Het was een sombere Novembermorgen van het jaar 1517. Een dikke mist belette de zon door te dringen tot in de straten en pleinen van Neurenberg.
Meester Dürer zat in zijn werkplaats te teekenen. Keizer Maximiliaan was dit jaar weer in Neurenberg geweest en had den meester, over wiens “Poort der Eere” hij hoogst tevreden was, opgedragen om op het tweede groote stuk, “de Triomf,” als voornaamste deel een triomfwagen te schilderen naar plannen, die Zijn Majesteit zelf had ontworpen. De zoo prachtig mogelijk versierde wagen, door zes paarden getrokken, moest achterin voorzien zijn van een hooge zitplaats, waarop de keizer zou troonen in vol ornaat, met zijn jonge gemalin, Maria van Bourgondië; voor de beide Majesteiten moest koning Filips de Schoone zitten tusschen zijn zuster en zijn echtgenoot, voor hen zijn zoons, de aartshertogen Karel en Ferdinand en geheel voorin hun zusters. Het was Wilibald Pirkheimer opgedragen om met Dürer deze keizerlijke gedachten in artistieken vorm te gieten en meester Albrecht was juist bezig de met vriend Wilibald veranderde plannen op het papier te teekenen. Doch het werk wilde vandaag niet goed vlotten. Het licht was zoo slecht, dat hij niets kon zien op de plaats, waar hij gewoonlijk zat, en aan een kleine tafel dicht bij het venster moest gaan zitten om beter te kunnen zien. Maar het was niet alleen dat, wat hem bij zijn schepping hinderde. In zijn geheele wezen en in zijn gebaren lag een bijzondere rusteloosheid; naast hem lag een boekje, waarin hij nu en dan een blik wierp en dan verzonk hij in diep gepeins. Het boekje was getiteld: “Het heilige Onze Vader, verklaard door Dr. Maarten Luther.”1 Hij had het gekregen van Christoffel Scheurl, den man, die hem indertijd te Bologna had verwelkomd, daarna tot professor in de rechtsgeleerdheid te Wittenberg was benoemd en nu als rechterlijk plaatsvervanger in Neurenberg een aanzienlijke plaats innam. Door hem had hij veel gehoord over dezen merkwaardigen man, die in Saksen en ook verder in het land veel van zich deed spreken, dien Augustijner monnik en professor in de theologie aan de, door den keurvorst Frederik den Wijze gestichte, hoogeschool te Wittenberg. Van het begin af aan had Dürer een levendige belangstelling gekoesterd voor dezen uitstekenden geleerde en hij had ook vlijtig bestudeerd de preeken van Pater Wenzel Link, die, in nauwe vriendschapsbetrekking tot Luther staande, reeds sinds den tijd, dat ze samen in het klooster te Erfurt waren, sedert eenigen tijd in het Augustijner klooster te Neurenberg was. Deze preeken hadden een diepen indruk op hem gemaakt en een hevigen storm in hem verwekt. Als een trouw zoon zijner kerk en met een vroom hart had hij tot nu toe gewandeld volgens de geboden van den pauselijken stoel en voor het oog der menschen vlekkeloos geleefd; ja, hij had zich de grootste achting verworven, niet alleen als kunstenaar, maar ook als mensch;—nu begon hij te twijfelen, of de weg, dien de kerk aanwees, wel de rechte was. En zijn twijfel nam nog toe, als hij dacht aan den gruwel der verwoesting aan het heilige gepleegd en het diepgaande verderf der kerk zag, dat hem reeds jaren geleden stof tot zijn teekeningen uit de Openbaring van Johannes had gegeven. En hij was niet de eenige te Neurenberg die deze dingen bepeinsde; andere burgers en juist de beste en edelste, voelden hun hart ook onrustig kloppen. Als hij naar de prediking van Pater Link in de Augustijnerkerk ging, kon hij er zeker van zijn den kanselier Scheurl, den voortreffelijken secretaris van den raad en den syndicus Lazarus