Op een heerlijken, warmen dag in Februari van het jaar 1506 lag op het balkon van haar paleis op het Marcusplein, Signora Bella, de echtgenoot van den Markies Rinaldi, uitgestrekt op een zacht rustbed om met volle teugen de frissche, versterkende voorjaarslucht in te ademen. Zij was herstellende van een maandenlange, ernstige ziekte en verwachtte van den zonneschijn een snellere genezing.
Naast haar stond een vrouwelijke bediende, die haar het nieuws uit de stad moest vertellen, want nadat zij langen tijd in niets belangstelling had getoond, begon de Signora zich nu weer voor de buitenwereld te interesseeren.
Men vernam het geluid van naderende voetstappen en op het balkon verscheen een grijsaard met een langen, witten baard en een edele, indrukwekkende gestalte. Het was de oom der Signora en tevens haar vaderlijke vriend, van wien zij in haar ziekte de hartelijkste deelneming had ondervonden en die bijna dagelijks in dezen lijdenstijd haar tot troost was geweest.
Zijn gelaat helderde op, toen hij zag hoeveel belangstelling de zieke toonde in de mededeelingen van haar ondergeschikte en hij uitte zijn blijdschap op hartelijke wijze. Achter hem stond een lakei met een portefeuille, die hij van hem overnam en bij de Signora bracht. “Ik heb iets voor u meegebracht, dat u eenige oogenblikken aangenaam zal bezig houden, lieve Bella. Het is langen tijd geleden, dat gij u voor de kunst hebt geïnteresseerd.”
“O, dank u, beste oom,” antwoordde Bella en zij strekte haar kleine, magere, wasbleeke hand uit naar de portefeuille, waarin een reeks kopergravuren geborgen waren, die in volgorde het leven van Maria weergaven.
Reeds bij het eerste blad, dat de weigering van Joachims offer door den hoogepriester voorstelde, begonnen Bella’s oogen te schitteren en uitte zij een kreet van verrukking; “O, hoe prachtig, hoe bekoorlijk!” Haar ingenomenheid nam bij elke afbeelding toe en zij kon haar oogen niet afwenden van die gravuren, welke de rust van de heilige familie in Egypte te zien gaven, een afbeelding van het reinste, gelukkigste familieleven, dat de bannelingen de smart over de scheiding van hun geboortegrond scheen te kunnen doen vergeten. Zij genoot van den aanblik van Maria, gezeten met haar spinnewiel bij de wieg van haar beminnelijk kind, van den ouden Jozef, die ijverig zit te arbeiden voor het dagelijksch brood der zijnen, en vooral van de allerliefste engeltjes, die druk bezig zijn om de spaanders in een mand te verzamelen en van wie één ondeugend genoeg is geweest om zich met Jozefs hoed te tooien.
Geheel andere gewaarwordingen werden in Bella gewekt, toen zij kwam aan de afbeelding van Jezus’ afscheid van Zijn moeder, voordat Hij Zijn laatste reis naar Jeruzalem ondernam, en waarop de Heer met hemelschen vrede op het gelaat en met heiligen moed om den dood tegemoet te gaan, nog eenmaal Zijn moeder, die aan de deur vol smart ligt neergezonken, zegent.
Bella was diep ontroerd en twee groote tranen blonken in haar oogen. Nog nooit had zij iets aanschouwd, dat zoo aangrijpend schoon was.
“Ik dank u, beste Oom, voor dit genot,” zeide zij dankbaar, nadat zij het laatste blad had bekeken. “Van wien zijn deze onvergelijkelijk schoone gravuren?”
“Raimondi Marcantonio heeft ze op koper gegraveerd,” antwoordde de grijsaard, die met stille vreugde en voldoening had opgemerkt, dat zij, die hem zoo lief was, weder in iets belangstelling koesterde.
“Gegraveerd?” vraagde Bella. “Ze zijn uitstekend gegraveerd; maar wie heeft de teekeningen ontworpen? De kunstenaar, die dat heeft gedaan, vindt zijn gelijke niet.”
Haar oom kwam een weinig dichter bij haar zitten en sprak glimlachend:
“Mijn doel was niet alleen om u deze platen te laten zien, maar ik wilde u ook iets vertellen. Deze gravuren hebben in de stad heel wat opzien gebaard en zijn de oorzaak, dat Marcantonio voor het gerecht is gedaagd.”
