HOOFDSTUK XVIII.

BEDWELMENDE WIEROOK.

Op een stillen, somberen Novembermorgen voeren eenige gondels het “Canale grande” af. In pronkgewaad gehuld, alsof men op weg naar een feest was, deed de groep kunstenaars, die Dürer te Venetië om zich had verzameld, hem uitgeleide op zijn reis naar Bologna.

Het was zijn hartewensch geweest, Rome, die stad der steden, het paradijs der kunst, te zien, en het scheen, dat deze wensch zou worden vervuld, daar het bericht kwam, dat Keizer Maximiliaan een bedevaart naar Rome wilde ondernemen, waarbij hij zich wilde aansluiten. Doch dit voornemen van den keizer kwam niet tot uitvoering en Dürer moest zijn plan opgeven. Ook was hij zoo gaarne naar Mantua gegaan, om zijn leermeester Mantegna te bezoeken. Zoo gauw zijn altaarstuk klaar was, wilde hij daarheen gaan, toen op den dertienden September het bericht kwam, dat de grijsaard was gestorven. Nu besloot hij naar Bologna te gaan, omdat hij wist daar gelegenheid te hebben om nog meer te leeren en vooral de geheimen der perspectief te doorgronden. Niet dat hij daarvan niet op de hoogte was, maar het was hem te doen om zekere practische voordeelen tot vergemakkelijking der mechanische constructie, waarop de kunstenaars van Bologna bijzonder trotsch waren, en die zij angstvallig geheim hielden.

Hij nam zijn weg over Ferrara. Tot zijn groote verbazing werd Dürer aan de poort der stad door een groot aantal der aanzienlijkste inwoners opgewacht en begroet. Ricardo Sbroglio, die uitstekende geleerde, ontrolde een blad perkament en droeg een lang gedicht voor, vol uitbundigen lof over den Duitschen meester, die zijn wangen voelde gloeien en niet wist, waarheen hij zijn oogen moest wenden. Wel was hij in Venetië reeds aan overmatige loftuigingen gewend, maar hier was het toch nog erger. Natuurlijk liet men hem niet dadelijk vertrekken; hij moest een geheelen dag blijven en men bood hem een gastmaal aan in het stadhuis.

Den volgenden dag deed men hem in optocht uitgeleide en een der edelen liet er zich niet afbrengen hem te vergezellen en met hem Bologna binnen te rijden.

Toen zij de stad naderden, bemerkte Dürer, dat men ook daar op de hoogte van zijn komst was. Aan de poort stond eveneens een groote menschenmassa en toen hij dichter bij kwam, zag hij van de met groen en bloemen versierde stadspoort bonte vlaggen wapperen.

In de voorste rij van de verzamelde menigte stonden de, in Bologna woonachtige, kunstenaars. Dürers gelaat teekende blijdschap, toen hij aan de spits der schilders een bekend gezicht zag en nog wel het gezicht van een stadgenoot, Christoffel Scheurl, den Duitschen thesaurier aan de universiteit van Bologna. Het huis, waarin hij was geboren, stond in Neurenberg “onder de veste” schuin tegenover Dürers huis. Hij was drie jaar jonger dan deze en behoorde tot diens vurigste bewonderaars.

Nu had er een hartelijke begroeting plaats, waarna de kunstenaars en edelen aan de beurt kwamen; zij voerden Dürer in triomf mee naar de markt en noodigden hem uit de gildekamer der schilders binnen te gaan, waar de eigenlijke ontvangst zou plaats hebben. Het deed Dürer goed, die gezichten, waarop zooveel welgemeende hartelijkheid en oprechte bewondering te lezen stond, om zich heen te zien.