Spengler te vinden en van de patriciërs de heeren Hieronymus, Ebner, Kaspar Nützel en Hieronymus Holzschuher. Ook Wilibald Pirkheimer voegde zich bij hen; maar hij uitte zich op eenigszins andere wijze. Hij behoorde tot de zoogenaamde Humanisten, een kring van geleerden, die in het herleefd klassieke tijdvak de wereld vonden, waarin hun geest zich bewoog en van dit standpunt uit trokken zij te velde, zoowel tegen het wetenschappelijk ongevormde, als tegen het bijgeloof van hun tijd. Men legde Pirkheimer ten laste, dat hij had meegewerkt aan de “brieven van de mannen der duisternis,” die in goed geslaagde navolging van het slechte latijn der monniken den bedelmonnik met zijn grenzenlooze domheid en schaamtelooze onzedelijkheid aan de kaak stelden. Wilibald Pirkheimer verkneukelde zich hierin en hij genoot van het algemeene gelach, dat deze brieven verwekten. Zijn wapens tegen het verderf van den tijd waren geestigheid en spotternij, en zijn hart nam er slechts in zoover deel aan, dat hij zich verheugde over de nederlaag van zijn tegenpartij. Eens was zijn gevoel opgekomen tegen Meester Wolgemuts “Pausezel” als tegen een te ruwe, onridderlijke wijze van strijden, nu plaatste hij zich eigenlijk op hetzelfde standpunt.
Bij Dürer was het geheel iets anders. Den hoog ernstigen, innig vromen man stond het schreien nader dan het lachen; het gold voor hem iets, dat hem diep ter harte ging. Dag en nacht hield de gedachte hem bezig: wat moet ik doen, opdat ik zalig worde, en de vraag: is de weg, die de kerk wijst, de goede weg?
Hoe langer hij naar de preeken van Link luisterde, des te meer begon hij aan de waarheid der leer van Rome te twijfelen en bij dezen diep nadenkenden en met ware vroomheid bezielden man, won de twijfel te meer veld omdat hij reeds sedert langen tijd als bij instinct een duister voorgevoel der waarheid van het evangelie bij zich had omgedragen. Wel is waar had hij tot nu toe in zijn kunst in hooge mate de Maagd Maria, die volgens het algemeene begrip van dien tijd, als koningin des hemels en der wereld werd vereerd, verheerlijkt; men bad tot haar als tot de eeuwige beschermvrouw van het menschdom, die ellendige zondaars de straf voor hun zonden kwijt scheldt, ongeneeselijke kwalen geneest, de aarde doet draaien, de zon het licht schenkt, de wereld regeert en de hel doet beven. Niet alleen in zijn “leven van Maria,” maar ook in de talrijke afbeeldingen der Madonna, waarvan er meer dan twintig bestonden, had hij de afgodische vereering van dit kind der menschen, in de hand gewerkt. Maar als men deze werken nauwkeuriger bezag, kon men zien, dat het niet in des kunstenaars bedoeling lag deze afgoderij te bevorderen. Wie oogen heeft om te zien, ziet dat de Maagd Maria in Dürers werken niet de hoofdpersoon is: het goddelijke Kind is het waarom alles draait. Hij wordt door allen gediend, door de engelen en de heiligen en tegelijk met Hem ook zij, die Hem ter wereld bracht. Niet met een stralenkrans verschijnt Maria daar, maar als een echt menschenkind, ja, als een ware Neurenbergsche huismoeder in Neurenberger kleederdracht. In haar oogen leest men de liefde voor haar kind. Zij laaft het met haar moedermelk in zalige verrukking, zij verheugt zich met Hem, zij lijdt met Hem. Zij is niet verheven boven het algemeene lot van vergankelijkheid en verval, zooals de Italiaansche schilders haar, als in eeuwige jeugd bloeiende, voorstellen, maar zij wordt oud en zwak; met gebogen gestalte omvat zij haar gepijnigden Zoon, onmachtig ligt de oude, grijze vrouw neder aan den voet van het kruis.
