HOOFDSTUK XX.

SCHILDER EN DICHTER.

“Wie was dat toch, die van morgen vroeg zoo lang bij u in de werkplaats is geweest?” vraagde Vrouwe Agnes op zekeren dag aan haar echtgenoot. “Hij zag er zoo voornaam uit.”

“Ja, daarin hebt gij gelijk,” antwoordde Dürer, “het was Ulrich Fugger, een man uit een der oudste en rijkste families van Augsburg. Hij is eerst naar de Allerheiligenkapel gegaan om het schilderij te zien en daarna is hij bij mij gekomen om te vragen, of ik voor hem ook zulk een stuk wil schilderen.”

Vrouwe Agnes kon haar ontsteltenis niet verbergen en vraagde snel: “En hebt gij het beloofd? Gij kunt zoo moeilijk iemand iets weigeren.”

Glimlachend legde Dürer zijn hand op haar arm. “Wees niet bezorgd; dezen keer is uw man niet zwak geweest. Die heer uit Augsburg heeft getracht mij te vangen, door mij den grootst mogelijken lof toe te zwaaien, maar ik heb dapper weerstand geboden, want ik ben vast besloten geen groote paneelschilderingen meer te maken, daar zij slecht worden betaald en mij dikwijls ook nog ergernis en verdriet berokkenen.”

Heeft Bisschop Johan van Breslau nu eindelijk zijn schuld afgedaan?” vraagde Catherina, de zuster van Vrouwe Agnes, die er bij tegenwoordig was. “Ik herinner mij, dat gij u beklaagdet, omdat hij steeds uitstelde het mooie schilderij van Maria, dat hij bij u kocht, te betalen.”

“Eindelijk, na drie jaar,” antwoordde Dürer, “is hij er toe overgegaan om mij te betalen en het zou toen zeker nog niet zijn gebeurd, als zijn geheimschrijver, Johannes Hessus, een Neurenberger, mij niet had geholpen. Hij schreef mij, dat de bisschop zich volstrekt niet meer herinnerde voor welken prijs wij het eens waren geworden. En daarom wil ik met die aanzienlijke heeren niets meer te maken hebben en mij weer meer gaan bekommeren om het volk, waaraan ik mij in de laatste jaren te weinig heb laten gelegen liggen. Met dat doel voor oogen wil ik mijn teekeningen uit de Openbaring van Johannes op nieuw uitgeven; en ook andere houtsneden en kopergravuren, waarvan ik het meerendeel reeds sinds lang klaar heb, met nieuwe platen vermeerderen, zooals het leven van Maria, en de groote en kleine Passie, de eerste op koper gegraveerd en de laatste als houtsneden. Het leven van Maria telt nu twintig teekeningen; de groote Passie twaalf en de kleine zevenendertig. Daarmee geloof ik het Duitsche volk beter van dienst te kunnen zijn dan met mijn groote altaarschilderijen en het is tegelijkertijd voordeeliger voor het onderhoud van mijn gezin.—Maar nu heb ik nog een bijzonder plan in mijn hoofd: ik wilde de teekeningen niet als losse bladen uitgeven, maar bij elkaar gebonden in een boek en voorzien van bijschriften, opdat de minst ontwikkelde hun beteekenis en doel zouden kunnen begrijpen. Mijn goede vriend, Pater Chelidonius van de Benedictijnen is mij daarin behulpzaam en heeft mooie versregels daarvoor gemaakt, die bij elke teekening van de groote en kleine Passie zullen worden gedrukt. Op die wijze zullen het meditatieboeken worden ter bevordering van het zieleheil.—En nog iets anders wil ik u vertellen, beste Catherina, als gij het ten minste niet reeds door Agnes hebt gehoord: Anton Koburger, mijn peter, zal mij helpen aan een drukpers, die ik in mijn eigen huis wil opstellen, dan kan ik mijn werk zelf afdrukken. Hans en een der gezellen kunnen mij daarbij helpen, dan kunnen zij zich ook in die kunst oefenen.”

Er werd op de deur geklopt en er trad een monnik binnen in de kleederdracht der Benedictijnen.

