouw voor hem in zijn ouderdom gezorgd, en in zijn zorgen zich zelf geheel vergeten.”

“Ik wist het,” viel Löffelholz den gezel in de rede, het is overbekend hoe goed meester Dürer voor zijn ouders en broeders is. En nu heb ik waarlijk spijt over mijn ongeduld en zal ik kalm afwachten, totdat de meester in staat is, het schilderstuk af te maken.” Toen ging hij groetende weg.

Op straat gekomen, drong door het open venster van de kamer uit het benedenhuis een luid steunen en zuchten tot hem door; hij begreep nu welke bittere pijnen en smarten de oude meester had door te staan.

En werkelijk de grijsaard lag in hevig lijden op het ziekbed neer; zijn zoon zat bij hem en trachtte hem het lijden zooveel mogelijk te verzachten door zijn pijnlijk lichaam met zachte kussens te ondersteunen en hem nu en dan een glas kostbaren wijn uit Istria te laten drinken.

Daarna werd de zieke rustiger. Hij keerde het aangezicht naar den muur en sliep in—toen stond zijn zoon zachtjes op en deed de deur open om de frissche lucht naar binnen te laten stroomen.

Intusschen kwam Vrouwe Agnes en even daarna Vrouwe Barbara binnen, die eenige uren hadden geslapen en nu meester Albrecht kwamen aflossen.

Hij weigerde echter en sprak vriendelijk: “Laat mij hier blijven, ik verlaat vader nu liever niet.”

En zoo bleven alle drie in de kamer zacht met elkaar fluisteren, om den kranke niet te storen. Er hingen in het zieke vertrek twee geschilderde portretten van den ouden meester Dürer. Beide waren door Albrecht gemaakt, het eene op het eind zijner leerjaren, toen zijn vader betrekkelijk nog in de kracht zijns levens was, en het andere bij zijn terugkomst uit den vreemde, om aan zijn vader te laten zien, wat hij daar had geleerd. Het laatste portret vertoonde het gelaat van een zeventigjarigen grijsaard, waarop de tijd zijn verwoestenden invloed had uitgeoefend, want het was vol rimpels en de oogen hadden een zeer vermoeide uitdrukking.

Vrouwe Barbara had de portretten uit de woonkamer laten nemen, om ze in dit vertrek op te hangen. Nu viel haar oog op de beeltenissen en ze zuchtte diep, toen ze zei: Ach, hoe broos en vergankelijk is toch het leven van den mensch!”

Albrecht knikte haar toe en sprak na eenige oogenblikken: “Het lichaam vergaat tot stof en asch, maar de rechtvaardige blijft in gedachtenis. Mijn goede vader is steeds een deugdzaam, vroom man geweest, dat is zeker en niemand heeft dat in ruimer mate ondervonden dan ik. O, ik kan God niet genoeg er voor danken, dat Hij mij zulk een vader heeft gegeven, die altijd als een voorbeeld van deugd en vroomheid voor mijn oogen heeft gestaan en mij den goeden weg heeft leeren bewandelen.

Vrouwe Barbara schreide zacht en na eenige oogenblikken begon ook zij haar man te prijzen; dankbaar herdacht zij, hoe goed hij altijd voor haar was geweest in hun lang huwelijksleven.

Een beweging van den zieke trok aller aandacht tot zich; hij was ontwaakt en scheen iets te willen zeggen, want hij wenkte zijn zoon toe om dicht bij hem te komen en zijn hand in de zijne nemende, sprak hij: “Mijn zoon, ik voel dat ik ga sterven, en ik wilde u op het hart drukken, uw vrome, godvreezende moeder in haar ouderdom niet alleen te laten, haar, die altijd zulk een trouwe moeder voor u is geweest!”

Albrecht boog zich over de klamme hand zijns vaders en drukte een kus er op. “Gij behoeft u niet ongerust te maken, lieve vader. Ik ken mijn plicht en zal dien met Gods hulp zoo goed als ik kan vervullen.”

Een dankbare blik uit zijns vaders oogen was zijn belooning.

Maar op hetzelfde oogenblik werd de kranke weder onrustig en begon op nieuw te steunen; het moest dus wel een ontzettend pijnlijk lijden zijn, want tot nog toe had de grijsaard zijn smarten met onvergelijkelijk geduld en gelatenheid gedragen. Hij klaagde over brandende pijn in de ingewanden en wilde uit het bed komen, ijlende alsof hij door hersenkoorts werd geteisterd.