Zoo had dus een godsdienstig juist gevoel meester Dürers hand bestuurd en hier en daar waren deze onbewuste gewaarwordingen ook in woorden voor den dag gekomen. Boven het eerste zijner rijmen, die hij in het jaar 1509 had gemaakt, stond geschreven: “Elke ziel, die het eeuwige leven heeft, wordt verkwikt door Jezus Christus, die twee naturen in één persoon vereenigt, de goddelijke en de menschelijke, hetgeen men alleen door de genade kan gelooven en door het natuurlijk verstand nimmer kan worden begrepen.” Bij zijn Passie-gravuren had hij dit gevoegd:
O almachtige God en Heer
Vol aanbidding kniel ik neer
Voor Jezus’ lijden, voor Uw Zoon,
Uw Eengeboorne, die het loon
Voor onze schuld gedragen heeft.
O God, ik bid, dat Gij mij geeft
Over mijn zonden, diepe smart
En leed. Och, reinig Gij mijn zondig hart!
Gij hebt des overwinnaars troon,
Ach, deel met mij uw eerekroon.
Dus had de vrome man door de diepte van zijn godsdienstig gemoed iets van de waarheid gevoeld. En nu lag voor hem Luthers boekje over het Onze Vader, hij kende het bijna geheel van buiten!
Ook nu hield het zijn geest bezig en stoorde het hem in zijn teekenwerk.
Daar begon de klok der Augustijnerkerk te luiden; hij stond op, deed zijn met bont omzoomden mantel om, zette zijn zwart fluweelen baret op en ging uit: hij wist, dat Wenzel Link zou preeken.
Over de Melkmarkt en de Wijnmarkt kwam hij spoedig aan het Augustijnerklooster. De kerk was overvol, niet alleen met monniken, maar ook met burgers, waarvan de voornaamste waren: Hieronymus Ebner, Hans Schopper, Lazarus Spengler en eenige anderen.
Link had den verloren zoon tot onderwerp gekozen en sprak over de groote liefde Gods, waarmee Hij in Christus den zondaar tegemoet komt en van het vertrouwen, waarmee de berouwvolle, boetvaardige zondaar zich zonder tusschenkomst van menschen in Gods geopende armen moet werpen.
Toen de dienst was afgeloopen en de kerk uitging, bleef Dürer nog met de aanzienlijke heeren achter, om met hen over het gehoorde, dat aller hart diep had getroffen, te blijven praten. Op eenmaal trof een gedruisch hun ooren; het was alsof er veel volk af- en aanliep.
Zij traden naar buiten om te zien, wat er te doen was en op het plein zagen zij een dichte menschenmassa, die steeds grooter werd en hoorden zij een stem, zonder evenwel te kunnen verstaan, wat die sprak.
“Wat is daar te doen?” vraagde Hieronymus Ebner aan den ouden Fröhlich, meester van het koperslagersgild, die zich uit het gedrang losmaakte.
“Er is een reizende koopman in de stad gekomen,” vertelde deze, “die vreemde tijdingen brengt. Hij zegt, dat een zekere monnik, Martinus Luther uit Wittenberg, aan de deur van de slotkerk vijfennegentig stellingen heeft aangeplakt, om te protesteeren tegen den aflaat, waarmee de paus de geldbuidels ledigt en de zielen verderft. Dat heeft heel wat opzien verwekt. De man zegt, dat waar hij ook kwam en dit bericht meedeelde, het bij jongen en ouden, aanzienlijken en geringen, mannen en vrouwen grooten indruk maakte, dat er eindelijk iemand was, die het had gewaagd zijn stem te verheffen tegen die afschuwelijke geldklopperij en die niet vreesde den paus te trotseeren. Op vele plaatsen was het nieuwtje hem al vooruitgegaan en kende men reeds den inhoud der stellingen, die overal met vreugde werden gelezen. De man voegde er nog bij, dat hij regelrecht uit Wittenberg kwam en dat hij uit naam van een vriend van den monnik, verscheidene der stellingen tegen den aflaat bij den heer Christoffel Scheurl had afgegeven.