“Lupus in fabula!” riep Dürer vroolijk en hij reikte zijn vriend de hand.

“Daar juist sprak ik van u en nu staat gij in levende lijve voor mij! Wees hartelijk welkom!”

De pater zette zich aan de tafel en haalde een rol papier uit zijn pij te voorschijn:

“Zie eens, Meester, of gij over mijn werk tevreden zijt. Het eerste boekje is nu klaar; aan het andere wilde ik niet beginnen, voordat ik uw oordeel had gehoord.”

Dürer nam het papier en las eenige oogenblikken in stilte, daarop reikte hij over de tafel den monnik de hand. Gij hebt mij begrepen, zoo heb ik het bedoeld. Ga maar op deze wijze voort, dan zullen mijn teekeningen ingang vinden bij het volk en goed worden begrepen.—Gij zijt een uitstekend poëet, beste Chelidonius! Ik zal uw verzen aan mijn vriend Pirkheimer laten lezen, hij zal zeker daarmee zijn ingenomen.”

De meid bracht op een wenk van Vrouwe Agnes een kan wijn binnen en de vrouw des huizes vulde de kleine, tinnen kroezen met het druivensap. Toen kwamen allen in de beste stemming, vooral meester Dürer, die het gezelschap aangenaam onderhield met te vertellen, wat hem in Venetië was overkomen. Maar eensklaps liet hij dit onderwerp varen en zich tot den monnik keerend, zei hij: “Ook ik ben eenige jaren geleden begonnen mij in uw kunst te oefenen en heb het gewaagd versregels aan elkaar te lijmen.”

Verbaasd keek de pater hem aan. “Zijn dan de Muzen zoo mild geweest om u alle gaven in den schoot te werpen?”

Dürer moest lachen. “Wees niet te voorbarig met uw lof; ik ben al genoeg bestraft, omdat ik mij op vreemd terrein heb gewaagd, vooral door mijn vriend Pirkheimer. ’t Is nu twee jaar geleden, dat ik mijn eerste rijmpjes heb gemaakt. Het waren slechts twee regels en ik had goed geteld, de eene had evenveel lettergrepen als de andere, en daarom dacht ik, dat het goed was, het versje was als volgt:

Gij aller englen spiegel en Verlosser van de zonden.

Om mij hebt gij zulk bitter lijden en den dood gevonden.

Toen ik dit aan mijn vriend Pirkheimer liet zien, lachte hij mij uit en zei, dat elke regel niet meer dan vier voeten of acht lettergrepen mocht hebben. Daaraan gedachtig, ging ik dadelijk weer aan het werk en rijmde achttien regels bij elkaar, waarin ik God vraagde om de acht gaven der wijsheid.

Het begon zoo:

Bidt om der wijsheid gaven acht,

God geen naarstig bidder veracht.

Met recht wordt een man wijs genoemd,

Die niet op geld of armoe roemt.

En zoo ging het door. Nu meende ik zeker te kunnen zijn van de goedkeuring van den hooggeleerden heer Pirkheimer, maar ik vergiste mij: hij begon weer dadelijk te spotten en te vitten. Ik dacht dat hij mij die kunst misgunde en ging daarom naar den heer Lazarus Spengler, den Secretaris der stad, daar hoopte ik een zachter en rechtvaardiger oordeel te vinden. Maar ook die verwachting werd bedrogen, want hij wroette in mijn verzen als een everzwijn in een wijnberg en zond mij de totaal veranderde verzen weer terug met een spotdicht er bij, waarvan ik mij het begin nog heel goed herinner:

Ofschoon men vaak door vele lieden

De vreemdste dingen ziet geschieden,

Waarover men verbaasd moet staan,

Zoo wil ik u iets zeggen gaan,

Dat uwe lachlust op zal wekken

En u tot groot vermaak zal strekken.

En daarom zeg ik: luister dan!

Gij, allen, kent gewis een man

Met langen baard en krullend haar,

Een nooit volprezen kunstenaar

Met teekenstift en met penseel,

Aan roem en eer heeft hij ruim deel,

In ieders achting hoog gerezen!