Met groote moeite hield men hem in bed en trachtte de pijn te verzachten door warme doeken op zijn lichaam te leggen, maar het hielp niet veel en den geheelen dag hadden alle drie het zoo druk, dat er geen tijd overbleef om iets te nuttigen. Toen de avond viel kwam de zieke pas tot rust, hij begeerde te drinken en sliep daarna in. De beide vrouwen drongen er nu bij Albrecht op aan, dat hij naar zijn eigen kamer zou gaan om een weinig te slapen en nieuwe krachten voor den volgenden dag te verzamelen, en daar ook de natuur haar rechten eischte, gehoorzaamde de vermoeide man.

Tot laat in den avond konden de beide vrouwen rustig bij elkaar blijven zitten, want de kranke verroerde zich niet. Toen richtte hij zich weer met een angstige kreet overeind en wilde het bed verlaten.

Vrouwe Barbara gaf hem zijn zin, wischte het klamme zweet van zijn voorhoofd en toen hij om drinken vraagde, gaf Agnes hem een glas zoeten wijn.

“Dat heeft mij goed gedaan!” zei hij en nu wilde hij weer naar bed worden gebracht. Nauwelijks lag hij weer in de kussens, of zijn gelaat onderging plotseling een groote verandering: zijn gelaatskleur werd geheel anders, zijn oogen zonken in de kassen en schenen reeds gebroken.

De vrouwen schrokken, toen zij het bemerkten en ijlings stak Barbara een licht op, om dat aan het hoofdeinde bij den stervende te plaatsen, zooals toen het gebruik was. Zij wilde daarop de meid naar den kapelaan sturen, om den zieke van de Sacramenten der stervenden te voorzien, doch zij zag wel, dat het te laat was en daarom vervulde zij de plaats van den priester, maakte het teeken des kruises, vouwde de handen en sprak de woorden van St. Bernardus, het gewoone gebed der stervenden.

Ondertusschen snelde de meid op een wenk van Vrouwe Agnes, die den zieltogende in haar armen hield, naar boven om meester Albrecht te roepen.

In aller ijl kleedde hij zich aan en snelde in grooten angst de trap af. Toen hij echter de kamer in kwam, had zijn brave vader reeds den laatsten adem uitgeblazen en drukte Vrouwe Barbara den doode de oogen toe.

Albrechts smart was groot en hij verweet zich bitter, dat hij het laatste uur had geslapen, maar zijn moeder trachtte hem te troosten met de woorden: “Stel u gerust, mijn zoon, want al waart gij hier geweest, dan zoudt gij hem het sterven toch niet gemakkelijker hebben kunnen maken dan het is geweest. Laten wij God danken, die hem zulk een zalig, kalm sterfbed heeft gegeven!”

Daarop ging Albrecht naar het bed van den doode, keek langen tijd met eerbiedig gevouwen handen naar het vriendelijke, rustige gelaat en fluisterde biddend:

Ave, pia anima. Requiem aeternam da ei, Domine, et lux ei luceat perpetua!1

Het was de avond voor St. Mattheus van het jaar 1502 tegen middernacht dat de oude meester Dürer op vijf-en-zeventig jarigen leeftijd tot zijn vaderen werd verzameld.

Den volgenden dag werd onder klokgelui en onder het geleide van het geheele goudsmidsgilde het lijk op het Sebalduskerkhof ter aarde besteld. Van het hoogaltaar werd de zielmis gelezen en aan de armen der stad werd brood uitgedeeld. Gedurende drie dagen bleef het zwart fluweelen lijkkleed op het graf uitgespreid en brandden daarop twee kaarsen, die door houten kasten tegen den wind werden beschut, terwijl twee geestelijke zusters den geheelen dag bij het graf bleven om lijkzangen te zingen en te bidden voor de ziel des afgestorvenen. Dit alles gebeurde op verlangen van Albrecht, die hiermee zijn vader de laatste eer wilde bewijzen en toen hij en zijn betrekkingen na den lijkdienst waren teruggekeerd, nam hij de zorg voor zijn moeder en zijn jongsten, twaalfjarigen broeder Hans geheel op zich, zooals hij zijn vader had beloofd en zooals zijn eigen hart hem ingaf.

Zijn broeder Andreas evenwel nam ransel en staf op en trok de wijde wereld in.


1 Vaarwel, vrome ziel! Heer, geef hem de eeuwige rust en laat uw onvergankelijk licht hem bestralen!