Meermalen had Keurvorst Frederik de Wijze Neurenberg bezocht en dikwijls had hij meester Dürer met een bezoek vereerd.
Het eerste altaarstuk, dat de keurvorst bij hem had besteld, voldeed zoo goed, dat hij hem eenige jaren later een tweede voor de Allerheiligenkerk opdroeg.
En nu—in het begin van het jaar 1504—kwam voor de derde maal uit Wittenberg de opdracht aan meester Dürer, om een schilderij te leveren ter versiering van dezelfde kerk en hij ging terstond aan het werk. De eene maand na de andere verliep; Dürer schilderde met de uiterste zorgvuldigheid en de grootste toewijding, zoowel de hoofdfiguren als de geringste onderdeelen.
Toen het in Neurenberg bekend werd, dat het groote altaarstuk zijn voltooiing naderde, werd Dürer dikwijls gestoord door nieuwsgierigen, die het wilden zien, want Pirkheimer en de beide gezellen hadden verteld, dat de meester zich zelf had overtroffen en daardoor wederom een schrede tot het volkomene in de kunst was genaderd.
Allen, die het zagen, konden zich overtuigen dat die lofspraak niet overdreven was. Het stuk stelde de aanbidding der Wijzen voor. Links zit de Maagd Maria in een licht blauw gewaad met witten sluier en houdt het kind Jezus op haar schoot. De uitdrukking van haar gelaat is onvergelijkelijk lieftallig, heilig en vredig. Diep bewogen en met velerlei aandoeningen naderen de Wijzen uit het Oosten, gekleed in gewaden, schitterend van goud, en het is alsof met hen de geheele natuur in aanbidding ligt verzonken. Geen aureool omgeeft Maria en het Kind, maar het lichte, zonnige groen op den achtergrond doet beiden nog beter uitkomen dan zulk een krans van licht het zou kunnen doen.
Iedereen was onder de bekoring van dit kunstwerk—men zag, dat het iets heel bijzonders was en dat geen van meester Dürers werken zoo hoog stond. Was ’t het schoone coloriet, het gevoelige der teekening, de teedere, fijne penseelbehandeling, de wondere harmonie in de groepeering, de groote eenvoud en verheven rust, die over het geheel lag verspreid, wat zulk een overweldigenden indruk maakte? Neen, niet één dezer kwaliteiten alleen, maar dit alles te zamen was de reden van de groote bekoring, die het uitoefende.
Hoe was meester Dürers kunst nu op eenmaal tot zulk een hoogte gestegen?
Sedert geruimen tijd had zich te Neurenberg een Venetiaansch kunstenaar gevestigd, Jacopo de Barbari geheeten, wiens kunst hoog werd geroemd.
Eerzucht en naijver hadden hem uit de stad der lagunen verdreven. Hij kon niet dulden zijn roem met andere kunstenaars te moeten deelen en hij vond het onverdragelijk door anderen in de schaduw te worden gesteld. Hij hoopte in Duitschland, door de hoogte waarop hij stond, onbetwist een eerste plaats in te nemen.
Toch wilde hij niet gemakkelijk zijn triomfen behalen en daarom koos hij een plaats, waar hij gelegenheid had een reeds gevierd kunstenaar te overschaduwen. Zijn hoop werd dan ook vervuld. Evenals Ceasar kon hij zeggen: Veni, vidi, vici1, en in een oogwenk waren de Neurenbergers zoozeer onder zijn invloed gekomen, dat zij bijna de Duitsche kunst vergaten om de vreemde te huldigen. Het was waar, dat de fijnheid en gevoeligheid van het coloriet, het liefelijke en sierlijke der teekening en de bekoorlijke uitdrukking, die hij in het gelaat wist te leggen, hem aller bewondering waardig maakte. Daarbij vergeleken scheen de Duitsche kunst hard en ruw, stijf en koud.
Meester Jacopo werd bij de aanzienlijkste families gaarne ontvangen; men betwistte elkaar de eer van zijn gezelschap, men zwaaide hem onmatigen lof toe, en overlaadde hem met geschenken en eerbewijzen. Het aantal bestellingen was overweldigend groot, want alle aanzienlijke jonkvrouwen bestormden zijn atelier om haar portret te laten maken.—
Albrecht Dürer zag welke triomfen de vreemde indringer behaalde, hij hoorde de overdreven loftuigingen en werd voortdurend stiller.