“Bij mij?” riep de kanselier blij verrast. “Zoo, dan ga ik dadelijk naar huis!” “Laat ons met u gaan,” vraagde Dürer en de heeren gingen gezamenlijk naar de woning van den kanselier. Het was juist zooals de reiziger had gezegd. De vrouw van Scheurl kwam hen tegemoet en zeide: “Zie eens, man, wat een reiziger tijdens uw afwezigheid heeft gebracht!” Haastig verbrak Scheurl het omhulsel en haalde eenige papieren te voorschijn. Het waren tien stukken in het latijn geschreven en getiteld: Disputatie van Dr. Maarten Luther ter verklaring van de kracht van den aflaat.
“Lees toch!” riep Kaspar Nützel den kanselier toe en deze begon terstond, terwijl de anderen zich om hem schaarden om te luisteren.
Hij had nog slechts weinig gelezen, toen Dürer eensklaps uitriep: “O, God, help mij, ik voel mij zoo angstig!” Hij liep naar het venster, de handen tegen de borst gedrukt. Scheurl wenkte een bediende om een beker frisch water te halen, doch Dürer weigerde. “Water kan mij niet helpen; lees verder, verder!”
Scheurl ging door met lezen en bij elke zinsnede werd de spanning grooter. Toen hij eindelijk ophield, heerschte er een diepe, plechtige stilte, waarna Hieronymus Holzschuher het woord nam en sprak: “Deze eenvoudige monnik is een profeet des Allerhoogsten, hij heeft zijn stem verheven om der waarheid getuigenis te geven. Zie, het valt mij als schellen van de oogen! Langen tijd heb ik mij reeds geërgerd over dien misdadigen aflaathandel en het schaamtelooze bestelen van het volk. Nu begrijp ik ook, dat de aflaat, zooals de paus die beveelt, uit den booze is, zelfs wanneer men er geen geld voor behoeft te betalen.”
Hieronymus Ebner gaf zijn instemming te kennen en voegde er zeer ernstig bij:
“Hus heeft men verbrand, evenzoo Savonarola, misschien wordt er weldra een derde brandstapel opgericht. “Dat verhoede God!” riep Dürer uit en een donker rood bedekte zijn gelaat. “Zou de tijd dan nog niet zijn aangebroken, dat de Heer zich over het arme Christenvolk erbarmt? Reeds sinds den eersten keer, dat ik van Maarten Luther heb gehoord, was mijn ziel het met hem eens en er sprak in mij een stem: “hij is het, die de waarheid heeft!” Zou God het nog eenmaal dulden, dat de Satan het werktuig in Zijn hand verbrijzelt? O, ik wenschte steeds meer van Luther te hooren en mij door hem in de waarheid te laten leiden. Want nu ben ik nog als iemand, die lang in het duister heeft gezeten en met verblinde oogen hulpeloos in het schelle daglicht rondtast.”
Kaspar Nützel, die tot nu toe in stilzwijgen en gepeins verzonken had gestaan, richtte zich nu plotseling op en zeide: “Luther heeft een vreemde taal gebruikt, omdat hij het allereerst voor de geleerden heeft gesproken; maar zijn prediking is voor het gansche volk bestemd—ik zal hem te hulp komen en haar in het Duitsch uitgeven.”
Dit vond algemeenen bijval en men drong er op aan, als het mogelijk was, dat hij nog dienzelfden dag met het vertalen zou beginnen.
Nützel bleef den ganschen nacht doorwerken, zoodat hij den volgenden morgen reeds naar Anton Koburger, den drukker, kon gaan en slechts weinige dagen later wist geheel Neurenberg, dat Luthers stellingen tegen den aflaat in het Duitsch waren verschenen.
