HOOFDSTUK XXII.

SMART EN VREUGDE.

Dicht naast de groeve, waar de oude goudsmid, meester Dürer, op het Sebaldus-kerkhof rustte, was een nieuwe grafkuil geopend en daarin werd op St. Liborius, den 17den Mei van het jaar 1514, een lijkkist neergelaten.

Het was Vrouwe Barbara, de weduwe van den ouden meester, die men ten grave bracht. Velen waren op de begraafplaats tegenwoordig om de gestorvene de laatste eer te bewijzen en hun deelneming aan de achterblijvenden te betoonen. De kapelaan van de St. Sebalduskerk sprak bij de groeve de gebruikelijke gebeden en het gild der meesterzangers besloot de plechtigheid met een vroom lied.

Daarna verlieten allen het kerkhof, behalve de beide geestelijke zusters, die op den grafheuvel bleven om te waken en te bidden voor het zieleheil der afgestorvene en de nagelaten betrekkingen, die met een traan in het oog toezagen, hoe de doodgraversknechts de groeve verder vulden. Deze treurenden waren: meester Dürer met zijn vrouw en zijn beide broeders, Andreas en Hans. Andreas was kort geleden uit den vreemde naar Neurenberg teruggekeerd, om zich daar als meester in het goudsmidsgilde te laten opnemen. Hij was nog juist bij tijds gekomen om den laatsten zucht zijner moeder op te vangen en nog door haar te worden gezegend.

Zwijgend verlieten zij te zamen, nadat alles was afgeloopen, de gewijde plaats.

Juist toen zij het huis op het Tiergärtnerplein wilden binnengaan kwam hen een man tegemoet, wiens schoenen grijs van het stof waren en die, beleefd groetend, zijn hoed afnam. Verrast keek Dürer op, en er kwam plotseling een andere uitdrukking in zijn oogen, als een zonnestraal uit donkere wolken. “Zijt gij het, beste Schäufelein? Hoe had ik dat kunnen denken!”

Schäufelein schudde hem de hand. “Ach, dat ik u zoo moet terugvinden, lieve meester! Ik hoopte allen vroolijk en wel hier te zullen ontmoeten en nu zie ik een diep bedroefd man voor mij! Ik neem hartelijk deel in uw leed—de Heer trooste u!” Men ging naar binnen—de nieuw aangekomene begroette nu ook de anderen en betuigde zijn blijdschap ook Andreas terug te zien. Daarna vraagde hij dringend alles omtrent de afgestorvene te mogen hooren, want hij had haar hartelijk liefgehad en het deed meester Dürer goed, zijn hart aan een deelnemen den vriend te kunnen uitstorten.

“Gij moet weten,” begon hij, “dat verleden jaar dinsdags voor de week voor Paschen, mijne arme moeder plotseling zoo ernstig ongesteld werd, dat wij de deur harer kamer moesten openbreken, omdat wij, daar zij zelf niet kon opendoen, anders niet bij haar konden komen. Wij brachten haar in een benedenvertrek en men voorzag haar van de H. Sacramenten der stervenden, want iedereen dacht, dat zij zou heengaan. Sedert vaders dood was zij nog al gezond geweest, ofschoon zij vroeger wel eens had gesukkeld, ja, zelfs een aanval van de pest te doorstaan had gehad en nog vele andere wederwaardigheden en verdriet had ondervonden, die zij steeds met groote zachtmoedigheid en zonder eenige bitterheid had verdragen. Och, zij was toch een bijzonder vrome vrouw! Gij weet zelf hoe trouw zij ter kerke ging en hoe liefderijk zij voor mij en mijn broeder heeft gezorgd en ons steeds vermaande vroom en rein van handel en wandel te blijven. Haar barmhartigheid en zelfverloochenende liefde jegens alle menschen kan ik nimmer genoeg prijzen en geen wonder, dat zij bij allen bemind was.