“Voor het gerecht?” vraagde de Signora met klimmende belangstelling.
“Ja,” antwoordde haar oom, “Marcantonio is een dief, die zich het bezit van anderen heeft toegeëigend; hij heeft deze platen, die oorspronkelijk in houtsneden zijn verschenen, in koper nagegraveerd. Zie, hier is het monogram van den ontwerper der houtsneden!”
Bella bekeek de letters zonder iets te zeggen.
Toen vervolgde haar oom: “Weet gij niet wiens naam het is? Maar dat zou ook moeilijk gaan, want het is reeds zoo lang geleden, dat gij den kunstenaar, die zich met A. D. onderteekent, hebt gezien. Gij waart toen nog ongehuwd. Het is de naam van een Duitsch kunstenaar — — —.”
“Albrecht Dürer!” riep Bella uit en een flauwe blos kleurde haar bleeke wangen. “O, van hem zijn deze heerlijke kunstwerken! — — — Ziet gij wel, Oom, dat ik zeer juist heb gezien, wat er in dien man was; mijn profetie heeft zich bewaarheid! Albrecht Dürer is een ongeëvenaard kunstenaar! Hoeveel heb ik niet reeds gezien op het gebied der kunst, doch nooit heeft iets daarvan mij zulk een genot verschaft, nooit heeft iets mij zoo getroffen als deze heerlijke kunst. Wat zijn onze schilders bij hem vergeleken! Zooveel innig gemoedsleven, als hierin ligt uitgedrukt, zoekt men tevergeefs bij hen. Men zegt van de Duitschers: dat hun hart even warm is als de dampkring, waarin zij leven, koud is. En nu zie ik, dat het waar is.”
“Dat ben ik met u eens, mijn lieve Bella,” antwoordde haar oom.
“Ook ik ben verrukt van deze platen en het andere werk, dat ik van hem zag, vond ik ook zoo bijzonder mooi.”
“Waar woont Meester Dürer tegenwoordig?” vraagde Bella. “In zijn geboorteplaats Neurenberg?”
“Ja,” antwoordde haar oom, “daar heeft hij zijn werkplaats, maar op dit oogenblik — — — — .”
Eensklaps hield hij op en vraagde zich af of het de zieke niet te veel zou opwinden, als hij haar het verdere mededeelde—doch toen hij Bella’s dringenden, vragenden blik op zich gevestigd zag, ging hij voort haar te zeggen, dat Meester Dürer op dit oogenblik te Venetië vertoefde, om op verlangen der Signoria voor de vernieuwde St. Bartolomeuskapel een groot altaarstuk te schilderen.
De Signora richtte zich op van haar rustbank en liet zich door haar kamenier een kussen tot steun in den rug geven, alsof zij in die houding beter kon luisteren.
“Is hij te Venetië? In mijn onmiddellijke nabijheid?” zeide zij. “O hoe gaarne zou ik dien heerlijken kunstenaar nog eens terugzien! Hij moet nu een man in de volle kracht zijns levens zijn.”
“Hij is vierendertig jaar,” zeide haar oom. “Zijn uiterlijk alleen reeds trekt de aandacht. Men voelt eerbiedige bewondering, wanneer men hem ziet. En dan daarbij zijn edel karakter en zielenadel! Men voelt zich geneigd hem met ontbloot hoofd te naderen.”
“Maar wat is nu het geval met Marcantonio?” vraagde de Signora. “Gij zeidet, dat hij voor het gerecht staat.”
Haar oom knikte bevestigend. “Eindelijk is het meester Dürer gelukt een der vele schurken machtig te worden, die hun handen naar zijn eigendom uitsteken en zijn werken nadrukken of graveeren.”
“Zou de Signoria hem tegenover onzen stadgenoot recht doen wedervaren?” vraagde Bella beschroomd.