En daar hij schrijven kan en lezen,

Is hij zich waarlijk gaan verbeelden:

In woord en rijm iets af te beelden

Speelt hij ook, als een dichter, klaar,

Nu rijmt hij verzen bij elkaar.

Maar hoe hij rijmt, het gaat niet vlot!

En ’k vrees gewis, dat aan het slot

Hem wacht des schoenenmakerslot.

En dan wordt er verder verhaald van een schoenmaker, die een schilderij bekijkt, dat door een schilder in de zon was geplaatst om te drogen en die tot den kunstenaar zegt, dat de schoenen die hij heeft geschilderd niet goed zijn. Daarop verbetert de schilder de fout, die hem wordt aangewezen en zet het stuk weer in de zon. Nu waagt de schoenmaker in zijn overmoed ook aanmerkingen op de plooien in de kleederen te maken—maar daarover wordt de schilder boos en vraagt, of hij zich verbeeldt ook kleermaker te zijn en hij roept hem toe: schoenmaker, blijf bij uw leest! En na dit verhaal besluit de heer Spengler zijn gedicht aldus:

Ik zeg daarom tot dezen man,

Die zoo voortreflijk schildren kan:

Laat mij u raden, blijf daarbij,

Dan ducht gij geene spotternij.”

“Hoe onaardig van hem; ik had zoo iets in het geheel niet van den heer Spengler verwacht,” riep Catherina uit en juist wilde Vrouwe Agnes in den zelfden geest lucht geven aan haar verontwaardiging, toen Dürer, hartelijk lachende, vervolgde:

“Wees maar niet boos op hem, ik heb het hem betaald gezet, want terstond heb ik de pen weer opgenomen en hem het volgende hekeldicht gezonden:

’t Is wetenswaardig wel gewis,

Dat in Neurenberg een schrijver is,

Die zich zelf vindt een kranig man,

Omdat hij missiven schrijven kan.

En daarop heb ik hem ruim zijn deel gegeven en hem bij een notaris vergeleken, die maar één enkel formulier voor zijn akten er op nahoudt en zich daardoor de spotternij der menschen op den hals heeft gehaald. Daarna heb ik hem nog meer getrotseerd en gezegd, dat ik niet alleen verzen wilde schrijven, maar mij ook met de artsenijkunde zou gaan bemoeien en tegelijkertijd heb ik allerlei recepten van schilderspreperaten voor hem opgeschreven en ben op deze wijze geëindigd:

En al lacht die schrijver nog zoo luid,

Met dichten scheid ik toch niet uit;

Dat zegt die gebaarde, langharige schilder

Tot den spotlustigen schrijver.

Er was wel een beetje angst in de vragende blikken, die zich daarop op den spreker richten en Catherina vraagde haastig: “En hoe heeft de heer Spengler die woorden opgenomen?”

“Juist zooals zij waren bedoeld,” antwoordde Dürer glimlachend: “als een grap en we zijn altijd goede vrienden gebleven. Pirkheimer is later ook tot andere gedachten gekomen; toen hij zag, dat het mij ernst was om mij op de dichtkunst toe te leggen, heeft hij mij geholpen om den vorm mijner verzen mooier en sierlijker te maken. En nu zal ik u ook maar vertellen, dat ik een heele verzameling verzen, die niemand ooit heeft gelezen, in mijn cassette heb, maar die weldra het licht zullen zien tegelijk met de teekeningen, die ik er bij heb gemaakt tot nut en leering van het volk.”

Men drong er op aan, dat Dürer ze voor den dag zou halen, maar hij bleef weigeren. “Hebt een weinig geduld—als ik mijn drukpers heb en zelf drukker ben geworden, dan moogt gij zoowel de dichtregels als de platen zien.”—En werkelijk werden de rijmspreuken met de daarbij behoorende houtsneden na eenigen tijd uitgegeven—het waren vlugschriften, die veel goeds stichtten.

Maar het volk ontving met nog meer vreugde de andere teekeningen, die Dürer op zijn drukpers had afgedrukt en de wereld ingezonden; vooral oefende de groote en de kleine Passie een machtigen invloed uit en predikten de lijdensgeschiedenis op betere wijze dan eenig priester het van den kansel deed.