HOOFDSTUK XVI.

EEN DUBBEL AFSCHEID.

Op een kouden, vochtigen Octoberavond van het jaar 1505 hield voor Dürers huis een logge koets stil, waaruit een jonge man steeg in een reismantel gehuld.

“Schäufelein!” klonk het vroolijk uit een raam van de eerste verdieping van Vrouwe Agnes’ lippen, toen zij den bezoeker herkende.

Deze gaf den knecht last om voor zijn koffer te zorgen en trad snel naar binnen. Hij werd hartelijk verwelkomd; vier weken was hij in Frankfort geweest om Dürers schilderijen op de jaarmarkt te koop aan te bieden.

“De lieve heiligen zijn geprezen,” riep hij, “dat ik u allen in gezondheid mag terugzien en de doodsengel uw huis is voorbijgegaan. Ik heb heel wat angst om u uitgestaan, want in Frankfort ging de mare, dat de pest hier dagelijks veel offers eischte.”

“Ja, God heeft ons genadig gespaard,” antwoordde Dürer, terwijl rondom ons menig huis door den dood is bezocht. Wat ben ik verheugd en dankbaar, dat God u in welstand bij ons heeft teruggebracht.”

Hans, meester Albrechts broeder, hielp den gezel zich van zijn reismantel ontdoen; Vrouwe Barbara ging naar den knecht en Vrouwe Agnes liep naar de keuken, om voor het avondeten te zorgen.

Spoedig werd de koffer binnengebracht en hielp Hans von Kulmbach, die uit de werkplaats kwam aangeloopen, Schäufelein om dien leeg te maken. Dit kostte weinig moeite, want al was hij vol geweest, toen Schäufelein vertrok, nu waren er slechts enkele stukken in, die niet waren verkocht. Daardoor was de som gelds, die hij uit den lederen buidel op de tafel schudde, ook zeer belangrijk en Dürer betuigde zijn hartelijken dank aan zijn trouwen zaakwaarnemer, wien hij tegelijkertijd zijn deel van de opbrengst toeschoof.

“Ik zou in nog vroolijker stemming zijn thuis gekomen,” sprak Schäufelein, “als ik niet de onaangename ondervinding had moeten opdoen, dat er vele schurken zijn, die hun dievenhanden naar uw eigendom uitsteken. Het zijn geen struikroovers, die ons onderweg hebben aangevallen, maar op de jaarmarkt heb ik een andere soort dieven leeren kennen; gij weet wel, wat ik bedoel.”

“De nadrukkers?” vraagde Dürer snel.

“Ja, juist,” knikte Schäufelein met gefronste wenkbrauwen. “Wat baat uw monogram, waarmee gij sedert acht jaren uw werken onderteekent?1 Het beveiligt ze niet voor namaak, want die schelmen maken er geen gemoedsbezwaar van, om ook dat er bij af te drukken en daarmee de koopers te bedriegen.”

“Het spijt mij zeer, dat te hooren,” sprak Dürer halfluid. “Dieven worden opgehangen, doch zulke schurken, die zich toch ook het eigendom van anderen toeeigenen, laat men ongestoord hun schandelijk bedrijf uitoefenen. Ik zou gaarne eens een hooggeplaatst, invloedrijk man willen vragen om mij daartegen te beschermen; maar het is de vraag of zijn invloed daartoe in staat is.”

“Ja, dat is vergeefsche moeite,” meende Schäufelein, al kondt gij u tot den keizer wenden, dan zou het nog niets baten. Zelfs in de Nederlanden haalt men zulke boevenstreken uit; want in Antwerpen woont er een, die kopergravuren heeft gemaakt naar uw houtsneden uit de openbaring van Johannes.”

In hevige opgewondenheid liep Dürer met groote schreden het vertrek op en neer:

“Het ontstemt mij erg! Weet gij wie het is?”

“Och, al wist ik het, het zou toch niets baten,” klaagde Schäufelein. “Ik heb trouwens getracht hem op te sporen, doch toen hij het bemerkte, heeft hij zich gauw uit de voeten gemaakt.” Dürer haalde de schouders op. “Laten we ons verder niet bekommeren om den dief, die toch niet gelukkig met zijn roof kan zijn, want gestolen goed, gedijt niet. Aangenamer is het u te vertellen, hoe het mij in uw afwezigheid is gegaan.”