“Maak u daarover niet ongerust, mijn kind!” verzekerde haar oom. “Dürer is bij de Signoria, evenals bij ieder hier in de stad, in hooge achting. Dagelijks krijgt hij in zijn werkplaats dicht bij het Duitsche handelshuis, zooveel bezoekers alsof het een bedevaart naar een wonderdoend beeld der heilige Maagd gold. Ook beijveren onze kunstenaars zich hem te bezoeken en met lof te overladen, al is dat misschien niet altijd even oprecht gemeend. De besten van hen zijn waarlijk zijn vrienden, doch de kleingeestigen vergaan van jaloerschheid, vitten en trachten gebreken op te sporen, terwijl zij in stilte zijn werken navolgen.”
“Die ellendigen!” zei Bella toornig, “en hoe houdt Dürer zich daaronder?”
“Hij let niet op hen,” antwoordde haar oom, “en zijn edel hart, waarvan al het lage en gemeene zoo ver is verwijderd, bemerkt ook dikwijls hun kwaadwilligheid niet. Hij stelt er zich tevreden mee door de anderen te worden gewaardeerd. ’t Is een wonder, dat hij onder al den lof, dien men hem toezwaait, en de eer, die hem wordt bewezen, zoo kalm en nederig blijft.”
“Ja, ja,” riep de Signora uit, “Albrecht Dürer is een voortreffelijk man met een nederig gemoed, dat heb ik wel gemerkt. Hoe ver is hij met zijn altaarstuk gevorderd?”
“Hij is nog bezig aan de studies, die vooraf noodig zijn,” antwoordde haar oom, “en het zou ook niet anders mogelijk zijn, want elken dag verdringt men zich zoozeer om hem, dat hij nauwelijks tijd tot arbeiden kan vinden. Onlangs nog zeide hij mij, dat hij zich nu en dan eens onzichtbaar moest maken, omdat men hem al te lastig viel en hij niet tot zich zelf kon komen. Ik kan mij begrijpen, dat al die eerbewijzen, waarmee de aristocratie hem overlaadt, hem gaan vervelen. Vooral vindt hij het onaangenaam zoo dikwijls te worden uitgenoodigd op gastmalen en feesten, daar dat zooveel van zijn kostbaren tijd vergt. Het liefst ontvangt hij Giovanni Bellini, van wien hij den eersten keer, dat hij te Venetië was, zooveel heeft geleerd; de eerwaardige grijsaard ziet nu met innige bewondering tot zijn vroegeren leerling op en bewijst hem veel oprechte genegenheid, wat den Duitscher, bij al de gehuichelde vriendschap, die hij ondervindt, bijzonder veel genoegen doet. Ik moet u toch nog vertellen, wat er onlangs is gebeurd. Bellini kwam bij Dürer, toen hij juist met een studiekop voor zijn altaarstuk bezig was; hij schilderde het haar op zijn onnavolgbare wijze. De grijsaard verzocht Dürer, hem een der penseelen, waarmee hij het haar zoo wonderlijk fijn wist te schilderen, als aandenken te geven. Daarop nam Dürer een handvol gewone penseelen, reikte die Bellini toe en gaf hem verlof er zooveel van te nemen, als hij begeerde. Bellini glimlachte, dacht dat Dürer hem niet had begrepen en vraagde om slechts één fijn penseel voor de haren. Nu moest Dürer lachen en zei, dat hij voor de haren geen bijzondere penseelen gebruikte. Toen Bellini daarop zijn hoofd ongeloovig schudde, nam Dürer een gewoon penseel en schilderde voor de oogen van den verwonderden grijsaard de haarlok eener vrouw op zijn wondermooie manier. Dit verhaal is volkomen waar, want ik heb het van Bellini zelf gehoord, die er bijvoegde: het klinkt als een wonder en ik zou het niet hebben geloofd, indien ik het zelf niet had gezien.”
Signora Bella was stil geworden; de blos op haar wangen was weder verdwenen en zij zag er bleek en vermoeid uit. Haar oom begreep, dat het tijd werd om heen te gaan en haar nu te laten uitrusten, opdat al die aandoeningen, al waren zij van aangenamen aard, de herstellende geen kwaad zouden doen. En Bella nam afscheid van hem, doch niet zonder het dringende verzoek haar spoedig meer te komen vertellen van den Duitschen meester.
Verscheidene maanden waren voorbijgegaan—het Paaschfeest was nabij.