Was gekrenkte eerzucht, of verterende naijver de oorzaak, dat hij zoo stil en in zich zelf gekeerd was? Neen, want zijn edel hart kende dergelijke gewaarwordingen niet. Hij zelf behoorde tot hen, die meester Jacopo bewonderden en prezen in alle oprechtheid en zonder een zweem van huichelarij en na eenigen tijd, nadat hij in stilte had toegezien en nagedacht, ging hij naar den vreemden kunstenaar in allen ootmoed en nederigheid, zonder zich te laten afschrikken door den nederbuigenden toon, waarop deze, door de volksgunst zoo hooggeplaatste en verwende man, tot hem sprak—en de macht van Dürers edele en nederige persoonlijkheid bleef niet zonder invloed op dezen hoogmoedige, wien hij achting afdwong.
Het was de wensch om te leeren, die hem naar meester Jacopo had gedreven. De drie-en-dertigjarige kunstenaar, wiens naam op aller lippen was, achtte zich niet te hoog bij den vreemden meester in de leer te gaan.
Vóór dien tijd had hij nog een andere school doorloopen, die des lijdens. Een zware krankheid had hem bezocht en daardoor had hij gelegenheid gehad zich in ernstige overdenkingen te verdiepen. En evenals dit zelfonderzoek zijn hart gelouterd en geheiligd had, zoo was het ook niet zonder invloed op zijn geest gebleven; zijn genie had nieuwe openbaringen ontvangen en door de grootte van zijn lichamelijk lijden waren zijn scheppende krachten toegenomen. Deze vooruitgang openbaarde zich in de wijze, waarop Dürer nu het menschelijk gelaat opvatte en uitvoerde. Had tot nu toe de Duitsche kunst zich vergenoegd met het eenvoudig weergeven der lijnen en trekken zonder de stemming van het gemoed uit te drukken, nu legde hij in zijn portretten duidelijk en helder de stemming der ziel. Daardoor wordt het geheele gelaat bezield, men kan zien welke gewaarwordingen de mensch ondervindt, wat hem aandoet, wat hij gevoelt en welken strijd hij doorleeft; het is alsof men de haren ziet trillen, alsof de lippen zich bewegen en de oogen schitteren en glinsteren.—Toen hij nog zeer ziek was, had hij een Christuskop geschilderd zooals nooit te voren: het hoofd van den gestorven Heiland met de doornenkroon, met gesloten oogen en geopenden mond en een uitdrukking van onmetelijke smart over het geheele gelaat verspreid. Wat Dürer zelf in zijn bitter lijden had ondervonden, trachtte hij weer te geven met het penseel en daardoor kwam hij tot het schilderen der ziel, een door lijden verkregen talent, dat hij na zijn herstel in een groot aantal werken openbaarde, zonder ze evenwel reeds aan het groote publiek te laten zien. Hiertoe behoorde voornamelijk het lijden van Christus, dat hij met de pen en het penseel op groen getint papier in twaalf afbeeldingen had weergegeven en daarna een serie houtsneden, het leven van Maria voorstellende van haar geboorte tot haar hemelvaart. Deze afbeeldingen hadden een groote bekoorlijkheid voor den beschouwer; de kunstenaar had hierdoor een snaar aangeraakt, die in elk Duitsch hart een weerklank moest vinden, want deze teekeningen waren de verheerlijking van het familieleven, de lof van het huwelijk, als een heilige, door God geordineerde en gezegende staat,—in het kort, het was wederom een predicatie tot het Duitsche volk, zooals vroeger de door hem geïllustreerde Openbaring van Johannes.
Dürer had dus in de school des lijdens veel geleerd; maar hij was er ver van te gelooven, dat hij nu niets meer behoefde te leeren en in den vreemden kunstenaar zag hij juist een leermeester met wiens onderricht hij weder in een ander opzicht zijn voordeel zou kunnen doen.—
Langzamerhand verminderde de koelheid van Jacopo tegenover den Duitschen schilder. Hij werd vriendelijker tegen hem, doch verloor een zekere terughoudendheid niet uit het oog, toen hij bemerkte, dat het Dürer te doen was om van hem te leeren. Hij zag heel goed hoe uitstekend begaafd de Duitscher was en hij vreesde in stilte, dat Dürer hem in zijn kunst zou ter zijde komen of misschien wel overtreffen.