Hij werd gestoord door Vrouwe Agnes, die hen uitnoodigde om aan het avondeten te komen. Na het gebed, dat door het hoofd des huizes werd uitgesproken, zei Dürer tot Schäufelein: Gij weet wel, dat verleden winter het Duitsche handelshuis bij de Rialtobrug te Venetië een prooi der vlammen is geworden. Nu heeft in Juni van dit jaar de Signoria2 op aandringen der Duitsche kooplieden besloten het nieuw te bouwen huis aan een Duitschen meester, Hieronymus van Augsburg, op te dragen. En daar de St. Bartolomeuskapel, bij het handelshuis behoorende, een groot altaarstuk noodig heeft, hebben de Duitsche kooplieden eveneens weten door te zetten, dat dit door een Duitscher zou worden uitgevoerd en ziet ge, daarvoor heeft men den Neurenberger Albrecht Dürer uitgekozen.”

Schäufeleins oogen schitterden van voldoening en zijn hand, die juist een stuk rookvleesch naar den mond wilde brengen, kwam niet tot haar bestemming. “O, dat is heerlijk! En wat verheug ik mij in de eer, die u te beurt valt! Geluk er mee, Meester! Hartelijk geluk gewenscht! En gaat gij gauw?”

Eenige oogenblikken bleef Dürer, zonder iets te zeggen, voor zich uit staren; toen sprak hij: “Mijn hart trekt mij naar dat zonnige land en die heerlijke stad, die ik reeds eenmaal mocht aanschouwen, en ook is de verzoeking groot om zooals vele anderen de vreeselijke ziekte, die hier heerscht, te ontloopen, maar de angst om hen, die ik moet achterlaten, doet mijn hart onrustig kloppen en houdt mij tegen. De Heer geve, dat de sterfte spoedig moge verminderen, dan is het mijn plan met de eerste gelegenheid de beste naar Italië te reizen. Maar ik wil niet alleen er op uittrekken zooals toen ik als gezel de wereld in ging, maar ik zal mij aansluiten bij een handelskaravaan. Zulk een jonge gezel zonder één cent op zak lieten de struikroovers en dieven wel ongestoord verder gaan, maar nu kon het wel eens zijn, dat die schelmen lust kregen om hun handen uit te strekken naar de schat, die ik van plan ben mee te nemen; want ik reken er op een groot aantal mijner schilderijen te Venetië in goud om te zetten.”

Nu mengde Vrouwe Agnes zich in het gesprek: “Mijn lieve man, is het bezorgdheid voor de uwen, die u verhindert aan de eervolle opdracht gevolg te geven? Maar zijt gij dan de Voorzienigheid, die door uw bijzijn hen voor nood en dood kan bewaren? Het eenige, wat wij in dezen moeilijken tijd kunnen doen, is bidden en ons in ’s Heeren bescherming aanbevelen. Nu dat kunt gij te Venetië even goed als hier. Ons leven is in Gods hand en ons hart kan rustig zijn in den Heer.”

Dürer keek zijn vrouw aan met een blik waarin dank en ook achting voor haar groot Godsvertrouwen lag opgesloten, maar ook een stille vrees bij de gedachte: indien het eens in Gods raad was besloten een der mijnen tijdens mijn afwezigheid op te eischen dan zou ik zijn laatsten zucht niet kunnen opvangen en zijn oogen niet toedrukken. Hij durfde deze gedachte evenwel niet uitspreken; het was alsof hij zich schamen moest tegenover het onbeperkte Godsvertrouwen zijner vrouw. Schäufelein maakte van zijn stilzwijgen gebruik om, evenals Vrouwe Agnes, er op aan te dringen, dat hij zich tegen de reis naar Venetië niet langer zou verzetten.

Dürer keek den spreker ernstig aan, en er was zelfs eenige verlegenheid in zijn blik, toen hij zei: “Er is nog iets, dat mij tegen de reis doet opzien. Als ik eenmaal weg ben, zal ik zoo spoedig niet terugkeeren, want het groote schilderij, dat men van mij verlangt, zal veel tijd vorderen, en daarbij hoop ik ook van de Italiaansche meesters nog wat te leeren. Daarom zal ik wel verplicht zijn, mijn werkplaats te sluiten en u te ontslaan, mijn goede gezellen, wat mij niet weinig moeilijk valt, want gij hebt mij altijd trouw gediend en ter zijde gestaan.”