Evenwel nadat zij ten volle was bediend, is zij toch nog niet gestorven, maar is zij nog meer dan een jaar ziek gebleven, totdat zij gisteren, twee uur voor middernacht, als een ware Christin is gestorven, voorzien van alle sacramenten met absolutie van pijn en schuld, door de macht aan den paus geschonken. Voordat zij stierf, gaf zij mij haar zegen, wenschte zij mij den vrede Gods toe en gaf mij vele ernstige vermaningen om de zonde te ontvlieden. Zij wenschte nog den Johanneszegen1 te drinken, wat zij ook deed. Zij heeft een moeilijken doodsstrijd gehad en ik bemerkte, dat zij iets vreeselijks zag, want zij begeerde wijwater, nadat zij in langen tijd niet had gesproken. Toen braken haar oogen en ik zag, dat zij tweemaal hevige schokken kreeg en dat zij haar mond en oogen van pijn toekneep. Ik bad luide voor haar en mijn hart leed daarbij onnoemelijk veel! God zij haar genadig!”

Ave, pia anima!” fluisterde Schäufelein vroom en hij begon daarop ook de afgestorvene te prijzen en zooveel goeds van haar te zeggen, dat zoowel meester Dürer als de anderen de tranen in de oogen kregen.

Later, nadat de maaltijd was afgeloopen, zonder dat er veel woorden waren gewisseld, moest Schäufelein vertellen, wat hem zelf gedurende zijn afwezigheid was wedervaren. Hij had daarbij opmerkzame toehoorders, die zich hartelijk over al het goede, dat zijn deel was geweest, verheugden en over zijn vooruitgang op het gebied der kunst. Met gespannen aandacht luisterde Dürer, toen hij vertelde, dat hij ook te Rome was geweest en hem had gezien, dien allen verafgoodden, den heerlijken Rafael.

“Hoe?” riep Dürer, “hebt gij hem van aangezicht tot aangezicht gezien? O, wat zijt gij gelukkig! Reeds lang heb ik vurig verlangd hem te mogen aanschouwen, hem, den eenige, den onvergelijkelijke, den lieveling des pausen en den bewonderde der gansche wereld!”

Er kwam een bijzondere glans in Schäufeleins oogen. “Hoor, hoe twee groote mannen denzelfden wensch koesteren! Want gij moet weten, dat Rafael eveneens vurig verlangt hem te zien, dien hij den Duitschen Apelles noemt.”

Een hoogrood bedekte Dürers gelaat, en zijn oogen werden vochtig, terwijl hij halfluid vraagde: “Hoe weet gij dat?”

“Uit zijn eigen mond,” verzekerde Schäufelein. “Ik had den toegang tot zijn werkplaats gekregen en mijn hart begon sneller te kloppen, toen ik onder de vele schilderijen, ook verscheidene bekende tegenkwam, met het monogram A. D. En toen ik zeide, hoezeer mij dat verraste en verheugde, omdat ik langen tijd bij meester Dürer als gezel was werkzaam geweest, greep Rafael op eens mijn hand en sprak: “O, dan zijt gij mij dubbel welkom en mijn blijdschap zou volkomen zijn geweest, als hij u had vergezeld.” Toen heeft hij u nog hoog geprezen en mij verteld, dat hij reeds door Marcantonio Raimondi, die sedert vier jaren zijn werken op koper graveert, de uwe had leeren kennen. Deze is het ook, die uw kleine Passie op koper heeft nagegraveerd en nog meer andere werken. En luister; ik wil u nog iets zeggen” en daarbij schoof hij zijn stoel nog wat nader: “Ik zag in Rafaels werkplaats een tekening, die bijna voltooid was, en waaraan hij juist bezig scheen geweest. Ternauwernood durfde ik mijn oogen vertrouwen, want wat zag ik daar? Het was een kruisdraging van den Heer Jezus, bijna geheel zooals gij die hebt voorgesteld in de groote Passie. De Heiland onder het kruishout neergezonken en steunend op zijn arm, scheen mij volkomen gelijk behandeld zoo als gij het deed, lieve meester. Eveneens de overige figuren en de rangschikking; het kwam mij voor, dat Rafael u daarin heeft gevolgd. In elk geval heeft hem uw werk voor den geest gezweefd en zijt gij zijn voorbeeld geweest.”