Op een wenk van den ouden Francesco Raibolini trad een jonge man vooruit, ook een schilder, Luca Pacioli geheeten: een statige gestalte met schitterende oogen en lange, golvende, ravenzwarte haren. Hij sprak Dürer aldus aan: “Heil wedervaart heden onze stad Bologna, nu zij zulk een gast binnen haar muren mag zien, een man met een stralenkrans van roem en eer gesierd, en die, waar hij ook komt, triomfen viert en iedereen bewondering afdwingt. Wij buigen ons ootmoedig voor u, Meester Albrecht Dürer, den grootsten schilder der wereld, die is gekomen op een hoogte, die niemand ooit heeft bereikt, of immer zal bereiken. Bologna heeft Venetië haar hoogen gast benijd—nu is dit niet meer noodig, nu de meester der meesters het niet beneden zich heeft geacht ook Bologna’s poort binnen te komen—en het sterven zal ons gemakkelijker vallen, nu wij hem, naar wien ons hart zoo lang heeft verlangd, hebben mogen aanschouwen. Wees welkom, Meester Dürer, wees duizendmaal welkom in onze goede stad!”

Op deze woorden volgde een diepe stilte: Dürer, in verwarring gebracht door dien bombast en overdreven lof, welke dien te Ferrara nog overtrof, wist zoo dadelijk niet wat te antwoorden. Gelukkig kwam de oude Raibolini hem te hulp, doordat hij op hem toetrad en hem op vaderlijke wijze de hand drukte, zeggende:

“Pacioli heeft in ons aller naam gesproken, laten wij u nu ieder afzonderlijk de hand mogen drukken als zegel op hetgeen hij heeft gezegd.”

Ook de anderen traden op hem toe en nu werd Dürer weer zich zelf, en kon hij hen danken op Duitsche manier, dat is op rustige, bedaarde wijze, die om het ongewone daarvan op zijn bewonderaars een diepen indruk maakte en hun bewezen, hoe bescheiden die door hen zoo hoog geroemden en vergooden kunstenaar was.

Meester Dürer bleef verscheidene weken in de stad, waar men het niet moede werd, hem voortdurend te huldigen, totdat hij onder Pacioli’s leiding zooveel had geleerd als hij begeerde. Daarop nam hij afscheid en keerde naar Venetië terug.

Nu eerst brak voor hem de tijd aan, dat hij zich vrij kon bewegen en den drang van zijn genie volgen, want nu hij zijn opdracht had vervuld en de Bartolomeuskapel met zijn altaarstuk prijkte, kon hij schilderen, wat hij wilde. En naar hartelust hanteerde hij nu penseel en graveerstift, terwijl zijn geldbuidel dagelijks meer werd gevuld. Met gerustheid kon hij zich aan zijn lust tot scheppen en aan het gezellig samenzijn met Venetiaansche kunstbroeders overgeven, want de berichten van zijn gezin waren steeds gunstig. Door zijn vriend Pirkheimer vernam hij, dat de pest reeds sinds lang had opgehouden haar offers te eischen en dat al de zijnen goed gezond waren. Dit en nog andere berichten verblijdden hem zeer.

Op deze wijze ging de laatste tijd van het jaar voorbij.

Toen men evenwel het nieuwe jaar was ingetreden, werd zijn verlangen naar de zijnen hem te machtig en besloot hij te vertrekken, niettegenstaande de pogingen der Signoria, die hem door het aanbieden van een jaargeld van tweehonderd dukaten, trachtte over te halen, te Venetië te blijven. Doch Dürer weigerde, hoe zwaar het hem ook viel, te scheiden van de stad, waar men hem op de handen had gedragen en van dit land, waar de zon zooveel helderder scheen en de kleuren zooveel meer gloed bezaten dan in het koude noorden. De vriendschap, die men in deze dagen hem in dubbele mate bewees, maakte hem het scheiden nog moeilijker. Daarom verblijdde het hem te hooren, dat de handelsreizigers, bij wie hij zich op de terugreis wilde aansluiten, ’s morgens vroeg op weg gingen, want hij hoopte, dat het afscheid daardoor in alle stilte zou plaats hebben. Maar daarin zag hij zich teleurgesteld; het was bekend geworden op welk uur hij van plan was heen te gaan, en zoo moest hij zich laten welgevallen, dat een groote menigte vrienden en vereerders hem uitgeleide deed tot ver buiten de poort der stad.

Het kostte hem moeite om bij de laatste groeten en handdrukken zijn aandoening te bedwingen en toen hij op grooten afstand nog eenmaal het hoofd omwendde naar de stad Venetië, die juist schitterde in het purper en goud der opgaande zon, was hij zich niet langer meester en er blonk een traan in zijn oog.