Het was duidelijk op de gezichten der gezellen te lezen, dat hun dit weinig aanstond; zij zagen elkaar teleurgesteld en vragend aan. Zij waren op zoo iets in het geheel niet voorbereid en het speet Schäufelein, dat hij zoo op de reis had aangedrongen.

Dürer las hun gedachte en vervolgde: “Waarlijk, gij zijt nu lang genoeg bij mij in de werkplaats geweest en het komt mij bijna zeer zelfzuchtig voor, dat ik u zoo lang in mijn dienst heb gehouden, daar het toch wel uw wensch zal zijn ook bij andere meesters te leeren. Daarom wil ik niet aan mij zelf denken en mij om uwentwil verheugen, dat gij nu daartoe de gelegenheid hebt.”

Hans von Kulmbach, die gewoonlijk stil en in zich zelf was gekeerd, richtte nu het woord tot Dürer en sprak: “De tijd, dien wij bij u zijn geweest, is ons als een droom voorbijgegaan en het zal lang duren, voordat wij op onze omzwervingen in de wereld een meester vinden, die ons zulk voortreffelijk onderwijs kan geven en wiens vriendelijkheid ons zulke goede dagen zal doen beleven.”

Ook Schäufelein sprak in denzelfden geest, hij hield niet op Dürer dank te zeggen voor alles, wat zij in zijn huis hadden ontvangen en kwam eindelijk weer op zijn aandringen terug. Zoo werd het gesprek, dat eenigszins treurig was geworden, langzamerhand weer vroolijker en de dischgenooten zaten na het dankgebed nog lang gezellig samen te praten.—

Vijf weken later stond voor Dürers huis een opgetuigd rijpaard, beladen met een zwaar valies, ongeduldig te trappelen, want het wachten duurde lang bij de felle koude, die den adem uit zijn neusvleugels verstijfde, waardoor zijn kop in een waas werd gehuld.

Daar binnen duurde het afscheid lang. Het kostte meester Dürer reeds moeite te scheiden van zijn gezellen, die ook hun ransel hadden aangegord, maar het was alsof zijn hart zou breken, toen hij voor het laatst zijn lieve vrouw, zijn goede moeder en zijn broertje in de armen sloot.

Met zijn moeder had hij eerst nog een zonderling geschil over Hans gehad. Hij had hem gaarne willen meenemen op reis, omdat hij het voor den zeventienjarigen knaap, die zich ook aan het schilderen wilde wijden, nuttig oordeelde onder zijn toezicht en leiding iets van de wereld te zien en de Italiaansche taal te leeren; maar zijn moeder kon er niet toe besluiten om zich van den laatsten zoon, die haar van haar kinderen overbleef, te scheiden en wist van haar Albrecht te verkrijgen, dat hij alleen zou vertrekken.

Meester Dürer reed de straat “onder de veste” genaamd uit, vandaar naar de Heerenmarkt, waar hij ophield bij het huis van Pirkheimer. Hij moest van zijn vriend nog afscheid nemen en hem dank zeggen voor het voorschot, dat hij den reiziger had gegeven, omdat deze met het oog op zijn vermoedelijk lange afwezigheid een welvoorzienen buidel bij zijn familie moest achterlaten.

Nu gaf hij zijn paard de sporen en reed over de Barrevoetersbrug naar het Lorenzerplein en vandaar naar de Vrouwepoort, waar de vijf wagens met koopwaar en zijn eigen kunstwerken reeds gereed stonden, omgeven door de vijf kooplieden te paard en twaalf gewapende, stevige dienaars, die de karavaan moesten beschermen.

Onder de zegenbeden van hen, die er om verzameld stonden, stelde de stoet zich in beweging en vroolijk hinnikten de paarden op dezen kouden, helderen morgen.


1 Het bedoelde monogram bestond uit een kleine D in een groote A. 

2 De Signoria had het voorzitterschap in de drie hoogste staatslichamen: de groote raad, de senaat en het collegium. De tot de senaat behoorende raad van tienen bestond uit tien raadsleden en de Signoria. Na hun raadsbesluiten kon men niet in appèl komen. Vert.