Albrecht Dürer was reeds ’s morgens vroeg in zijn werkplaats, om, zooals hij hoopte, ongestoord van de ochtenduren gebruik te maken om aan zijn altaarstuk te werken, Men was in het begin overeengekomen, dat de schilderij op den eersten Paaschmorgen op het altaar van de Bartolomeuskapel zou prijken, maar daaraan was in de verste verte niet te denken en zij, die het Dürer hadden opgedragen, konden het hem niet wijten, daar zij heel goed wisten, dat het niet de schuld van den Duitscher, maar van de Venetianen zelf was, die hem zijn tijd kwamen ontrooven en hem ook bestellingen deden, die de vriendelijke meester niet wilde weigeren. Toch wilde het vandaag met den arbeid aan het groote schilderij niet vlotten. Zijn oogen dwaalden telkens naar een tweeden schildersezel, waarop een klein, pas begonnen stuk stond, den twaalfjarigen Jezus te midden der schriftgeleerden, voorstellende. Het was om hem eenige afwisseling te geven bij den omvangrijken arbeid van het altaarstuk, dat hem door de groote afmeting soms te zeer vermoeide. Acht dagen geleden was hij er pas mee begonnen en nu was het bijna af—met zooveel toewijding en ijver had hij er aan gewerkt.
Toen hij juist goed op streek was, werd er geklopt en met gefronste wenkbrauwen mompelde Dürer: “men gunt mij zelfs de vroege ochtenduren niet!”
Maar zijn gelaat verhelderde zoodra hij den binnenkomende herkende. Het was een jonge, nauwelijks twintigjarige man, met dichte, zwarte lokken en een edel, bleek gelaat, dat duidelijk den kunstenaar verried.
“Wees welkom, mijn beste Titiaan!” riep Dürer en hij stak hem zijn beide handen toe. Hij wist dat de kunstenaar, die voor hem stond, hem oprechte vereering toedroeg. Titiaan zag met evenveel bewondering tot Dürer op als zijn grijze leermeester Bellini.
“Wat zie ik?” riep hij uit, toen zijn oogen op den tweeden schildersezel vielen. “Ik dacht, dat ik, na u acht dagen met rust te hebben gelaten, het altaarstuk goed gevorderd zou vinden, en zijt gij nu nog met studies daarvoor bezig, of,” voegde hij er glimlachend bij, “is dit geen studie voor het groote schilderij?”
Dürer moest eveneens lachen. “Het is een op zich zelf staand schilderij, waartoe uw leermeester Bellini mij heeft opgewekt. Het zal mij evenwel niet lang meer ophouden, want ik denk het morgen af te maken en dan heb ik er slechts vijf dagen voor gebruikt.”
“Vijf dagen?” vraagde Titiaan en zag Dürer strak aan. “Hebt gij een verbond met den booze gesloten? Het is tooveren! Zulk een stuk in vijf dagen?”
“Dat is alleen vlugheid, waarde Titiaan,” antwoordde Dürer. “Ik wilde mijn geest, die door het groote altaarstuk te veel vermoeid was, een weinig verfrisschen, door iets anders onder handen te nemen. Overigens heb ik ter wille van het groote werk veel andere opdrachten afgewezen, die mij meer geldelijk voordeel zouden hebben aangebracht dan dit groote stuk, waarvoor men mij 85 ducaten heeft beloofd.
“Het is waarlijk niet de zucht naar geld, die mij bezielt; doch denk eens hoeveel mijn onderhoud mij dagelijks kost en dat ik toch ook een deel der opbrengst mee naar huis moet nemen voor hen, die aan mijn zorgen zijn toevertrouwd. Indien ik alles op mij had kunnen nemen, wat men van mij verlangde, zou ik wel tweehonderd ducaten hebben verdiend. En niettegenstaande al de vriendschap, die men mij bewijst, zou ik hier aan lager wal geraken, als mijn houtsneden en de andere werken, die ik uit Neurenberg heb meegenomen, mij geen voldoende som hadden opgebracht. Maar nu heb ik plan om, zoodra het kleine schilderij klaar is, met alle kracht aan het groote te gaan werken.”
“Om het met Pinksteren klaar te kunnen hebben?” vraagde Titiaan.
Dürer haalde de schouders op. “Dat is onmogelijk; er zijn daarvoor veel te veel figuren op het stuk.”