Bewogen greep Dürer Schäufeleins hand: “O, ik dank u, beste Schäufelein, ik dank u! Wat gij mij daar zegt is als een lichtstraal in den nacht van mijn rouw. Maar nu is mijn begeerte, om dien heerlijken kunstenaar te zien, nog grooter geworden. Ach, dien wensch zal ik mede in het graf moeten nemen, want hoe zouden Neurenberg en Rome bij elkaar kunnen komen?”

En nu drong Dürer er bij Schäufelein op aan, hem nog meer van Rafael te vertellen, van zijn uiterlijk en zijn werken, van zijn verhouding tot den paus en van zijn leven, totdat Wilibald Pirkheimer en andere vrienden en vriendinnen kwamen om hun deelneming aan de treurenden te betuigen.

Intusschen ging Schäufelein met Hans en Sebaldus Beham, den gezel, die juist uit de stad was thuis gekomen, in Dürers werkplaats en hij werd niet moede te hooren van alles, wat de meester in de laatste jaren, sedert de beide gezellen waren ontslagen, had gewerkt. Hans kwam er nooit mee klaar; want telkens als hij dacht alles te hebben opgenoemd, schoot hem weer iets te binnen, dat hij had vergeten. “Het is een onuitputtelijke bron,” zei Schäufelein eindelijk. “Mogen al de lieve heiligen, die hij in zijn werken verheerlijkt, hem beschermen en sterken en hem nog vele jaren levens schenken!”— — —


Er was bijna een jaar na deze gebeurtenis voorbijgegaan, toen bij Dürer een vreemdeling binnentrad, wiens uiterlijk zijn zuidelijke afkomst verried, want twee ravenzwarte oogen keken uit zijn gebruind gelaat en dik, zwart, krullend haar golfde om zijn slapen.

“Wees gegroet, Heer!” sprak hij met een beleefde buiging. “Zijt gij meester Albrecht Dürer?”

“Die ben ik,” antwoordde de aangesprokene. “Wat wenscht gij van mij?”

“Ik kom van zeer ver,” zeide de man, “het is een lange weg van Rome naar Neurenberg. Ik breng een boodschap van meester Rafael aan meester Dürer.”

“Wat zegt gij?” riep Dürer, wiens penseel uit zijn hand viel. “O wees welkom onder mijn dak. Wat zendt mij de meester aller meesters?”

“Zijn groet en ook dit,” antwoordde de man, terwijl hij een rol papier uit zijn tasch nam. “Het heeft slechts kleine waarde,” sprak hij, die mij tot u zond, “maar meester Dürer zal het vriendelijk van mij willen aannemen, als hij hoort, hoe hartelijk ik verlang hem iets van mijn hand te geven.”

Met bevende vingers vouwde Dürer den rol open en aanschouwde een met rood krijt geteekende figuur in krijgsdos. Zijn oogen bleven met een teedere uitdrukking er op rusten; met diepen eerbied vervuld, beschouwde hij deze teekening van den grooten man.

Na een lang stilzwijgen sprak hij: “Ik wil hem danken en gij, gij zult ook mijn boodschapper zijn. Blijf nog eenigen tijd om de stad te zien, dan zal ik u weder laten teruggaan met mijn tegengeschenk.”

Zes dagen later was Rafaels boodschapper weder gereed voor de terugreis. In zijn reistasch had hij den dank van den Duitschen meester geborgen; Dürer wilde Rafael niet de een of andere teekening, die hij had liggen, zenden, maar zich zelf; hij wilde den buitenlandschen meester niet alleen iets van zijn hand laten zien, maar zijn beeltenis zoodanig op doek geschilderd, dat het op beide kanten zichtbaar was.

Een schittering kwam in Rafaels oogen, toen hij hem zag, dien hij zoo hoog vereerde, en tot zijn dood toe hield hij het portret in hooge eer.


1 Dit was een afscheidsdronk der stervenden met hun bloedverwanten, in gebruik gekomen sedert de middeneeuwen, en ontleend aan de afscheidswoorden van Jezus in het Evangelie van Johannes.