Men haastte zich naar de drukkerij en in een ommezien was de geheele voorraad uitverkocht. In de huizen, in de herbergen, bij de drinkputten, in de werkplaatsen, overal hoorde men spreken over den Wittenberger monnik en zijn stellingen, en de opgewondenheid werd nog grooter, toen men van doortrekkende reizigers vernam, dat Luther met zijn prediking het gansche rijk in rep en roer had gebracht. Wenzel Link, de Augustijner pater sprak nu met nog meer vrijmoedigheid van den kansel en al de kloosterlingen trokken partij voor hun ordebroeder in Wittenberg.
Dürers werkplaats bleef leeg; de meester liet zich daar niet zien. Hij zat boven in zijn kamertje met afgesloten deur; zelfs zijn vrouw mocht hem niet storen. Hij wilde alleen zijn met God in den strijd om licht en waarheid.
En ziet, de strijd eindigde in overwinning.
Dr. Maarten Luther had hem den blinddoek van de oogen genomen; nu wist hij, wat het is, dat elk Christen voor zijner ziele zaligheid van noode heeft te weten: dat ’s menschen hoop op de eeuwige zaligheid berust op Gods genade in Christus alleen en op niets anders. Het stond daar immers klaar en duidelijk: de paus kan slechts aflaat geven van die straffen, welke hij zelf heeft opgelegd, dus de tijdelijke kerkelijke straffen. Zijn macht strekt zich niet tot hemel en hel uit; het is een valsche meening, door de onwaardige handelaars in aflaatbrieven, verspreid. De paus kan geen zonden vergeven en niemand uit de hel verlossen; hij kan niets anders doen dan den menschen verkondigen, wat God uit genade en ter wille van Christus voor een boetvaardige ziel doet. Indien iemand oprecht berouw gevoelt, wil God hem volledig zijn schuld en straf kwijt schelden zonder een enkelen aflaatbrief.
Deze boodschap was voor Dürers ziel als morgendauw op de dorre weide. Hij was steeds zulk een ernstig, ijverig Christen geweest; hij kon zich beroepen op een groot aantal goede werken, die de kerk van hem vorderde en had daardoor toch niet gevonden, wat zij zocht. Nu zag hij op eens de leer der goede werken met geheel andere oogen aan: niet door verdienste, maar door genade ontvangen, was Luthers prediking en dat was hem een blijde boodschap. Zijn hart vond nu op eenmaal rust en zijn beangst gemoed werd plotseling getroost. En nu, nadat alles hem duidelijk was geworden, wilde hij het ook aan anderen openbaren en zijn vertrouwen in de waarheid van Luthers prediking werd versterkt, toen hij zag, hoe vurig ook Agnes’ begeerte was om naar hem te luisteren en toen hij hoorde, hoe dankbaar zij was, dat ook haar ziel vrede daarbij vond.
Zijn blijdschap nam nog toe, toen ook Pirkheimer voor Luther in geestdrift geraakte, zoo zelfs, dat hij een brief aan Dr. Maarten schreef. O, hoe gaarne zou ook Dürer zijn hart voor den man Gods hebben uitgestort!
Met groote spanning volgde hij nu de wederwaardigheden van Luther, wien menige giftige pijl werd toegeslingerd. Kwam er een boekje uit van Luthers hand, dan was hij er dadelijk bij om daardoor steeds duidelijker de waarheid te leeren kennen, terwijl Luther zelf door de aanvallen zijner tegenpartijders stapsgewijze verder kwam in de erkentenis der waarheid.
Dürer voelde zich zoo opgewekt, zoo blijde; zijn ziel verblijdde zich in zulk een ongekend, zalig gevoel, als zelfs de hoogste lof der menschen over zijn kunst nooit bij hem had kunnen opwekken. Hij voelde zich gelukkig door den vrede Gods, die alle verstand te boven gaat.