Titiaan nam nu uit een portefeuille een teekening te voorschijn. “Ik wilde u dit laten zien, om van u te hooren of gij vindt, dat ik vorderingen heb gemaakt door uw voorbeeld.”
Het was een landschap met bergen en een kasteel in het dal. Titiaan was inderdaad in dit genre een leerling van Dürer geworden en deze kon niet nalaten hem om dit stukje zeer te prijzen.
Titiaan wist, dat deze lof welgemeend was en voelde zich, toen hij naar huis ging, innig dankbaar en gelukkig gestemd.
De eene maand na de andere verliep; de geheele zomer ging voorbij en nog steeds was het schilderij niet af. Hoe meer de meester er mee vorderde, hoe meer hij ook den grooten omvang besefte van hetgeen hij op zich had genomen. Daarbij kwamen er op nieuw allerlei opdrachten, die hij niet kon weigeren en die tegelijkertijd winst afwierpen.
Eindelijk, op den 29sten September werd het in de stad verbreid, dat meester Dürer de laatste hand aan het altaarstuk, dat men sedert korten tijd het “Rozenkransfeest” noemde, had gelegd.
Daarop begaf iedereen zich naar de werkplaats bij de Rialtobrug—een ieder, wien liefde tot de kunst bezielde, maakte zich op om van het kunstwerk te genieten. De geheele kunstwereld was verzameld, ook de adel, ja zelfs het wereldlijke en ’t geestelijke opperhoofd van Venetië, de Doge en de Patriarch, beide uitstekende kunstkenners, kwamen kijken.
Eerst heerschte er onder de verzamelden een eerbiedige stilte, men voelde zich overweldigd door den grootschen indruk, maar daarna brak er zulk een storm van loftuitingen los, dat Dürer hooren en zien verging.
Zijn werk verdiende trouwens volkomen zulk een lof: het was een meesterstuk.1
Omgeven door een zonnig landschap, zit de H. Maagd op een troon. Haar lokken zijn goudblond en haar kleed is hemelsblauw; op haar schoot zit het Christuskind, terwijl twee zwevende engelen een gouden kroon boven haar hoofd houden. Rechts van den troon staat de H. Dominicus, die het gebruik van het rozenkransgebed invoerde; links ziet men nog andere engelen, die de gestalten, die rondom geknield liggen, met kransen van levende rozen bekronen. Aan de voeten van Maria zit een engel met een mandoline; op den voorgrond knielen Paus Julius II en keizer Maximiliaan I, gehuld in ruime, purperen mantels; de eerste wordt door het kind Jezus; de andere door de Maagd Maria met een krans van rozen gekroond. Ook andere bekende personen komen op het schilderij voor, o.a. meester Hieronymus van Augsburg, de bouwmeester van het Duitsche handelshuis te Venetië; op den achtergrond rechts heeft Dürer zijn boezemvriend, Wilibald Pirkheimer, vereeuwigd en naast hem schilderde hij zijn eigen gestalte.
Welk een groot aantal figuren en toch zulk een eenheid van groepeering; welk een grootheid en ernst lag over het geheel verspreid en toch hoe vrij was alles behandeld en hoeveel leven sprak er uit! En dat alles werd nog overtroffen door den gloed en de pracht van het coloriet! Dürers vijanden hadden durven zeggen: “Ternauwernood kan hij teekenen, maar schilderen kan hij in het geheel niet”—nu moesten zij verstommen: dit meesterstuk sloot allen spot den mond. De opgewondenheid nam daardoor nog toe en in geheel Venetië sprak men in die dagen over niets anders dan over meester Dürer en zijn grootsche schepping.—
Toen de toevloed van nieuwsgierigen voorbij was, trad op zekeren namiddag, terwijl Dürer bij den Markies Proschi een feestmaal bijwoonde, een aanzienlijke vrouw, door een bediende begeleid, de werkplaats bij de Rialtobrug binnen. Zij nam plaats tegen over het altaarstuk en bleef langen, langen tijd in diep, eerbiedig zwijgen verzonken, alsof de werkplaats een kerk ware, waar de priester de mis bediende. Haar handen waren gevouwen en haar oogen stonden vol tranen.
Eindelijk stond zij op en verliet de gewijde plaats: “Dat was een zalig oogenblik,” fluisterde zij terwijl zij haar oogen afwischte. Het was Signora Bella.