Vooral wilde hij angstvallig het geheim van de wijze, waarop hij het menschelijk figuur wist af te beelden, en waarop hij zich zoo beroemde, voor Dürer verborgen houden. Hij deed het namelijk voorkomen, alsof hij geen modellen noodig had, maar alsof hij door zijn grondige kennis der anatomie en de door hem opgemaakte theorie, die hij uit den canon der verhoudingen van het menschelijke lichaam had geput, dit in zijn grootste schoonheid kon weergeven.
Hoe gaarne had Dürer dit ook gekund! Maar spoedig moest hij de oprechtheid van den vreemdeling wel in twijfel trekken, toen hij bij toeval hoorde, dat hij, bij het weergeven der menschelijke gestalte, nu en dan het levend model had gebruikt en het bleek dus duidelijk, dat zijn scheppingsvermogen en anatomische kennis niet voldoende waren, om hem in staat te stellen het ideaal der menschelijke schoonheid in beeld te brengen.
Niettemin leerde Dürer door zijn omgang met meester Jacopo en door het bestudeeren van zijn werken, de gebreken die hij in zijn eigen werk had ontdekt, overwinnen en daardoor zijn kunst tot grootere volmaking brengen, want hij was er verre van, zich tevreden te stellen met hetgeen hij kon en liet zich door de grootste loftuitingen niet in slaap maken, om op de geplukte lauweren uit te rusten, maar hij streefde voortdurend naar hooger.
Het werd dan ook spoedig openbaar welke nieuwe kunde hij had verkregen. ’t Waren slechts kleine stukken, oefeningen en studies, die uit zijn werkplaats kwamen, maar de kenners waren één en al verbazing en bewonderden de vorderingen, die hij had gemaakt vooral in het dierengenre, dat hij tot nu toe bij het landschap had achtergesteld.
Zoo had hij een haas geschilderd, die aller bewondering verdiende. Het vel was zoo natuurgetrouw weergegeven, dat men bijna in verzoeking kwam het eens te bevoelen, om zich te overtuigen, dat het geschilderd was en niet een werkelijk hazevel. Even groot opzien baarde een levensgroote hertekop, door een pijl getroffen en met gebroken oogen, en een ruiker viooltjes, waaraan slechts de geur ontbrak, om voor levende bloemen te kunnen worden gehouden.
Door deze kunstwerken trok Dürer weer aller aandacht tot zich en begrepen de Neurenbergers, dat men niet naar het buitenland behoefde te gaan, om een volmaakt kunstenaar te aanschouwen, maar dat die in de naaste omgeving was te vinden. Ja, het werd zelfs door enkelen luide verkondigd, dat meester Dürer den Italiaan Jacopo overschaduwde en deze fronste het voorhoofd, toen hij moest ondervinden, dat de geestdrift voor hem meer en meer verkoelde.
En nu was Dürer aan het schilderen aan het groote altaarstuk, dat een vorst van hem begeerde: “de aanbidding der Wijzen” en toen daaraan de laatste hand was gelegd, ging er in Neurenberg slechts één kreet op: de Duitsche kunst overtreft die van anderen en Albrecht Dürer is de eerste aller meesters! De zachtheid der lijnen, die bij Jacopo in weekheid ontaardde, was bij Dürer met kracht gepaard en het schitterende coloriet, dat bij den Italiaan niet van overdrijving was vrij te pleiten, behield bij Dürer de juiste maat en deed het oog aangenaam aan inplaats van het te verblinden. —
Meester Dürer ontving uit Wittenberg een ruime belooning niet alleen in klinkende munt, maar op verzoek van den kunstenaar was er een bijzonder mooi gewei bijgevoegd, dat de eereplaats in het staatsievertrek kreeg en door allen werd bewonderd, vooral door Wilibald Pirkheimer, die zijn vriend dit kostbare stuk bijna benijdde.